Procedure : 2014/3018(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0011/2015

Ingediende teksten :

RC-B8-0011/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2015 - 11.5
CRE 15/01/2015 - 11.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0010

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 160kWORD 75k
14.1.2015
PE545.691v01-00}
PE545.693v01-00}
PE545.694v01-00}
PE547.453v01-00}
PE547.454v01-00}
PE547.455v01-00} RC1
 
B8-0011/2015}
B8-0013/2015}
B8-0014/2015}
B8-0030/2015}
B8-0031/2015}
B8-0032/2015} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 123, leden 2 en 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

S&D (B8‑0011/2015)

Verts/ALE (B8‑0013/2015)

ALDE (B8‑0014/2015)

ECR (B8‑0030/2015)

EFD (B8‑0031/2015)

PPE (B8‑0032/2015)


over de situatie in Libië (2014/3018(RSP))


Mariya Gabriel, Cristian Dan Preda, Arnaud Danjean, Jacek Saryusz-Wolski, Elmar Brok, Andrej Plenković, David McAllister, Tunne Kelam, Francisco José Millán Mon, Daniel Caspary, Davor Ivo Stier, Michael Gahler, Antonio López-Istúriz White, Claude Rolin, Traian Ungureanu, Dubravka Šuica, Barbara Matera, Giovanni La Via, Pascal Arimont, Monica Macovei, Ivana Maletić, Lara Comi, Gabrielius Landsbergis, Elisabetta Gardini, József Nagy namens de PPE-Fractie
Victor Boștinaru, Knut Fleckenstein, Ana Gomes, Richard Howitt, Pier Antonio Panzeri, Hugues Bayet, Alessia Maria Mosca, Miroslav Poche, Michela Giuffrida, Vincent Peillon, Miriam Dalli, Neena Gill, Goffredo Maria Bettini, Gilles Pargneaux, Liisa Jaakonsaari, Marlene Mizzi, Simona Bonafè, Nicola Caputo, Elena Valenciano, Tonino Picula, Sorin Moisă, Andi Cristea, Javi López, Tanja Fajon, Victor Negrescu, Zigmantas Balčytis, Afzal Khan, Boris Zala, David Martin, Soraya Post, Eugen Freund, István Ujhelyi namens de S&D-Fractie
Charles Tannock, Ruža Tomašić, Branislav Škripek namens de ECR-Fractie
Fernando Maura Barandiarán, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Ramon Tremosa i Balcells, Dita Charanzová, Javier Nart, Marietje Schaake, Ivan Jakovčić, Jozo Radoš, Beatriz Becerra Basterrechea, Petr Ježek, Ivo Vajgl, Johannes Cornelis van Baalen, Gérard Deprez, Alexander Graf Lambsdorff, Pavel Telička, Martina Dlabajová, Fredrick Federley, Marielle de Sarnez, Louis Michel, Petras Auštrevičius, Urmas Paet namens de ALDE-Fractie
Barbara Lochbihler, Judith Sargentini namens de Verts/ALE-Fractie
Ignazio Corrao, Fabio Massimo Castaldo, Dario Tamburrano namens de EFDD-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Libië (2014/3018(RSP))  

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Libië, met name die van 15 september 2011(1), 22 november 2012(2) en 18 september 2014(3),

–   gezien de recente verklaringen die de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid Federica Mogherini heeft afgelegd over Libië, waaronder die van 16 en 30 december 2014 en die van 10 januari 2015,

–   gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 augustus, 30 augustus, 20 oktober, 17 en 18 november en 15 december 2014,

–   gezien de gezamenlijke verklaring over Libië van de regeringen van Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, het VK en de VS van 11 januari 2015,

–   gezien de resoluties 1970, 1973 (2011) en 2174 van 27 augustus 2014 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–   gezien het verslag van de Ondersteuningsmissie van de Verenigde Naties in Libië (UNSMIL) van 4 september 2014, bijgewerkt op 27 december 2014, met de titel "Overzicht van de schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitair recht tijdens het aanhoudende geweld in Libië",

–   gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen van 1977, en de verplichting van partijen bij gewapende conflicten om ervoor te zorgen dat het internationaal humanitair recht in alle omstandigheden wordt geëerbiedigd,

–   gezien Besluit 2013/233/GBVB van de Raad van 22 mei 2013 tot oprichting van de geïntegreerde EU-grensversterkingsmissie in Libië (EUBAM – European Union Border Assistance Mission in Libya),

–   gezien het ENB-pakket voor Libië van september 2014,

–   gezien de op 19 december 2014 in Mauritanië gehouden Saheltop, die werd bijgewoond door leiders uit Mauritanië, Mali, Niger, Tsjaad en Burkina Faso,

–   gezien de gezamenlijke verklaring die op 22 september 2014 werd uitgegeven door dertien landen(4), waarin zij pleitten voor een non-interventiebeleid ten aanzien van de Libische aangelegenheden,

–   gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Libiërs in februari 2011 de straat op gingen om politieke rechten te eisen, en overwegende dat zij daarbij stuitten op willekeurig staatsgeweld, dat de aanleiding was voor een negen maanden durende burgeroorlog die leidde tot het afzetten van het Kadhafi-regime;

B.  overwegende dat er in juni 2014 voor de derde keer algemene democratische en vrije verkiezingen zijn gehouden in Libië om een Huis van afgevaardigden te kiezen dat het in juni 2012 verkozen Algemeen Nationaal Congres zou vervangen;

C. overwegende dat de aspiraties die het Libische volk heeft ontleend aan de val van kolonel Kadhafi, ondanks nationale parlementsverkiezingen in juni 2014 zijn doorkruist door politieke onenigheid en geweld in wat een regelrechte burgeroorlog aan het worden is; overwegende dat er al maanden lang rivaliserende regeringen en parlementen in Tripoli en Tobruk actief zijn;

D. overwegende dat Libië verwikkeld blijft in een politieke stammenstrijd die zich tot een gewelddadige machtsstrijd ontwikkeld heeft tussen twee rivaliserende regeringen en talloze strijdende facties van nationalistische, islamitische, tribale en regionale troepen, met nog meer leed voor de burgerbevolking, meer doden, massale ontheemding en een zich verder uitbreidende humanitaire crisis;

E.  overwegende dat beide partijen zich schuldig zouden hebben gemaakt aan een hele reeks misdaden en schendingen van internationale mensenrechten en het humanitair recht; overwegende dat volgens schattingen van UNSMIL ten minste 400 000 Libiërs in eigen land ontheemd zijn geraakt door de laatste reeks gevechten, en dat nog eens 150 000 mensen, waaronder veel arbeidsmigranten, het land hebben verlaten; overwegende dat buitenlandse hulpverleners en diplomaten, onder wie EU- en UNSMIL-personeel, uit Libië zijn geëvacueerd; overwegende dat de massale toestroom van Libische vluchtelingen in buurland Tunesië de capaciteit en de stabiliteit van dat land zwaar onder druk zet; overwegende dat er naar schatting al meer dan een miljoen Libiërs in Tunesië verblijven;

F.  overwegende dat op 23 december 2014 de hoge mensenrechtenfunctionaris van de VN, Zeid Raas al‑Hussein, verklaard heeft dat het willekeurig beschieten van burgers in Libië zou kunnen leiden tot vervolging voor oorlogsmisdaden;

G. overwegende dat de speciale VN-gezant, Bernardino León, actief heeft getracht gesprekken tussen de strijdende partijen tot stand te brengen en een nationale dialoog op te starten met het oog op een verzoeningsproces en de vorming van een regering van nationale eenheid; overwegende dat de eerste gespreksronde op 29 september 2014 plaatsvond in Gadames en op 11 oktober werd voortgezet in Tripoli, maar dat de vervolgronde, aanvankelijk gepland voor 5 januari 2015, is uitgesteld vanwege een gebrek aan overeenstemming tussen beide partijen; overwegende dat UNSMIL heeft verklaard dat de Libische partijen nu zijn overeengekomen om op 14 januari 2015 een nieuwe gespreksronde te houden in Genève; overwegende dat beide kampen tot dusver maar in zeer beperkte mate bereid of in staat zijn gebleken compromissen te sluiten;

H. overwegende dat de VN-gezant voor de Sahelregio, Hiroute Guebre Sellassie, de VN-Veiligheidsraad ervoor heeft gewaarschuwd dat de Libische crisis de gehele regio in de nabije toekomst dreigt te destabiliseren, en eveneens heeft verklaard dat terroristische en criminele netwerken in Libië nauwere banden ontwikkelen met Mali en Noord-Nigeria, in een context van wapen-, drugs- en andere illegale handel;

I.   overwegende dat de eenheid van de staat Libië op het spel staat en er een reëel gevaar bestaat dat ten minste drie regio's (Fezzan, Cyrenaika en Tripolitania) zich zullen afscheiden als er geen compromis en geen verzoeningsproces tot stand komt;

J.   overwegende dat de recente gevechten er in grote mate toe hebben bijgedragen dat terroristische groeperingen als IS zich in het land konden verspreiden en vestigen; overwegende dat dit, indien hiertegen niets wordt ondernomen, een grote bedreiging van de veiligheid van de regio en van de EU zou kunnen betekenen; overwegende dat de Oost-Libische tak van IS op 8 januari 2015 heeft laten weten de journalist Sofiene Chourabi en de cameraman Nadhir Ktari te hebben geëxecuteerd;

K. overwegende dat gevechtsvliegtuigen van aan de internationaal erkende regering trouwe troepen op 4 januari 2015 een Griekse olietanker in de militaire zone van de haven van Derna hebben gebombardeerd, waarbij een Grieks en een Roemeens bemanningslid om het leven kwamen en twee andere bemanningsleden gewond raakten; overwegende dat de haven in handen is van islamistische militanten en het afgelopen jaar herhaaldelijk is aangevallen;

L.  overwegende dat in een officiële regeringsverklaring van 3 januari is gezegd dat milities van de Islamitische Staat 14 soldaten van het Libische leger zouden hebben gedood en dat de regering de internationale gemeenschap oproept het wapenembargo tegen het land op te heffen, zodat deze milities, die zij als terroristen aanmerkt, kunnen worden bestreden;

M. overwegende dat IS in Libië strijders opleidt en bezig is in het oostelijk deel van het land een tak van de beweging te vestigen; overwegende dat terroristen op 30 december 2014 in Tobruk een autobom lieten ontploffen, bedoeld voor de vergadering van het Huis van afgevaardigden die daar plaatsvond; overwegende dat leden van al-Qaida in de islamitische Maghreb naar verluidt logistieke knooppunten hebben uitgebouwd in de zuidelijke buurlanden van Libië; overwegende dat volgens een officiële regeringsverklaring een militie van de Islamitische Staat op 3 december 2014 14 soldaten van het Libische leger heeft geëxecuteerd;

N. overwegende dat de militaire leider generaal Heftar op 28 december 2014 luchtaanvallen liet uitvoeren op Misrata, een bolwerk van de groepering Libische Dageraad, kennelijk als represaille voor de aanvallen van 25 december van milities op de grootste olieterminal in Sidra en op soldaten van het Libische leger in Sirte, waarbij 22 van hen om het leven kwamen;

O. overwegende dat een twintigtal Egyptische koptische christenen zijn ontvoerd door militante leden van Ansar al-Sharia in Sirte, dat in handen is van milities, bij de meest recente van een serie aanvallen op christenen en andere religieuze minderheden in Libië; overwegende dat de gevangenneming, ontvoering, marteling en executie van veronderstelde strijders uit alle kampen hand over hand toeneemt;

P.  overwegende dat honderden migranten en vluchtelingen die het geweld in Libië wilden ontvluchten naar verluidt zijn omgekomen toen ze de Middellandse Zee probeerden over te steken naar Europa, waardoor er een enorme vluchtelingencrisis is ontstaan in Italië en Malta; overwegende dat Libië het belangrijkste vertrekpunt is voor migranten die Europa proberen te bereiken;

Q. overwegende dat het Libische hooggerechtshof op 6 november 2014 heeft geoordeeld dat de in juni gehouden parlementsverkiezingen, waarmee het internationaal erkende, in Tobruk gevestigde Huis van afgevaardigden in het leven werd geroepen, onwettig waren;

R.  overwegende dat het Huis van afgevaardigden de uitspraak heeft verworpen, met het argument dat deze het mandaat van het gerechtshof overschrijdt, dat de uitspraak onder druk van de islamistische milities in Tripoli tot stand is gekomen en dat het Huis van afgevaardigden en de regering hun werk blijven voortzetten;

S.  overwegende dat resolutie nr. 2174 (2014) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties toestemming geeft voor reisverboden en het bevriezen van vermogensbestanddelen van personen en groepen die door het Comité worden aangewezen als personen die handelingen verrichten of steunen die een gevaar vormen voor de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van Libië, of die het politieke overgangsproces belemmeren of ondermijnen;

T.  overwegende dat een cruciaal bestanddeel van het conflict de controle en het bestuur van de Nationale Oliemaatschappij betreft; overwegende dat beide partijen in het conflict hun eigen olie-ministers hebben benoemd in een poging zich de olie-inkomsten toe te eigenen; overwegende dat olie goed is voor 95 % van de inkomsten van de Libische staat en voor 65 % van het bbp van het land; overwegende dat Libië beschikt over de grootste oliereserves in Afrika en de op vier na grootste ter wereld;

1.  veroordeelt krachtig de sterke escalatie van geweld in Libië, met name gericht op burgers, wat de slaagkansen van een vreedzame oplossing ernstig in het gedrang brengt; spreekt zijn uitdrukkelijke steun uit aan de door de VN georganiseerde besprekingen in Genève, en roept alle bij het conflict betrokken partijen op het voorstel van de speciale VN-vertegenwoordiger Bernardino León om de militaire operaties op te schorten, te aanvaarden, teneinde een gunstig klimaat te scheppen;

2.  doet een beroep op alle bij het geweld betrokken partijen om zich te verplichten tot een onvoorwaardelijk staakt-het-vuren, zich te onthouden van acties die de verdeeldheid en polarisering doen toenemen, publiekelijk te verklaren dat zij dergelijke acties niet tolereren en zonder voorwaarden vooraf mee te werken aan de inspanningen van de speciale vertegenwoordiger van de Verenigde Naties voor Libië, Bernardino León, die erop gericht zijn de rivaliserende groepen bijeen te brengen in een inclusieve nationale politieke dialoog; benadrukt dat er in dit proces voldoende aandacht moet worden besteed aan de rol van vrouwen en minderheden;

3.  brengt in herinnering dat er geen militaire oplossing is voor het huidige conflict;

4.  bekrachtigt zijn volledige steun aan de ondersteuningsmissie van de VN in Libië; is vol lof over de onvermoeibare inspanningen van de speciale vertegenwoordiger van de Verenigde Naties voor Libië, Bernardino León, om in deze politieke dialoog te bemiddelen; juicht het toe dat de komende dagen een nieuwe ronde in de politieke dialoog in Genève is gepland;

5.  verzoekt de EU deze inspanningen te steunen door onverwijld eigen gerichte sancties te treffen, waaronder het bevriezen van vermogensbestanddelen en reisverboden, voor degenen die verantwoordelijk zijn voor wapengeweld, mensenrechtenschendingen en wandaden, en het boycotten van de onderhandelingen onder auspiciën van de VN;

6.  spreekt opnieuw zijn steun uit voor het Huis van afgevaardigden in Tobruk als het enige democratisch gekozen orgaan na de verkiezingen van juni 2014; herhaalt zijn oproep aan het verkozen Huis van afgevaardigden en de officiële regering om hun taken uit te voeren op basis van de rechtsstaat en de mensenrechten, in een geest van inclusiviteit in het belang van het land en om de rechten van alle Libische burgers te beschermen, inclusief de religieuze en etnische minderheden;

7.  is zeer bezorgd over de toenemende aanwezigheid van aan al-Qaida gelieerde terroristische groeperingen, milities van de Islamitische Staat en andere extremistische organisaties en bewegingen in Libië; is van mening dat de regio in een destructieve chaos terecht dreigt te komen, vergelijkbaar met de huidige situatie in Syrië en Irak; is van oordeel dat deze groeperingen een grote bedreiging van de stabiliteit en veiligheid van de hele regio vormen, alsmede van de veiligheid van Europa; bevestigt dat iedere bedreiging van de internationale vrede en veiligheid die wordt veroorzaakt door terroristische daden, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht, inclusief de toepasselijke internationale mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het humanitair recht, met alle middelen moet worden bestreden;

8.  roept de EU en de internationale gemeenschap op steun te blijven verlenen aan inspanningen om terrorisme te bestrijden, met passende eerbiediging van het internationaal recht, en verdere verspreiding ervan en vestiging van nieuwe bases in Libië te voorkomen;

9.  wijst op de ontwrichtende impact van het Libische conflict op andere landen in het Sahelgebied en op de Europese veiligheid; verzoekt de buurlanden en regionale spelers, met name Egypte, Qatar, Saudi-Arabië, Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten, om zich te onthouden van acties die de bestaande tegenstellingen kunnen verscherpen en de overgang naar een democratisch bestel in Libië kunnen ondermijnen, en om het door de VN geleide proces van Ghadames ten volle te ondersteunen; herinnert eraan dat zij die een op consensus gebaseerde politieke oplossing actief in de weg staan, inbreuk maken op de resoluties van de Veiligheidsraad over Libië en de gevolgen van hun daden onder ogen moeten zien;

10. is verheugd over de recente verklaringen die de Afrikaanse Unie op 3 december 2014 en de Liga van Arabische Staten op 5 januari 2015 hebben afgelegd, en over hun publieke toezegging het door de VN geleide proces te ondersteunen;

11. benadrukt dat er behoefte is aan een gezamenlijk en gecoördineerd optreden van alle 28 lidstaten onder toezicht van de hoge vertegenwoordiger; dringt er bij de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden op aan de acties van de lidstaten te coördineren en hun steun te richten op de opbouw van overheidsstructuren en instellingen en tezamen met de lidstaten, de VN, de NAVO en regionale partners te assisteren bij de oprichting van effectieve en op nationaal niveau aangestuurde en gecontroleerde veiligheidstroepen (leger- en politiemacht) die de vrede en de orde in het land kunnen handhaven, alsmede de pogingen om tot een staakt-het-vuren te komen te steunen en een regeling op te stellen om toe te zien op de handhaving ervan; benadrukt dat de EU tevens steun moet verlenen aan het Libische rechtsstelsel, alsmede op andere gebieden die cruciaal zijn voor het democratisch bestuur;

12. herinnert aan het krachtige engagement van de EU voor de eenheid en territoriale integriteit van Libië en aan de noodzaak de verspreiding van terrorisme te voorkomen; herinnert aan resolutie nr. 2174 van de VN-Veiligheidsraad die op 27 augustus 2014 is aangenomen en waarin de bestaande internationale sancties tegen Libië worden uitgebreid tot personen die zich bezighouden met of voorstander zijn van handelingen die "een bedreiging vormen voor de vrede, stabiliteit of veiligheid van Libië, of de succesvolle voltooiing van het politieke overgangsproces in het land belemmeren of ondermijnen"; verzoekt de EU verdere maatregelen te overwegen, met inbegrip van restrictieve maatregelen;

13. benadrukt dat alle schenders van mensenrechten en het internationaal humanitair recht ter verantwoording moeten worden geroepen; wijst op de door UNSMIL afgelegde verklaring dat veel van de in Libië gepleegde schendingen onder de jurisdictie van het Internationaal Strafhof vallen, en dringt erop aan dat dit hof van de nodige politieke, logistieke en financiële middelen wordt voorzien om deze misdaden te onderzoeken; is van oordeel dat krachtigere internationale verantwoordingsmechanismen milities ervan af kunnen brengen om verdere misdaden en schendingen te plegen, en meent dat moet worden overwogen een VN-onderzoekscommissie of een soortgelijk mechanisme in te stellen voor het onderzoeken van schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht;

14. betuigt zijn solidariteit met het Libische volk; is van mening dat de Europese Unie het Libische volk moet helpen bij het vervullen van zijn ambitie om van Libië een democratische, stabiele en welvarende staat te maken, overeenkomstig de verplichtingen die zij is aangegaan in haar nabuurschapsbeleid voor het zuidelijke Middellandse Zeegebied; roept op tot voortzetting van de humanitaire, financiële en politieke hulp van de EU en de internationale gemeenschap bij maatregelen ten behoeve van de humanitaire situatie in Libië, van het lot van ontheemden en vluchtelingen in het land zelf en van burgers die geen toegang meer hebben tot basisvoorzieningen;

15. dringt erop aan dat vooraanstaande Libische instellingen, met name de Centrale Bank, de Nationale Oliemaatschappij en het staatsinvesteringsfonds, die toestemming hebben van de VN om olie-inkomsten uit het buitenland te ontvangen, neutraal blijven;

16. prijst de Tunesische gastvrijheid voor de naar schatting 1,5 miljoen Libische burgers die momenteel in Tunesië verblijven om het geweld in Libië ontvluchten; verzoekt de EU de Tunesische regering daarbij financieel en logistiek te ondersteunen;

17. maakt zich nog steeds grote zorgen over de verspreiding van wapens, munitie en explosieven en het smokkelen van wapens, omdat dit een gevaar vormt voor de bevolking en voor de stabiliteit in Libië en in de regio;

18. herhaalt zijn oproep aan de hoge vertegenwoordiger om herziening van het mandaat van de EU-grensversterkingsmissie (EUBAM) in Libië, die momenteel in afwachting van orders in Tunesië is gestationeerd, teneinde rekening te houden met de drastisch veranderde situatie in het land en met het oog op een naar behoren gecoördineerde GVDB-missie om in samenspraak met de VN en regionale partners op te treden wanneer een politieke oplossing wordt gevonden; is van oordeel dat de GVDB-missie gericht moet zijn op het ondersteunen van de tenuitvoerlegging van een politieke oplossing, prioriteit moet verlenen aan de hervorming van de veiligheidssector en aan ontwapening, demobilisatie en re-integratie, en eveneens in de overige dringende bestuursbehoeften moet voorzien; is voorts van mening dat de GVDB-missie, gezien het risico op een voortslepende oorlog in Libië, toenemende instabiliteit en ernstige dreigingen voor de Europese veiligheid, moet worden voorbereid voor deelname aan een gecoördineerd optreden onder mandaat van de VN-Veiligheidsraad om de stabiliteit in Libië te doen wederkeren;

19. trekt zich het lot van migranten, asielzoekers en vluchtelingen in Libië zeer aan, zeker nu hun toch al benarde situatie blijft verslechteren; verzoekt de EU en haar lidstaten om Italië met raad en daad bij te staan bij de prijzenswaardige inspanningen om de uit de hand lopende migratie- en vluchtelingenstromen uit Noord-Afrika, met name uit Libië, aan te pakken;

20. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het huis van afgevaardigden van Libië, de secretaris-generaal van de VN, de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie.

(1)

PB C 51E van 22.2.2013, blz. 114.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0465.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0028.

(4)

Algerije, Duitsland, Egypte, Frankrijk, Italië, Qatar, Saudi-Arabië, Spanje, Tunesië, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika, alsmede de EU en de VN.

Juridische mededeling