Procedure : 2015/2935(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-1351/2015

Ingediende teksten :

RC-B8-1351/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/12/2015 - 11.12
CRE 16/12/2015 - 11.12

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0461

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 359kWORD 76k
15.12.2015
PE573.389v01-00}
PE573.402v01-00}
PE573.404v01-00}
PE573.406v01-00} RC1
 
B8-1351/2015}
B8-1358/2015}
B8-1359/2015}
B8-1361/2015} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

S&D (B8-1351/2015)

ALDE (B8-1358/2015)

Verts/ALE (B8-1359/2015)

GUE/NGL (B8-1361/2015)


over de situatie in Hongarije (2015/2935(RSP))


Birgit Sippel, Péter Niedermüller, Tanja Fajon, Sylvie Guillaume, Enrique Guerrero Salom, Tibor Szanyi namens de S&D-Fractie
Sophia in ‘t Veld, Louis Michel, Cecilia Wikström, Nathalie Griesbeck, Filiz Hyusmenova, Ivan Jakovčić, Marielle de Sarnez, Pavel Telička namens de ALDE-Fractie
Marie-Christine Vergiat, Cornelia Ernst, Malin Björk, Barbara Spinelli, Xabier Benito Ziluaga, Tania González Peñas, Martina Michels, Younous Omarjee, Lola Sánchez Caldentey, Estefanía Torres Martínez, Miguel Urbán Crespo namens de GUE/NGL-Fractie
Judith Sargentini, Benedek Jávor, Ulrike Lunacek, Monika Vana namens de Verts/ALE-Fractie
Laura Ferrara, Ignazio Corrao

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije (2015/2935(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name het tweede en het vierde t/m het zevende streepje,

–  gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het VWEU met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije(1), zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije(2), van 16 februari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije(3) en van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien de eerste jaarlijkse dialoog van de Raad over de rechtsstaat, gehouden op 17 november 2015,

–  gezien de verklaring van 27 november 2015 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa na zijn bezoek aan Hongarije,

–  gezien de door het Hongaarse parlement aangenomen Wet CXL van 2015 inzake massale immigratie,

–  gezien de door het Hongaarse parlement aangenomen Wet CXLII van 2015 inzake de doelmatige bescherming van de Hongaarse grenzen en inzake massale immigratie,

–  gezien Resolutie 36/2015 van het Hongaarse parlement over de boodschap aan de leiders van de Europese Unie, aangenomen op 22 september 2015,

–  gezien de mondelinge vraag namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (O-000140/2015 – B8-0000/2015),

–  gezien het antwoord van de Commissie van 5 november 2015 naar aanleiding van de resolutie van het Parlement van 10 juni 2015,

–  gezien de verklaring van de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije,

–  gezien artikel 128, lid 5, en 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie gestoeld is op de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat deze waarden universeel zijn en dat de lidstaten deze gemeen hebben (artikel 2 VEU); overwegende dat bij een duidelijk risico op een ernstige schending van de in artikel 2 VEU genoemde waarden door een lidstaat de "artikel 7-procedure" in werking treedt;

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie deel uitmaakt van het primaire recht van de EU en alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

C.  overwegende dat de manier waarop de rechtsstaat ten uitvoer wordt gelegd op nationaal niveau cruciaal is om het vertrouwen in de rechts- en bestuurlijke systemen in de lidstaten te waarborgen; overwegende dat de gerechtvaardigde onbuigzaamheid van de EU ten aanzien van waarden als eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten essentieel is voor de geloofwaardigheid van de Unie, zowel intern als op het internationale toneel;

D.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en in overeenstemming met het VEU en het VWEU;

E.  overwegende dat een deugdelijk uitgavenbeleid en de bescherming van de financiële belangen van de EU centraal moeten staan in het EU-beleid, teneinde het vertrouwen van de burgers te vergroten door ervoor te zorgen dat hun geld goed, doelmatig en doeltreffend wordt besteed;

F.  overwegende dat de recente ontwikkelingen en de initiatieven en maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen in Hongarije hebben geleid tot een ernstige, stelselmatige verslechtering van de situatie op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten, onder andere vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van academische vrijheid, de mensenrechten van immigranten, asielzoekers en vluchtelingen, de vrijheid van vergadering en vereniging, beperkingen en belemmeringen van de activiteiten van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, het recht op gelijke behandeling, de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, waaronder Roma, Joden en LGBTI's, sociale rechten, het functioneren van het constitutionele stelsel, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en andere instellingen, en vele zorgwekkende beschuldigingen van corruptie en belangenverstrengeling;

G.  overwegende dat het Hongaarse parlement in juli en september 2015 een aantal amendementen heeft aangenomen, vooral met betrekking tot het asielrecht, het wetboek van strafrecht, de wet inzake strafprocedures, de wet inzake grensbewaking, de wet inzake de politie en de wet inzake nationale defensie; overwegende dat een voorlopige beoordeling van de Commissie een aantal ernstige bezwaren heeft opgeworpen en vragen over de verenigbaarheid met het acquis inzake asiel en grenzen en met het Handvest van de grondrechten; overwegende dat de Commissie op 6 oktober 2015 een administratieve brief aan de Hongaarse regering heeft gestuurd; overwegende dat de Hongaarse regering die brief heeft beantwoord; overwegende dat de Commissie op 10 december 2015 een inbreukprocedure tegen Hongarije heeft aangespannen;

H.  overwegende dat de Commissie niet heeft geantwoord op het verzoek van het Parlement om aan te vangen met een diepgravende evaluatie naar de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije; overwegende dat de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 2 december 2015 verklaarde dat zij bereid was alle beschikbare middelen in te zetten, met inbegrip van inbreukprocedures, om ervoor te zorgen dat Hongarije – net als alle andere lidstaten – zijn verplichtingen uit hoofde van het EU-recht nakomt en de waarden van de Unie als verankerd in artikel 2 VEU, eerbiedigt; overwegende dat de Commissie van mening is dat in dit stadium niet aan de voorwaarden wordt voldaan om het kader voor de rechtsstaat ten aanzien van Hongarije in werking te laten treden;

1.  herhaalt zijn standpunt van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije;

2.  geeft uitdrukking aan ernstige bezwaren over de reeks wetgevende maatregelen die de afgelopen maanden versneld zijn uitgevoerd en die de toegang tot internationale bescherming extreem bemoeilijkt hebben en vluchtelingen, migranten en asielzoekers ten onrechte strafbaar hebben gesteld; vreest dat het beginsel van non-refoulement niet wordt nageleefd, dat er steeds meer asielzoekers worden vastgehouden, zo ook minderjarigen, en dat er een xenofobe retoriek wordt gebezigd waarbij migranten in één adem worden genoemd met maatschappelijke problemen of veiligheidsrisico's, met name in door de regering geïnitieerde communicatiecampagnes en volksraadplegingen, als gevolg waarvan de integratie stroef verloopt; dringt er bij de Hongaarse regering op aan terug te keren naar de normale procedures en noodmaatregelen in te trekken;

3.  is van mening dat alle lidstaten het EU-recht volledig moeten eerbiedigen in hun wetgevende en bestuurlijke praktijken en dat alle wetgeving een afspiegeling moet zijn van en in overeenstemming moet zijn met de fundamentele Europese waarden, te weten de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

4.  benadrukt dat het Parlement er herhaaldelijk bij de Raad op heeft aangedrongen om te reageren op de zorgelijke ontwikkelingen in Hongarije; dringt er bij de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad op aan de situatie in Hongarije zo snel mogelijk te bespreken en hierover conclusies te formuleren; is van mening dat de Raad en de Commissie, door geen rekening te houden met of door niet adequaat te reageren op de zorgen van het Parlement die herhaaldelijk zijn verwoord door een meerderheid van zijn leden, het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen, als vastgelegd in artikel 13, lid 2, VEU, ondergraven;

5.  stelt vast dat de constitutionele, juridische en politieke ontwikkelingen in Hongarije hebben geleid tot ongerustheid met betrekking tot de beginselen van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in de afgelopen jaren, en dat die ontwikkelingen samen zonder meer een nieuwe systemische bedreiging van de rechtsstaat in deze lidstaat kunnen gaan vormen; is van mening, in tegenstelling tot de verklaring van de Commissie in het Parlement op 2 december 2015, dat aan de voorwaarden voor de inwerkingtreding van het kader voor de rechtsstaat en voor de toepassing van artikel 7, lid 1, VEU, volledig is voldaan;

6.  is van mening dat Hongarije een testcase vormt waarmee de EU haar vermogen en politieke bereidheid kan tonen om te reageren op bedreigingen en schendingen van haar eigen fundamentele waarden door een lidstaat; betreurt soortgelijke ontwikkelingen in enkele andere lidstaten, en is van mening dat de passiviteit van de EU kan hebben bijgedragen aan dergelijke ontwikkelingen die, net als in Hongarije, tekenen aan de wand zijn voor de ondermijning van de rechtsstaat; is van mening dat dit aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid over het vermogen van de Unie om ervoor te zorgen dat een lidstaat na de toetreding tot de Unie aan de politieke criteria van Kopenhagen blijft voldoen;

7.  herinnert aan de rol van de Commissie, als hoedster van de Verdragen, om te waarborgen dat nationale wetgeving in overeenstemming is met de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; benadrukt dat de Commissie en het Parlement bij het beoordelen en analyseren van de situatie in afzonderlijke lidstaten moeten uitgaan van feiten en zich objectief moeten opstellen; verzoekt de Hongaarse regering en de Commissie nauw en bereidwillig samen te werken bij alle kwesties die naar hun mening nader beoordeeld of geanalyseerd moeten worden; is ingenomen met het aanspannen van een inbreukprocedure tegen Hongarije vanwege het asielacquis;

8.  betreurt het dat de huidige aanpak van de Commissie hoofdzakelijk gericht is op marginale, technische aspecten van de wetgeving en voorbijgaat aan de tendensen, patronen en het gecombineerde effect van de maatregelen op de rechtsstaat en de grondrechten; is van mening dat met name inbreukprocedures in de meeste gevallen niet hebben geleid tot echte veranderingen en een algehele oplossing van de situatie;

9.  dringt er bij de Commissie op aan het eerste stadium van het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat te activeren, en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije onder de loep wordt genomen, met inbegrip van het gecombineerde effect van een aantal maatregelen, en waarbij wordt beoordeeld of in die lidstaat een stelselmatige bedreiging ontstaat die zou kunnen uitmonden in een duidelijk gevaar voor een ernstige schending in de zin van artikel 7 VEU;

10.  is ingenomen met de registratie door de Commissie op 30 november 2015 van een Europees Burgerinitiatief waarin de Commissie verzocht wordt om in het geval van Hongarije de procedure van artikel 7 VEU in werking te stellen; verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een specifiek verslag over Hongarije op te stellen, overeenkomstig artikel 83, lid 1, onder a, van zijn Reglement, om een met redenen omkleed voorstel aan te nemen waarin de Raad verzocht wordt te handelen krachtens artikel 7, lid 1, VEU;

11.  verzoekt de Commissie alle onderzoeken voort te zetten, met volledige gebruikmaking van alle bestaande wettelijke instrumenten, om ervoor te zorgen dat in Hongarije, overeenkomstig het EU-recht, op transparante en deugdelijke wijze gebruikgemaakt wordt van de EU-fondsen; neemt kennis van het besluit van de Commissie van 14 juli 2015 om de uitvoering van verscheidene contracten in het kader van acht EU-financieringsprogramma's op te schorten, vanwege het gebruik van een buitensporig restrictief selectiecriterium in aanbestedingsprocedures in Hongarije;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0227.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315.

(3)

PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 27.

(4)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 154.

Juridische mededeling