Procedure : 2019/2883(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0161/2019

Ingediende teksten :

B9-0161/2019

Debatten :

PV 23/10/2019 - 21
CRE 23/10/2019 - 21

Stemmingen :

PV 24/10/2019 - 8.10
CRE 24/10/2019 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0050

<Date>{22/10/2019}22.10.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0161/2019</NoDocSe>
PDF 138kWORD 47k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over het openen van de toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië</Titre>

<DocRef>(2019/2883(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Michael Gahler, Željana Zovko, David McAllister, Sandra Kalniete, Kinga Gál, Andor Deli, László Trócsányi</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0156/2019

B9‑0161/2019

Resolutie van het Europees Parlement over het openen van de toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië

(2019/2883(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de conclusies van de Raad van 17 en 18 oktober 2019,

 gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2019 over uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces,

 gezien de mededeling van de Commissie van 29 mei 2019 over het EU-uitbreidingsbeleid (COM(2019)0260) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie getiteld “Albania 2019 Report” (SWD(2019)0215) en “North Macedonia 2019 Report” (SWD(2019)0218),

 gezien zijn eerdere resoluties over Albanië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, met name die van 15 februari 2017[1] en 29 november 2018[2] over de verslagen van de Commissie over Albanië uit 2016 en 2018, en van 14 juni 2017[3] en 29 november 2018[4] over de verslagen van de Commissie over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië/Noord-Macedonië uit 2016 en 2018,

 gezien de toetreding van Albanië tot de NAVO in 2009 en het feit dat Noord-Macedonië momenteel op weg is het dertigste lid van de NAVO te worden,

 gezien de gezamenlijke brief d.d. 3 oktober 2019 van voorzitters Tusk, Sassoli en Juncker en nieuwgekozen voorzitter von der Leyen over het openen van toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië,

 gezien de mededeling van de Commissie van 16 oktober 2013 met als titel “Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2013-2014” (COM(2013)0700),

 gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

 gezien de definitieve overeenkomst voor de regeling van geschillen als beschreven in Resoluties 817 (1993) en 845 (1993) van de VN-Veiligheidsraad, de beëindiging van het interimakkoord van 1995 en de oprichting op 17 juni 2018 van een strategisch partnerschap tussen Griekenland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, de zogenoemde Prespa-overeenkomst,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Europese Raad van Thessaloniki in 2003 zijn steun uitsprak voor de toekomstige integratie van de landen van de Westelijke Balkan in de Europese structuren, en verklaarde dat hun uiteindelijke lidmaatschap van de Unie hoog op de agenda staat voor de EU en dat de Balkan integraal deel zal uitmaken van een verenigd Europa;

B. overwegende dat de Europese Raad heeft besloten om vóór de top tussen de EU en de Westelijke Balkan in mei 2020 te Zagreb op de uitbreidingskwestie terug te komen;

C. overwegende dat het besluit om toetredingsonderhandelingen te openen met Noord-Macedonië en Albanië al in juni 2019 was uitgesteld;

D. overwegende dat Noord-Macedonië vervroegde verkiezingen heeft aangekondigd vanwege het uitgestelde besluit om de onderhandelingen met het land te openen;

1. is diep teleurgesteld dat de EU niet heeft ingestemd met het openen van toetredingsonderhandelingen met Noord-Macedonië en Albanië, aangezien beide landen aanzienlijke inspanningen hebben geleverd om te voldoen aan de eisen van de EU voor het openen van toetredingsonderhandelingen, waarbij zij moeilijke maar historische stappen hebben gezet zoals de ratificatie van de Prespa-overeenkomst door Noord-Macedonië en de door Albanië uitgevoerde hervorming van de rechterlijke macht;

2. benadrukt dat het besluit om niet te beginnen met de toetredingsonderhandelingen de geloofwaardigheid van de EU aantast, aangezien de integratie van landen die voldoen aan de toetredingsvoorwaarden de EU helpt haar internationale rol te handhaven en haar belangen te beschermen, terwijl de weg naar toetreding tot de EU ook een transformerend effect heeft op de kandidaat-lidstaten zelf; stelt daarnaast dat het uitbreidingsbeleid van de EU het meest doeltreffende instrument van het buitenlands beleid van de Unie is geweest en dat de verdere ontmanteling ervan kan leiden tot een steeds onstabielere situatie in de onmiddellijke nabijheid van de EU;

3. merkt op dat er na de start van het uitbreidingsproces geen hervorming van dit proces meer kan plaatsvinden en dat het proces geen belemmering mag vormen voor de landen die voldoen aan de vereisten voor het openen van toetredingsonderhandelingen; merkt verder op dat de kandidaat-lidstaten moeten worden beoordeeld op basis van hun eigen verdiensten en van objectieve criteria in plaats van op overwegingen van binnenlands beleid in de afzonderlijke lidstaten, en dat de snelheid en de kwaliteit van de hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen;

4. benadrukt dat het verzuim van de EU om de toetredingsonderhandelingen te openen ertoe heeft geleid dat er vervroegde verkiezingen zijn uitgeschreven in Noord-Macedonië met als gevolg dat de partijen die compromissen hebben gesloten niet meer geloofwaardig zijn; is van mening dat deze kandidaat-lidstaten daardoor in een kwaad daglicht komen te staan en er zo een smet wordt geworpen op de goede nabuurschapsbetrekkingen; stelt met bezorgdheid vast dat dit andere buitenlandse actoren, waarvan de activiteiten mogelijk niet in overeenstemming zijn met de waarden en belangen van de EU, de gelegenheid kan geven de banden met zowel Noord-Macedonië als Albanië aan te halen;

5. benadrukt dat dit besluit een waarschuwingssignaal afgeeft aan andere kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten in de Westelijke Balkan en de deur openzet voor andere invloeden;

6. betreurt het dat dit besluit de inspanningen van het Parlement in het uitbreidingsproces en de strategie voor de Westelijke Balkan ondermijnt;

7. betreurt het dat de lidstaten niet tot een unaniem besluit over het openen van de onderhandelingen hebben kunnen komen, en verzoekt de lidstaten verantwoordelijkheid te tonen jegens Albanië en Noord-Macedonië en een unaniem positief besluit te nemen over het openen van de onderhandelingen, waarbij zij de gevolgen van niets doen in het achterhoofd moeten houden, aangezien het gebrek aan doortastende besluiten de stabiliteit, voorspelbaarheid en geloofwaardigheid van de EU in de ogen van onze partners ondermijnt;

8. is van mening dat de nieuwe Commissie onmiddellijk de balans van het uitbreidingsbeleid moet opmaken, daarbij rekening houdend met de gevolgen van het recente besluit van de Raad, en de nadruk moet leggen op de voordelen van de uitbreiding, zowel voor de kandidaat-lidstaten als voor de EU-lidstaten; vindt daarnaast dat de Commissie om die reden de strategie voor de Westelijke Balkan van februari 2018 moet herevalueren en wijzigen;

9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU‑lidstaten, en de regering en het parlement van Noord-Macedonië en Albanië.

 

[1] PB C 252 van 18.7.2018, blz. 122.

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0481.

[3] PB C 331 van 18.9.2018, blz. 88.

[4] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0480.

Laatst bijgewerkt op: 23 oktober 2019Juridische mededeling