Procedure : 2019/2810(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0111/2019

Ingediende teksten :

B9-0111/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/10/2019 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


<Date>{02/10/2019}2.10.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0111/2019</NoDocSe>
PDF 133kWORD 52k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in de nationale en Europese democratische processen</Titre>

<DocRef>(2019/2810(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Christine Anderson, Nicolaus Fest, Lars Patrick Berg</Depute>

<Commission>{ID}namens de ID-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>


B9‑0111/2019

Resolutie van het Europees Parlement over buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in de nationale en Europese democratische processen

(2019/2810(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2018, getiteld “Bestrijding van online-desinformatie: een Europese benadering” (COM(2018)0236),

 gezien het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het actieplan tegen desinformatie van 14 juni 2019 (JOIN(2019)0012),

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 18 oktober 2018,

 gezien de studie met als titel “Automated tackling of disinformation” (“geautomatiseerde bestrijding van desinformatie”) , gepubliceerd door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten van het Europees Parlement op 15 maart 2019[1],

 gezien zijn resolutie van 12 maart 2019 over de veiligheidsdreigingen in verband met de toenemende technologische aanwezigheid van China in de EU en mogelijke maatregelen op EU-niveau om deze tegen te gaan[2],

 gezien zijn aanbeveling van 13 maart 2019 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid bij het opmaken van de balans ten aanzien van de door de EDEO gegeven follow-up twee jaar na het EP‑verslag over strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden[3],

 gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over het gebruik van gegevens van Facebook-gebruikers door Cambridge Analytica en de impact op de gegevensbescherming[4],

 gezien zijn resolutie van 12 december 2018 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB)[5],

 gezien het negentiende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie van de Commissie van 24 juli 2019 (COM(2019)0353),

 gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)[6],

 gezien het voorstel van de Commissie van 6 juni 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027 (COM(2018)0434),

 gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie van 17 september 2019 over buitenlandse inmenging in verkiezingen en desinformatie in de nationale en Europese democratische processen,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de pogingen van internationale actoren, inclusief de Europese Unie en door de EU gesteunde niet‑overheidsactoren, om invloed uit te oefenen op de besluitvorming door middel van inmenging deel uitmaken van een ruimere trend waarmee democratieën wereldwijd te maken krijgen;

B. overwegende dat inmenging talloze vormen kan aannemen, waaronder desinformatiecampagnes op sociale media om de publieke opinie te sturen, cyberaanvallen tegen kritieke infrastructuur en industriële spionage;

C. overwegende dat de electorale inmenging van de EU in het buitenland een grote uitdaging vormt, aangezien deze ernstige risico’s inhoudt voor de Europese democratische samenlevingen en instellingen, de fundamentele rechten en vrijheden, de rechtsstaat, de veiligheid, de economische welvaart en, uiteindelijk, de soevereiniteit;

D. overwegende dat de wereldwijde interconnectie van mensen en economieën door digitale middelen en nieuwe technologieën ervoor heeft gezorgd dat internationale actoren meer instrumenten ter beschikking staan, inclusief buitenlandse inmenging door de EU; overwegende dat mediaplatforms gemakkelijk kunnen worden gebruikt om desinformatie en nepnieuws te verspreiden;

E. overwegende dat bekendheid moet worden gegeven aan de desinformatiecampagnes van de EU, aangezien deze een van de belangrijkste bronnen van desinformatie in Europa vormen;

1. benadrukt het feit dat vrijheid van meningsuiting en mediapluralisme de kern vormen van weerbare democratische samenlevingen, en voorzien in de beste waarborgen tegen desinformatiecampagnes en vijandige propaganda;

2. benadrukt het individuele recht van alle burgers van de lidstaten om hun informatie te verkrijgen op de manier die zij verkiezen, zonder te worden gecontroleerd of gemanipuleerd door een regering of een EU-instelling;

3. herhaalt dat door de EU gesponsorde propaganda tijdens verkiezingen, zoals het referendum over de brexit in het VK, het recht van mensen ondermijnt om hun stem te laten horen over het bestuur van hun land, rechtstreeks of via vrij gekozen vertegenwoordigers, zoals vastgesteld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens;

4. veroordeelt krachtig het aanhoudende gebruik van EU-propaganda in kleuter- en lagere scholen in de EU-lidstaten;

5. veroordeelt krachtig de uitgaven voor EU-propaganda in de lidstaten;

6. merkt op dat er geen onweerlegbaar bewijs is van Russische inmenging in de Europese verkiezingen en dat na langdurig onderzoek het rapport-Mueller over de Russische activiteit in de Amerikaanse verkiezingen geen uitsluitsel heeft gegeven; merkt voorts op dat de internationale pers twijfels heeft geuit over de mogelijke bemoeienis van sommige regeringen van lidstaten tijdens de laatste campagne van de presidentsverkiezingen in de VS;

7. merkt op dat het onduidelijk is of de zogeheten klimaatbeweging een hybride bedreiging vormt, aangezien zij wordt gefinancierd door particuliere en mogelijk overheidsactoren om invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming binnen en door de EU ten nadele van haar burgers; verzoekt de Commissie de financiële achtergrond van de klimaatbeweging te onderzoeken om na te gaan of er sprake is van buitenlandse inmenging;

8. verzoekt de Commissie ervoor op haar hoede te zijn dat de EU bij haar inspanningen ter bestrijding van desinformatie een “ministerie van waarheid” in het leven roept, en zo de vrijheid van meningsuiting en het recht op het verstrekken van informatie en het verspreiden van ideeën zonder inmenging van de overheid beperkt;

9. verzoekt de Commissie en de lidstaten te voorkomen dat de EU een (contra)propagandamachine wordt die alle vormen van oppositie tegen haar verhaal onmogelijk maakt;

10. verzoekt de Commissie te voorkomen dat de EU-burgers aan zelfcensuur gaan doen door de angst te creëren dat elke vorm van kritiek op de EU onmogelijk zal worden gemaakt en/of bestraft zal worden;

11. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de strategieën tegen desinformatie en propaganda niet worden gebruikt als instrument ter voorkoming of onderdrukking van kritiek op de EU;

12. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en aan de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

 

[1] Directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten, afdeling Wetenschappelijke Toekomstverkenningen, 15 maart 2019.

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0156.

[3] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0187.

[4] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0433.

[5] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0514.

[6] PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 3 oktober 2019Juridische mededeling