Procedure : 2015/2758(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0703/2015

Ingediende teksten :

RC-B8-0703/2015

Debatten :

PV 09/07/2015 - 17.3
CRE 09/07/2015 - 17.3

Stemmingen :

PV 09/07/2015 - 18.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0279

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 154kWORD 80k
8.7.2015
PE565.681v01-00}
PE565.682v01-00}
PE565.686v01-00}
PE565.688v01-00}
PE565.690v01-00} RC1
 
B8-0703/2015}
B8-0704/2015}
B8-0708/2015}
B8-0710/2015}
B8-0712/2015} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

Verts/ALE (B8-0703/2015)

EFDD (B8-0704/2015)

GUE/NGL (B8-0708/2015)

ALDE (B8-0710/2015)

S&D (B8-0712/2015)


over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab (2015/2758(RSP))


Josef Weidenholzer, Victor Boştinaru, Richard Howitt, Alessia Maria Mosca, Arne Lietz, Norbert Neuser, Elena Valenciano, Eric Andrieu, Nikos Androulakis, Zigmantas Balčytis, Hugues Bayet, Brando Benifei, Goffredo Maria Bettini, José Blanco López, Vilija Blinkevičiūtė, Biljana Borzan, Nicola Caputo, Andi Cristea, Miriam Dalli, Isabella De Monte, Doru-Claudian Frunzulică, Enrico Gasbarra, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Neena Gill, Maria Grapini, Sergio Gutiérrez Prieto, Liisa Jaakonsaari, Afzal Khan, Jeppe Kofod, Krystyna Łybacka, Marlene Mizzi, Victor Negrescu, Momchil Nekov, Demetris Papadakis, Tonino Picula, Miroslav Poche, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Olga Sehnalová, Siôn Simon, Claudia Tapardel, Marc Tarabella, Julie Ward, Maria Arena, Theresa Griffin, Kashetu Kyenge, Vincent Peillon, Tibor Szanyi, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho, Viorica Dăncilă namens de S&D-Fractie
Beatriz Becerra Basterrechea, Ramon Tremosa i Balcells, Pavel Telička, Marielle de Sarnez, Filiz Hyusmenova, Antanas Guoga, Javier Nart, Izaskun Bilbao Barandica, Petras Auštrevičius, Juan Carlos Girauta Vidal, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Frédérique Ries, Marietje Schaake, Ivan Jakovčić, Gérard Deprez, Jozo Radoš, Alexander Graf Lambsdorff, Robert Rochefort, Louis Michel, Johannes Cornelis van Baalen, Nedzhmi Ali, Petr Ježek, Urmas Paet, José Inácio Faria, Martina Dlabajová, Nathalie Griesbeck, Hannu Takkula, Catherine Bearder, Philippe De Backer namens de ALDE-Fractie
Marie-Christine Vergiat, Lola Sánchez Caldentey, Tania González Peñas, Barbara Spinelli, Patrick Le Hyaric namens de GUE/NGL-Fractie
Alyn Smith, Barbara Lochbihler, Michel Reimon, Davor Škrlec, Heidi Hautala namens de Verts/ALE-Fractie
Ignazio Corrao, Fabio Massimo Castaldo namens de EFDD-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab (2015/2758(RSP))  

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, met name die van 6 februari 2014 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja en Ibrahim Sharif(1),

–       gezien de verklaring van de woordvoerder van vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Federica Mogherini van 17 juni 2015 over de veroordeling, in Bahrein, van Ali Salman, secretaris-generaal van al-Wefaq,

–       gezien de 24e Gezamenlijke Raad en ministeriële bijeenkomst van de Samenwerkingsraad van de Golf (Gulf Cooperation Council, GCC) en de Europese Unie van 24 mei 2015 in Doha,

–       gezien het besluit van de ministerraad van de Arabische Liga, dat is genomen tijdens de vergadering van 1 september 2013 in Caïro, om een pan-Arabische rechtbank voor mensenrechten op te richten in Manama, de hoofdstad van Bahrein,

–       gezien het rapport met gedetailleerde informatie over de uitvoering door de regering van Bahrein van de aanbevelingen van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein van februari 2014 en de laatste informatie met betrekking tot de universele periodieke doorlichting die de regering van Bahrein heeft gepresenteerd in september 2014;

–       gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die allemaal door Bahrein zijn ondertekend,

–       gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, die zijn aangenomen in juni 2004 en herzien in 2008,

–       gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tot beperking der staatloosheid,

–       gezien het nieuwe het strategisch EU-kader en actieplan voor mensenrechten, dat erop is gericht de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te plaatsen bij alle beleid van de EU en dat een specifiek onderdeel bevat over de bescherming van mensenrechtenverdedigers;

–      gezien het bezoek van Stavros Lambrinidis, speciaal vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, aan Bahrein eind mei 2015,

–       gezien de artikelen 5 en 19 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–       gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat Bahrein heeft beloofd vooruitgang te boeken bij zijn hervormingen op het gebied van mensenrechten na de publicatie van het rapport van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein op 23 november 2011 en van het vervolgrapport van 21 november 2012;

B.     overwegende dat de instelling door Bahrein van de Ombudsman van het ministerie van Binnenlandse Zaken, de Commissie voor de rechten van gevangenen en gedetineerden en de speciale onderzoekseenheid bemoedigend is; overwegende dat deze instanties onpartijdiger, transparanter en onafhankelijker van de overheidsorganen moeten worden gemaakt;

C.     overwegende dat de Bahreinse autoriteiten sinds het begin van de opstanden in 2011 het gebruik van repressieve maatregelen tegen burgeractivisten en tegen vreedzame oppositie opvoeren; overwegende dat op 10 juni 2014 tijdens de 26e zitting van de VN-Mensenrechtenraad 47 landen, inclusief alle 28 EU-lidstaten, een gezamenlijke verklaring hebben ondertekend om uiting te geven aan hun ernstige bezorgdheid over de mensenrechtensituatie in Bahrein; overwegende dat in de gezamenlijke verklaring uitdrukkelijk melding werd gemaakt van een aantal zorgwekkende kwesties, bijvoorbeeld lange straffen voor de uitoefening van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en van vereniging, het ontbreken van toereikende garanties voor een eerlijk proces, de repressie van demonstraties, de voortdurende pesterijen jegens en gevangenzetting van personen die hun recht uitoefenen op een vrije mening en meningsuiting, mishandeling en foltering in detentiefaciliteiten, de willekeurige afname van het staatsburgerschap zonder behoorlijk proces en ontoereikende aflegging van verantwoording voor schendingen van de mensenrechten;

D.     overwegende dat Nabeel Rajab, Bahreins mensenrechtenverdediger en voorzitter van het Bahreinse Centrum voor de mensenrechten, adjunct-secretaris-generaal van de Internationale Federatie voor de Mensenrechten en lid van de adviescommissie van de Afdeling Midden-Oosten van Human Rights Watch, is veroordeeld tot zes maanden gevangenis, louter voor de vreedzame uitoefening van zijn vrijheid van meningsuiting; overwegende dat Nabeel Rajab is gearresteerd op 1 oktober 2014 na zijn bezoek aan de Subcommissie mensenrechten van het Europees Parlement, op beschuldiging van de publicatie van tweets over een groep landgenoten die zouden samenwerken met IS/Da'esh; overwegende dat hem belediging van een publieke instantie en het leger ten laste werden gelegd; overwegende dat de werkgroep van de Verenigde Naties inzake willekeurige detentie de detentie van Nabeel Rajab in november 2013 heeft aangemerkt als willekeurig;

E.     overwegende dat Nabeel Rajab sinds zijn oprichting van het Bahreinse Centrum voor de mensenrechten in 2002 diverse gevangenisstraffen heeft uitgezeten; overwegende dat Nabeel Rajab bijkomende elementen ten laste zijn gelegd in verband met zijn vrijheid van meningsuiting en dat hij momenteel tot 10 jaar gevangenis riskeert omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan de "belediging van een wettelijk orgaan" en de "verspreiding van geruchten in oorlogstijd";

F.     overwegende dat vele mensenrechtenverdedigers, bijvoorbeeld Naji Fateel, Deens mensenrechtenverdediger Abdulhadi al-Khawaja, Zweeds politiek activist Mohammad Habib al-Muqdad en andere leden van de zogeheten 13 van Bahrein, net als Nabeel Rajab worden vastgehouden, worden onderworpen aan gerechtelijke pesterijen in Bahrein, gevangen worden genomen en lange of levenslange straffen uitzitten als directe vergelding voor hun werk ter verdediging van de mensenrechten; overwegende dat de meesten van hen zouden zijn onderworpen aan geweld, mishandeling en fysieke of psychische foltering;

G.     overwegende dat volgens het Bahreinse Centrum voor de mensenrechten meer dan 3 000 gevangenen op arbitraire wijze vast worden gehouden, velen mensenrechtenverdedigers die gevangen genomen zijn en lange of levenslange straffen uitzitten als directe vergelding voor hun activiteiten; overwegende dat de meesten van hen zouden zijn onderworpen aan geweld, mishandeling en fysieke of psychische foltering;

H.     overwegende dat op 16 juni de secretaris-generaal van Bahreins belangrijkste oppositiepartij al-Wefaq, sjeik Ali al-Salman, is veroordeeld tot vier jaar gevangenis in het kader van de protesten tegen de overheid die zijn losgebarsten in 2011, op het hoogtepunt van de opstanden van de Arabische Lente in de regio; overwegende dat zijn advocaten van de rechtbank het verbod zouden hebben gekregen om mondeling te pleiten en dat zij geen reële mogelijkheid hebben gekregen om de bewijzen te onderzoeken; overwegende dat een groep onafhankelijke experts van de Verenigde Naties, deels bekend als speciale procedures van de Mensenrechtenraad, er bij de Bahreinse autoriteiten op hebben aangedrongen om sjeik Ali Salman vrij te laten;

I.      overwegende dat Bahrein sinds 2012 de antiterrorismewetgeving misbruikt om op arbitraire wijze het staatsburgerschap van activisten en oppositieleden af te nemen als vergelding voor een afwijkende mening, inclusief bij minstens 9 minderjarigen; overwegende dat volgens diverse rapporten alleen al in 2015 het staatsburgerschap is afgenomen van meer dan 100 activisten, protestanten en politici, waardoor een groot deel van hen staatloos is geworden, met schending van het Verdrag van de Verenigde Naties tot beperking der staatloosheid;

J.      overwegende dat het gebruik van de doodstraf in politiek gemotiveerde zaken sinds 2011 is toegenomen; overwegende dat sinds 2011 minstens zeven individuen ter dood zijn veroordeeld in een politieke zaak, vier van hen in 2015 alleen;

K.     overwegende dat de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein, die op koninklijk bevel is opgericht om de gebeurtenissen van februari 2011 in Bahrein te onderzoeken en hier verslag over uit te brengen, een reeks aanbevelingen heeft geformuleerd over mensenrechten en politieke hervormingen; overwegende dat vooruitgang is geboekt met een hervorming van het rechtsstelsel en het wetshandhavingssysteem, maar dat de regering de essentiële aanbevelingen van de commissie niet volledig ten uitvoer heeft gelegd, met name de vrijlating van leiders van de protesten die zijn veroordeeld voor het uitoefenen van hun recht op vrije meningsuiting en vreedzame vergadering; overwegende dat de verzoeningsgesprekken - bekend als de nationale dialoog - zijn stilgevallen; overwegende dat sommige groepen nog steeds niet vertegenwoordigd zijn in het politieke stelsel en dat de veiligheidsdiensten nog steeds geen verantwoording hoeven af te leggen;

1.      vraagt de intrekking van de tenlastelegging en de onmiddellijke, onvoorwaardelijke vrijlating van alle mensenrechtenverdedigers, politieke activisten en andere individuen die worden vastgehouden en aan wie schendingen ten laste worden gelegd die zij zouden hebben gepleegd in verband met het recht op meningsuiting, vreedzame vergadering en vereniging, inclusief Nabeel Rajab, sjeik Ali Salman en de 13 van Bahrein;

2.      erkent de engagementen van de Bahreinse autoriteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein van 2011 en de universele periodieke doorlichting van de VN van Bahrein, alsmede de aanbevelingen van andere VN-mechanismen, en de recente vrijlating van een aantal gevangenen aan wie misdaden ten laste waren gelegd in verband met hun politieke vereniging en meningsuiting; dringt er bij de Bahreinse regering op aan snel alle aanbevelingen in het rapport van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein en de universele periodieke doorlichting ten uitvoer te leggen, een einde te maken aan alle mensenrechtenschendingen en de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, overeenkomstig de internationale mensenrechtenverplichtingen van Bahrein;

3.      spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het misbruik van de antiterrorismewetten in Bahrein voor het schenden van de mensenrechten, onder andere door het afnemen van het staatsburgerschap;

4.      veroordeelt het voortdurende gebruik van foltering en andere wrede of onterende behandeling of bestraffing van gevangenen, vreedzame protestanten en oppositieleden door de Bahreinse autoriteiten en dringt er bij de regering van Bahrein op aan haar verplichtingen en toezeggingen op grond van het VN-Verdrag tegen foltering na te komen;

5.      dringt er bij de regering van Bahrein op aan met de speciale VN-rapporteurs (met name voor foltering, vrijheid van vergadering, onafhankelijke rechters en advocaten en mensenrechtenverdedigers) samen te werken en een permanente uitnodiging aan hen te richten;

6.      merkt op dat de Bahreinse regering voortdurend inspanningen levert om het strafwetboek en de wettelijke procedures te hervormen en moedigt haar ertoe aan dit proces voort te zetten; dringt er bij de regering van Bahrein op aan alle nodige stappen te ondernemen om een onpartijdig en eerlijk rechtsstelsel te garanderen, met de garantie van een behoorlijk proces, en de onpartijdigheid te garanderen van zijn Ombudsman, de speciale onderzoekseenheid en het nationale instituut voor de mensenrechten;

7.      vraagt de onmiddellijke ratificatie van het Facultatieve Protocol bij het Verdrag tegen foltering, het Tweede Facultatieve Protocol bij het IVBPR inzake de afschaffing van de doodstraf, het Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden;

8.      verzoekt de Bahreinse autoriteiten de dialoog inzake een nationale consensus voort te zetten, met het oog op de totstandbrenging van een duurzame en inclusieve nationale verzoening en van duurzame politieke oplossingen voor de crisis; merkt op dat in een duurzaam politiek proces, legitieme en vreedzame kritiek vrij moet worden uitgesproken; herinnert de Bahreinse autoriteiten er in verband hiermee aan dat het betrekken bij de zaak van de sjiitische meerderheid en haar vreedzame politieke vertegenwoordigers, op basis van menselijke waardigheid, respect en billijkheid, een onontbeerlijk element moet zijn van elke geloofwaardige strategie van nationale verzoening en duurzame hervorming;

9.      is tevreden met de snelle vrijlating uit de gevangenis van oppositieleider Ibrahim Sharif in juni 2015, nadat hem koninklijke gratie was verleend; beschouwt dit besluit als een welkome, belangrijke stap in het proces ter bevordering van het vertrouwen in Bahrein;

10.    dringt er bij de VV/HV op aan er in al haar contacten met de regering van Bahrein op te blijven wijzen dat hervormingen en verzoening belangrijk zijn; moedigt krachtig de oprichting aan van een werkgroep van de EU en Bahrein voor de mensenrechten, maar merkt op dat een dialoog tussen de EU en Bahrein over de mensenrechten niet de plaats kan innemen van een algemene dialoog tussen de regering en de oppositie in Bahrein zelf;

11.    neemt kennis van de aanbevelingen van de Ombudsman, de Commissie voor de rechten van gevangenen en gedetineerden en het nationale instituut voor de mensenrechten, met name wat de rechten van gedetineerden en hun verblijfsomstandigheden in de gevangenis betreft, inclusief met betrekking tot de mishandeling en foltering waarvan sprake zou zijn; moedigt deze organen aan hun werk voort te zetten op onafhankelijke, onpartijdige en transparante wijze en verzoekt de Bahreinse autoriteiten deze aanbevelingen volledig uit te voeren;

12.    vraagt een snelle collectieve inspanning van de EU om een algemene strategie te ontwikkelen met een manier voor de EU en de Commissie om actief aan te dringen op de vrijlating van de opgesloten activisten en politieke gevangenen; verzoekt de EDEO en de lidstaten te zorgen voor een behoorlijke tenuitvoerlegging door de EU-delegatie in Riyad en de ambassades van de lidstaten in Bahrein van de EU-mensenrechtenrichtsnoeren, met name met betrekking tot mensenrechtenverdedigers en foltering, en verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging hiervan;

13.    vraagt een EU-verbod op de export van traangas en materiaal voor het in bedwang houden van mensenmassa's tot onderzoek is verricht naar het oneigenlijke gebruik ervan en degenen die zich aan dit oneigenlijke gebruik schuldig hebben gemaakt, ter verantwoording zijn geroepen;

14.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein en de leden van de GCC.

 

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0109.

Juridische mededeling