Procedure : 2019/2855(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0225/2019

Ingediende teksten :

B9-0225/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 28/11/2019 - 8.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0080

<Date>{25/11/2019}25.11.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0225/2019</NoDocSe>
PDF 169kWORD 55k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul en andere maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld</Titre>

<DocRef>(2019/2855(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Arba Kokalari, Bartosz Arłukowicz, Frances Fitzgerald</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Sylwia Spurek, Pina Picierno, Maria Noichl, Birgit Sippel, Łukasz Kohut, Robert Biedroń</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>María Soraya Rodríguez Ramos, Yana Toom, Abir Al‑Sahlani, Petras Auštrevičius, Malik Azmani, Phil Bennion, Izaskun Bilbao Barandica, Gilles Boyer, Jane Brophy, Sylvie Brunet, Catherine Chabaud, Olivier Chastel, Fredrick Federley, Klemen Grošelj, Christophe Grudler, Ivars Ijabs, Sophia in ’t Veld, Karin Karlsbro, Ilhan Kyuchyuk, Nathalie Loiseau, Radka Maxová, Shaffaq Mohammed, Jan‑Christoph Oetjen, Maite Pagazaurtundúa, Frédérique Ries, Liesje Schreinemacher, Stéphane Séjourné, Monica Semedo, Susana Solís Pérez, Ramona Strugariu, Irène Tolleret, Nils Torvalds, Hilde Vautmans, Marie‑Pierre Vedrenne, Irina Von Wiese, Chrysoula Zacharopoulou</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew­Fractie</Commission>

<Depute>Alice Kuhnke, Terry Reintke, Saskia Bricmont, Alexandra Louise Rosenfield Phillips, Tilly Metz, Diana Riba i Giner, Petra De Sutter, Ernest Urtasun, Kim Van Sparrentak, Rasmus Andresen, Tineke Strik, Gwendoline Delbos‑Corfield, Marie Toussaint</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Eugenia Rodríguez Palop, Miguel Urbán Crespo, Idoia Villanueva Ruiz, Manuel Bompard, Leila Chaibi, Marc Botenga, Elena Kountoura, Pernando Barrena Arza, Konstantinos Arvanitis, Petros Kokkalis, Dimitrios Papadimoulis, Özlem Demirel, Alexis Georgoulis, Manon Aubry, Giorgos Georgiou, José Gusmão, Niyazi Kizilyürek, Stelios Kouloglou, Marisa Matias</Depute>

<Commission>{GUE/NGL}namens de GUE/NGL-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

B9‑0225/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul en andere maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld

(2019/2855(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

 gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat op 11 mei 2011 in Istanbul voor ondertekening werd opengesteld (hierna het “Verdrag van Istanbul” genoemd),

 gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking die op 15 september 1995 tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie werden aangenomen en de latere slotdocumenten van de bijzondere zittingen van de Verenigde Naties Peking +5 (2005), Peking +15 (2010) en Peking +20 (2015),

 gezien de bepalingen van de rechtsinstrumenten van de VN op het gebied van de mensenrechten, in het bijzonder met betrekking tot de rechten van de vrouw,

 gezien het voorstel voor een besluit van de Raad van 4 maart 2016 (COM(2016)0109),

 gezien Besluit (EU) 2017/865 van de Raad van 11 mei 2017 over de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken[1],

 gezien Besluit (EU) 2017/866 van de Raad van 11 mei 2017 over de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot gendergerelateerd asiel en non-refoulement[2],

 gezien het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, in het bijzonder de artikelen 26 en 27 daarvan,

 gezien de relevante jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

 gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ[3],

 gezien Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel[4] en Verordening (EU) nr. 606/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken[5],

 gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad[6], en Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad[7],

 gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep[8], en Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten[9], welke richtlijnen voorzien in een definitie van intimidatie en seksuele intimidatie en deze veroordelen,

 gezien zijn resolutie van 4 april 2019 met een verzoek aan het Hof van Justitie om advies over de verenigbaarheid van de Verdragen met de voorstellen voor de toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en over de procedure voor deze toetreding[10],

 gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over maatregelen ter voorkoming en bestrijding van pesterijen en seksuele intimidatie op het werk, in de openbare ruimte en in het politieke leven in de EU[11],

 gezien zijn resolutie van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU[12],

 gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2016)01092016/0062(NLE))[13],

 gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015[14],

 gezien de EU-richtsnoeren van 8 december 2008 inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van deze groepen,

 gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015, getiteld “Strategic engagement for gender equality 2016-2019” (SWD(2015)0278),

 gezien het verslag van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA) van maart 2014 getiteld “Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête”,

 gezien het advies van de Commissie van Venetië van 14 oktober 2019 over Armenië, over de constitutionele gevolgen van de ratificatie van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

 gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht[15],

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele waarde van de EU is; overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat verankerd is in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten, en dat volledig geëerbiedigd moet worden;

B. overwegende dat volgens de gendergelijkheidsindex van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) in geen van de EU-landen sprake is van volledige gelijkheid van vrouwen en mannen; overwegende dat de uitbanning van gendergerelateerd geweld een noodzakelijke voorwaarde is om volledige gelijkheid te verwezenlijken;

C. overwegende dat de bestrijding van gendergerelateerd geweld behoort tot de prioriteiten van het “Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019” van de EU;

D. overwegende dat “geweld tegen vrouwen”, zoals gedefinieerd in het Verdrag van Istanbul, wordt beschouwd als een schending van de mensenrechten en een vorm van discriminatie van vrouwen, en hieronder alle vormen van gendergerelateerd geweld worden verstaan die leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot fysiek, seksueel of psychologisch letsel of leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt;

E. overwegende dat de term “feminicide” in het monitoringmechanisme (MESECVI) bij het Verdrag van Belém do Pará gedefinieerd is als “de gewelddadige dood van vrouwen op grond van geslacht, ongeacht of dit in een gezin, bij ongehuwde partners, binnen een andere interpersoonlijke relatie, of in de gemeenschap, door een andere persoon geschiedt, of wanneer deze feiten gepleegd of getolereerd worden door de staat of zijn functionarissen, door handelen of nalaten”[16];

F. overwegende dat in het Verdrag van Istanbul is bepaald dat alle bepalingen van dit verdrag, met name maatregelen ter bescherming van de rechten van slachtoffers, worden gewaarborgd zonder discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, gender, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere opvatting, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, seksuele geaardheid, genderidentiteit, leeftijd, gezondheid, handicap, burgerlijke staat, migranten- of vluchtelingenstatus of andere status;

G. overwegende dat geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, zowel fysiek als psychologisch, wijdverbreid zijn, en vrouwen in alle lagen van de bevolking treffen, ongeacht hun leeftijd, opleidingsniveau, inkomen, maatschappelijke positie, land van herkomst of land van verblijf;

H. overwegende dat gendergerelateerd geweld zowel een oorzaak als een gevolg is van de structurele ongelijkheden die vrouwen in vele aspecten van het leven ervaren: werk, gezondheid, toegang tot financiële middelen, macht en kennis, en mogelijkheden om hun eigen tijd in te delen; overwegende dat voor de bestrijding van gendergerelateerd geweld inzicht vereist is in de oorzaken en de factoren die dit in de hand werken;

I. overwegende dat het, wanneer getracht wordt de prevalentie van geweld tegen vrouwen in onze samenleving te verklaren, belangrijk is te erkennen dat er sprake is van structureel of institutioneel geweld, dat gedefinieerd kan worden als de achterstelling van vrouwen in het economische, maatschappelijke en politieke leven;

J. overwegende dat vrouwen in de Europese Unie als gevolg van verschillende vormen van beleid en wetgeving in de lidstaten niet hetzelfde niveau van bescherming genieten tegen gendergerelateerd geweld;

K. overwegende dat de rechtsstelsels vrouwen vaak niet voldoende ondersteunen; overwegende dat slachtoffers vernederende reacties van rechtshandhavingsambtenaren kunnen krijgen, en vaak in een situatie van afhankelijkheid verkeren, wat hun angst om het geweld te melden vergroot;

L. overwegende dat het laatste decennium op mondiaal en Europees niveau een zichtbaar en georganiseerd offensief op gang is gekomen tegen gendergelijkheid en vrouwenrechten, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

M. overwegende dat uit de enquête van het FRA uit 2014 blijkt dat een derde van alle vrouwen in Europa sinds de leeftijd van vijftien jaar minstens één keer te maken heeft gehad met fysiek of seksueel geweld, 55 % reeds te maken heeft gehad met een of meerdere vormen van seksuele intimidatie, 11 % met cyberintimidatie, een op de twintig (5 %) ooit verkracht werd, en meer dan een op de tien reeds slachtoffer is geweest van seksuele agressie waarbij geweld werd gebruikt; overwegende dat in veel lidstaten meer dan de helft van alle vrouwelijke slachtoffers van moord gedood zijn door een partner, naaste verwant of familielid; overwegende dat de slachtoffers in het geval van partnergeweld slechts in 14 % van de zaken melding hadden gemaakt van de meest ernstige incidenten, en in het geval van niet-partnergeweld slechts in 13 % van de zaken, wat op een enorme onderrapportage wijst; overwegende dat de #MeToo-beweging de afgelopen vrouwen en meisjes heeft aangemoedigd om melding te maken van misbruik, geweld en intimidatie;

N. overwegende dat moderne vormen van slavernij en mensenhandel met name vrouwen treffen en in de EU nog steeds een hardnekkig verschijnsel vormen; overwegende dat 71 % van alle slachtoffers van mensenhandel wereldwijd meisjes en vrouwen zijn, en dat drie op de vier van deze vrouwen en meisjes seksueel uitgebuit worden[17];

O. overwegende dat geweld en intimidatie op het internet vaak fysieke gevolgen hebben, en dat het risico groot is dat zij verder geweld uitlokken doordat zij onlinegebruikers stimuleren om het geweld en de intimidatie waarover ze lezen te imiteren en soortgelijke daden te plegen;

P. overwegende dat bepaalde groepen vrouwen en meisjes, zoals vrouwelijke migranten, vluchtelingen en asielzoekers, vrouwen en meisjes met een handicap, LBTI-vrouwen en Roma-vrouwen, geconfronteerd worden met meervoudige en elkaar overlappende vormen van discriminatie: overwegende dat zij bijgevolg nog kwetsbaarder zijn voor gendergerelateerd geweld, moeilijk toegang vinden tot de rechter en tot ondersteunings- en beschermingsdiensten, en belemmerd worden bij de uitoefening van hun grondrechten;

Q. overwegende dat vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld en hun kinderen vaak behoefte hebben aan bijzondere ondersteuning en bescherming, gezien het hoge risico op hervictimisatie, intimidatie en vergelding in verband met dergelijk geweld;

R. overwegende dat gendergerelateerd geweld de mensenrechten, de maatschappelijke stabiliteit en veiligheid, de volksgezondheid en de onderwijs- en arbeidskansen voor vrouwen, alsook het welzijn en de ontwikkelingsperspectieven van kinderen en gemeenschappen ondermijnt;

S. overwegende dat blootstelling aan fysiek, seksueel of psychologisch geweld en misbruik ernstige gevolgen heeft voor de slachtoffers, en dat dit kan leiden tot blijvende fysieke, seksuele, emotionele of psychische schade of tot economisch en financieel verlies;

T. overwegende dat de straffeloosheid voor de plegers van misdaden tegen vrouwen blijft voortduren en uitgebannen moet worden door te waarborgen dat de daders worden vervolgd en dat vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van geweld passende ondersteuning en erkenning van het rechtsstelsel krijgen; overwegende dat het van fundamenteel belang is dat opleidingen georganiseerd worden voor dienstverleners die geweld tegen vrouwen bestrijden, zoals rechtshandhavers, rechters of beleidsmakers;

U. overwegende dat de EU, in samenwerking met de lidstaten, alle nodige maatregelen moet nemen ter bevordering en bescherming van het recht van alle vrouwen en meisjes om in zowel het openbare als het privéleven gevrijwaard te worden van geweld;

V. overwegende dat acht jaar verstreken zijn sinds de aanneming van het Verdrag van Istanbul, maar dat nog niet alle lidstaten het hebben geratificeerd, ook de EU zelf nog niet;

1. veroordeelt alle vormen van gendergerelateerd geweld en betreurt dat vrouwen en meisjes nog steeds blootgesteld worden aan psychologisch, fysiek, seksueel en economisch geweld, met inbegrip van huiselijk geweld, seksuele intimidatie, cybergeweld, stalking, verkrachting, vroegtijdige en gedwongen huwelijken, vrouwelijke genitale verminking (VGV), misdaden die zijn gepleegd in naam van “eer”, gedwongen abortus, gedwongen sterilisatie, seksuele uitbuiting en mensenhandel en andere vormen van geweld die een ernstige schending van hun mensenrechten en waardigheid vormen; is ernstig bezorgd over de gevallen van feminicide in Europa, de meest extreme vorm van geweld tegen vrouwen;

2. verzoekt de Raad de ratificatie van het Verdrag van Istanbul door de EU zo snel mogelijk af te ronden op basis van een brede toetreding zonder enige beperkingen, en te pleiten voor de ratificatie van het verdrag door alle lidstaten; vraagt de Raad en de Commissie te zorgen voor de volledige integratie van het verdrag in het wetgevings- en beleidskader van de EU; herinnert eraan dat de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul de lidstaten niet vrijstelt van nationale ratificering van dit verdrag; verzoekt de lidstaten de onderhandelingen over de ratificatie en tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul te bespoedigen, en vraagt met name de zeven lidstaten die het verdrag hebben ondertekend maar nog niet geratificeerd, dit onverwijld te doen;

3. veroordeelt met klem de pogingen in sommige lidstaten om de reeds getroffen maatregelen bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul en de bestrijding van geweld tegen vrouwen in te trekken;

4. verzoekt de lidstaten te zorgen voor een behoorlijke tenuitvoerlegging en handhaving van het verdrag, en te voorzien in toereikende financiële middelen en personeel om geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden en de slachtoffers te beschermen; dringt er bij de lidstaten op aan rekening te houden met de aanbevelingen van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (GREVIO) van de Raad van Europa, en hun wetgeving te verbeteren en meer af te stemmen op de bepalingen van het Verdrag van Istanbul;

5. benadrukt dat het Verdrag van Istanbul de internationale standaard en het belangrijkste instrument blijft om de plaag van gendergerelateerd geweld uit te bannen, door een holistische, alomvattende en gecoördineerde benadering te volgen waarbij de rechten van het slachtoffer centraal staan en de kwestie van geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huiselijk geweld, wordt aangepakt vanuit een ruime waaier aan oogpunten, aan de hand van maatregelen zoals de preventie van geweld, de strijd tegen discriminatie, strafrechtelijke maatregelen ter bestrijding van straffeloosheid, bescherming van en hulp aan slachtoffers, bescherming van kinderen, bescherming van vrouwen die asielzoeker of vluchteling zijn, de invoering van risicobeoordelingsprocedures en risico-inschatting en een betere verzameling van gegevens, alsook door bewustmakingscampagnes en -programma’s, ook in samenwerking met nationale mensenrechteninstanties en instanties voor gelijke kansen, het maatschappelijk middenveld en ngo’s;

6. veroordeelt de aanvallen en campagnes tegen het Verdrag van Istanbul door de opzettelijk onjuiste interpretatie en bewuste misleiding van de bevolking;

7. bevestigt nadrukkelijk dat de ontzegging van diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is, en benadrukt dat het EHRM bij verschillende gelegenheden heeft geoordeeld dat een restrictieve abortuswetgeving en een gebrek aan tenuitvoerlegging van die wetgeving de mensenrechten van vrouwen schenden;

8. benadrukt dat bewustmakingscampagnes die genderstereotypen en patriarchaal geweld bestrijden en nultolerantie ten aanzien van intimidatie en gendergerelateerd geweld promoten fundamentele instrumenten zijn om deze schending van de mensenrechten te bestrijden; is van mening dat bredere op antidiscriminatie gebaseerde onderwijsstrategieën een belangrijk instrument zijn om alle vormen van geweld te voorkomen, met name gendergerelateerd geweld, en vooral tijdens de adolescentie;

9. benadrukt dat maatregelen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld doeltreffender gemaakt moeten worden door ze gepaard te laten gaan met acties die gericht zijn op empowerment en economische onafhankelijkheid van vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld;

10. vraagt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor passende gendersensitiviteitstrainingen, -procedures en -richtsnoeren waarbij de rechten van slachtoffers centraal geplaatst worden, voor alle beroepsbeoefenaars die omgaan met de slachtoffers van alle vormen van gendergerelateerd geweld, teneinde discriminatie, traumatisering of hervictimisatie bij gerechtelijke, medische en politieprocedures te voorkomen; dringt aan op dergelijke verbeteringen om het meldingspercentage van deze misdrijven omhoog te krijgen;

11. herinnert aan zijn standpunt dat een bedrag van 193,6 miljoen EUR toegewezen moet worden aan acties ter voorkoming en bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld en ter bevordering van de volledige integratie van het Verdrag van Istanbul in het programma Rechten en waarden; benadrukt dat ook op het niveau van de lidstaten voldoende middelen toegewezen moeten worden;

12. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op basis van een effectbeoordeling het huidige EU-kaderbesluit betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht zodanig te herzien dat daarin ook aanzetting tot haat wegens geslacht, seksuele geaardheid, genderidentiteit of geslachtskenmerken worden opgenomen;

13. vraagt de lidstaten de volledige tenuitvoerlegging en handhaving van de vigerende wetgeving te verzekeren;

14. vraagt de Commissie en de lidstaten de beschikbaarheid en vergelijkbaarheid van hoogwaardige uitgesplitste gegevens over gendergerelateerd geweld te verbeteren door middel van samenwerking tussen Eurostat, het EIGE en het FRA, in overeenstemming met de verplichtingen uit hoofde van het verdrag met betrekking tot gegevensverzameling en onderzoek; dringt er bij de Commissie nogmaals op aan een Europees Waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld op te zetten, met nauwkeurige en vergelijkbare gegevens (naar het voorbeeld van het Staatswaarnemingscentrum voor geweld tegen vrouwen van het EIGE);

15. benadrukt dat formele procedures vastgesteld moeten worden voor het melden van seksuele intimidatie op de werkplek, en dat specifieke opleidingen en bewustmakingscampagnes nodig zijn om het beginsel van waardigheid op het werk te handhaven en nultolerantie als norm te installeren; is van mening dat de Europese instellingen in dit verband het goede voorbeeld moeten geven;

16. verzoekt de voorzitter van het Europees Parlement, het Bureau en de diensten van het Parlement om inspanningen te blijven leveren om te waarborgen dat het Europees Parlement een werkplek zonder intimidatie of seksisme is, en om de volgende maatregelen in te voeren, in overeenstemming met de eisen uit de resolutie van 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU: 1) opdracht geven voor een externe audit van de twee bestaande anti-intimidatiecomités in het Europees Parlement, en de resultaten daarvan openbaar maken; 2) de anti-intimidatiecomités opnieuw samenstellen en er externe juridische, medische en psychologische deskundigen met volledig stemrecht in opnemen; 3) verplichte opleidingen invoeren over respect en waardigheid op het werk, voor alle leden en alle categorieën personeelsleden;

17. is ingenomen met de toezegging van de nieuwgekozen voorzitter om meer te doen om gendergerelateerd geweld aan te pakken, de slachtoffers beter te ondersteunen, de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul een prioriteit te maken voor de Commissie, en gebruik te maken van de mogelijkheden waarin in het verdrag voorzien is om geweld tegen vrouwen op te nemen in de catalogus van feiten die in de EU als misdrijf aangemerkt worden;

18. vraagt de Commissie om in de volgende Europese genderstrategie de bestrijding van gendergerelateerd geweld tot een prioriteit te maken te maken door er passend beleid en passende wetgevende en niet-wetgevende maatregelen in op te nemen;

19. verzoekt de Commissie een rechtshandeling in te dienen met betrekking tot de preventie en uitbanning van alle vormen van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van geweld tegen vrouwen en meisjes; verbindt zich er in dit verband toe alle mogelijke maatregelen te onderzoeken, onder meer over cybergeweld, door gebruik te maken van het initiatiefrecht zoals verankerd in artikel 225 VWEU;

20. verzoekt de Commissie en de Raad gebruik te maken van de in artikel 83, lid 1, VWEU, verankerde “overbruggingsclausule” om geweld tegen vrouwen en meisjes en andere vormen van gendergerelateerd geweld op te nemen in de catalogus van feiten die in de EU als misdrijf aangemerkt worden;

21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

 

[1] PB L 131 van 20.5.2017, blz. 11.

[2] PB L 131 van 20.5.2017, blz. 13.

[3] PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

[4] PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.

[5] PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4.

[6] PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.

[7] PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.

[8] PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

[9] PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.

[10] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0357.

[11] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0331.

[12] PB C 346 van 27.9.2018, blz. 192.

[13] PB C 337 van 20.9.2018, blz. 167.

[14] PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.

[15] PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.

Laatst bijgewerkt op: 28 november 2019Juridische mededeling - Privacybeleid