Procedure : 2019/2800(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : O-000026/2019

Ingediende teksten :

O-000026/2019 (B9-0051/2019)

Debatten :

PV 16/09/2019 - 17
CRE 16/09/2019 - 16
CRE 16/09/2019 - 17

Stemmingen :

Aangenomen teksten :


Parlementaire vragen
PDF 41kWORD 20k
9 september 2019
O-000026/2019

Vraag met verzoek om mondeling antwoord O-000026/2019

aan de Commissie

Artikel 136 van het Reglement

Norbert Lins

namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling


  Betreft: Octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard

 Antwoord plenaire 

Onbelemmerde toegankelijkheid van plantmateriaal is van essentieel belang voor de innovatieve kracht van de Europese veredelingssector en landbouwers alsmede voor de genetische variëteit van onze gewassen en voor de gezondheid van EU-burgers.

In 2015 oordeelde de Grote Kamer van beroep van het Europees Octrooibureau (EOB) dat via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten, zoals planten, zaden en inheemse plantenkenmerken en genen, octrooieerbaar zijn. Op basis van dit besluit werden een broccoli- en een tomatensoort doeltreffend geoctrooieerd (zaken G2/12 (tomaten) en G2/13 (broccoli)).

In antwoord daarop nam het Europees Parlement op 17 december 2015 een resolutie[1] aan waarin werd gepleit voor de opheldering van het octrooirecht voor gewassen. In haar mededeling van 8 november 2016 stelde de Commissie dat het nooit de bedoeling was geweest om octrooien te verlenen op natuurlijke kenmerken die in nieuwe rassen worden geïntroduceerd door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard, zoals kruising en selectie. Alle lidstaten sloten zich aan bij deze interpretatie en de raad van bestuur van het EOB wijzigde uiteindelijk zijn beleid door geen octrooien meer te verlenen op via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten.

Helaas verwierp de Technische Kamer van beroep van het EOB dit besluit op 18 december 2018 met de argumentatie dat het Europees Octrooiverdrag prevaleert boven de uitvoeringsregels van het EOB en dat er dus wel octrooien mogen worden verleend op gewassen.

In dit stadium heeft de president van het EOB verzocht om een definitieve uitspraak van de Grote Kamer van beroep om deze kwestie af te wikkelen. Derden mogen vóór 1 oktober 2019 een schriftelijke verklaring over de zaak indienen bij de Grote Kamer van beroep.

Is de Commissie van plan een schriftelijke verklaring in te dienen bij de Grote Kamer van beroep van het EOB om de innovatieve kracht van de Europese veredelingssector en het algemeen belang te beschermen?

Welke maatregelen is de Commissie van zins te nemen om te garanderen dat via natuurlijke werkwijzen verkregen producten niet-octrooieerbaar zijn?

Ingediend: 9.9.2019

Doorgezonden: 11.9.2019

Uiterste datum beantwoording: 18.9.2019

[1]  PB C 399 van 24.11.2017, blz. 188.

Oorspronkelijke taal van de vraag: EN
Laatst bijgewerkt op: 11 september 2019Juridische mededeling