Procedure : 2017/2648(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0252/2017

Ingediende teksten :

RC-B8-0252/2017

Debatten :

PV 06/04/2017 - 4.3
CRE 06/04/2017 - 4.3

Stemmingen :

PV 06/04/2017 - 7.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0127

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 283kWORD 56k
5.4.2017
PE603.680v01-00}
PE603.682v01-00}
PE603.683v01-00}
PE603.685v01-00}
PE603.690v01-00}
PE603.692v01-00} RC1
 
B8-0252/2017}
B8-0254/2017}
B8-0255/2017}
B8-0257/2017}
B8-0262/2017}
B8-0264/2017} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de ontwerpresoluties ingediend door de fracties:

EFDD (B8-0252/2017)

S&D (B8-0254/2017)

Verts/ALE (B8-0255/2017)

ECR (B8-0257/2017)

ALDE (B8-0262/2017)

PPE (B8-0264/2017)


over Bangladesh, met inbegrip van kinderhuwelijken (2017/2648(RSP))


Cristian Dan Preda, Tomáš Zdechovský, Elmar Brok, Deirdre Clune, Pavel Svoboda, Laima Liucija Andrikienė, Brian Hayes, Jaromír Štětina, Stanislav Polčák, Ivan Štefanec, Therese Comodini Cachia, Tunne Kelam, József Nagy, Sven Schulze, Lefteris Christoforou, Dubravka Šuica, Ivana Maletić, Romana Tomc, Giovanni La Via, Patricija Šulin, Csaba Sógor, Marijana Petir, Luděk Niedermayer, David McAllister, Željana Zovko, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Adam Szejnfeld, Elisabetta Gardini, Michaela Šojdrová, Bogdan Brunon Wenta, Milan Zver, Krzysztof Hetman, Ivo Belet, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Lars Adaktusson, László Tőkés, Eva Maydell, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska, Jiří Pospíšil, Anna Maria Corazza Bildt, Andrey Kovatchev namens de PPE-Fractie
Elena Valenciano, Victor Boştinaru, Soraya Post, Neena Gill, Karoline Graswander-Hainz namens de S&D-Fractie
Urszula Krupa, Anna Elżbieta Fotyga, Geoffrey Van Orden, Raffaele Fitto, Angel Dzhambazki, Notis Marias, Tomasz Piotr Poręba, Ryszard Antoni Legutko, Ryszard Czarnecki, Karol Karski, Charles Tannock namens de ECR-Fractie
Dita Charanzová, Johannes Cornelis van Baalen, Beatriz Becerra Basterrechea, Petras Auštrevičius, Urmas Paet, Marian Harkin, Louis Michel, Ivan Jakovčić, Marielle de Sarnez, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Jozo Radoš, Hilde Vautmans, Pavel Telička, Frédérique Ries, Marietje Schaake, Gérard Deprez, Carolina Punset, Nathalie Griesbeck, Petr Ježek, Izaskun Bilbao Barandica, Cecilia Wikström, Martina Dlabajová, Ramon Tremosa i Balcells, Paavo Väyrynen, Nedzhmi Ali, Hannu Takkula, Valentinas Mazuronis, Ilhan Kyuchyuk, Jasenko Selimovic, Filiz Hyusmenova, Charles Goerens namens de ALDE-Fractie
Barbara Lochbihler, Terry Reintke, Ulrike Lunacek namens de Verts/ALE-Fractie
Ignazio Corrao, Fabio Massimo Castaldo, Rosa D’Amato, Isabella Adinolfi, Rolandas Paksas namens de EFDD-Fractie
Barbara Kappel

 

AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over Bangladesh, met inbegrip van kinderhuwelijken (2017/2648(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn voorgaande resoluties over Bangladesh, met name die van 18 september 2014 over mensenrechtenschendingen in Bangladesh(1),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over de prioriteiten van de EU voor de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad in 2017(2),

–  gezien de slotopmerkingen van het Mensenrechtencomité van de VN van 22 maart 2017 over Bangladesh,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 2 juli 2015 over het vergroten van de inspanningen om kinderhuwelijken en gedwongen huwelijken te voorkomen en uit te bannen,

–  gezien de richtsnoeren van de EU ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind, als vastgesteld door de Raad op 6 maart 2017,

–  gezien het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking van 1995 die uit de vierde Wereldvrouwenconferentie zijn voortgekomen en door Bangladesh zijn ondertekend, en de in 2000, 2005, 2009 en 2014 uitgevoerde periodieke herziening van de voortgang van de tenuitvoerlegging ervan in Bangladesh,

–  gezien artikel 16 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling van 2001,

–  gezien de door Bangladesh ingevoerde Wet ter beperking van kinderhuwelijken van 11 maart 2017 en Wet ter preventie van kinderhuwelijken van 15 september 2014,

–  gezien het nationale actieplan voor de uitbanning van kinderhuwelijken 2015-2021 van Bangladesh,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU en Bangladesh reeds lang betrekkingen onderhouden, onder andere in de vorm van de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling; overwegende dat de eerbiediging en de bevordering van de mensenrechten en democratische beginselen ten grondslag liggen aan het binnenlandse en buitenlandse beleid van beide partijen en een essentieel onderdeel van het extern EU-optreden moeten uitmaken;

B.  overwegende dat ngo's en onafhankelijke media de afgelopen maanden melding hebben gemaakt van diverse mensenrechtenschendingen, waaronder gedwongen verdwijningen, onderdrukking van het maatschappelijk middenveld, aanvallen op politieke activisten en foltering;

C.  overwegende dat Bangladesh volgens recente gegevens van de VN nog altijd een van de hoogste percentages kinderhuwelijken ter wereld heeft, en het hoogste percentage in Azië; overwegende dat 52 % van de meisjes in Bangladesh vóór haar achttiende verjaardag in het huwelijk treedt en 18 % vóór haar vijftiende verjaardag;

D.  overwegende dat de VN kinderhuwelijken erkent als een mensenrechtenschending waarbij kinderen niet de mogelijkheid noch het recht hebben om hun volledige toestemming te geven en vaak geestelijke en lichamelijke risico's lopen;

E.  overwegende dat Bangladesh een van de twaalf doellanden is van het wereldwijde programma van UNFPA-Unicef ter versnelling van de actie tegen kinderhuwelijken, dat door de EU wordt ondersteund;

F.  overwegende dat Bangladesh partij is bij het Initiatief van Zuid-Azië om een einde te maken aan geweld tegen kinderen, dat een regionaal actieplan ter bestrijding van kinderhuwelijken heeft aangenomen;

G.  overwegende dat de regering van Bangladesh tijdens de topconferentie over meisjes van juli 2014 heeft toegezegd het aantal meisjes tussen de 15 en 18 jaar dat in het huwelijk treedt met een derde terug te brengen tegen 2021, huwelijken met kinderen onder de 15 jaar uit te bannen tegen 2021 en huwelijken met kinderen onder de 18 jaar uit te bannen tegen 2041;

H.  overwegende dat Bangladesh in 2015 op plaats 119 van de 159 onderzochte landen stond op de genderongelijkheidsindex van het Ontwikkelingsprogramma van de VN;

I.  overwegende dat de regering van Bangladesh op 27 februari 2017 de Wet ter beperking van kinderhuwelijken heeft goedgekeurd, waarin de minimumleeftijd om te trouwen – d.w.z. 18 jaar voor vrouwen en 21 jaar voor mannen – ongewijzigd is gebleven, maar waarmee uitzonderingen zijn ingevoerd waarvan in "speciale gevallen" of in het "belang" van de adolescent en met toestemming van de rechter gebruik kan worden gemaakt, terwijl deze criteria niet zijn gedefinieerd en er geen minimumleeftijd voor dergelijke huwelijken is vastgesteld; overwegende dat de toestemming van het kind niet vereist is; overwegende dat de wet na goedkeuring door de president in werking is getreden op 11 maart 2017;

J.  overwegende dat deze wet kan leiden tot een toename van misbruik in verband met bruidsschatten, seksuele intimidatie, verkrachtingen en zuuraanvallen, alsook tot de legitimatie van ontucht met minderjarigen; overwegende dat de wet er tevens toe kan leiden dat ouders hun dochter kunnen dwingen om met hun verkrachter te trouwen;

K.  overwegende dat in de richtsnoeren van de EU ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind wordt bevestigd dat de EU vasthoudt aan de algehele bescherming en bevordering van de rechten van het kind in haar externe mensenrechtenbeleid;

1.  veroordeelt opnieuw alle gevallen van gedwongen en kinderhuwelijken en seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes in de hele wereld;

2.  wijst op de vooruitgang die Bangladesh heeft geboekt bij de inspanningen om het aantal kinderhuwelijken terug te dringen;

3.  is ingenomen met het feit dat Bangladesh de afgelopen jaren diverse wetgevende en institutionele maatregelen heeft vastgesteld met het oog op de bescherming van kinderen; is echter bezorgd over de ontoereikende of niet-bestaande tenuitvoerlegging van deze maatregelen;

4.  betreurt de aanneming van de Wet ter beperking van kinderhuwelijken van 2017 en de mazen in die wetgeving die voorzien in wettelijke toestemming voor kinderhuwelijken ten zeerste; betreurt voorts de afwezigheid van wettelijke criteria in deze wet, waardoor het risico op wijdverbreid misbruik toeneemt;

5.  verzoekt de regering van Bangladesh deze wet te wijzigen teneinde de mazen te dichten en alle kinderhuwelijken te verbieden;

6.  dringt erop aan dat de regering van Bangladesh, tot het moment waarop de mazen in de wet zijn gedicht, duidelijke criteria vaststelt op grond waarvan de rechtbank, in samenwerking met gezondheidswerkers en zorgverleners en na een interview met het meisje in kwestie waarbij geen familieleden aanwezig zijn, besluit om een huwelijk met een minderjarige al dan niet toe te staan;

7.  merkt bezorgd op dat de onlangs aangenomen wet een stap terug is voor Bangladesh wat betreft de inspanningen om een einde te maken aan kinderhuwelijken; benadrukt nogmaals dat deze versoepeling van de wet afbreuk doet aan de eigen doelstellingen van de regering van Bangladesh om het aantal kinderhuwelijken terug te dringen;

8.  wijst op de mogelijke gevolgen van kinderhuwelijken, met inbegrip van beperkte toegang tot onderwijs, isolement, armoede, economische afhankelijkheid en horigheid, met name voor meisjes in plattelandsgebieden, en uit zijn bezorgdheid over de verhoogde risico's op verkrachting, lichamelijk geweld en gedwongen zwangerschappen in kinderhuwelijken;

9.  merkt op dat kinderhuwelijken vaak een gevolg zijn van ongewilde zwangerschappen en zwangerschappen op jonge leeftijd; wijst in dit verband nogmaals op het belang van toegang tot informatie over seksuele en reproductieve gezondheid, bijstand en veilige medische hulpverlening voor vrouwen en meisjes;

10.  verzoekt de regering van Bangladesh de ontwikkeling van het nationale actieplan ter bestrijding van kinderhuwelijken 2015-2021 te hervatten en uit te leggen hoe zij van plan is haar doelen te bereiken en kinderhuwelijken volledig uit te bannen;

11.  verzoekt de autoriteiten van Bangladesh zich daadwerkelijk te verbinden aan de verwezenlijking van de onlangs internationaal overeengekomen duurzame ontwikkelingsdoelen, met name om ongelijkheden te verminderen en gendergelijkheid en vrouwenrechten te waarborgen;

12.  is van oordeel dat kinderhuwelijken op doeltreffende wijze kunnen worden bestreden door middel van de bevordering van de mensenrechten en de menselijke waardigheid en sociaal overheidsbeleid; verzoekt de autoriteiten van Bangladesh derhalve om gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van ngo's en op kinderen gerichte organisaties, stelselmatig te betrekken bij de aanpak van de onderliggende oorzaken van kinderhuwelijken in Bangladesh, en om de bewustwording op scholen te bevorderen;

13.  verzoekt de autoriteiten van Bangladesh in dit verband de Wet op de regulering van buitenlandse donaties (vrijwillige activiteiten) van 2014 te wijzigen, teneinde ervoor te zorgen dat het werk van maatschappelijke organisaties niet wordt onderworpen aan willekeurige controles door de regering en dat alle uit hoofde van die wet genomen besluiten worden onderworpen aan een onafhankelijk herzieningsproces;

14.  dringt er bij de autoriteiten van Bangladesh op aan hun veroordeling uit te spreken over het aanhoudende afschuwelijke optreden tegen de vrijheid van meningsuiting en onmiddellijk een einde te maken aan alle geweld, pesterijen, intimidatie en censuur tegen journalisten, bloggers en maatschappelijke organisaties; dringt er voorts bij de autoriteiten van Bangladesh op aan om onafhankelijke onderzoeken in te stellen naar de buitengerechtelijke executies, de gedwongen verdwijningen en het buitensporig gebruik van geweld, en om de verantwoordelijken voor de rechter te brengen volgens internationale normen;

15.  verzoekt de Commissie en de delegatie van de EU in Bangladesh om deze kwesties aan de orde te stellen bij de autoriteiten van Bangladesh, en de Europese Dienst voor extern optreden om de wetskwestie aan de orde te stellen tijdens de volgende bijeenkomst van de gemengde commissie EU-Bangladesh;

16.  verzoekt de EU alle haar ter beschikking staande instrumenten in te zetten om de regering van Bangladesh te ondersteunen bij het eerbiedigen van haar internationale mensenrechtenverplichtingen;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de Europese Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten en de regering en het parlement van Bangladesh.

 

(1)

PB C 234 van 28.6.2016, blz. 10.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0089.

Juridische mededeling