Procedure : 2016/2662(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0488/2016

Ingediende teksten :

RC-B8-0488/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 18
CRE 27/04/2016 - 18

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.65

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0201

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 299kWORD 88k
25.4.2016
PE579.917v01-00}
PE579.918v01-00}
PE582.502v01-00}
PE582.503v01-00}
PE582.504v01-00}
PE582.505v01-00} RC1
 
B8-0488/2016}
B8-0489/2016}
B8-0490/2016}
B8-0491/2016}
B8-0492/2016}
B8-0493/2016} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

ALDE (B8-0488/2016)

PPE (B8-0489/2016)

ECR (B8-0490/2016)

Verts/ALE (B8-0491/2016)

GUE/NGL (B8-0492/2016)

S&D (B8-0493/2016)


over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht) (2016/2662(RSP))


Andrzej Grzyb, Anna Záborská, Cristian Dan Preda, Davor Ivo Stier namens de PPE-Fractie
Elena Valenciano, Enrique Guerrero Salom, Pier Antonio Panzeri, Norbert Neuser, Josef Weidenholzer, Doru-Claudian Frunzulică namens de S&D-Fractie
Mark Demesmaeker, Nirj Deva, Eleni Theocharous namens de ECR-Fractie
Petras Auštrevičius, Beatriz Becerra Basterrechea, Charles Goerens, Louis Michel, Marietje Schaake, Ivo Vajgl, Paavo Väyrynen, Renate Weber, Hilde Vautmans namens de ALDE-Fractie
Stelios Kouloglou, Lola Sánchez Caldentey, Kateřina Konečná, Merja Kyllönen, Xabier Benito Ziluaga, Estefanía Torres Martínez, Miguel Urbán Crespo, Tania González Peñas, Marie-Christine Vergiat, Kostas Chrysogonos, Jiří Maštálka, Patrick Le Hyaric, Marisa Matias, Barbara Spinelli, Martina Anderson, Lynn Boylan, Matt Carthy, Liadh Ní Riada namens de GUE/NGL-Fractie
Barbara Lochbihler, Keith Taylor, Ernest Urtasun, Yannick Jadot namens de Verts/ALE-Fractie
Ignazio Corrao, Fabio Massimo Castaldo, Beatrix von Storch, Rolandas Paksas, Isabella Adinolfi namens de EFDD-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht) (2016/2662(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien de Verdragen van Genève en andere rechtsinstrumenten inzake het internationaal humanitair recht (IHR),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere mensenrechteninstrumenten van de VN,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien de conclusies van de Raad van 10-11 december 2015 over het voorbereidingsproces van de wereldtop over humanitaire hulp,

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 8 december 2009 inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht,

–  gezien de geactualiseerde richtsnoeren van de Europese Unie inzake de bevordering van de naleving van het internationale humanitaire recht(1),

–  gezien de beginselen van partnerschap (zoals goedgekeurd door het Global Humanitarian Platform) van 12 juli 2007,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 2 februari 2016 voor de wereldtop over humanitaire hulp, "One humanity, shared responsibility" (Eén mensheid, een gedeelde verantwoordelijkheid),

–  gezien resolutie 1998 van de VN-Veiligheidsraad van 12 juli 2011, en resolutie 2143 van 7 maart 2014 over de bescherming van door gewapende conflicten getroffen kinderen,

–  gezien resolutie 64/290 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 juli 2010 over het recht op onderwijs in noodsituaties,

–  gezien zijn resoluties van 25 februari 2016 over de humanitaire situatie in Jemen(2), van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(3), van 26 november 2015 over onderwijs aan kinderen in noodsituaties en aanhoudende crises(4), van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(5), en van 16 december 2015 inzake voorbereiding voor de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp(6),

–  gezien resolutie 1502(2003) van de VN-Veiligheidsraad over geweld tegen humanitaire hulpverleners, en resolutie 2175(2014) over de bescherming van burgers in gewapende conflicten,

–  gezien de Verklaring inzake veilige scholen van mei 2015, die sinds de door het Noorse ministerie van Buitenlandse Zaken in mei 2015 bijeengeroepen Conferentie van Oslo inzake veilige scholen kan worden onderschreven, en de daarmee verband houdende richtsnoeren voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapende conflicten,

–  gezien de op 21 mei 2014 door de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN voor kinderen en gewapende conflicten gepresenteerde richtsnoeren inzake aanvallen op ziekenhuizen en scholen, die dienen ter ondersteuning van al degenen die betrokken zijn bij de monitoring, verslaglegging en juridische bijstand op dit vlak,

–  gezien de resolutie van de 32e Internationale Conferentie van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan van 10 december 2015 over versterking van de naleving van het internationaal humanitair recht,

–  gezien het verslag van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) over het project "Health Care in Danger" en zijn verslag over geweld tegen gezondheidszorgvoorzieningen en -personeel,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de internationale gemeenschap de laatste jaren getuige is geweest van een schokkende tendens van aanvallen op ziekenhuizen en scholen in gewapende conflicten overal ter wereld, zoals de meest recente aanvallen op gezondheidscentra van Artsen zonder Grenzen in Kunduz (Afghanistan) op 3 oktober 2015, in Razah (Jemen) op 10 januari 2016 en in een aantal Syrische steden in de loop van het conflict dat er aan de gang is; overwegende dat er een ongekende toename is van het aantal gevallen waarin humanitaire hulp en toegang worden geweigerd, het aantal executies van burgers en humanitaire hulpverleners, erbarmelijke detentieomstandigheden en gegijzelde of tot slavernij gedwongen burgers; overwegende dat de groeiende behoeften en uitdagingen, het gebrek aan duurzaam engagement en de stijgende kosten van humanitaire hulp ertoe hebben bijgedragen dat het huidige humanitaire systeem zijn grenzen bereikt; overwegende dat hierdoor een aantal organisaties gedwongen is om voedselhulp, onderdak en andere levensreddende humanitaire operaties tijdelijk stop te zetten;

B.  overwegende dat de eerste wereldtop over humanitaire hulp op 23 en 24 mei 2016 zal worden gehouden te Istanbul; overwegende dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in zijn verslag getiteld "One humanity, shared responsibility" (Eén mensheid, een gedeelde verantwoordelijkheid) de aandacht vestigt op wat hij noemt "de schaamteloze en brute uitholling van de eerbiediging van de mensenrechten en het humanitair recht" bij gewapende conflicten, wat dreigt te leiden tot een terugval naar een tijdperk waarin oorlog geen grenzen kende; overwegende dat in het verslag wordt geconstateerd dat het nalaten om respect voor deze waarden te eisen en te bevorderen en de bestaande mechanismen voor handhaving, monitoring en verantwoordingsplicht te ondersteunen, bijdraagt tot deze uitholling;

C.  overwegende dat het internationaal humanitair recht (IHR) – ook bekend als recht bij gewapende conflicten – is bedoeld om de gevolgen van een gewapend conflict te verlichten door diegenen die niet aan het conflict deelnemen te beschermen, en door de middelen en methoden van oorlogvoering te reguleren;

D.  overwegende dat er een duidelijke rol is weggelegd voor de VN-Veiligheidsraad bij het toezicht op de eerbiediging van het internationaal recht dat van belang is voor de bescherming van alle humanitaire hulpverleners;

E.  overwegende dat er behoefte is aan meer bescherming voor humanitaire hulpverleners, met dezelfde veiligheidsregelingen voor internationaal en lokaal personeel;

F.  overwegende dat de opkomst van niet-overheidsactoren, terroristische groeperingen en andere entiteiten bij gewapende conflicten de toepassing van het internationaal humanitair recht bemoeilijkt; overwegende dat alle partijen in een conflict, met inbegrip van gewapende overheids- en niet-overheidspartijen, moeten waarborgen dat humanitaire actoren de vereiste toegang wordt geboden om kwetsbare, door conflicten getroffen burgerbevolkingen te helpen;

G.  overwegende dat de humanitaire beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, alsook de basisvoorschriften van het internationaal recht en de mensenrechten zoals vastgelegd in de Verdragen van Genève en de aanvullende protocollen daarbij, centraal moeten staan bij alle humanitaire acties; overwegende dat de bescherming van ontheemden onvoorwaardelijk moet worden gewaarborgd, en dat de onafhankelijkheid van de hulp voorop moet staan, d.w.z. dat de hulp los moet staan van politieke, economische of veiligheidsoverwegingen en vrij moet zijn van enige vorm van discriminatie;

H.  overwegende dat ziekenhuizen en medisch personeel specifiek beschermd worden krachtens het internationaal humanitair recht en dat doelbewuste aanvallen op burgers en civiele infrastructuur eenduidig verboden zijn uit hoofde van het internationaal humanitair recht en als een ernstige inbreuk daarop worden beschouwd;

I.  overwegende dat in het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof aanvallen op humanitaire hulpverleners als oorlogsmisdaden worden aangemerkt; overwegende dat in het Statuut van Rome ook wordt benadrukt dat het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, of historische monumenten, een oorlogsmisdaad is;

J.  overwegende dat VN-gebouwen en -eigendommen, met inbegrip van scholen en gezondheidscentra, onschendbaar zijn en beschermd worden in het kader van het Verdrag inzake de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties van 1946;

K.  overwegende dat het ICRC tevens heeft verklaard dat de verplichting om vermoede oorlogsmisdaden te onderzoeken een regel van internationaal humanitair gewoonterecht is die van toepassing is op zowel internationale als niet-internationale gewapende conflicten;

L.  overwegende dat sommige gewapende groeperingen zich verzetten tegen seculier onderwijs en onderwijs voor meisjes, of tegen de behandeling van meisjes door mannelijk medisch personeel, en de toegang tot deze voorzieningen daarom belemmeren; overwegende dat een algemeen klimaat van onzekerheid als gevolg van een conflict er kinderen, onderwijzers en medisch personeel eveneens van weerhoudt om naar school te gaan of medische hulp te zoeken; overwegende dat vrouwen en kinderen grotere risico's lopen als gevolg van ontheemding en het uiteenvallen van de normale beschermings- en ondersteuningsstructuren; overwegende dat het internationaal humanitair recht bepaalt dat meisjes en vrouwen die tijdens de oorlog verkracht zijn, zonder discriminatie alle noodzakelijke medische zorg moeten krijgen;

M.  overwegende dat op 14 maart 2016 reeds 52 landen, waaronder verschillende maar niet alle EU-lidstaten, de Verklaring inzake veilige scholen hadden onderschreven, naar aanleiding van de Conferentie van Oslo over veilige scholen van mei 2015;

N.  overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken, toen hij de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht goedkeurde, het belang benadrukte van het effectief afhandelen van de nasleep van ernstige schendingen door het steunen van passende verantwoordingsmechanismen, en dat hij wees op de cruciale rol die het Internationaal Strafhof kan spelen in situaties waarin de staat of de staten in kwestie niet bij machte of niet bereid zijn hun rechtsmacht uit te oefenen; overwegende dat in de EU-richtsnoeren de relevante werkgroepen van de Raad wordt opgedragen toezicht uit te oefenen op situaties die voor toepassing van het IHR in aanmerking kunnen komen en in dergelijke gevallen maatregelen op te stellen en aan te bevelen die de naleving van het IHR ten goede kunnen komen (paragraaf 15a);

O.  overwegende dat het ICRC tussen 2012 en 2015 een breed raadplegingsproces heeft gehouden over hoe de rechtsbescherming van slachtoffers van gewapende conflicten kan worden verbeterd en hoe de mechanismen voor de naleving van het IHR doeltreffender kunnen worden gemaakt;

P.  overwegende dat in de geactualiseerde EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht wordt verwezen naar een reeks verschillende rechtsmiddelen waarover de EU in haar betrekkingen met derde landen beschikt, met inbegrip van de politieke dialoog, algemene publieke verklaringen, restrictieve maatregelen, samenwerking met andere internationale instanties, crisisbeheersingsoperaties, opleiding en de controle op wapenuitvoer;

Q.  overwegende dat de deelnemende staten aan het 32e Internationale Congres van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan in december 2015 uiteindelijk geen overeenstemming bereikten over een nieuw mechanisme ter versterking van de naleving van het IHR, zoals voorgesteld door het ICRC en de Zwitserse regering; overwegende dat de deelnemende landen zijn overeengekomen een nieuw intergouvernementeel proces op te starten om mogelijkheden te onderzoeken voor een betere naleving van het IHR, met als doel de resultaten te presenteren op het volgende internationale congres in 2019;

R.  overwegende dat het hoofdstuk humanitaire hulp van de EU, waarvan de begroting in 2015 909 miljoen euro bedroeg, minder dan 1 % van de totale EU-begroting vertegenwoordigt; overwegende dat een betere koppeling tussen noodhulp en langetermijnhulp een van de manieren kan zijn om de huidige discrepantie tussen de enorme humanitaire behoeften en de beschikbare middelen te verkleinen;

1.  bevestigt opnieuw de fundamentele bijdrage van het internationaal humanitair recht aan de moderne geschiedenis van de mensheid en verzoekt alle staten die lid zijn van de VN de humanitaire wereldtop (WHS) te benutten om de spilfunctie van het internationaal humanitair recht en de bescherming die het biedt, nogmaals te bevestigen;

2.  betreurt ten zeerste het gebrek aan eerbiediging van het internationale humanitair recht en geeft uiting aan zijn geschoktheid en diepe bezorgdheid over de dodelijke aanvallen op ziekenhuizen, scholen en andere burgerdoelwitten, die in steeds alarmerendere mate voorkomen als onderdeel van gewapende conflicten overal ter wereld, waarbij patiënten, studenten, medisch en onderwijzend personeel, humanitaire hulpverleners, kinderen en gezinnen doelwit en slachtoffer worden; is van mening dat na internationale veroordelingen onafhankelijke onderzoeken moeten volgen en er daadwerkelijk verantwoording moet worden afgelegd; dringt er bij de lidstaten, de EU-instellingen en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (VV/HV) op aan de werkelijke omvang van deze noodsituatie te erkennen en alle instrumenten die zij tot hun beschikking hebben te gebruiken om deze kwestie aan te pakken;

3.  veroordeelt aanvallen op ziekenhuizen en scholen, die verboden zijn krachtens het internationaal recht, en onderkent dat dergelijke daden ernstige schendingen van het Verdrag van Genève uit 1949 kunnen vormen en krachtens het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof als oorlogsmisdaden kunnen worden bestempeld; spreekt de overtuiging uit dat het behoud van gezondheidszorg- en onderwijsvoorzieningen als neutrale, beschermde ruimtes tijdens gewapende conflicten moet worden gewaarborgd door middel van transparant, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de wrede aanvallen die zich hebben voorgedaan en door ervoor te zorgen dat door alle betrokken partijen daadwerkelijk verantwoording wordt afgelegd voor begane misdrijven; onderstreept dat het belangrijk is het onderscheid tussen humanitaire en militaire actoren te behouden en dat afgezien moet worden van het gebruik van humanitaire actie voor militaire of politieke doeleinden, omdat dit humanitaire operaties ondermijnt en het daarbij betrokken personeel in gevaar brengt;

4.  veroordeelt het feit dat partijen bij gewapende conflicten ziekenhuizen en scholen gebruiken, waardoor deze het doelwit worden van aanvallen; herinnert eraan dat degenen die beschermde mensen of eigendommen als menselijk schild of dekmantel gebruiken zich ook schuldig maken aan schendingen van het IHR;

5.  roept alle partijen in conflicten op de fundamentele beginselen van het IHR te eerbiedigen en af te zien van gerichte aanvallen op civiele infrastructuur; benadrukt dat de veiligheid van hulpverleners moet worden verbeterd om doeltreffender op de aanvallen te kunnen reageren; verzoekt bijgevolg de EU en haar lidstaten om de VN en de VN-Veiligheidsraad aan te sporen om de bescherming van zowel plaatselijke als internationale humanitaire hulpverleners te verzekeren;

6.  huldigt de bewonderenswaardige moed en toewijding van het internationale en plaatselijke medische personeel, onderwijzend personeel en de verleners van humanitaire hulp die in conflictgebieden werkzaam zijn;

7.  benadrukt dat het recht op gezondheidsbescherming een mensenrecht is en dringt er bij alle partijen die betrokken zijn bij een gewapend conflict op aan de beschikbaarheid, toegankelijkheid, aanvaardbaarheid en kwaliteit van medische diensten gedurende gewapende conflicten te waarborgen;

8.  onderstreept dat meer complementariteit tussen humanitaire bijstand en ontwikkelingshulp noodzakelijk is om de doeltreffendheid te verbeteren en gaten in de financiering van humanitaire hulp te dichten, en dat dit hand in hand moet gaan met meer financiering voor ontwikkelingshulp en humanitaire bijstand; verzoekt de EU, haar lidstaten en andere internationale donoren zich tijdens de humanitaire wereldtop volledig te verbinden aan alle voorgestelde kernverplichtingen die zijn opgenomen in de agenda voor de mensheid, die gericht is op het beperken van de humanitaire gevolgen van vijandelijkheden en het mogelijk maken van humanitair optreden;

9.  verzoekt de EU en haar lidstaten er bij de VN-Veiligheidsraad op aan te dringen om gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten, zoals gerichte maatregelen, de oprichting van onderzoeksmissies of -commissies, of gerechtelijke mechanismen, zoals verwijzingen naar het ICC; vraagt om het vetorecht niet te gebruiken bij besluiten van de Veiligheidsraad over kwesties in verband met humanitair optreden, om de normen van internationaal recht die voorzien in de bescherming van humanitaire hulpverleners te versterken, en om erop toe te zien dat handelingen die schendingen van deze normen kunnen inhouden stelselmatig worden onderzocht en dat degenen die ervan worden verdacht voor dergelijke handelingen verantwoordelijk te zijn voor de rechter worden gebracht;

10.  betreurt het feit dat een aantal belangrijke partners van de EU en haar lidstaten ernstige schendingen begaan van het internationaal humanitair recht; verzoekt de EU alle bilaterale instrumenten die tot haar beschikking staan, te gebruiken om de naleving van het internationaal humanitair recht door zijn partners effectief te bevorderen, met inbegrip van de politieke dialoog, en, indien deze dialoog geen resultaten oplevert, andere maatregelen te overwegen overeenkomstig de richtsnoeren van de EU inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht;

11.  verzoekt de VV/HV het initiatief te nemen voor een wapenembargo tegen landen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, met name in verband met het bewust tot doelwit maken van civiele infrastructuur; benadrukt dat het blijven verlenen van vergunningen van wapenverkoop aan dergelijke landen in strijd is met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008(7);

12.  roept de Raad Buitenlandse Zaken en de VV/HV ertoe op de hoofden van EU-missies en bevoegde EU-vertegenwoordigers (hoofden van civiele EU-operaties, bevelhebbers van militaire EU-operaties en speciale EU-vertegenwoordigers) te verzoeken om melding te maken van gevallen van ernstige schending van het IHR;

13.  spoort de EU en haar lidstaten aan zich volledig te scharen achter de oproep van de secretaris-generaal van de VN aan alle lidstaten van de VN om de humanitaire wereldtop te benutten om zich opnieuw in te zetten voor de bescherming van burgers en de eerbiediging van de mensenrechten van iedereen, door de regels waarmee ze eerder akkoord zijn gegaan na te leven, ten uitvoer te leggen en te bevorderen; benadrukt het belang dat de secretaris-generaal van de VN hecht aan de versterking van internationale onderzoeks- en rechtsstelsels, met inbegrip van het ICC, als aanvulling op nationale kaders, om een einde te maken aan straffeloosheid met betrekking tot schendingen van het IHR;

14.  onderkent het belang van de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht, aangezien geen enkele andere staat of organisatie een gelijkwaardig document heeft aangenomen; verzoekt de EU en haar lidstaten de EU-richtsnoeren doeltreffend toe te passen;

15.  verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken en de VV/HV om ervoor te zorgen dat het beleid en de maatregelen van de EU met betrekking tot het internationaal humanitair recht op coherente en doeltreffende wijze worden ontwikkeld en te waarborgen dat de tenuitvoerlegging van IHR-richtsnoeren in eerste instantie een bevoegdheid is van de door het voorzitterschap van de Raad voorgezeten Groep internationaal publiekrecht van de Raad; benadrukt in dit verband dat in de EU-richtsnoeren "de bevoegde Raadsgroepen" de taak wordt toevertrouwd situaties te volgen waarin het IHR wellicht van toepassing is en in dergelijke gevallen maatregelen aan te bevelen die de naleving van het IHR ten goede kunnen komen; verzoekt de EU en de lidstaten om meer in detail te rapporteren over de tenuitvoerlegging van de richtlijnen in specifieke conflictsituaties, met name in het EU‑jaarverslag over mensenrechten en democratie;

16.  herinnert aan het in de EU-richtsnoeren ingenomen standpunt op grond waarvan, waar nodig, overwogen zal worden een beroep te doen op de diensten van de Internationale Commissie voor feitenonderzoek (IHFFC), ingesteld bij het aanvullend protocol I bij de Verdragen van Genève van 1949, die met haar capaciteit op het gebied van feitenonderzoek en "goede diensten" de inachtneming van het IHR kan helpen verbeteren; betreurt dat van de diensten van het IHFFC geen gebruik is gemaakt en dringt er bij de betrokken partijen op aan te overwegen dit wel te doen; verzoekt alle EU-lidstaten om de bevoegdheid van de IHFFC te erkennen;

17.  roept op tot meer institutionele ruimte voor de internationale gemeenschap om gemeenschappelijke zorgen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het IHR aan te pakken; is ingenomen met de belofte van de EU en haar lidstaten aan het ICRC om de totstandkoming van een doeltreffend mechanisme ter verbetering van de naleving van het IHR krachtig te steunen, maar verzoekt de VV/HV het Parlement te informeren over haar doelstellingen en de strategie om deze belofte in het komende intergouvernementele proces waar te maken, teneinde manieren te vinden om de tenuitvoerlegging van het IHR te verbeteren, zoals afgesproken op de 32e Internationale Conferentie van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan van 10 december 2015, opdat het governancesysteem van het IHR verstevigd zou worden;

18.  is verheugd over de praktijk van de EU en de lidstaten om beloften te doen ter gelegenheid van de conferentie van het ICRC; verzoekt de VV/HV stelselmatig verslag te doen over de nakoming van deze beloften, met name door het opnemen van een gedetailleerd onderdeel in het hoofdstuk over het IHR in het jaarverslag over mensenrechten van de Raad;

19.  verzoekt de VN en de EU campagnes op te zetten om te waarborgen dat alle actoren, met inbegrip van niet-statelijke gewapende groeperingen, zich bewust zijn van hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht en voldoen aan hun verplichting om humanitaire hulp aan en bescherming van mensen binnen hun invloedssfeer te faciliteren;

20.  verzoekt de lidstaten een voorbeeldrol te vervullen en hun toezegging na te komen om de voornaamste instrumenten van internationaal humanitair recht te ratificeren, evenals andere relevante rechtsinstrumenten die een impact hebben op het internationaal humanitair recht;

21.  spreekt nogmaals zijn ernstige zorg uit over het gebruik van gewapende drones buiten het internationale rechtskader, en herhaalt zijn oproep aan de Raad om een gemeenschappelijk standpunt van de EU over het gebruik van gewapende drones vast te stellen;

22.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN en de regeringen van de lidstaten van de VN.

 

(1)

PB C 303 van 15.12.2009, blz. 12.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0066.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0051.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0418.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0172.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0459.

(7)

PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

Juridische mededeling