Procedure : 2019/2800(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0047/2019

Ingediende teksten :

B9-0047/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 19/09/2019 - 7.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0020

<Date>{16/09/2019}16.9.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0047/2019</NoDocSe>
PDF 144kWORD 48k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B9‑0051/2019</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 136, lid 5, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard</Titre>

<DocRef>(2019/2800(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Jan Huitema, Hilde Vautmans, Liesje Schreinemacher, Karen Melchior, Frédérique Ries, Catherine Chabaud, Vlad‑Marius Botoş, Jérémy Decerle, Ulrike Müller</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0040/2019

B9‑0047/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard

(2019/2800(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over octrooien en kwekersrechten[1],

 gezien Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen, en met name artikel 4, waarin wordt bepaald dat werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren niet octrooieerbaar zijn[2],

 gezien het Europees Octrooiverdrag (EOV) van 5 oktober 1973, met name artikel 53, onder b), en met name artikel 33, onder b),

 gezien de mededeling van de Commissie van 8 november 2016 inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen[3],

 gezien het besluit van 29 juni 2017 van de raad van bestuur van de Europese Octrooiorganisatie tot wijziging van de artikelen 27 en 28 van het uitvoeringsreglement bij het Europees Octrooiverdrag (EOV) (CA/D 6/17),

 gezien het besluit van de technische kamer van beroep van het Europees Octrooibureau (EOB) in zaak T 1063/18 betreffende de octrooieerbaarheid van gewassen van 18 december 2018, waarin de mogelijkheid is opgenomen om octrooien te verlenen voor de natuurlijke kenmerken van gewassen,

 gezien het feit dat de president van het EOB in maart 2019 heeft verzocht om een definitieve uitspraak van de grote kamer van beroep teneinde deze kwestie af te wikkelen,

 gezien het grote aantal aanhangige zaken (ongeveer 250 octrooiaanvragen en 4 bezwaarprocedures) waarover de grote kamer van beroep van het EOB nog een besluit moet nemen,

 gezien het uitvoeringsreglement bij het EOV, en met name artikel 26, waarin wordt bepaald dat Richtlijn 98/44/EG een aanvullend middel voor uitleg vormt bij Europese octrooiaanvragen en octrooien met betrekking tot biotechnologische uitvindingen,

 gezien Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht, en met name artikel 15, onder c) en d)[4],

 gezien de conclusies van de Raad van 20 februari 2017 over de octrooieerbaarheid van gewassen,

 gezien de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, met inbegrip van de handel in namaakproducten (TRIPS-Overeenkomst), en met name artikel 27, lid 3,

 gezien de vraag aan de Commissie met verzoek om mondeling antwoord over de octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard (O‑000026/2019 – B9‑0051/2019),

 gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de onbelemmerde toegankelijkheid van plantaardig materiaal van essentieel belang is voor de innovatieve kracht en het mondiale concurrentievermogen van de Europese veredelingssector, alsook voor de ontwikkeling van nieuwe plantenrassen;

B. overwegende dat de toegang tot basisvoorzieningen van cruciaal belang is voor voedselproductie, de Europese voedselzekerheid en de keuzevrijheid van landbouwers en telers; overwegende dat de onbelemmerde toegankelijkheid van plantaardig materiaal essentieel is voor de ontwikkeling van nieuwe variëteiten die bestand zijn tegen de veranderende omstandigheden in de landbouw als gevolg van de klimaatverandering;

C. overwegende dat elke beperking van de toegang tot genetische rijkdommen, evenals elke poging tot beperking ervan, tot een buitensporige marktconcentratie kan leiden op het gebied van gewasveredeling, ten koste van de marktconcurrentie, de consument en de Europese interne markt;

D. overwegende dat gewasveredeling een innovatief proces is dat sinds het ontstaan van de landbouw door landbouwers en landbouwgemeenschappen wordt toegepast; overwegende dat niet-geoctrooieerde rassen en teeltwijzen belangrijk zijn voor de genetische diversiteit;

E. overwegende dat intellectuele-eigendomsrechten van essentieel belang zijn voor de instandhouding van economische prikkels om nieuwe plantaardige producten te ontwikkelen en voor het waarborgen van het concurrentievermogen;

F. overwegende dat Richtlijn 98/44/EG wetsvoorschriften voor biologische uitvindingen en in het bijzonder gentechnologie bevat;

G. overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 8 november 2016 duidelijk stelde dat het nooit haar bedoeling of die van het Parlement was geweest om octrooien te verlenen op natuurlijke kenmerken die in nieuwe rassen worden geïntroduceerd door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard, zoals kruising en selectie;

H. overwegende dat octrooien op conventioneel voortgebrachte producten of op genetisch materiaal dat noodzakelijk is voor conventionele voortbrenging, mogelijk afbreuk doen aan de uitzondering die is opgenomen in artikel 53, onder b), van het EOV, en in artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG;

I. overwegende dat de raad van bestuur van het Europees Octrooibureau op 29 juni 2017 de artikelen 27 en 28 van het uitvoeringsreglement bij het EOV[5] heeft gewijzigd en daarbij heeft vastgesteld dat octrooien op gewassen en dieren verboden zijn;

J. overwegende dat de raad van bestuur de Europese octrooipraktijk met deze nieuwe artikelen in lijn heeft gebracht met de door de Commissie gegeven uitlegging; overwegende dat de artikelen bijna unaniem werden goedgekeurd door de 38 lidstaten van de Europese Octrooiorganisatie;

K. overwegende dat het nieuwe artikel 28, lid 2, in overeenstemming is met artikel 53, onder b), van de EOV, aangezien de bepaling dat werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten niet octrooieerbaar mogen zijn, volledig ineffectief zou zijn wanneer producten die door middel van deze werkwijzen zijn verkregen dit wel zouden zijn, en aldus de intentie van de wetgever om octrooien op conventioneel voortgebrachte producten uit te sluiten zou belemmeren en ondermijnen;

L. overwegende dat het nieuwe artikel 28, lid 2, de tekst van het EOV verduidelijkt, zonder er een uitlegging aan te geven of ermee in tegenspraak te zijn, en dat hierin ondubbelzinnig wordt gesteld dat geen octrooien mogen worden verleend op planten en dieren die verkregen zijn door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard;

M. overwegende dat de technische kamer van beroep van het EOB op 5 december 2018 heeft verklaard dat het nieuwe artikel 28, lid 2, van het uitvoeringsreglement bij het EOV niet-bindend is voor verdere besluiten van de Europese Octrooiorganisatie, hetgeen het mogelijk maakt dat octrooien worden verleend op producten die verkregen zijn via werkwijzen van wezenlijk biologische aard[6];

N. overwegende dat de president van het EOB in maart 2019 twee vragen over de octrooieerbaarheid van planten en dieren die verkregen zijn door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard heeft voorgelegd aan de grote kamer van beroep;

O. overwegende dat, na het besluit van de technische kamer van beroep van het EOB, over een groot aantal aanhangige zaken (ongeveer 250 octrooiaanvragen en 4 bezwaarprocedures) nog een besluit moet worden genomen door de grote kamer van beroep van het EOB;

P. overwegende dat zowel het internationale stelsel voor kwekersrecht, dat gebaseerd is op het UPOV-verdrag uit 1991, als het EU-stelsel, dat gebaseerd is op Verordening (EG) 2100/94 van de Raad, als grondbeginsel hebben dat een houder van een kweekproduct anderen er niet van mag weerhouden het beschermde product voor verdere kweekactiviteiten te gebruiken;

1. herinnert eraan dat planten die verkregen zijn via werkwijzen van wezenlijk biologische aard niet octrooieerbaar zijn;

2. is van mening dat elke poging om producten te octrooieren die op conventionele wijze zijn voortgebracht of genetisch materiaal dat noodzakelijk is voor conventionele voortbrenging, afbreuk doet aan de uitzondering van artikel 53, onder b), van het Europees Octrooiverdrag en van artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG;

3. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het besluit van de technische kamer van beroep van het EOB van 5 december 2018 over de octrooieerbaarheid van gewassen (T 1063/18), waarin de mogelijkheid wordt vermeld dat het EOB octrooien gaat verlenen voor natuurlijke kenmerken die in nieuwe rassen worden ingebracht door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard, zoals kruising en selectie;

4. dringt er bij de Commissie op aan de nodige opmerkingen en verklaringen in te dienen om bij de grote kamer van beroep van het EOB opnieuw te bevestigen dat geen octrooien verleend mogen worden voor producten van werkwijzen van wezenlijk biologische aard, zoals kruising en selectie, bijvoorbeeld voor natuurlijke kenmerken die in planten worden ingebracht door middel van dergelijke processen;

5. dringt bij de Commissie aan op bescherming van de innovatieve kracht van de Europese plantveredelingssector en het algemeen openbaar belang uit hoofde van de grote kamer van beroep van het EOB, en verzoekt haar regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de nieuwste ontwikkelingen;

6. dringt er bij de Grote Kamer van beroep van het EOB op aan om de rechtszekerheid te herstellen in het belang van de gebruikers van het Europees octrooistelsel en van het publiek;

7. verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de Unie de toegang tot en het gebruik van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten zal blijven waarborgen, zodat, indien van toepassing, de praktijk om “kwekersvrijstelling” te verlenen niet verstoord wordt;

8. dringt er bij alle lidstaten op aan de politieke boodschap af te geven dat nationale octrooiautoriteiten in de EU geen octrooien mogen verlenen op producten die zijn verkregen door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard;

9. vraagt de Commissie om tijdens onderhandelingen over handels- en partnerschapsovereenkomsten samen te werken met derde landen om ervoor te zorgen dat zowel werkwijzen van wezenlijk biologische aard als via deze werkwijzen verkregen producten worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;

10. verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de ontwikkeling en de implicaties van het octrooirecht op het gebied van de bio- en gentechnologie, zoals voorgeschreven krachtens artikel 16, onder c), van Richtlijn 98/44/EG en zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn resolutie van 17 december 2015 over octrooien en kwekersrechten;

11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Europees Octrooibureau.

[1] PB C 399 van 24.11.2017, blz. 188.

[2] PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13.

[3] PB C 411 van 8.11.2016, blz. 3.

[4] PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.

[5] Officieel publicatieblad van het EOB, juli 2017 (CA/D 6/17).

[6] Schriftelijk besluit in zaak T 1063/18 van de kamer van beroep van het EOB.

Laatst bijgewerkt op: 18 september 2019Juridische mededeling