Parlementaire vragen
PDF 96kWORD 16k
10 november 2016
O-000137/2016
Vraag met verzoek om mondeling antwoord O-000137/2016
aan de Commissie
Artikel 128 van het Reglement
Louis Aliot, Gerolf Annemans, Marie-Christine Arnautu, Nicolas Bay, Dominique Bilde, Mara Bizzotto, Mario Borghezio, Marie-Christine Boutonnet, Steeve Briois, Angelo Ciocca, Edouard Ferrand, Lorenzo Fontana, Sylvie Goddyn, Marcel de Graaff, Jean-François Jalkh, Gilles Lebreton, Dominique Martin, Michał Marusik, Georg Mayer, Sophie Montel, Franz Obermayr, Marcus Pretzell, Laurenţiu Rebega, Matteo Salvini, Jean-Luc Schaffhauser, Mylène Troszczynski, Harald Vilimsky, Olaf Stuger, Joëlle Mélin, namens de ENF-Fractie

 Betreft: Empirische achtergrond van CETA - Studies

Sinds het begin van de onderhandelingen heeft de Commissie de nadruk gelegd op de positieve economische vooruitzichten van de handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA).

Verschillende kwantitatieve studies werden gebruikt om dit standpunt kracht bij te zetten door het met overeenkomstige cijfers te onderbouwen. Ramingen wijzen op een stijging van het bbp in de EU en Canada van 0,08 % tot 0,76 % voor beide economieën.

1. Is het waar dat de Commissie van geen enkele studie op basis van het mondiale beleidsmodel van de Verenigde Naties gebruik heeft gemaakt om de mogelijke resultaten van de CETA-overeenkomst te evalueren?

2. In welke mate hadden effecten zoals de verlegging van het handelsverkeer binnen de EU, een mogelijke daling van het aandeel van het arbeidskomen en te verwachten banenverlies, invloed op de onderhandelingen over CETA?

3. Als nu blijkt dat het besluit van de Commissie tot sluiting van CETA gebaseerd was op foute en onrealistische studies, zou dit reden zijn om de ratificering van de overeenkomst stop te zetten?

Oorspronkelijke taal van de vraag: EN
Juridische mededeling