Procedure : 2019/2755(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0130/2019

Ingediende teksten :

B9-0130/2019

Debatten :

PV 23/10/2019 - 18
CRE 23/10/2019 - 18

Stemmingen :

PV 24/10/2019 - 8.9
CRE 24/10/2019 - 8.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


<Date>{21/10/2019}21.10.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0130/2019</NoDocSe>
PDF 140kWORD 46k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van vragen met verzoek om mondeling antwoord B9‑0052/2019 en B9‑0053/2019</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 136, lid 5, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over opsporing en redding in het Middellandse Zeegebied</Titre>

<DocRef>(2019/2755(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Nicola Procaccini</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>


B9‑0130/2019

Resolutie van het Europees Parlement over opsporing en redding in het Middellandse Zeegebied

(2019/2755(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos), 

 gezien het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee (hierna “het SAR‑Verdrag” genoemd),

 gezien Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf[1],

 gezien Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf[2] (de “richtlijn hulpverlening”),

 gezien de conclusies van de Europese Raad over migratie van 28 juni 2018,

 gezien de vragen aan de Commissie en de Raad over opsporing en redding in het Middellandse Zeegebied (O-000024/2019 – B9‑0052/2019 en O-000025 – B9‑0053/2019),

 gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat cijfers van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) aantonen dat het dodental in de Middellandse Zee dit jaar is gedaald (1 041 in de periode van 1 januari tot 2 oktober 2019, vergeleken met 1 890 tijdens dezelfde periode in 2018);

B. overwegende dat in artikel 19, lid 2, onder g), van Unclos is bepaald dat de doorvaart van een vreemd schip wordt geacht gevaar op te leveren voor de vrede, de orde of de veiligheid van de kuststaat indien het zich in de territoriale zee bezighoudt met het in- of ontschepen van goederen, valuta of personen in strijd met de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid;

C. overwegende dat in hoofdstuk I, artikel 3, lid 13, van de Bijlage bij het SAR-Verdrag is bepaald dat “noodfase” betekent dat er een situatie is waarin een redelijke mate van zekerheid bestaat dat een persoon, schip of ander vaartuig aan ernstig en dreigend gevaar blootstaat en onmiddellijk hulp nodig heeft;

D. overwegende dat in hoofdstuk II, artikel 3, lid 2, van de Bijlage bij het SAR-Verdrag is bepaald dat enkel reddingscoördinatiecentra en reddingssubcentra regelingen mogen treffen voor de ontvangst van noodberichten afkomstig uit een bepaald opsporings- en reddingsgebied;

E. overwegende dat alle vaartuigen die in het Middellandse Zeegebied actief zijn, verplicht zijn de desbetreffende internationale verdragen en nationale wetgeving in acht te nemen;

F. overwegende dat de Libische kustwacht volgens de Hoge Commissaris van de VN voor de Vluchtelingen (UNHCR) in de periode tot 27 september 2019 6 889 personen op zee heeft gered of onderschept, en teruggebracht naar Libië; overwegende dat het UNHCR aan de ontscheepte personen medische hulp en essentiële hulpgoederen heeft geboden;

G. overwegende dat in de periode tot 30 september 2019 7 759 migranten begeleiding bij vrijwillige humanitaire terugkeer hebben ontvangen van de IOM (vanuit Libië naar 33 verschillende landen van herkomst), en dat 7 077 van deze migranten zijn geholpen door middel van steun uit het EU-noodtrustfonds voor Afrika;

H. overwegende dat het UNHCR op 26 september 2019 66 kwetsbare vluchtelingen en asielzoekers heeft geëvacueerd uit Libië en heeft overgebracht naar het onlangs opgerichte noodtransitmechanisme in Kigali, Rwanda;

I. overwegende dat Tunesië volgens de gegevens van het Italiaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken sinds 29 september 2019 het voornaamste land van vertrek richting Italië is;

J. overwegende dat de op 23 september 2019 in Malta ondertekende gezamenlijke intentieverklaring over een gecontroleerde noodprocedure een vage toezegging bevat dat er een doeltreffender tijdelijk solidariteitsmechanisme moet komen dat meer zekerheid biedt en waarborgt dat migranten die op volle zee door vaartuigen aan boord worden genomen aan land kunnen gaan; overwegende dat deze toezegging op dit moment door zeer weinig lidstaten wordt gesteund;

K. overwegende dat in Kaderbesluit 2002/946/JBZ tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf, minimumvoorschriften voor rechtsprakelijke sancties zijn opgenomen voor hulpverlening bij illegale binnenkomst, zoals omschreven in Richtlijn 2002/90/EG van de Raad, ook als er geen sprake is van winstbejag, en dat de voorschriften in dit kaderbesluit worden uitgebreid naar illegale doortocht, uitlokkers en medeplichtigen;

L. overwegende dat in Richtlijn 2002/90/EG van de Raad is bepaald dat eenieder die een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, opzettelijk helpt om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen of zich daarover te verplaatsen op een wijze die in strijd is met de wetgeving van die staat met betrekking tot de binnenkomst of doorreis van vreemdelingen, beschouwd wordt als hulpverlener; overwegende dat er bij hulpverlening bij illegale migratie volgens het EU-recht niet noodzakelijkerwijs sprake hoeft te zijn van winstbejag;

M. overwegende dat het bedrijfsmodel van smokkelaars erin bestaat misbruik te maken van de voorschriften inzake opsporings- en reddingsoperaties (SAR) die zijn vastgelegd in het internationale recht en dat smokkelaars, met het oog op het uitvoeren van criminele activiteiten, gebruikmaken van de aanwezigheid van particuliere vaartuigen van ngo’s in de Middellandse Zee; overwegende dat smokkelaars zeer snel inspelen op alle veranderende politieke eventualiteiten, zowel op Europees als op nationaal niveau;

N. overwegende dat de Raad en de Commissie, om het bedrijfsmodel van smokkelaars definitief te doorbreken en zo het tragische verlies van mensenlevens te voorkomen en ervoor te zorgen dat migranten niet langer worden aangespoord om deze gevaarlijke reizen te ondernemen, zo snel mogelijk het plan voor regionale ontschepingsplatformen moeten onderzoeken, in nauwe samenwerking met de desbetreffende derde landen, evenals het UNHCR en de IOM, overeenkomstig de conclusies van de Raad van 28 juni 2018;

O. overwegende dat de ontwikkeling van een definitieve strategie voor opsporings- en reddingsoperaties en de vaststelling van een permanent verdeelmechanisme voor op zee geredde migranten belangrijke ongewilde pullfactoren zijn, waardoor meer migranten zullen worden aangespoord om de gevaarlijke oversteek te maken en er meer tragische en onnodige doden zullen vallen;

P. overwegende dat nationale en vrijwillige hervestigingsregelingen diegenen die daadwerkelijk internationale bescherming nodig hebben een reëel alternatief bieden voor onveilige migratietrajecten;

Q. overwegende dat een langetermijnvisie voor de ontwikkeling van Afrika gericht op de onderliggende oorzaken van illegale migratie ervoor zou zorgen dat er minder economische en klimaatmigranten zouden vertrekken;

1. herinnert aan de verplichting uit hoofde van het internationale zeerecht om bijstand te verlenen aan personen in nood; dringt er bij alle overheids- en particuliere vaartuigen die opsporings- en reddingsoperaties uitvoeren op aan om de instructies van het bevoegde reddingscoördinatiecentrum te volgen en samen te werken met zowel de instanties van de lidstaten als Frontex, om de levens van de migranten en de veiligheid van de lidstaten te beschermen;

2. roept alle spelers in het Middellandse Zeegebied die betrokken zijn bij opsporings- en reddingsoperaties op om informatie over personen op zee die in nood verkeren, te delen met de bevoegde autoriteiten op het gebied van opsporings- en reddingsoperaties;

3. brengt in herinnering dat iedere lidstaat de nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 2002/90/EG bedoelde strafbare feiten bestraft kunnen worden met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke straffen, die kunnen leiden tot uitlevering;

4. brengt in herinnering dat de lidstaten volgens de EU-wetgeving inzake hulpverlening bij illegale migratie het recht hebben om per geval te beoordelen of de door particuliere vaartuigen uitgevoerde opsporings- en reddingsoperaties enkel en alleen gericht zijn op het verlenen van humanitaire bijstand;

5. dringt er bij de lidstaten op aan om de registratie van ngo-vaartuigen zo transparant mogelijk te maken, zodat duidelijk wordt door wie zij gefinancierd worden;

6. herinnert eraan dat lidstaten het volste recht hebben om hun nationale wetgeving toe te passen wanneer zij moeten beslissen om een ngo-vaartuig wel of niet toe te laten tot hun havens;

7. wijst erop dat internationale organisaties die in de regio actief zijn zich proactief inzetten om mensen in detentiecentra in Libië die internationale bescherming behoeven zo snel mogelijk te evacueren, en dat deze organisaties op dit moment proefprojecten uitvoeren met het doel om diegenen die geen internationale bescherming nodig hebben terug te sturen naar hun land van herkomst;

8. wijst erop dat migranten die uit detentiecentra in Libië zijn gehaald bescherming kunnen krijgen in, of veilig teruggestuurd kunnen worden naar, derde landen buiten de EU;

9. wijst erop dat het aantal doden op zee enkel kan worden beperkt door ervoor te zorgen dat migranten niet meer aan deze gevaarlijke reis beginnen;

10. roept de Raad en de Commissie op om het plan voor regionale ontschepingsplatformen spoedig te onderzoeken, in nauwe samenwerking met de desbetreffende derde landen, alsook het UNHCR en de IOM, om het bedrijfsmodel van smokkelaars definitief te doorbreken;

11. verzoekt de lidstaten meer inspanningen te leveren om vrijwillige hervestigingsregelingen op te zetten, als een alternatief voor onveilige migratietrajecten voor migranten die daadwerkelijk internationale bescherming nodig hebben en zo naar de Europese Unie kunnen komen;

12. verzoekt de Commissie om rationale en haalbare beleidsmaatregelen voor te stellen zodat enkel migranten die echt internationale bescherming nodig hebben naar de Europese Unie kunnen komen, via een veilig traject;

13. dringt er bij de Commissie op aan constructief te werken aan versterkte samenwerking met de belangrijkste derde landen van herkomst en doorreis om zo oplossingen voor de lange termijn te vinden die de onderliggende oorzaken van economische en klimaatmigratie aanpakken;

14. nodigt de lidstaten uit om de invoering van een meer structureel surveillancesysteem voor vaartuigen die vertrekken vanuit Libië te overwegen, en om na te denken over de mogelijkheid een zeeblokkade in te stellen voor de kust van Libië om zo de criminele activiteiten van smokkelaars een halt toe te roepen;

15. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, Europol en de IOM.

 

[1] PB L 328 van 5.12.2002, blz. 1.

[2] PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17.

Laatst bijgewerkt op: 23 oktober 2019Juridische mededeling