Procedure : 2014/2946(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0278/2014

Ingediende teksten :

RC-B8-0278/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 27/11/2014 - 10.5

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0068

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 136kWORD 63k
25.11.2014
PE539.001v01-00}
PE539.003v01-00}
PE539.004v01-00}
PE539.005v01-00}
PE539.006v01-00}
PE539.007v01-00} RC1
 
B8-0278/2014}
B8-0280/2014}
B8-0281/2014}
B8-0282/2014}
B8-0283/2014}
B8-0284/2014} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

S&D (B8‑0278/2014)

EFDD (B8‑0279/2014)

Verts/ALE (B8‑0280/2014)

ALDE (B8‑0281/2014)

GUE/NGL (B8‑0282/2014)

ECR (B8‑0283/2014)

PPE (B8‑0284/2014)


over vertragingen bij de aanvang van het cohesiebeleid 2014-2020 (2014/2946(RSP))


Lambert van Nistelrooij, Tamás Deutsch, Stanislav Polčák, Iuliu Winkler, Adina-Ioana Vălean, Maurice Ponga, Joachim Zeller, Marian-Jean Marinescu, Jan Olbrycht, Andor Deli, Theodor Dumitru Stolojan, Siegfried Mureşan, Pascal Arimont, Raffaele Fitto, Krzysztof Hetman, Milan Zver, Daniel Buda namens de PPE-Fractie
Constanze Krehl, Zigmantas Balčytis, José Blanco López, Vilija Blinkevičiūtė, Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Andrea Cozzolino, Anneliese Dodds, Michela Giuffrida, Pina Picierno, Kerstin Westphal, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Iliana Iotova, Viorica Dăncilă, Isabelle Thomas, Derek Vaughan, Julie Ward namens de S&D-Fractie
Andrew Lewer, Ruža Tomašić, Tomasz Piotr Poręba namens de ECR-Fractie
Ivan Jakovčić, Iskra Mihaylova, Matthijs van Miltenburg, Petras Auštrevičius, Olli Rehn, Gérard Deprez, Norica Nicolai, Marielle de Sarnez, Louis Michel, Urmas Paet namens de ALDE-Fractie
Younous Omarjee, Martina Michels, Dimitrios Papadimoulis, Kostas Chrysogonos namens de GUE/NGL-Fractie
Monika Vana, Terry Reintke, Davor Škrlec, Bronis Ropė, Benedek Jávor, Ernest Maragall namens de Verts/ALE-Fractie
Rosa D'Amato namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over vertragingen bij de aanvang van het cohesiebeleid 2014-2020 (2014/2946(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 4, 162 en 174 tot en met 178,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3 bij de algemene begroting 2014 (COM(2014)0329),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het cohesiebeleid, met een begroting van meer dan 350 miljard EUR tot 2020, het belangrijkste EU-brede beleidsgebied is inzake investeringen in de reële economie, en een belangrijke motor is voor groei en werkgelegenheid in de EU; overwegende dat het cohesiebeleid een belangrijke rol speelt in kader van de EU-strategie ter bevordering van een evenwichtiger verdeling tussen de regio's, ondersteuning van diversificatie, aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven en verwezenlijking van economische, sociale en territoriale cohesie; overwegende dat financiering in het kader van het cohesiebeleid voor een aantal lidstaten de belangrijkste bron van overheidsinvesteringen vormt;

B.  overwegende dat deze middelen via thematische concentratie worden aangewend voor een beperkt aantal strategische, groeibevorderende doelstellingen, zoals innovatie en onderzoek, de digitale agenda, ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), de koolstofarme economie, onderwijs, opleiding en infrastructuur;

C.  overwegende dat partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's als strategische instrumenten worden ingezet om investeringen in de lidstaten en regio's aan te sturen, overeenkomstig de algemene doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

D.  overwegende dat de artikelen 14, 16 en 19 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 voorzien in een tijdschema voor de indiening en vaststelling van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's, en dat op grond van deze bepalingen partnerschapsovereenkomsten eind augustus 2014 moesten zijn vastgesteld en operationele programma's uiterlijk eind januari 2015;

E.  overwegende dat de programmering duidelijk vertraging heeft opgelopen, aangezien er naar verwachting slechts een beperkt aantal operationele programma's (iets meer dan 100) voor eind 2014 vastgesteld zullen zijn;

F.  overwegende dat de Commissie op verzoek van de lidstaten een officieuze nota heeft opgesteld over de wijze waarop moet worden omgegaan met de vastleggingen voor 2014 met betrekking tot programma's die medegefinancierd worden door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en die niet voor 31 december 2014 zijn goedgekeurd;

G.  overwegende dat er voor de vaststelling van operationele programma's twee scenario's mogelijk zijn, die allebei inhouden dat de start van de uitvoering verdere vertraging oploopt, namelijk: i) de overdrachtsprocedure voor de programma's die voor 31 december 2014 "klaar voor goedkeuring" worden geacht, en ii) de procedure van herbudgettering van de ongebruikte toewijzingen in 2014 voor de Europese structuur- en investeringsfondsen – met als gevolg een technische herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) – voor de programma's die eind 2014 "niet klaar voor goedkeuring" worden geacht;

H.  overwegende dat operationele programma's volgens het door de Commissie gepresenteerde tijdschema tussen 15 februari en 31 maart 2015 kunnen worden vastgesteld volgens de overdrachtsprocedure en na 1 mei 2015 volgens de herbudgetteringsprocedure;

I.  overwegende dat er niet alleen sprake is van vertragingen bij de uitvoering van het cohesiebeleid voor de programmeringsperiode 2014-2020, maar dat er ook sprake is van achterstallige betalingen (zo'n 23 miljard EUR) met betrekking tot de periode 2007-2013, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid, doeltreffendheid en duurzaamheid van het beleid;

J.  overwegende dat de voorzitter van de Commissie heeft aangegeven voornemens te zijn een investeringspakket van 315 miljard EUR voor te leggen;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de aanzienlijke vertraging bij de uitvoering van het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020, en wijst erop dat het belangrijk is bij het begin van de programmeringsperiode operationele programma's van hoge kwaliteit vast te stellen om in een later stadium geen herprogrammering te hoeven doorvoeren;

2.  benadrukt dat de huidige vertragingen ervoor zorgen dat het voor de nationale, regionale en lokale overheden moeilijker wordt om te zorgen voor een doeltreffende planning en tenuitvoerlegging van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor de periode 2014-2020;

3.  herinnert eraan dat het cohesiebeleid, samen met de door de lidstaten verzorgde cofinanciering, een belangrijk deel vormt van de op groei gerichte overheidsinvesteringen in de EU; benadrukt dat het derhalve absoluut noodzakelijk is om de tenuitvoerlegging van de nieuwe programma's zo spoedig mogelijk te starten, teneinde de resultaten van de investeringen te maximaliseren, banengroei te stimuleren en de groei van de productiviteit verder te vergroten;

4.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan verantwoordelijkheid te tonen en alles in het werk te stellen om de goedkeuring van een maximaal aantal operationele programma's in 2014 te bespoedigen en ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk programma's op 31 december 2014 "klaar voor goedkeuring" zijn, zodat zij in aanmerking komen voor de overdrachtsprocedure overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), van het Financieel Reglement en artikel 4 van de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften;

5.  vraagt de Commissie alle mogelijkheden te onderzoeken om haar interne procedures te stroomlijnen om te waarborgen dat operationele programma's die na de deadline van 24 november 2014 opnieuw worden ingediend ook in overweging worden genomen en als klaar voor goedkeuring worden beschouwd indien ze aan de eisen inzake kwaliteit voldoen, teneinde het interdienstenoverleg voor het eind van het jaar te kunnen afronden, en daarbij oog te blijven houden voor kwaliteit en voor de noodzaak fraude te blijven bestrijden;

6.  beseft dat het tweede scenario met betrekking tot de operationele programma's die aan het eind van 2014 niet klaar zijn voor goedkeuring, te weten het herbudgetteren in 2015 van ongebruikte toewijzingen van 2014, noopt tot herziening van het MFK op uiterlijk 1 mei 2015, overeenkomstig artikel 19 van het MFK, en dat daarbij, ook al betreft het een puur technische kwestie, de procedure voor de meerjarige begroting moet worden gevolgd; verzoekt de Commissie derhalve om zo spoedig mogelijk met het Parlement en de Raad in overleg te treden om tot een haalbaar stappenplan te komen dat ervoor zorgt dat de herziening van het MFK zo vroeg mogelijk in 2015 plaatsvindt;

7.  onderstreept daarnaast dat met het oog op de goedkeuring van de operationele programma's ook een overeenkomstig ontwerp van gewijzigde begroting voor de desbetreffende vastleggingskredieten voor 2015 moet worden goedgekeurd, hetgeen in het gunstigste geval resulteert in een vertraging van de start van de tenuitvoerlegging van die programma's tot medio 2015;

8.  verzoekt de Commissie, gezien het bovenstaande, het Parlement de maatregelen te presenteren die zij wil treffen om de onverwijlde tenuitvoerlegging van de operationele programma's mogelijk te maken, alsmede het tijdschema dat zij hiervoor in gedachten heeft;

9.  maakt zich zorgen over de situatie met betrekking tot de achterstallige betalingen in het kader van het cohesiebeleid voor de operationele programma's in de periode 2007-2013; benadrukt dat het belangrijk en dringend is om over dit onderwerp, op basis van nieuwe voorstellen van de Commissie, uiterlijk eind 2014 tot een akkoord te komen;

10.  verzoekt de Commissie toe te lichten welke gevolgen deze betalingsachterstand voor de start van de uitvoering van de nieuwe operationele programma's zal hebben, en oplossingen aan te reiken om de schade zo veel mogelijk te beperken; verzoekt de Commissie voorts om, in het kader van het verslag over de uitkomst van de onderhandelingen als bedoeld in artikel 16, lid 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de vertragingen bij de aanvang van het cohesiebeleid 2014-2020 voor de groei en werkgelegenheid en tevens aanbevelingen te doen op basis van de hieruit getrokken lessen;

11.  verlangt dat het door de Commissie aan te kondigen investeringspakket van 315 miljard EUR volledig aanvullend is op het cohesiebeleid 2014-2020;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de andere betrokken instellingen.

 

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)

PB L 298 van 26.10.12, blz. 1.

Juridische mededeling