Procedure : 2016/3026(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-1346/2016

Ingediende teksten :

RC-B8-1346/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/12/2016 - 6.1

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0505

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 291kWORD 56k
14.12.2016
PE596.616v01-00}
PE596.606v01-00}
PE596.623v01-00}
PE596.626v01-00}
PE596.629v01-00}
PE596.631v01-00} RC1
 
B8-1346/2016}
B8-1350/2061}
B8-1353/2016}
B8-1356/2016}
B8-1359/2016}
B8-1361/2016} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

ECR (B8-1346/2016)

EFDD (B8-1350/2061)

Verts/ALE (B8-1353/2016)

PPE (B8-1356/2016)

ALDE (B8-1359/2016)

S&D (B8-1361/2016)


over de zaak rond het boeddhistische opleidingsinstituut Larung Gar in Tibet en rond Ilham Tohti (2016/3026(RSP))


Cristian Dan Preda, Elmar Brok, László Tőkés, Eva Paunova, Thomas Mann, Stanislav Polčák, Luděk Niedermayer, Tomáš Zdechovský, Lefteris Christoforou, Jarosław Wałęsa, Bogdan Brunon Wenta, Csaba Sógor, Ivan Štefanec, Pavel Svoboda, Marijana Petir, Tunne Kelam, Romana Tomc, Milan Zver, Eduard Kukan, Jaromír Štětina, Giovanni La Via, Dubravka Šuica, Jeroen Lenaers, Ildikó Gáll-Pelcz, David McAllister, Sven Schulze, Laima Liucija Andrikienė, Michaela Šojdrová, Deirdre Clune, József Nagy, Adam Szejnfeld, Brian Hayes, Ivana Maletić, Ivo Belet, Therese Comodini Cachia, Patricija Šulin, Lars Adaktusson, Krzysztof Hetman, Seán Kelly, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Andrey Kovatchev, Jiří Pospíšil, Inese Vaidere namens de PPE-Fractie
Pier Antonio Panzeri, Jo Leinen, Victor Boştinaru, Knut Fleckenstein, Josef Weidenholzer, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Zigmantas Balčytis, Hugues Bayet, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Soledad Cabezón Ruiz, Andrea Cozzolino, Andi Cristea, Isabella De Monte, Doru-Claudian Frunzulică, Elena Gentile, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Neena Gill, Ana Gomes, Theresa Griffin, Sylvie Guillaume, Cătălin Sorin Ivan, Liisa Jaakonsaari, Afzal Khan, Jeppe Kofod, Cécile Kashetu Kyenge, Arne Lietz, Krystyna Łybacka, David Martin, Costas Mavrides, Alex Mayer, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Victor Negrescu, Momchil Nekov, Demetris Papadakis, Liliana Rodrigues, Daciana Octavia Sârbu, Monika Smolková, Tibor Szanyi, Claudia Țapardel, Marc Tarabella, Julie Ward, Damiano Zoffoli, Carlos Zorrinho namens de S&D-Fractie
Mark Demesmaeker, Charles Tannock, Raffaele Fitto, Jana Žitňanská, Valdemar Tomaševski, Branislav Škripek, Ruža Tomašić, Ryszard Antoni Legutko, Ryszard Czarnecki, Karol Karski, Tomasz Piotr Poręba, Monica Macovei, Arne Gericke namens de ECR-Fractie
Nathalie Griesbeck, Nedzhmi Ali, Petras Auštrevičius, Beatriz Becerra Basterrechea, Izaskun Bilbao Barandica, Dita Charanzová, Marielle de Sarnez, Gérard Deprez, Martina Dlabajová, María Teresa Giménez Barbat, Marian Harkin, Filiz Hyusmenova, Ivan Jakovčić, Petr Ježek, Ilhan Kyuchyuk, Louis Michel, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Carolina Punset, Frédérique Ries, Marietje Schaake, Hannu Takkula, Pavel Telička, Ramon Tremosa i Balcells, Ivo Vajgl, Johannes Cornelis van Baalen, Hilde Vautmans, Paavo Väyrynen, Cecilia Wikström, Valentinas Mazuronis namens de ALDE-Fractie
Molly Scott Cato, Ulrike Lunacek, Barbara Lochbihler namens de Verts/ALE-Fractie
Fabio Massimo Castaldo, Ignazio Corrao, Isabella Adinolfi, Beatrix von Storch namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de zaak rond het boeddhistische opleidingsinstituut Larung Gar in Tibet en rond Ilham Tohti (2016/3026(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Tibet, met name die van 25 november 2010 over Tibet: plannen om het Chinees tot voornaamste onderwijstaal te maken(1), van 27 oktober 2011 over Tibet, met name zelfverbranding door nonnen en monniken(2), en van 14 juni 2012 over de situatie van de mensenrechten in Tibet(3),

–  gezien zijn eerdere resoluties van 26 november 2009 over China: de rechten van minderheden en de toepassing van de doodstraf(4) en van 10 maart 2011 over de situatie en het cultureel erfgoed in Kashgar (Autonome Regio Xinjiang Oeigoer, China)(5),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 over de betrekkingen EU-China(6),

–  gezien de negen onderhandelingsronden van 2002 tot 2010 tussen hoge vertegenwoordigers van de Chinese regering en de Dalai Lama, gezien het witboek van China inzake Tibet, getiteld "Tibet's Path of Development Is Driven by an Irresistible Historical Tide", gepubliceerd op 15 april 2015 door het Chinese Voorlichtingsbureau van de Staatsraad, gezien het memorandum van 2008 en de nota van 2009 over daadwerkelijke autonomie, beide uitgegeven door de vertegenwoordigers van de 14e Dalai Lama,

–  gezien artikel 36 van de Grondwet van de Volksrepubliek China, waarin het recht van alle burgers op vrijheid van religie en geloof wordt gewaarborgd, en artikel 4, waarin de rechten van "minderheidsnationaliteiten" worden bevestigd,

–  gezien de opmerkingen van Donald Tusk, voorzitter van de Europese Raad, van 29 juni 2015 tijdens de gezamenlijke persconferentie met de Chinese premier Li Keqiang naar aanleiding van de 17e EU-China-top, waarin hij uitdrukking gaf aan de "bezorgdheid [van de EU] over de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging in China, met inbegrip van de situatie van personen die tot minderheden behoren, zoals de Tibetanen en de Oeigoeren" en waar hij "China aanmoedigde een betekenisvolle dialoog met de vertegenwoordigers van de Dalai Lama te hervatten",

–  gezien het door het Centraal Comité van de Chinese Communistische Partij in augustus 2015 georganiseerde "Zesde Tibet-werkforum",

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 23 september 2014 waarin de veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf van de Oeigoerse professor economie Ilham Tohti wordt veroordeeld en wordt gevraagd hem onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten,

–  gezien de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten, gestart in 1995, en de 34e ronde hiervan die is gehouden op 30 november en 1 december 2015 in Peking,

–  gezien het feit dat Ilham Tohti op 11 oktober 2016 de Martin Ennals-prijs heeft gekregen voor zijn verdediging van de mensenrechten en in september 2016 was genomineerd voor de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken,

–  gezien het in 2003 opgezette strategische partnerschap tussen de EU en China en de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de EDEO aan het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 2016 getiteld "Elementen voor een nieuwe strategie van de EU voor China",

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat de kern moeten blijven uitmaken van het langlopende partnerschap tussen de EU en China in overeenstemming met het engagement van de EU om deze waarden in haar extern optreden uit te dragen en overwegende dat China interesse heeft geuit om in zijn eigen ontwikkeling en internationale samenwerking zich aan dezelfde waarden te houden;

B.  overwegende dat de Chinese regering in haar ontwikkelingsdoelstellingen heeft aangegeven een grotere rol te willen spelen voor de aanpak van mondiale uitdagingen, zoals internationale vrede en veiligheid en klimaatverandering, en meer invloed te willen uitoefenen op mondiale governance, zowel op politiek als economisch vlak, en heeft toegezegd de rechtsstaat te versterken;

C.  overwegende dat de bilaterale betrekkingen tijdens de 17e EU-China-top van 29 juni 2015 zijn verbeterd en overwegende dat de EU in haar strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie het voornemen heeft opgenomen om de mensenrechten centraal te stellen in de betrekkingen met alle derde landen, waaronder strategische partners; overwegende dat de 18e EU-China-top van 12-13 juli 2016 werd afgesloten met het voornemen om vóór het einde van 2016 opnieuw een ronde van de mensenrechtendialoog EU-China te laten plaatsvinden;

D.  overwegende dat China de voorbije decennia vooruitgang heeft geboekt met de verwezenlijking van economische en sociale rechten, waaruit het voornemen om prioriteit te geven aan het recht van het volk op levensonderhoud en ontwikkeling blijkt, terwijl de resultaten op het vlak van politieke en burgerrechten en de bevordering van de mensenrechten beperkt zijn;

E.  overwegende dat de EU tijdens de 34e dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten, die op 2 december 2015 in Peking werd gehouden, haar bezorgdheid heeft geuit over de eerbiediging van de rechten van personen die tot een minderheid behoren, in het bijzonder in Tibet en Xinjiang, en over de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en geloof; overwegende dat het geval-Ilham Tohti tijdens de 34e dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten werd besproken;

F.  overwegende dat het Larung Gar Instituut, het in 1980 opgerichte, grootste Tibetaanse boeddhistische centrum ter wereld, momenteel met grootschalige vernielingen door de Chinese regering te kampen heeft met het doel het opleidingsinstituut te halveren, ongeveer 4 600 bewoners met dwang uit te zetten en ongeveer 1 500 gebouwen te vernietigen; overwegende dat deze vernieling volgens de Chinese autoriteiten noodzakelijk is om "correctie of rectificatie" uit te voeren;

G.  overwegende dat de uitgezette personen worden gedwongen zich in te schrijven voor zogenaamde oefeningen van "patriottische opvoeding"; overwegende dat drie nonnen van het opleidingsinstituut zelfmoord hebben gepleegd als protest tegen de voortdurende grootschalige vernielingen in Larung Gar;

H.  overwegende dat er sinds 2009 een uitzonderlijk groot aantal Tibetanen, waaronder voornamelijk monniken en nonnen, zichzelf in brand zou hebben gestoken als protest tegen de restrictieve Chinese maatregelen in Tibet en ter ondersteuning van de terugkeer van de Dalai Lama en het recht op godsdienstvrijheid in de prefectuur van Aba/Ngaba (provincie Sechouan) en andere delen van de Tibetaanse hoogvlakte;

I.  overwegende dat de gezanten van Zijne Heiligheid de Dalai Lama de regering van de Volksrepubliek China hebben benaderd om een wederzijds voordelige oplossing voor de kwestie-Tibet te vinden; overwegende dat de voorbije jaren geen vooruitgang werd geboekt voor het oplossen van de Tibetaanse crisis, aangezien de laatste onderhandelingsronde in 2010 heeft plaatsgevonden en de onderhandelingen momenteel zijn bevroren;

J.  overwegende dat de Oeigoerse professor economie Ilham Tohti op 23 september 2014 tot levenslang werd veroordeeld voor vermeend separatisme, nadat hij in januari van hetzelfde jaar werd gearresteerd; overwegende dat zeven van zijn voormalige studenten ook werden aangehouden en werden veroordeeld tot gevangenisstraffen gaande van drie tot acht jaar voor vermeende collaboratie met de heer Tohti;

K.  overwegende dat de eerlijke rechtsgang naar verluidt niet werd geëerbiedigd, in het bijzonder met betrekking tot het recht op een gedegen verdediging;

L.  overwegende dat in de Xinjiang-regio, waar de Oeigoerse etnische moslimminderheid voornamelijk woont, herhaaldelijk etnische onrust en geweld zijn uitgebroken; overwegende dat Ilham Tohti separatisme en geweld altijd heeft verworpen en naar verzoening op basis van respect voor de Oeigoerse cultuur heeft gestreefd;

1.  dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan de vernieling van Larung Gar en de uitzetting van de bewoners stop te zetten en zo de vrijheid van religie te eerbiedigen in overeenstemming met hun internationale beloften op het vlak van mensenrechten;

2.  vraagt de Chinese autoriteiten een constructieve dialoog aan te gaan met de lokale gemeenschap en religieuze leiders over ontwikkelingen in Larung Gar en bezorgdheden over overbevolkte religieuze instellingen aan te pakken door Tibetanen toe te staan meer instellingen op te richten en meer faciliteiten te bouwen; verzoekt om gepaste compensatie en herhuisvesting van de Tibetanen die tijdens de vernielingen in Larung Gar werden uitgezet, op de plaats van hun keuze zodat zij hun religieuze activiteiten kunnen voortzetten;

3.  betreurt de veroordeling van tien Tibetanen door de intermediaire volksrechtbank in Barkham tot verschillende gevangenisstraffen gaande van 5 tot 14 jaar voor deelname aan de viering van de 80e verjaardag van Zijne Heiligheid de Dalai Lama in de Ngaba-prefectuur;

4.  is uiterst bezorgd over de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Tibet, waardoor het aantal gevallen van zelfverbranding is toegenomen; uit kritiek over het toenemende militair vertoon op de Tibetaanse hoogvlakte, hetgeen alleen tot het escaleren van spanningen in de regio zal leiden; veroordeelt het toenemende gebruik van bewakingssystemen in Tibetaanse privé-woningen;

5.  is bezorgd over het alsmaar repressievere regime ten aanzien van verschillende minderheden, in het bijzonder Tibetanen en Oeigoeren, aangezien de grondwettelijke waarborgen van hun recht op vrijheid van culturele uiting en religie en geloof nog meer worden beperkt, net als de vrijheid van meningsuiting, vreedzame vereniging en vergadering, waardoor vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het door China zelf verklaarde engagement voor de rechtsstaat en de eerbiediging van internationale verplichtingen; eist dat de autoriteiten deze fundamentele vrijheden eerbiedigen;

6.  is bezorgd over de goedkeuring van een pakket veiligheidswetten en de impact ervan op minderheden in China, in het bijzonder de wet inzake terrorismebestrijding die kan leiden tot de bestraffing van een vreedzame uitdrukking van de Tibetaanse cultuur en religie, en de wet inzake het beheer van internationale ngo's, die op 1 januari 2017 in werking zal treden en waardoor mensenrechtengroepen onder de strikte controle van de regering zullen komen te staan, aangezien dit louter een benadering van bovenaf inhoudt in plaats van aan te zetten tot partnerschap tussen de lokale en centrale overheid en het maatschappelijk middenveld;

7.  dringt bij de Chinese regering aan op een wijziging van de bepalingen in het pakket veiligheidswetten die de ruimte voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld beperken en de regeringscontrole op religieuze praktijken verscherpen; vraagt de Chinese regering aan alle ngo's en mensenrechtenactivisten een eerlijk en veilig kader te verstrekken en te waarborgen zodat zij in het land vrij kunnen functioneren, hetgeen een goede bottom-up-benadering zou zijn ter aanvulling op de verstrekking van sociale diensten door de staat en zou bijdragen tot de vooruitgang van de sociale, economische, politieke en burgerrechten;

8.  vraagt de Chinese regering de dialoog met Tibetaanse vertegenwoordigers, die in 2010 door China werd stilgelegd, te hervatten om een inclusieve politieke oplossing te vinden voor de crisis in Tibet; vraagt dat de vrijheid van meningsuiting, vereniging en religie van het Tibetaanse volk, zoals verankerd in de Grondwet, wordt geëerbiedigd; is van mening dat de eerbiediging van de rechten van minderheden een belangrijk element is van democratie en rechtsstaat en onontbeerlijk is voor politieke stabiliteit;

9.  veroordeelt met klem de veroordeling van Ilham Tohti tot levenslang voor vermeend separatisme; betreurt het dat de eerlijke rechtsgang niet werd geëerbiedigd en dat hij niet van het recht op een gedegen verdediging heeft kunnen genieten; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan de norm van één bezoek per maand voor familieleden te eerbiedigen;

10.  vraagt de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Ilham Tohti en zijn aanhangers die in verband met zijn zaak worden vastgehouden; vraagt voorts dat de vergunning als lesgever van Ilham Tohti in ere wordt hersteld en dat zijn bewegingsvrijheid in en buiten China wordt gegarandeerd;

11.  herinnert eraan hoe belangrijk het is dat de EU de kwestie van mensenrechtenschendingen in China tijdens elke politieke en mensenrechtendialoog met de Chinese autoriteiten ter sprake brengt, in het bijzonder het geval van minderheden in Tibet en Xinjiang, in overeenstemming met de belofte van de EU om met één sterke, duidelijke stem te spreken in haar aanpak ten aanzien van China, met inbegrip van de jaarlijkse mensenrechtendialogen; wijst er voorts op dat China als onderdeel van zijn lopende hervormingsproces en groeiende globale engagement heeft gekozen voor het internationale mensenrechtenkader door een breed scala aan mensenrechtenverdragen te ondertekenen, en vraagt derhalve dat de dialoog met China wordt voortgezet zodat het land deze beloften nakomt;

12.  betreurt het dat de 35e ronde van de mensenrechtendialoog EU-China waarschijnlijk niet vóór het einde van 2016 zal plaatsvinden, zoals afgesproken; dringt er bij de Chinese regering op aan in te stemmen met een dialoog op hoog niveau in de eerste weken van 2017;

13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Volksrepubliek China.

(1)

PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 118.

(2)

PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 121.

(3)

PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 69.

(4)

PB C 285 E van 20.11.2010, blz. 80.

(5)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 185.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0458.

Juridische mededeling