Procedure : 2015/2722(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : O-000111/2015

Ingediende teksten :

O-000111/2015 (B8-0768/2015)

Debatten :

PV 29/10/2015 - 3
CRE 29/10/2015 - 3

Stemmingen :

Aangenomen teksten :


Parlementaire vragen
PDF 7kWORD 26k
25 september 2015
O-000111/2015
Vraag met verzoek om mondeling antwoord O-000111/2015
aan de Commissie
Artikel 128 van het Reglement
Pavel Svoboda, namens de Commissie juridische zaken
Michael Cramer, namens de Commissie vervoer en toerisme

 Betreft: Hoorzitting over wijzigingen aan de zomertijd in Europa
 Antwoord plenaire 

In Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 januari 2001 betreffende de zomertijd is een datum vastgelegd in de lente en in de herfst waarop het uur in alle lidstaten één uur vooruit respectievelijk achteruit moet worden gezet, om zo optimaal gebruik te maken van het daglicht.

Tijdens een openbare hoorzitting van het Europees Parlement op 24 maart 2015 met als titel "Tijd om op de zomertijd terug te komen?" brachten deskundigen recente onderzoeksresultaten over de mogelijke impact van de zomertijd op vervoer, toerisme, de Europese industrie, gezondheid en energiebesparingen.

Ondanks het tijdens de hoorzitting verstrekte wetenschappelijke bewijs dat de huidige zomertijd meer negatieve dan positieve effecten heeft, heeft de Commissie in een persbericht verklaard dat er sinds de invoering van de zomer- en wintertijdregeling in de EU in 1981 verscheidene verslagen, studies en effectbeoordelingen zijn uitgevoerd waaruit zonder uitzondering is gebleken dat 1) de regeling gunstig is en 2) de meeste lidstaten niets aan de regeling willen veranderen. Zij gaf voorts aan haar energie en aandacht te willen besteden aan belangrijke onderwerpen, en stelde dat deze geregeld terugkerende discussie, hoe interessant ook, daar niet toe behoort.

1. Waarom negeert de Commissie moedwillig talrijke onderzoeksresultaten uit de EU en de rest van de wereld, met name de VS, waarin de negatieve gevolgen van de zomertijd worden belicht?

2. Wanneer en op welke manier is de Commissie van plan om zich in het licht van deze wetenschappelijke resultaten opnieuw te buigen over de impact van de periodieke omschakeling van zomer- naar wintertijd en omgekeerd op vervoer, toerisme, energieverbruik, landbouw, gezondheid en de Europese industrie? Of beschikt zij nu al over informatie waaruit blijkt dat het energieverbruik dankzij de invoering van de zomertijd in Europa is gedaald?

3. Heeft de Commissie een idee van de economische kosten en baten van het tweejaarlijks veranderen van uurwerken, horloges, vervoersregelingen en andere regelingen?

4. Welke impact heeft de toegenomen energie-efficiëntie van elektrische lampen en toestellen op de relevantie van het gebruik van de zomertijd?

5. Bevat het hierboven genoemde persbericht het officiële standpunt van de Commissie, en is de bevoegde commissaris van mening dat de inhoud en toon van het bericht gepast zijn? De Commissie reageert hiermee immers op een initiatief en op de bezorgdheid van de leden van het Europees Parlement, die verkozen zijn door de burgers, terwijl de Commissie alleen belang lijkt te hechten aan het standpunt van de lidstaten.

Oorspronkelijke taal van de vraag: EN
Juridische mededeling