Procedure : 2016/2555(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0313/2016

Ingediende teksten :

RC-B8-0313/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 09/03/2016 - 11.8

Aangenomen teksten :


GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 173kWORD 70k
7.3.2016
PE579.741v01-00}
PE579.745v01-00} RC1
 
B8-0313/2016}
B8-0316/2016} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

ECR (B8-0313/2016)

PPE (B8-0316/2016)


over de tabaksovereenkomst (PMI-overeenkomst) (2016/2555(RSP))


Ingeborg Gräßle, Petri Sarvamaa namens de PPE-Fractie
Ryszard Czarnecki namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de tabaksovereenkomst (PMI-overeenkomst) (2016/2555(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien de antismokkel- en antinamaakovereenkomst en algemene vrijgave van 9 juli 2004 tussen Philip Morris International (PMI) en dochterondernemingen enerzijds en de Unie en haar lidstaten anderzijds,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 februari 2016 getiteld "Technische beoordeling van de ervaring met de antismokkel- en antinamaakovereenkomst en algemene vrijgave van 9 juli 2004 tussen Philip Morris International en dochterondernemingen enerzijds en de Unie en haar lidstaten anderzijds" (SWD(2016)0044),

–  gezien Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG,

–  gezien het Protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten, dat tijdens de vijfde bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik is aangenomen bij besluit FCTC/COP5 (1) van 12 november 2012,

–  gezien zijn resolutie van 11 oktober 2007 over de gevolgen van het akkoord tussen de Gemeenschap, lidstaten en Philip Morris betreffende het opvoeren van de strijd tegen fraude en sigarettensmokkel en over de vorderingen die zijn geboekt met betrekking tot de uitvoering van de aanbevelingen van de Enquêtecommissie communautair douanevervoer van het Europees Parlement(1),

–  gezien artikel 128, lid 5, en 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU en haar lidstaten als gevolg van de illegale handel in tabaksproducten en met name de smokkel en namaak van sigaretten jaarlijks meer dan 10 miljard EUR aan inkomsten (uit douaneheffingen, btw en accijnzen) derven;

B.  overwegende dat tabakssmokkel een ernstig misdrijf is dat bijdraagt aan de financiering van andere internationaal georganiseerde criminele activiteiten, waaronder mensen-, drugs- en wapenhandel;

C.  overwegende dat tabaksfraude het beleid tegen roken ondergraaft en zo de tabaksepidemie aanwakkert: het vergemakkelijkt de toegang tot (vaak goedkopere) tabaksproducten, vooral voor jongeren en lage-inkomsengroepen;

D.  overwegende dat tabaksfraude een volksgezondheidsprobleem is en een nog groter gezondheidsrisico vormt dan echte sigaretten, omdat namaaksigaretten illegaal worden vervaardigd en ingevoerd en de gebruikte ingrediënten niet bekend zijn;

E.  overwegende dat het kerndoel van de PMI-overeenkomst is de grootschalige PMI-smokkel op de illegale tabaksmarkt in de EU in te dammen;

F.  overwegende dat in de technische beoordeling van de PMI-overeenkomst door de Commissie wordt geconcludeerd dat dit kerndoel daadwerkelijk is bereikt, maar dat de vermindering van de PMI-smokkel niet geleid heeft tot een algemene verlaging van het aantal illegale producten op de EU-markt;

G.  overwegende dat, om het probleem van de smokkel en namaak van sigaretten aan te pakken, de EU en de lidstaten (met uitzondering van Zweden in het geval van de BAT- en ITL-overeenkomsten) juridisch bindende overeenkomsten hebben gesloten met Philip Morris International (PMI) (2004), Japan Tobacco International (JTI) (2007), British American Tobacco (BAT) (2010) en Imperial Tobacco Limited (ITL) (2010);

H.  overwegende dat de PMI-overeenkomst tot dusverre de overheidskassen met ongeveer 1 miljard USD aan jaarlijkse betalingen en 68,2 miljoen EUR aan betalingen bij inbeslagneming heeft gespekt, verdeeld tussen de Commissie (circa 10 %) en de lidstaten (circa 90 %);

I.  overwegende dat de PMI-overeenkomst op 9 juli 2016 zal aflopen;

J.  overwegende dat zich sinds de ondertekening van de huidige PMI-overeenkomst aanzienlijke veranderingen hebben voorgedaan in de marktomgeving, met name het feit dat er steeds meer merkloze sigaretten op de markt zijn, die in de wandelgangen "goedkope witte" worden genoemd;

K.  overwegende dat zich sinds de ondertekening van de huidige PMI-overeenkomst aanzienlijke veranderingen hebben voorgedaan op regelgevingsgebied, met name met de vaststelling van Richtlijn 2014/40/EU inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en van het Protocol bij de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik;

1.  is verheugd over het verslag van de Commissie betreffende de beoordeling van de PMI-tabaksovereenkomst; betreurt evenwel het tijdstip waarop deze technische beoordeling is gepubliceerd;

2.  is ingenomen met het Protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten ("FCTC-Protocol") dat met betrekking tot de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik is aangenomen, en moedigt de lidstaten aan om het ratificatieproces zo spoedig mogelijk te voltooien;

3.  is ingenomen met de vaststelling van Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (de tabaksproductenrichtlijn);

4.  neemt nota van de beoordeling van de Commissie dat de PMI-overeenkomst daadwerkelijk zijn doel heeft bereikt, nl. het terugdringen van de grootschalige PMI-smokkel op de illegale tabaksmarkt in de EU, zoals blijkt uit het feit dat het aantal echte PMI-sigaretten dat tussen 2006 en 2014 door lidstaten in beslag werd genomen, met 85 % is gedaald; merkt evenwel op dat de vermindering van de PMI-smokkel volgens de Commissie niet geleid heeft tot een globale vermindering van het aantal illegale producten op de EU-markt; merkt op dat de smokkel van producten van de grote fabrikanten steeds meer plaats heeft gemaakt voor andere producten, zoals merkloze sigaretten ("goedkope witte"), die gewoonlijk in derde landen worden geproduceerd;

5.  wijst op de opmerking in het verslag van de Commissie dat wettelijk bindende en afdwingbare instrumenten, in combinatie met een krachtdadige wetshandhaving, het meest doeltreffende middel zijn om de illegale handel in tabaksproducten aanzienlijk te doen afnemen;

6.  brengt in herinnering, zoals wordt vermeld in het verslag van de Commissie, dat tabaksfabrikanten uit hoofde van de tabaksproductenrichtlijn reeds wettelijk verplicht zijn een volg- en traceersysteem in te voeren en in stand te houden, hetgeen uiterlijk in 2019 van kracht zal worden, en dat in het protocol uit 2015 bij de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik in een soortgelijke algemene verplichting wordt voorzien, hetgeen waarschijnlijk in 2022 of 2023 van kracht zal worden;

7.  benadrukt dat de Commissie onmiddellijk maatregelen moet nemen om te waarborgen dat de tabaksproductenrichtlijn in alle lidstaten wordt omgezet; roept de lidstaten op om de tabaksproductenrichtlijn, en vooral het daarin geregelde volg- en traceersysteem, tijdig om te zetten;

8.  acht het uiterst zorgwekkend dat de begroting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) gedeeltelijk wordt gefinancierd met jaarlijkse betalingen van de tabaksindustrie, zoals vermeld in de tabaksovereenkomsten, aangezien dit tot een zeker belangenconflict zou kunnen leiden;

9.  benadrukt dat de Commissie de aandacht moet richten op Europese en internationale wetgevingsinstrumenten om de namaak en smokkel van sigaretten te bestrijden;

10.  verklaart nogmaals dat de bestrijding van illegale handel, namaak en belastingontduiking een blijvende noodzaak is; overwegende dat de Commissie daarom moet nagaan hoe de huidige situatie op transparante en verantwoorde wijze kan worden aangepakt en hoe het Europees Parlement daarbij moet worden betrokken, gezien de kloof die kan ontstaan tussen het verstrijken van de momenteel van kracht zijnde PMI-overeenkomst en de inwerkingtreding van de tabaksproductenrichtlijn en het FCTC-Protocol;

11.  beveelt de Commissie aan, na alle argumenten voor en tegen een verlenging van de PMI-overeenkomst tegen elkaar te hebben opgewogen, de overeenkomst te verlengen; beschouwt de verlenging als een overgangsregeling om te voorkomen dat er een regelgevingsvacuüm ontstaat tot het moment waarop zowel de tabaksproductenrichtlijn als het FCTC-Protocol volledig van kracht worden;

12.  vindt het zorgwekkend dat de huidige PMI-overeenkomst de kwestie van de "goedkope witte" niet heeft weten aanpakken, omdat dat merkloze sigaretten zijn en dus niet onder de overeenkomst vallen; verzoekt de Commissie derhalve met een actieplan te komen met nieuwe maatregelen om dit probleem met spoed aan te pakken;

13.  verzoekt PMI het volg- en traceersysteem en de zorgvuldigheidsbepalingen ("ken uw klant") van de huidige overeenkomst toe te passen, ongeacht of deze al dan niet wordt verlengd;

14.  verzoekt de Commissie een aanvullende verordening voor te stellen waarmee het volg- en traceersysteem en de zorgvuldigheidsbepalingen ("ken uw klant") van toepassing worden op in de tabaksindustrie gebruikte ruw gesneden tabak, filters en papier, als aanvullend middel om smokkel en namaak te bestrijden;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB C 227 E van 4.9.2008, blz. 147.

Juridische mededeling