Procedure : 2018/2926(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0528/2018

Ingediende teksten :

RC-B8-0528/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/11/2018 - 5.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0460

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 286kWORD 52k
14.11.2018
PE624.237v01-00}
PE624.241v01-00}
PE631.527v01-00} RC1
 
B8-0528/2018}
B8-0532/2018}
B8-0543/2018} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:

B8‑0528/2018 (PPE)

B8‑0532/2018 (ECR)

B8‑0543/2018 (ALDE)


over de mensenrechtensituatie in Cuba (2018/2926(RSP))


Esteban González Pons, Cristian Dan Preda, Luis de Grandes Pascual, Gabriel Mato, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Francisco José Millán Mon, Antonio López‑Istúriz White, Michaela Šojdrová, Tunne Kelam, Eduard Kukan, Milan Zver, Elisabetta Gardini, Jarosław Wałęsa, Lorenzo Cesa, Tomáš Zdechovský, Ivan Štefanec, Pavel Svoboda, József Nagy, Agnieszka Kozłowska‑Rajewicz, Krzysztof Hetman, Csaba Sógor, Patricija Šulin, Romana Tomc, Adam Szejnfeld, David McAllister, Lefteris Christoforou, Dubravka Šuica, Anders Sellström, Deirdre Clune, Seán Kelly, Ivana Maletić, Marijana Petir, Laima Liucija Andrikienė, Stanislav Polčák, László Tőkés, Željana Zovko, Francis Zammit Dimech, Inese Vaidere, Andrey Kovatchev, Jiří Pospíšil, Elmar Brok namens de PPE-Fractie
Anna Elżbieta Fotyga, Karol Karski, Raffaele Fitto, Ruža Tomašić, Jana Žitňanská, Valdemar Tomaševski, Pirkko Ruohonen‑Lerner, Marek Jurek, Monica Macovei, Charles Tannock namens de ECR-Fractie
Pavel Telička, Nedzhmi Ali, Petras Auštrevičius, Beatriz Becerra Basterrechea, Dita Charanzová, Gérard Deprez, Fredrick Federley, Nadja Hirsch, Filiz Hyusmenova, Ivan Jakovčić, Petr Ježek, Ilhan Kyuchyuk, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Jozo Radoš, Robert Rochefort, Marietje Schaake, Ramon Tremosa i Balcells, Johannes Cornelis van Baalen, Hilde Vautmans, Cecilia Wikström, Javier Nart, María Teresa Giménez Barbat namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechtensituatie in Cuba (2018/2926(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Cuba, met name die van 17 november 2004 over Cuba(1), van 2 februari 2006 over het EU-standpunt ten aanzien van de Cubaanse regering(2), van 21 juni 2007 over Cuba(3), van 11 maart 2010 over gewetensgevangenen in Cuba(4) en van 5 juli 2017 over het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Europese Unie, van een overeenkomst betreffende politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Cuba, anderzijds, en de goedkeuring daarvan door het Parlement(5),

–  gezien de verkiezing van Miguel Díaz-Canel als nieuwe president door de Cubaanse Nationale Volksmachtvergadering op 19 april 2018,

–  gezien de op 17 maart 2017 uitgebrachte bevindingen van het VN-Comité inzake gedwongen verdwijningen over Cuba,

–  gezien Advies 59/2018 van de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie over Ariel Ruiz Urquiola, die door Amnesty International als gewetensgevangene wordt beschouwd, aangenomen tijdens de 82e zitting van 20 t/m 24 augustus 2018,

–  gezien de universele periodieke doorlichtingen (UPR's) van Cuba die de VN-Mensenrechtenraad in mei 2013 en mei 2018 heeft uitgevoerd,

–  gezien het verslag van Human Rights Watch 2017 over Cuba en de verklaring van Erika Guevara-Rosas, directeur Amerika's bij Amnesty International, van 27 juli 2018 over de eerste 100 dagen van de nieuwe Cubaanse regering,

–  gezien de maandelijkse verklaringen van de Cubaanse Commissie voor mensenrechten en nationale verzoening (CCDHRN),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en andere internationale mensenrechtenverdragen en ‑instrumenten,

–  gezien de Cubaanse grondwet,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die Cuba heeft ondertekend,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de mensenrechten deel uitmaken van de politieke dialogen en de samenwerkings- en handelsovereenkomsten van de EU; overwegende dat de ondeelbaarheid van de mensenrechten, met inbegrip van burgerrechten, politieke, economische, sociale en culturele rechten, een van de belangrijkste doelstellingen van de EU in haar betrekkingen met Cuba moet zijn;

B.  overwegende dat het Parlement op 5 juli 2017 zijn goedkeuring heeft gehecht aan de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Cuba (PDCA); overwegende dat in de PDCA duidelijk uiting wordt gegeven aan de grote bezorgdheid van het Parlement over de mensenrechtensituatie in Cuba en dat de overeenkomst een schorsingsclausule bevat in geval van schending van de bepalingen over mensenrechten;

C.  overwegende dat de mensrechtendialoog tussen de EU en Cuba, onder leiding van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, in 2015 van start is gegaan; overwegende dat de partijen bij de vierde mensenrechtendialoog tussen de EU en Cuba op 9 oktober 2018 onder meer aandacht hebben besteed aan burgerparticipatie in openbare aangelegenheden, onder meer in het kader van recente verkiezingsprocessen, alsook aan de vrijheid van vereniging en meningsuiting en de mogelijkheid voor mensenrechtenverdedigers en andere maatschappelijke organisaties om zich vrijelijk te verenigen, hun mening te uiten en deel te nemen aan het openbare leven; overwegende dat het voor het Parlement niet duidelijk is of deze bijeenkomst iets heeft opgeleverd; overwegende dat er, ondanks het opzetten van de mensenrechtendialoog en de herverkiezing van Cuba in de VN-Mensenrechtenraad voor de periode 2017-2019, geen tastbare resultaten zijn bereikt wat de mensenrechten in Cuba betreft; overwegende dat de politieke dialoog ook een rechtstreekse, intensieve dialoog met het maatschappelijk middenveld en met de oppositie moet omvatten, zonder beperkingen;

D.  overwegende dat de Cubaanse regering nog steeds weigert het toezicht op de mensenrechten als een legitieme activiteit te erkennen en lokale mensenrechtengroeperingen een juridische status ontzegt;

E.  overwegende dat er op 24 februari 2019 een grondwettelijk referendum is gepland; overwegende dat er het bij de opstelling van de nieuwe grondwet geen echt nationaal overleg wordt gepleegd, zodat de Communistische Partij haar machtige rol behoudt in een samenleving zonder meerpartijenstelsel, fundamentele vrijheden en politieke en burgerrechten, waardoor de gecentraliseerde staatseigendom en de gecontroleerde economie nog worden versterkt; overwegende dat het eenpartijstelsel in artikel 3 "onherroepelijk" wordt verklaard en dat artikel 224 bepaalt dat het de huidige en toekomstige generaties verboden is de onomkeerbaarheid van het socialisme en het huidige politieke en sociale systeem te veranderen; overwegende dat ook andere bepalingen in het ontwerp zeer zorgwekkend lijken;

F.  overwegende dat onafhankelijke journalisten, vreedzame dissidenten en mensenrechtenactivisten die mensenrechtenschendingen documenteren – en die meestal leden van de democratische oppositie zijn – in Cuba worden vervolgd, willekeurig worden vastgehouden of in de gevangenis zitten; overwegende dat volgens de CCDHRN in oktober 2018 ten minste 202 willekeurige kortstondige arrestaties zijn verricht van vreedzame opposanten en activisten van onafhankelijke maatschappelijke organisaties, ongetwijfeld om politieke redenen, omdat zij hun fundamentele recht van meningsuiting, vergadering en politieke vereniging hadden uitgeoefend;

G.  overwegende dat een van hen dr. Eduardo Cardet is, een nationale coördinator van de Christelijke Bevrijdingsbeweging (MCL), die tot drie jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens vreedzame uitoefening van zijn recht op vrijheid van meningsuiting; overwegende dat hij in november 2016 is gearresteerd toen hij terugkwam van een reis naar Miami; overwegende dat dr. Cardet, die als gewetensgevangene wordt beschouwd, momenteel wordt vastgehouden in de Cuba Sí-gevangenis in Holguín, waar hij in eenzame opsluiting zit, zonder recht op familiebezoek of telefoontjes;

H.  overwegende dat Tomas Núñez Magdariaga, lid van de officieuze politieke oppositiegroepering Patriottische Unie van Cuba (UNPACU) 62 dagen lang in hongerstaking is gegaan en dankzij internationale druk op 15 oktober 2018 is vrijgelaten; overwegende dat de heer Magdariaga schuldig is bevonden aan bedreiging van een staatsambtenaar, die uiteindelijk heeft toegegeven de aanklacht tegen hem te hebben verzonnen; overwegende dat zijn zaak weer een duidelijk voorbeeld is van pogingen om mensen met afwijkende ideeën het zwijgen op te leggen;

I.  overwegende dat de Dames in het Wit in oktober 2018 opnieuw de voornaamste slachtoffers van politieke onderdrukking waren en dat een aantal leden van het Verenigde Antitotalitaire Forum (FANTU) in verschillende provincies van het land werden onderdrukt;

J.  overwegende dat alle gevangen in Cuba humaan moeten worden behandeld; overwegende dat de Cubaanse regering onafhankelijke mensenrechtengroeperingen de toegang tot gevangenissen ontzegt; overwegende dat Cubaanse burgers geen recht hebben op een eerlijk proces, zoals het recht op een eerlijke en openbare behandeling van hun zaak door een bevoegde en onpartijdige rechtbank; overwegende dat gevangenen die voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld, vaak het slachtoffer zijn van voortdurende intimidatie door de autoriteiten;

K.  overwegende dat de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie duidelijk heeft verklaard dat Cubaanse slachtoffers van willekeurige detentie het recht hebben om verhaal te zoeken bij de regering, met inbegrip van restitutie, compensatie, rehabilitatie, genoegdoening en garanties dat het niet opnieuw zal gebeuren;

L.  overwegende dat er tekenen zijn van meer respect voor de vrijheid van godsdienst in Cuba; overwegende dat de Cubaanse autoriteiten tegelijkertijd nog steeds zeer restrictief zijn ten aanzien van de bouw of wederopbouw van christelijke kerken; overwegende dat de Kerk geleidelijk aan is uitgegroeid tot de grootste speler van het maatschappelijk middenveld en de belangrijkste niet-gouvernementele sociale dienstverlener in Cuba, maar dat haar activiteiten nog steeds onder strenge controle van de autoriteiten staan;

M.  overwegende dat nauwere politieke en economische betrekkingen met Cuba de politieke hervormingen in het land vooruit zouden kunnen helpen, overeenkomstig de aspiraties van al zijn burgers; overwegende dat liberalisering van de economie en de handel het land in staat zou moeten stellen om geleidelijk aan werk te maken van de sociale vrijplaatsen, co-existentie, technologie en communicatie die de Cubaanse bevolking waardeert en wenst;

N.  overwegende dat het Parlement zijn Sacharovprijs voor de vrijheid van denken drie keer aan Cubaanse activisten heeft uitgereikt, namelijk aan Oswaldo Payá in 2002, de Dames in het Wit in 2005 en Guillermo Fariñas in 2010; overwegende dat het nog steeds regelmatig gebeurt dat laureaten van de Sacharovprijs wordt belet het land te verlaten en deel te nemen aan internationale events;

O.  overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft gevraagd of het officiële delegaties naar Cuba mocht sturen; overwegende dat de Cubaanse autoriteiten telkens weer de toegang tot het land hebben geweigerd, zelfs na de sluiting van de PDCA;

1.  veroordeelt ten stelligste de willekeurige opsluitingen, vervolgingen, pesterijen en aanvallen op vreedzame dissidenten, onafhankelijke journalisten, mensenrechtenactivisten en de politieke oppositie in Cuba; vraagt dat er onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan deze daden en dat alle politieke gevangenen, met inbegrip van Eduardo Cardet, en degenen die willekeurig worden vastgehouden louter omdat ze hun vrijheid van meningsuiting en vergadering hebben uitgeoefend, onmiddellijk worden vrijgelaten;

2.  vraagt de EU-lidstaten, de EDEO en zijn delegatie in Cuba om ten aanzien Cuba stevig vast te houden aan hun grondbeginselen en beleid en de nodige maatregelen te nemen om bovengenoemde personen vrij te krijgen, ervoor te zorgen dat er onmiddellijk een einde komt aan de intimidatie van politieke tegenstanders en mensenrechtenactivisten, en hen te helpen en te beschermen;

3.  vraagt de Cubaanse autoriteiten de omstandigheden in de gevangenissen en de behandeling van gevangenen te verbeteren, en internationale mensenrechtengroeperingen en onafhankelijke Cubaanse organisaties toegang tot de Cubaanse gevangenissen te verlenen; benadrukt dat de vervolging en opsluiting van dissidenten wegens hun idealen en hun vreedzame politieke activiteiten in strijd is met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens;

4.  betreurt dat de situatie van de mensenrechten en de democratie ondanks de aangenomen PDCA niet is verbeterd; dringt erop aan dat de bindende verplichtingen die in de PDCA tussen de EU en Cuba zijn vastgesteld, worden nageleefd, met name wat de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden betreft; benadrukt dat het welslagen van deze overeenkomst afhangt van de tenuitvoerlegging en inachtneming ervan;

5.  herinnert eraan dat de PDCA een bepaling betreffende de schorsing van de overeenkomst bevat die moet worden toegepast bij schending van de bepalingen over mensenrechten; dringt er daarom op aan dat de Europese Unie de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Cuba nauwlettend volgt en monitort bij de tenuitvoerlegging van de PDCA en dat er regelmatig verslag wordt uitgebracht aan het Parlement; verzoekt hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter Federica Mogherini het Parlement in de plenaire vergadering gedetailleerd te informeren over de concrete maatregelen die worden genomen om aan bovengenoemde eis te voldoen;

6.  dringt er bij de Cubaanse regering op aan haar mensenrechtenbeleid te herdefiniëren door het in overeenstemming te brengen met het internationaal recht inzake de mensenrechten, en actieve deelname van alle maatschappelijke organisaties en oppositiepartijen aan het politieke en maatschappelijke leven mogelijk te maken, zonder beperkingen op te leggen; vraagt Cuba zijn voornemen om "zich te houden aan de hoogste normen met betrekking tot de bevordering en bescherming van de mensenrechten" te bevestigen door het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en de facultatieve protocollen daarbij te ratificeren;

7.  herinnert de Cubaanse autoriteiten eraan dat de vrijheid van beweging en vergadering wordt gewaarborgd door het internationaal recht inzake de mensenrechten en dat die vrijheid ook geldt voor activisten en leden van de democratische oppositie;

8.  veroordeelt ten stelligste de aanneming van decreet 349, dat het recht op artistieke vrijheid in Cuba ondergraaft; vraagt de Cubaanse autoriteiten de nodige wetgevende maatregelen te nemen om decreet 349 in te trekken voordat het in december 2018 in werking treedt; benadrukt dat vrijheid van artistieke expressie essentieel is voor een levensvatbare en levendige culturele sector die banen kan scheppen, culturele sectoren kan ontwikkelen en cultureel erfgoed nieuw leven kan inblazen;

9.  vraagt de Cubaanse regering op te houden met het opleggen van internetcensuur en het blokkeren van internetsites louter om politieke kritiek in te perken en de toegang tot informatie te beperken;

10.  staat volledig achter de op 17 maart 2017 uitgebrachte bevindingen van het VN-Comité inzake gedwongen verdwijningen over Cuba, waarin Cuba wordt opgeroepen de nodige maatregelen te nemen om de volledige onafhankelijkheid van zijn rechtsstelsel te waarborgen en een onafhankelijk nationaal instituut voor de mensenrechten op te richten overeenkomstig de beginselen van Parijs;

11.  is zeer bezorgd over de nieuwe ontwerpgrondwet en het voor februari 2019 geplande referendum; benadrukt dat er in het hele proces geen sprake is van opname van of verdraagzaamheid en respect voor fundamentele burgerrechten en politieke rechten die een democratisch constitutioneel proces zouden kunnen waarborgen; herhaalt in dit verband dat het vastbesloten is om een proces van overgang naar een pluralistische democratie en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden aan te moedigen, met deelname van alle actoren, zonder enige uitsluiting, zoals vermeld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, alsook een duurzaam economisch herstel dat tot doel heeft de levensstandaard van de Cubaanse bevolking te verbeteren, overeenkomstig de aspiraties van het Cubaanse volk; verzoekt de bevoegde Cubaanse autoriteiten in de nieuwe grondwet te bepalen dat er vrije en pluralistische verkiezingen worden gehouden;

12.  dringt er bij de Europese instellingen en de lidstaten op aan om de economische en politieke transitie in Cuba naar een volledig democratisch staatsbestel dat de grondrechten van alle burgers eerbiedigt, te ondersteunen; steunt het gebruik van de verschillende EU-instrumenten voor buitenlands beleid, met name het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), om de dialoog van de EU met het maatschappelijk middenveld in Cuba en met degenen die een vreedzame transitie in Cuba steunen, te versterken;

13.  roept de Cubaanse autoriteiten op om de doodstraf voor alle misdrijven af te schaffen; vraagt dat er een moratorium op de doodstraf komt totdat deze wetswijziging formeel is aangenomen; vraagt dat alle doodvonnissen worden herzien om ervoor te zorgen dat de betreffende rechtszaken aan de internationale normen voldoen en dat in de toekomst geen enkele executie meer plaatsvindt;

14.  vraagt de Cubaanse regering kerken toe te staan hun sociale activiteiten in de Cubaanse samenleving vrijelijk uit te oefenen; vraagt dat de vrijheid van godsdienst en geweten volledig wordt gewaarborgd;

15.  vraagt hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter Federica Mogherini het bestaan van een politieke oppositie tegen de Cubaanse regering te erkennen en de opname daarvan in de politieke dialoog tussen de EU en Cuba te steunen; herinnert de Europese instellingen eraan dat het maatschappelijk middenveld en mensen die de Sacharovprijs hebben gekregen, belangrijke actoren zijn voor de democratisering van Cuba en dat hun stem moet worden gehoord en in aanmerking moet worden genomen in het kader van de bilaterale betrekkingen; vraagt in dit verband alle vertegenwoordigers van de EU-lidstaten om problemen met de mensenrechten aan de orde te stellen bij bezoeken aan de Cubaanse autoriteiten, en de laureaten van de Sacharovprijs te ontmoeten wanneer zij Cuba bezoeken, teneinde de interne en externe samenhang van het mensenrechtenbeleid van de EU te waarborgen;

16.  betreurt ten zeerste dat de Cubaanse autoriteiten weigeren om commissies, delegaties en sommige fracties van het Europees Parlement toe te staan Cuba te bezoeken, ondanks het feit dat het Parlement zijn goedkeuring heeft gehecht aan de PDCA; vraagt de autoriteiten onmiddellijk toegang tot het land te verlenen, met inbegrip van de mogelijkheid om het land te bezoeken wanneer het voor 24 februari 2019 geplande grondwettelijk referendum wordt gehouden;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en de Nationale Volksmachtvergadering van Cuba, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en de regeringen van de lidstaten van de Celac-landen.

 

(1)

PB C 201 E van 18.8.2005, blz. 83.

(2)

PB C 288 E van 24.11.2006, blz. 81.

(3)

PB C 146 E van, 12.6.2008, blz. 377.

(4)

PB C 349 E van, 22.12.2010, blz. 82.

(5)

PB C 334 van 19.9.2018, blz. 99.

Laatst bijgewerkt op: 15 november 2018Juridische mededeling