Procedure : 2015/2514(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0050/2015

Ingediende teksten :

RC-B8-0050/2015

Debatten :

PV 15/01/2015 - 9.2
CRE 15/01/2015 - 9.2

Stemmingen :

PV 15/01/2015 - 11.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0007

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 146kWORD 70k
14.1.2015
PE547.473v01-00}
PE547.475v01-00}
PE547.476v01-00}
PE547.480v01-00}
PE547.481v01-00}
PE547.483v01-00}
PE547.485v01-00} RC1
 
B8-0050/2015}
B8-0052/2015}
B8-0053/2015}
B8-0057/2015}
B8-0058/2015}
B8-0060/2015}
B8-0062/2015} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

ECR (B8‑0050/2015)

Verts/ALE (B8‑0052/2015)

ALDE (B8‑0053/2015)

EFDD (B8‑0057/2015)

GUE/NGL (B8‑0058/2015)

S&D (B8‑0060/2015)

PPE (B8‑0062/2015)


over Pakistan, en in het bijzonder de situatie na de aanval op een school in Peshawar (2015/2514(RSP))


Cristian Dan Preda, Jeroen Lenaers, Elmar Brok, Arnaud Danjean, Tunne Kelam, Eduard Kukan, Giovanni La Via, Elisabetta Gardini, Lara Comi, Dubravka Šuica, Bogdan Brunon Wenta, David McAllister, Csaba Sógor, Jiří Pospíšil, Seán Kelly, Jarosław Wałęsa, Andrej Plenković, Monica Macovei, Andrzej Grzyb, Michaela Šojdrová, Joachim Zeller, Mariya Gabriel, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Jaromír Štětina, Davor Ivo Stier, Luděk Niedermayer, Inese Vaidere, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Gabrielius Landsbergis namens de PPE-Fractie
Josef Weidenholzer, Liisa Jaakonsaari, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Goffredo Maria Bettini, Enrico Gasbarra, Kashetu Kyenge, Andi Cristea, Krystyna Łybacka, Richard Howitt, Vilija Blinkevičiūtė, Nicola Caputo, Elena Valenciano, Pier Antonio Panzeri, Miroslav Poche, Marlene Mizzi, Luigi Morgano, Michela Giuffrida, Marc Tarabella, Victor Negrescu, Viorica Dăncilă, Miriam Dalli, Hugues Bayet, Afzal Khan namens de S&D-Fractie
Charles Tannock, Geoffrey Van Orden, Mark Demesmaeker, Jana Žitňanská namens de ECR-Fractie
Fernando Maura Barandiarán, Beatriz Becerra Basterrechea, Dita Charanzová, Gérard Deprez, Marielle de Sarnez, Martina Dlabajová, Juan Carlos Girauta Vidal, Ivan Jakovčić, Petr Ježek, Kaja Kallas, Louis Michel, Ulrike Müller, Javier Nart, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Jozo Radoš, Marietje Schaake, Pavel Telička, Ramon Tremosa i Balcells, Johannes Cornelis van Baalen, Hilde Vautmans, Ivo Vajgl namens de ALDE-Fractie
Marie-Christine Vergiat, Younous Omarjee namens de GUE/NGL-Fractie
Jean Lambert, Barbara Lochbihler namens de Verts/ALE-Fractie
Ignazio Corrao, Dario Tamburrano, Marco Valli, Fabio Massimo Castaldo, Amjad Bashir, Rolandas Paksas namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over Pakistan, en in het bijzonder de situatie na de aanval op een school in Peshawar (2015/2514(RSP))  

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Pakistan, met name de resoluties van 27 november 2014(1), 17 april 2014(2), 10 oktober 2013(3) en 17 februari 2013,

–   gezien de verklaringen van de Voorzitter van het Europees Parlement van 16 december en de voorzitters van de Subcommissie mensenrechten en de Delegatie voor de betrekkingen met de Zuid-Aziatische landen van 17 december 2014,

–   gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over de aanval op een school in Peshawar (Pakistan) van 16 december 2014, de lokale EU-verklaring over de hervatting van executies in Pakistan van 24 december 2014 en de persmededeling over het bezoek van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten aan Pakistan op 29 oktober 2014,

–   gezien de verklaring van Malala Yousafzai, winnaar van de Nobelprijs voor de vrede en van de Sacharovprijs, van 16 december 2014,

–   gezien het samenwerkingsakkoord tussen Pakistan en de EU, het vijfjarig inzetplan, de strategische dialoog EU-Pakistan en de SAP+-regeling inzake handelspreferenties,

–   gezien de verklaringen van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN van 16 december 2014 en van de VN-commissie voor de rechten van het kind van 17 december 2014 over de terroristische aanval op een school in Peshawar,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–   gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989,

–   gezien de conclusies van de Raad van 16 november 2009 over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging waarin het strategische belang van deze vrijheid en van het tegengaan van religieuze onverdraagzaamheid wordt onderstreept,

–   gezien het verslag van 5 augustus 2011 aan de Algemene Vergadering van de VN van de speciale VN-rapporteur inzake het recht op onderwijs over de bescherming van onderwijs tijdens noodsituaties,

–   gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over de regionale rol van Pakistan en zijn politieke betrekkingen met de EU(4),

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Pakistan partij is,

–   gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat 7 gewapende mannen op 16 december 2014 een dodelijke aanval hebben uitgevoerd tegen een door het leger gerunde openbare school in de stad Peshawar, die aan drie zijden omgeven wordt door de Federaal Bestuurde Tribale Gebieden (FATA), waarbij meer dan 140 mensen werden gedood, waaronder 134 schoolkinderen, en er bijna evenveel gewonden vielen;

B.  overwegende dat deze aanval een enorme schok veroorzaakt heeft binnen en buiten Pakistan, aangezien de aanval wordt beschouwd als de meest wreedaardige terroristische daad in de geschiedenis van het land, en het bovendien acht uur duurde eer militaire troepen de controle over de school konden heroveren; overwegende dat veel leerlingen en personeelsleden van de school in de loop van dit tijdsbestek geëxecuteerd en verwond zijn en de overlevenden van deze beproeving zwaar getraumatiseerd achterbleven;

C. overwegende dat Malala Yousafzai, de jongste laureaat van de Nobelprijs voor de vrede en winnaar van de Sacharovprijs, in oktober 2012 door schutters van de Taliban in het hoofd is geschoten omdat ze campagne voerde voor onderwijs voor meisjes in Pakistan;

D. overwegende dat Tehrik-e-Taliban Pakistan (TTP) de verantwoordelijkheid heeft opgeëist voor het bloedbad en heeft verklaard dat de aanval op de school onder meer bedoeld was om een duidelijke boodschap te sturen naar de medestanders van Malala, die pleit voor onderwijs voor vrouwen en kinderen, alsook om wraak te nemen voor de campagne van het leger tegen de militanten;

E.  overwegende dat er sinds het begin van het offensief van de regering tegen de Taliban en andere militante groeperingen in de FATA, een van de armste regio's van Pakistan, meer dan één miljoen personen ontheemd zijn en zich naar Afghanistan of andere delen van Pakistan hebben begeven;

F.  overwegende dat de vrijheid van geloof en de religieuze verdraagzaamheid in Pakistan worden bedreigd door het terroristisch geweld en door het wijdverbreide misbruik van de godslasteringswetten; overwegende dat vrouwen en meisjes dubbel lijden, aangezien ze zowel worden blootgesteld aan gedwongen bekering als aan wijdverbreid seksueel geweld;

G. overwegende dat er volgens een rapport van de Global Coalition to Protect Education from Attack (GCPEA) meer dan 800 aanvallen op scholen plaatsvonden in Pakistan tussen 2009 en 2012; overwegende dat militanten eveneens kinderen hebben gerekruteerd uit scholen en madrassa's, waaronder sommigen als toekomstige plegers van zelfmoordaanslagen; overwegende dat er volgens het verslag ten minste 30 kinderen, tientallen schoolleraren en andere personeelsleden uit de onderwijssector, waaronder een provinciale minister van Onderwijs, zijn omgebracht bij aanvallen op scholen en schoolvervoer tussen 2009 en 2012;

H. overwegende dat de VN-commissie voor de rechten van het kind Pakistan heeft opgeroepen een snelleresponssysteem in te stellen wanneer er aanvallen plaatsvinden op onderwijsinstellingen, om te zorgen voor snelle reparaties en wederopbouw en om onderwijsmateriaal te vervangen zodat de leerlingen zo snel mogelijk opnieuw kunnen worden opgenomen in de scholen/universiteiten; overwegende dat recente wijzigingen van de grondwet van toegang tot gratis en verplicht onderwijs een grondrecht hebben gemaakt;

I.   overwegende dat premier Nawaz Sharif enkele uren na de aanval op de school in Peshawar het moratorium op de doodstraf, dat reeds zes jaar van kracht was, heeft opgeheven; overwegende dat er tot dusver verscheidene gevangenen die in de dodencel zaten omwille van met terrorisme verband houdende zaken geëxecuteerd zijn; overwegende dat er volgens Pakistaanse functionarissen 500 veroordeelden zouden kunnen worden geëxecuteerd in de loop van de komende weken; overwegende dat er momenteel naar schatting 8 000 personen ter dood veroordeeld zijn in Pakistan;

J.   overwegende dat het Pakistaanse parlement op 6 januari 2015, naar aanleiding van het bloedbad in de school, een herziening van de grondwet heeft goedgekeurd waardoor militaire rechtbanken de komende twee jaar gemachtigd zullen zijn om vermeende islamistische militanten te berechten en waardoor er potentieel slechts een aantal weken tijd zou liggen tussen de arrestatie en de executie van verdachten; overwegende dat Pakistan, als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, verplicht is maatregelen te nemen en te handhaven om een eerlijk proces te waarborgen en geen militaire rechtbanken mag gebruiken om burgers te berechten wanneer de gewone rechtbanken werkzaam zijn;

K. overwegende dat Pakistan recentelijk zeven van de negen meest belangrijke internationale overeenkomsten inzake mensenrechten heeft geratificeerd, waaronder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, die een reeks bepalingen bevatten inzake rechtsbedeling, het recht op een eerlijk proces, gelijkheid voor de wet en non-discriminatie;

L.  overwegende dat de aanbevelingen van de speciale rapporteur van de VN voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten in haar rapport van 4 april 2013 onder meer betrekking hebben op de hervorming van het rechtswezen met als doel ervoor te zorgen dat de grondrechten worden gehandhaafd en dat het systeem doeltreffend is; overwegende dat mensenrechtenorganisaties vaak de aandacht vestigen op corruptie in het rechtsstelsel;

M. overwegende dat de EU en Pakistan hun bilaterale betrekkingen hebben verdiept en verbreed, zoals blijkt uit het in februari 2012 gepresenteerde vijfjarige inzetplan en uit de tweede strategische dialoog EU-Pakistan, die in maart 2014 werd gehouden; overwegende dat het vijfjarig inzetplan EU-Pakistan ten doel heeft strategische betrekkingen op te bouwen en een partnerschap voor vrede en ontwikkeling tot stand te brengen dat geworteld is in gedeelde waarden en beginselen;

N. overwegende dat de stabiliteit van Pakistan bijzonder belangrijk is voor de vrede in Zuid-Azië en daarbuiten; overwegende dat Pakistan een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van de stabiliteit in de regio en daarom geacht mag worden het voortouw te nemen bij het versterken van de rechtsstaat en de mensenrechten;

1.  veroordeelt met klem de meedogenloze afslachting van schoolkinderen door Tehreek-e-Taliban (TTP), een Pakistaanse splintergroepering van de Taliban, als een gruwelijke en laffe daad en betuigt zijn oprechte deelneming aan de families van de slachtoffers van de aanval op de school in Peshawar, alsook zijn steun aan de bevolking en de autoriteiten van Pakistan;

2.  spreekt zijn engagement uit om zich ten volle te blijven inzetten om de dreiging van terrorisme en religieus extremisme aan te pakken en staat klaar om de Pakistaanse regering hier verder bij te helpen;

3.  verwacht dat de regering van Pakistan, overeenkomstig internationaal erkende normen met betrekking tot de rechtsstaat, dringende en effectieve maatregelen zal nemen om de veiligheidsdreiging aan te pakken die wordt gecreëerd door alle militante groeperingen die actief zijn in Pakistan en de omliggende gebieden, zonder uitzonderingen; onderstreept dat de autoriteiten geen enkele vorm van terrorisme of extremisme mogen steunen;

4.  roept de regering van Pakistan op de veiligheid van scholen te waarborgen en ervoor te zorgen dat kinderen, ongeacht gender, nooit geïntimideerd worden wanneer ze naar school gaan; is van mening dat de regering veel meer blijk moet geven van vastbeslotenheid en meer inspanningen moet leveren om TTP-militanten en anderen die scholen als doelwit kiezen voor gewelddaden te arresteren en te vervolgen, zo niet wordt haar internationale geloofwaardigheid ondermijnd;

5.  herhaalt gekant te blijven tegen de doodstraf, onder alle omstandigheden; betreurt het besluit van de premier van Pakistan, Nawaz Sharif, om een vierjarig onofficieel moratorium op de doodstraf te herroepen en roept op dit moratorium onmiddellijk opnieuw in te stellen;

6.  roept de regering van Pakistan op antiterrorismewetten voor te behouden voor terreurdaden, in plaats van ze te gebruiken in het kader van gewone strafzaken; betreurt ten stelligste dat geopteerd wordt voor versnelde militaire rechtspraak, in het kader waarvan er geen minimumvoorwaarden gelden met betrekking tot de rechtsstaat, en benadrukt dat een verlenging van de SAP+-preferenties samenhangt met de naleving van een aantal basisnormen die zijn vastgelegd in verdragen van de VN en de IAO;

7.  is ingenomen met het voornemen van de Pakistaanse politieke partijen om een nationaal plan op te stellen om terrorisme aan te pakken; benadrukt dat het in het kader van de strijd tegen terrorisme en religieus extremisme van wezenlijk belang is de onderliggende oorzaken aan te pakken, met inbegrip van de bestrijding van armoede, het waarborgen van religieuze verdraagzaamheid en vrijheid van geloof, de versterking van de rechtsstaat en de vrijwaring van het recht op en de vrije toegang tot onderwijs voor jongens en meisjes; vraagt om een langetermijnstrategie om de radicalisering van jongeren in Pakistan te voorkomen en de "grootschalige leercrisis" die er volgens Unesco heerst in Pakistan aan te pakken, met name door meer te investeren in een door de overheid gefinancierd onderwijsstelsel en door ervoor te zorgen dat religieuze scholen beschikken over het nodige materiaal om jongeren evenwichtig en inclusief onderwijs te bieden;

8.  dringt er bij de regering van Pakistan op aan zich te houden aan de recentelijk geratificeerde internationale overeenkomsten inzake mensenrechten, waaronder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, die de autoriteiten ertoe verplichten een eerlijk proces te waarborgen en geen militaire rechtbanken te gebruiken om burgers te berechten wanneer de gewone rechtbanken werkzaam zijn;

9.  vraagt een hernieuwd internationaal engagement om de financiering van en steunverlening aan terroristische netwerken te bestrijden;

10. roept de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger / vicevoorzitter Federica Mogherini, de Europese Dienst voor extern optreden en de Raad op zich volledig in te zetten om de dreiging van het terrorisme aan te pakken en om de regering en de bevolking van Pakistan verder bij te staan in hun inspanningen om terrorisme uit te bannen;

11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de regering en het parlement van Pakistan.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0064.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0460.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0422.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0208.

Juridische mededeling