Procedure : 2016/2933(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-1249/2016

Ingediende teksten :

RC-B8-1249/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 24/11/2016 - 8.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0449

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 293kWORD 51k
23.11.2016
PE593.683v01-00}
PE593.684v01-00}
PE593.686v01-00}
PE593.687v01-00}
PE593.688v01-00} RC1
 
B8-1249/2016}
B8-1250/2016}
B8-1252/2016}
B8-1253/2016}
B8-1254/2016} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 123, leden 2 en 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

ECR (B8-1249/2016)

PPE (B8-1250/2016)

ALDE (B8-1252/2016)

S&D (B8-1253/2016)

Verts/ALE (B8-1254/2016)


over de situatie in Syrië (2016/2933(RSP))


Cristian Dan Preda, Elmar Brok, Lorenzo Cesa, Traian Ungureanu, Tunne Kelam, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Antonio Tajani, Fernando Ruas, Ivo Belet, Daniel Caspary, László Tőkés, Eduard Kukan, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska namens de PPE-Fractie
Victor Boştinaru, Knut Fleckenstein, Tanja Fajon, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Francisco Assis, Zigmantas Balčytis, Hugues Bayet, Brando Benifei, José Blanco López, Vilija Blinkevičiūtė, Soledad Cabezón Ruiz, Nicola Caputo, Andrea Cozzolino, Andi Cristea, Doru-Claudian Frunzulică, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvie Guillaume, Sergio Gutiérrez Prieto, Cécile Kashetu Kyenge, Krystyna Łybacka, Vladimír Maňka, Alessia Maria Mosca, Victor Negrescu, Pier Antonio Panzeri, Vincent Peillon, Pina Picierno, Kati Piri, Pavel Poc, Miroslav Poche, Liliana Rodrigues, Monika Smolková, Tibor Szanyi, Claudia Țapardel, Marc Tarabella, Julie Ward namens de S&D-Fractie
Charles Tannock, Angel Dzhambazki, Ruža Tomašić, Jana Žitňanská, Branislav Škripek, Raffaele Fitto namens de ECR-Fractie
Marietje Schaake, Petras Auštrevičius, Beatriz Becerra Basterrechea, Dita Charanzová, Marielle de Sarnez, Gérard Deprez, Martina Dlabajová, José Inácio Faria, María Teresa Giménez Barbat, Marian Harkin, Ivan Jakovčić, Petr Ježek, Ilhan Kyuchyuk, Louis Michel, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Frédérique Ries, Jasenko Selimovic, Hannu Takkula, Pavel Telička, Ramon Tremosa i Balcells, Hilde Vautmans, Cecilia Wikström namens de ALDE-Fractie
Barbara Lochbihler namens de Verts/ALE-Fractie
Merja Kyllönen
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Syrië (2016/2933(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, onder meer die van 6 oktober 2016(1),

–  gezien artikel 1 van het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Da'esh en het Al-Nusra Front, en gezien de resoluties over het conflict in de Arabische Republiek Syrië, met name resoluties 2118 (2013), 2139 (2014), 2165 (2014), 2191 (2014), 2199 (2015), 2254 (2015), 2258 (2015) en 2268 (2016),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 oktober 2016 en de conclusies van de Europese Raad van 18 en 19 februari 2016 en van 20 en 21 oktober 2016,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, en van de commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing, Christos Stylianides, van 16 september 2016 over Syrië, van 20 september 2016 over de luchtaanvallen op het humanitair hulpkonvooi van de VN en de Rode Halve Maan, van 24 september 2016 over de situatie in Aleppo, van 2 oktober 2016 over een initiatief voor humanitaire noodhulp voor Aleppo en van 25 oktober 2016 over de dringende noodzaak dat humanitaire hulp Aleppo bereikt,

–  gezien de verslagen van de door de VN-Mensenrechtenraad ingestelde onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië, en gezien de resoluties van de VN-Mensenrechtenraad van 27 september 2016 en 21 oktober 2016 over de Arabische Republiek Syrië,

–  gezien de verklaring van de vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger, Federica Mogherini, over Rusland en het Internationaal Strafhof van 17 november 2016,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van het Reglement,

A.  overwegende dat tijdens zes jaar van conflict, extreem geweld en wreedheid in Syrië meer dan 400 000 mensen om het leven zijn gekomen, en meer dan 13 miljoen mensen humanitaire hulp nodig hebben; overwegende dat naar verwachting 8,7 miljoen mensen in Syrië in 2016 ontheemd zullen zijn en 4,8 miljoen mensen het land zijn ontvlucht;

B.  overwegende dat de gevechten en bombardementen in Syrië onverminderd doorgaan en de humanitaire situatie verder is verslechterd; overwegende dat Aleppo het epicentrum van het Syrische conflict blijft, maar dat er ook wordt gevochten in Hama, Idlib, Noordwest-Syrië, de voorsteden van Damascus en Deir ez-Zor; overwegende dat meer dan vier miljoen mensen in bezette steden en moeilijk te bereiken gebieden wonen, waar de essentiële infrastructuur voor water en elektriciteit werd verwoest; overwegende dat er weliswaar unilaterale humanitaire onderbrekingen zijn afgekondigd door het Assad-regime en Rusland, maar dat de bevolking in Oost-Aleppo en andere belegerde steden, zoals de stad Zabadani (in handen van de rebellen) en de dorpen Kefraya en Foua (in handen van de regering) in de provincie Idlib, met een groot tekort aan elementaire levensmiddelen en geneesmiddelen kampt; overwegende dat de humanitaire hulp sinds juli 2016 de bezette delen van Oost-Aleppo niet meer bereikt;

C.  overwegende dat er een permanente gezondheidscrisis heerst in Aleppo en in heel Syrië; overwegende dat volgens UNICEF meer dan twee derde van de Syriërs in het gebied geen regelmatige toegang tot water heeft en ongeveer 6 miljoen kinderen dringend levensreddende bijstand nodig hebben;

D.  overwegende dat alle conflictpartijen, en met name het door Rusland en Iran gesteunde Assad-regime, zich aan ernstige schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitair recht schuldig maken, waaronder het gebruik van niet-onderscheidende wapens, brand-, vat- en bunkerbommen in stedelijke gebieden, alsook van stoffen die in het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens als chemische wapens worden aangemerkt; overwegende dat de beginselen van voorzorg en proportionaliteit niet in acht worden genomen; overwegende dat woonwijken, scholen, ziekenhuizen, verleners van humanitaire hulp en vluchtelingenkampen opzettelijk als doelwit worden gekozen; overwegende dat oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid niet onbestraft mogen blijven;

E.  overwegende dat de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië, die een VN-mandaat heeft, alsook mensenrechtenbewegingen bewijs hebben verzameld dat meer dan 200 000 mensen door de Syrische regering in onmenselijke omstandigheden vastgehouden worden; overwegende dat de afgelopen jaren duizenden Syriërs die door de Syrische regering in hechtenis werden genomen zijn omgekomen door foltering en ziekten; overwegende dat gedwongen verdwijningen en gruwelijke mishandeling van gevangen frequent voorkomen; overwegende dat de Syrische autoriteiten hebben gepoogd om informatie over hun detentiefaciliteiten geheim te houden en internationaal erkende instanties die gevangenissen inspecteren de toegang hebben geweigerd; overwegende dat het Internationale Comité van het Rode Kruis sinds 2011 maar voor een beperkt aantal gevangenissen de toestemming kreeg om een bezoek af te leggen;

F.  overwegende dat de wereld herhaaldelijk zijn afgrijzen heeft uitgesproken over de wreedheden van Da'esh en andere jihadistische groepen, over de gewelddadige executies en het seksuele geweld, de ontvoeringen, folteringen, gedwongen bekeringen en de slavernij van vrouwen en meisjes; overwegende dat kinderen aangeworven en in terroristische aanslagen gebruikt worden; overwegende dat Da'esh nog steeds grote delen van Syrië en Irak controleert; overwegende dat Da'esh genocide pleegt op etnische en religieuze minderheden, extreme foltering begaat en cultureel erfgoed vernietigt; overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat over het welzijn van de bevolking in de door Da'esh gecontroleerde gebieden en over het feit dat zij tijdens de bevrijdingscampagne mogelijkerwijs als menselijk schild zal worden ingezet;

G.  overwegende dat Jabhat Fateh al-Sham, voorheen bekend als het Al-Nusra Front, de zusterorganisatie van Al Qaeda in Syrië, een terroristische organisatie is die een via onderhandelingen tot stand gekomen politieke overgang en inclusieve democratische toekomst voor Syrië afwijst;

H.  overwegende dat Syrië het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC) weliswaar ondertekend, maar niet geratificeerd heeft; overwegende dat de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, de VN-Veiligheidsraad meerdere keren met klem gevraagd heeft de situatie in Syrië naar het Internationaal Strafhof te verwijzen; overwegende dat Rusland en China vooruitgang met betrekking tot het afleggen van rekenplicht in het Syrië-conflict tegenhouden door resoluties van de VN-Veiligheidsraad die het Strafhof zouden mandateren een onderzoek naar de verschrikkelijke misdaden in het kader van het conflict in te stellen, met hun veto te treffen; overwegende dat Rusland op 16 november 2016 beslist heeft zijn ondertekening van het Statuut van Rome ongedaan te maken; overwegende dat dit gebrek aan accountability tot meer wreedheden leidt en het lijden van de slachtoffers verder vergroot;

I.  overwegende dat alle bij het conflict betrokken landen en partijen herinnerd moeten worden aan hun beloften overeenkomstig resolutie 2554 van de VN-Veiligheidsraad, met name de verplichting om aanvallen tegen burgers en civiele infrastructuur te staken en de verplichting om toegang voor humanitaire hulp in het hele land te vrijwaren; overwegende dat de Europese Unie al haar instrumenten moet gebruiken, met inbegrip van het opleggen van restrictieve maatregelen, om te verzekeren dat alle partijen deze resolutie volledig nakomen;

J.  overwegende dat de Europese Unie een van de grootste financiers van humanitaire hulp is voor mensen die het historisch geweld en de historische vernielingen in Syrië ontvluchten; overwegende dat het ontbreken van internationale eenheid het bereiken van een via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing voor de oorlog in Syrië aanzienlijk bemoeilijkt;

1.  geeft eens te meer uiting aan zijn grote bezorgdheid over de voortdurende gevechten, bombardementen en de verslechterende humanitaire situatie in Syrië; veroordeelt met klem alle aanvallen op burgers en civiele infrastructuur, de voortzetting van elke belegering in Syrië en het ontbreken van toegang tot humanitaire hulp voor de noodlijdende Syrische bevolking; roept alle partijen op om humanitaire hulpverleners ongehinderd toegang te geven en een onafgebroken levering van noodhulpgoederen toe te staan, met name in belegerde en moeilijk te bereiken gebieden; benadrukt dat de doelbewuste uithongering van de bevolking verboden is bij internationaal humanitair recht en verzoekt alle partijen om onmiddellijk toestemming te geven voor medische evacuaties vanuit Oost-Aleppo en alle andere belegerde gebieden;

2.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de wreedheden en de grootschalige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht door de troepen van Assad, met steun van Rusland en Iran, alsook de mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht door niet tot de overheid behorende gewapende terroristische groeperingen, in het bijzonder Da'esh, Jabhat Fateh al-Sham/het Al-Nusra Front en andere jihadistische groepen;

3.  verlangt dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan de bombardementen en willekeurige aanvallen tegen burgers; beklemtoont dat alle partijen alle noodzakelijke maatregelen moeten nemen om burgers te beschermen, ongeacht hun etnische identiteit of godsdienst of geloofsovertuiging; veroordeelt met klem de willekeurige lancering van grote aantallen raketten door gewapende oppositiegroepen op civiele voorsteden in het westelijk deel van Aleppo; benadrukt dat er sprake is van veel gewonde en gedode burgers, waaronder kinderen; verzoekt alle partijen bij het conflict de nodige stappen zetten om burgers te beschermen, in overeenstemming met het internationaal recht, onder meer door af te zien van aanvallen op civiele faciliteiten zoals medische centra, scholen en waterdistributiepunten, door dergelijke faciliteiten onmiddellijk te demilitariseren, door te vermijden dat er militaire posities worden ingenomen in dichtbevolkte gebieden en door de evacuatie toe te staan van gewonden en alle burgers die belegerde gebieden willen verlaten; benadrukt dat het de primaire verantwoordelijkheid van het Syrische regime is om de Syrische bevolking te beschermen;

4.  looft de inspanningen van de humanitaire hulpverleners die trachten broodnodige verzorging, voedsel, water en medicijnen tot bij de slachtoffers van het conflict te brengen, en roept alle bij het conflict betrokken partijen op om de veilige en ongehinderde toegang van humanitaire organisaties tot de burgerslachtoffers van de oorlog te verzekeren;

5.  roept de EU-instellingen en de lidstaten op om hun volledige steun te bieden aan de VN en de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens (OPCW), zodat deze het gebruik en de vernietiging van chemische wapens bij alle partijen in Syrië verder kunnen onderzoeken; hamert erop dat degenen die verantwoordelijk zijn voor het gebruik van chemische wapens ter verantwoording moeten worden geroepen; steunt de verlenging van het mandaat van het gemeenschappelijk onderzoeksmechanisme van de OPCW, teneinde vast te stellen wie verantwoordelijk zijn voor het gebruik van chemische wapens in Syrië;

6.  uit zijn bezorgdheid over de onwettige detentie, foltering, mishandeling, gedwongen verdwijning en doding van gevangenen in de gevangenissen van het regime en de geheime detentiecentra van door andere landen gesteunde milities; vraagt de Syrische autoriteiten die deze detentiecentra beheren een eind te maken aan alle executies en vormen van inhumane behandeling;

7.  dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van al degenen die willekeurig gevangen worden gehouden, en op de stopzetting van het gebruik van foltering en andere vormen van mishandeling, alsook van de praktijk van gedwongen verdwijningen, overeenkomstig resolutie 2139 van de VN-Veiligheidsraad van 22 februari 2014; verlangt dat internationale instanties die gevangenissen inspecteren, zoals het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC), onmiddellijke en ongehinderde doorgang krijgen om de situatie van alle gedetineerden in Syrië te monitoren en de verwanten van gedetineerden te informeren en te ondersteunen;

8.  spreekt nogmaals met klem zijn afkeer uit van de wreedheden die zijn begaan door het regime van Assad, Da'esh, Jabhat Fateh al-Sham/Al-Nusra en andere terroristische organisaties, die als zware oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid beschouwd kunnen worden; schaart zich achter de oproep van de "vijf naties" (Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk) en de VV/HV aan alle in Syrië vechtende gewapende groeperingen om elke vorm van samenwerking met Jabhat Fateh al-Sham te staken; onderstreept dat het belangrijk is Da'esh daadwerkelijk de toegang tot financiering voor zijn activiteiten te ontzeggen, buitenlandse strijders te arresteren en de leveranties van wapens aan jihadistische groepen te dwarsbomen; vraagt de Syrische oppositie ondubbelzinnig afstand te nemen van extremistische elementen en ideologieën; wijst er nogmaals op dat de inspanningen gericht moeten zijn op het verslaan van Da'esh en de andere groepen die door de VN als terroristisch zijn aangemerkt; dringt aan op maatregelen om te voorkomen dat materiële en financiële steun terechtkomt bij personen, groepen, ondernemingen en entiteiten die volgens de VN banden hebben met terroristische groeperingen;

9.  dringt erop aan dat degenen die zich schuldig maken aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid worden vervolgd en ter verantwoording worden geroepen; benadrukt dat degenen die misdaden tegen religieuze, etnische en andere groepen en minderheden begaan eveneens voor de rechter moeten verschijnen; is er onverminderd van overtuigd dat er geen sprake zal zijn van effectieve conflictoplossing, noch van duurzame vrede in Syrië indien de plegers van misdaden niet ter verantwoording worden geroepen; is van oordeel dat de kwestie van het afleggen van verantwoording voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid niet moet worden gepolitiseerd; meent dat de verplichting om het internationaal humanitair recht onder alle omstandigheden in acht te nemen voor alle conflictpartijen geldt, en is van oordeel dat eenieder die dergelijke misdaden begaat moet beseffen dat hij vroeg of laat zal worden berecht;

10.  vraagt de EU en de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat al degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitair recht via geëigende, onpartijdige internationale strafrechtmechanismen of nationale rechtbanken ter verantwoording worden geroepen, door middel van toepassing van het beginsel van universele jurisdictie; herhaalt zijn steun voor de verwijzing van het dossier-Syrië naar het Internationaal Strafhof, en dringt er - gezien het feit dat deze kwestie in de Veiligheidsraad niet kan worden besproken - bij de EU en de lidstaten op aan het voortouw te nemen bij de inspanningen in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, en na te gaan of een rechtbank voor oorlogsmisdaden in Syrië kan worden opgericht in afwachting van verwijzing naar het Internationaal Strafhof; beklemtoont hoe belangrijk het met het oog op verzoening is dat Syrië, wanneer het conflict voorbij is, bij dit proces een leidende rol speelt;

11.  is ingenomen met en onderstreept het grote belang van de werkzaamheden van plaatselijke en internationale organisaties van het maatschappelijk middenveld op het gebied van het documenteren van mensenrechtenschendingen en het verzamelen van bewijsmateriaal van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en andere misdrijven, met inbegrip van de vernietiging van cultureel erfgoed; vraagt de EU en haar lidstaten verdere steun te verlenen aan deze actoren;

12.  betreurt het besluit van de Russische president Vladimir Poetin om zich uit het Internationaal Strafhof terug te trekken, waarbij overigens moet worden aangetekend dat de Russische Federatie het Statuur van Rome ook nooit had geratificeerd, en wijst erop dat de timing van dit besluit de geloofwaardigheid van dat land ondermijnt en ertoe leidt dat conclusies worden getrokken over de toegewijdheid van Rusland aan internationale gerechtigheid;

13.  is ingenomen met de conclusies van de Raad van 17 oktober 2016 en de conclusies van de Europese Raad van 20 en 21 oktober 2016 over Syrië; steunt de oproep van de EU om een einde te maken aan alle militaire vluchten boven de stad Aleppo, het onmiddellijk staken van de vijandelijkheden, en het uitoefenen van toezicht daarop door middel van een sterk en transparant mechanisme; de opheffing van belegeringen; en de verlening, door alle partijen, van volledige, ongehinderde en permanente toegang aan humanitaire hulpverleners in het hele land;

14.  is er verheugd over dat de EU de beperkende maatregelen tegen Syrië en individuele personen die verantwoordelijk zijn voor de onderdrukking van de burgerbevolking in dat land nog eens tegen het licht houdt; beklemtoont dat, indien de wreedheden en de grove schendingen van het humanitair recht doorgaan, de EU alle opties moet openhouden, met inbegrip van een no-flyzone boven de stad Aleppo, daar waar het gaat om het bestraffen van alle daders van de meest flagrante schendingen van de mensenrechten en misdrijven;

15.  vraagt dat iedereen het recht eerbiedigt van etnische en religieuze minderheden in Syrië, met inbegrip van christenen, om waardig, gelijk en veilig te blijven wonen in hun historische en traditionele vaderland, en om hun geloof en overtuiging volledig vrij uit te oefenen zonder enige vorm van dwang, geweld of discriminatie; steunt de interreligieuze dialoog om wederzijds begrip te bevorderen en fundamentalisme te bestrijden;

16.  dringt er bij alle leden van de Internationale Steungroep voor Syrië (ISSG) op aan de onderhandelingen te hervatten teneinde te komen tot een stabiel bestand en intensiever te werken aan een duurzame politieke oplossing in Syrië; benadrukt dat regionale actoren, met name buurlanden, speciale verantwoordelijkheid dragen;

17.  herhaalt zijn oproep aan de VV/HV om opnieuw te proberen tot een gemeenschappelijke EU-strategie voor Syrië te komen; verwelkomt en geeft zijn volledige steun aan de diplomatieke initiatieven van VP/HR Federica Mogherini, overeenkomstig het mandaat van de Europese Raad, die erop gericht zijn de conflictpartijen weer terug te brengen aan de onderhandelingstafel en het politieke proces in Genève weer op gang te brengen; neemt met belangstelling kennis van de regionale gesprekken die zij met Iran en Saoedi-Arabië heeft gevoerd, en denkt dat haar inspanningen toegevoegde waarde hebben en een nuttige bijdrage leveren aan het werk van Staffan de Mistura, de speciale afgezant van de Verenigde Naties; roept alle partijen in het conflict op om de politieke onderhandelingen zo snel mogelijk te hernemen en te intensiveren, in afwachting van de invoering van een nieuw en stabiel vredesbestand, dat een overgangsjustitie na de oorlog in Syrië moet verzekeren; benadrukt dat deze vredesonderhandelingen moeten resulteren in het staken van de vijandigheden en een door Syrië geleide en uitgevoerde politieke transitie; beklemtoont de rol die de EU kan spelen bij wederopbouw en verzoening na afloop van het conflict;

18.  herhaalt zijn volledige steun voor het lopende humanitaire initiatief van de EU voor Aleppo, en spoort alle partijen met klem aan mee te werken aan de implementatie ervan;

19.  verneemt met instemming de partnerschapsprioriteiten en pacten met Jordanië voor de periode 2016-2018 en met Libanon voor de periode 2016-2020; merkt op dat de pacten het kader vormen waarbinnen de wederzijdse toezeggingen die werden gedaan tijdens de conferentie "Supporting Syria and the Region" in Londen van 4 februari 2016, in acties worden omgezet; wijst op de stijgende financiële behoeften en de aanhoudende financieringskloof met betrekking tot de humanitaire hulp die geboden wordt aan de buurlanden van Syrië; dringt er bij de EU-lidstaten op aan hun toezeggingen gestand te doen en de dringend noodzakelijke steun te bieden aan de VN, hun gespecialiseerde agentschappen en andere humanitaire actoren die humanitaire hulp bieden aan de miljoenen ontheemde Syriërs, zowel binnen Syrië als in gastlanden en -gemeenschappen;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU, de Verenigde Naties, de leden van de Internationale Steungroep voor Syrië en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Syrië.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0382.

Juridische mededeling