Procedure : 2018/2927(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0533/2018

Ingediende teksten :

RC-B8-0533/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/11/2018 - 5.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0461

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 291kWORD 57k
14.11.2018
PE624.242v01-00}
PE631.519v01-00}
PE631.520v01-00}
PE631.522v01-00}
PE631.523v01-00}
PE631.526v01-00}
PE631.528v01-00} RC1
 
B8-0533/2018}
B8-0535/2018}
B8-0536/2018}
B8-0538/2018}
B8-0539/2018}
B8-0542/2018}
B8-0544/2018} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:

B8‑0533/2018 (ECR)

B8‑0535/2018 (EFDD)

B8‑0536/2018 (S&D)

B8‑0538/2018 (Verts/ALE)

B8‑0539/2018 (GUE/NGL)

B8‑0542/2018 (ALDE)

B8‑0544/2018 (PPE)


over de mensenrechtensituatie in Bangladesh (2018/2927(RSP))


Cristian Dan Preda, Tomáš Zdechovský, Tunne Kelam, Eduard Kukan, Antonio López‑Istúriz White, Milan Zver, Elisabetta Gardini, Lorenzo Cesa, Ivan Štefanec, Pavel Svoboda, József Nagy, Agnieszka Kozłowska‑Rajewicz, Krzysztof Hetman, Csaba Sógor, Patricija Šulin, Romana Tomc, Adam Szejnfeld, David McAllister, Lefteris Christoforou, Michaela Šojdrová, Elmar Brok, Andrey Kovatchev, Deirdre Clune, Seán Kelly, Ivana Maletić, Marijana Petir, Laima Liucija Andrikienė, Stanislav Polčák, László Tőkés, Dubravka Šuica, Anders Sellström, Željana Zovko, Francis Zammit Dimech, Jiří Pospíšil, Inese Vaidere namens de PPE-Fractie
Elena Valenciano, Victor Boştinaru, Soraya Post, Agnes Jongerius namens de S&D-Fractie
Pirkko Ruohonen‑Lerner, Charles Tannock, Jana Žitňanská, Valdemar Tomaševski, Ruža Tomašić, Raffaele Fitto, Monica Macovei, Sajjad Karim namens de ECR-Fractie
Marietje Schaake, Nedzhmi Ali, Petras Auštrevičius, Beatriz Becerra Basterrechea, Izaskun Bilbao Barandica, Dita Charanzová, Gérard Deprez, Fredrick Federley, Nadja Hirsch, Filiz Hyusmenova, Ivan Jakovčić, Petr Ježek, Ilhan Kyuchyuk, Louis Michel, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Jozo Radoš, Robert Rochefort, Pavel Telička, Ramon Tremosa i Balcells, Johannes Cornelis van Baalen, Hilde Vautmans, Cecilia Wikström namens de ALDE-Fractie
Marie‑Christine Vergiat, Miguel Urbán Crespo, Patrick Le Hyaric, Merja Kyllönen, Kateřina Konečná, Luke Ming Flanagan, Lola Sánchez Caldentey, Tania González Peñas, Xabier Benito Ziluaga, Estefanía Torres Martínez, Dimitrios Papadimoulis, Stelios Kouloglou, Kostadinka Kuneva namens de GUE/NGL-Fractie
Jean Lambert, Yannick Jadot, Heidi Hautala, Barbara Lochbihler namens de Verts/ALE-Fractie
Fabio Massimo Castaldo, Isabella Adinolfi, Ignazio Corrao, Rolandas Paksas namens de EFDD-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de mensenrechtensituatie in Bangladesh (2018/2927(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bangladesh van 6 april 2017(1) en 26 november 2015(2),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over de stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh(3), en gezien het technische statusrapport van de Commissie van 28 september 2018,

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector(4),

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst van 2001 tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling(5),

–  gezien het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht,

–  gezien het Duurzaamheidspact ter continue verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh,

–  gezien het akkoord inzake brandveiligheid en veiligheid van gebouwen in Bangladesh van 2013, en de verlenging ervan in 2018,

–  gezien de gezamenlijke plaatselijke verklaring die de missiehoofden van de EU-lidstaten, de delegatie van de Europese Unie en de missiehoofden van Noorwegen en Zwitserland op 27 september 2018 hebben afgelegd over de Bengalese wet inzake digitale beveiliging,

–  gezien het nationale verslag van 26 februari 2018 dat is voorgelegd voor de universele periodieke doorlichting (UPR) van Bangladesh door de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen dat de Algemene Vergadering van de VN op 20 december 2006 heeft aangenomen en dat op 23 december 2010 in werking is getreden,

–  gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, die de VN-Mensenrechtenraad op 16 juni 2011 heeft goedgekeurd,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het nationale actieplan voor de uitbanning van kinderhuwelijken 2015-2021 van Bangladesh,

–  gezien de aanbevelingen van de 17e zitting van het Permanente VN-Forum voor inheemse zaken (UNPFII),

–  gezien de wereldindex voor persvrijheid 2018,

–  gezien de Bengalese wet inzake digitale beveiliging van 2018,

–  gezien de Bengalese wet inzake informatie- en communicatietechnologie (ICT), en met name deel 57 daarvan,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren van 12 mei 2014 inzake vrijheid van meningsuiting online en offline,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU en Bangladesh reeds lang betrekkingen onderhouden, onder andere in de vorm van de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling; overwegende dat de eerbiediging en de bevordering van de mensenrechten en democratische beginselen ten grondslag liggen aan het binnenlandse en buitenlandse beleid van beide partijen en een essentieel onderdeel van het extern EU-optreden moeten uitmaken;

B.  overwegende dat de onderdrukking van leden van het maatschappelijk middenveld, waaronder politieke activisten, vakbondslui, journalisten, studenten, mensenrechtenverdedigers en minderheden, de afgelopen jaren is toegenomen in Bangladesh; overwegende dat mensenrechtendeskundigen van de VN en internationale mensenrechtenorganisaties hebben bericht dat in Bangladesh een duidelijk patroon waarneembaar is van buitengerechtelijke executies, massale willekeurige arrestaties en gedwongen verdwijningen, zoals in de gevallen van Maroof Zaman en Mir Ahmad Bin Quasem;

C.  overwegende dat Bangladesh de 146e plaats inneemt van de 180 plaatsen op de wereldindex voor persvrijheid; overwegende dat schendingen van fundamentele vrijheden en mensenrechten, en met name geweld, pesterijen, intimidatie en censuur jegens journalisten en bloggers, nog steeds schering en inslag zijn in Bangladesh; overwegende dat de Bengalese ICT-wet, en met name deel 57 daarvan, de afgelopen jaren is aangewend voor het arresteren en vervolgen van activisten en journalisten die kritiek uitten op de regering;

D.  overwegende dat de wet inzake digitale beveiliging die het parlement van Bangladesh op 19 september 2018 heeft aangenomen, deel 57 van de ICT-wet ongewijzigd heeft gelaten, ondanks de vele kritiek van Bengalese journalisten, mensenrechtenactivisten en de internationale gemeenschap;

E.  overwegende dat de internationaal erkende en bekroonde Bengalese persfotograaf Shahidul Alam, tevens leraar en activist, op 5 augustus 2018 uit zijn huis is ontvoerd en op grond van de ICT-wet is opgesloten nadat hij zich over recente studentenprotesten in Bangladesh had uitgelaten en kritiek had gespuid op het gebruik van geweld door de autoriteiten; overwegende dat hij nog altijd vastzit en dat zijn vrijlating op borgtocht meermaals werd geweigerd; overwegende dat hij geen passende medische verzorging zou krijgen en zou zijn gefolterd;

F.  overwegende dat de overheid als gevolg van terroristische aanslagen een strenge nultolerantie hanteert; overwegende dat de mobiele netwerken in Bangladesh zijn stilgelegd en dat de Bengalese veiligheidstroepen naar verluidt elektronisch bewakingsmaterieel trachten aan te schaffen op de internationale markt; overwegende dat de regering van Bangladesh is begonnen met een campagne van intensief en indringend toezicht op en observatie van de sociale media;

G.  overwegende dat er op 30 december 2018 verkiezingen zullen plaatsvinden in Bangladesh; overwegende dat oppositieleidster en voormalig premier Khaleda Zia momenteel 10 jaar gevangenisstraf uitzit wegens corruptie en bijgevolg niet aan de verkiezingen kan deelnemen; overwegende dat zij de beschuldigingen ontkent, die volgens haar aanhangers politiek gemotiveerd waren;

H.  overwegende dat vrouwen en meisjes in Bangladesh met veel geweld te maken krijgen; overwegende dat Bangladesh het hoogste percentage kinderhuwelijken in Azië kent en wereldwijd een van de hoogste; overwegende dat de regering van Bangladesh in 2017 de wet ter beperking van kinderhuwelijken heeft aangenomen, maar dat die in "speciale gevallen " in uitzonderingen voorziet en geen criteria noch een minimumleeftijd voor dergelijke huwelijken bevat;

I.  overwegende dat in Bangladesh voor tal van misdrijven de doodstraf kan worden toegepast; overwegende dat in 2017 zes mensen werden terechtgesteld;

J.  overwegende dat er dit jaar een toename is gemeld van gevallen van geweld, met name tegen inheemse vrouwen, alsook van intimidatie en arrestatie van verdedigers van de rechten van inheemse volken in de regio Chittagong Hill Tracts;

K.  overwegende dat de EU de belangrijkste handelspartner van Bangladesh is en dat Bangladesh als een van de minst ontwikkelde landen (MOL) profiteert van de gunstigste regeling binnen het EU-stelsel van algemene preferenties (SAP), namelijk de "alles behalve wapens"-regeling;

L.  overwegende dat Bangladesh naar verwachting in 2024 de status van minst ontwikkeld land ontgroeid zal zijn; overwegende dat in de tussenliggende jaren versnelde hervormingen inzake mensenrechten en arbeidsrechten, met inbegrip van de uitbanning van kinderarbeid, nodig zijn; overwegende dat er bezorgdheid blijft bestaan over bepalingen in de Bengalese arbeidswetgeving en het wetsontwerp inzake exportproductiezones;

M.  overwegende dat in het kader van het duurzaamheidspact het akkoord inzake brandveiligheid en veiligheid van gebouwen in Bangladesh is gesloten tussen mondiale kledingmerken, detailhandelaren en vakbonden; overwegende dat tot dusver minder dan de helft van de fabrieken waarop het akkoord van toepassing is, passende veiligheidsmaatregelen hebben getroffen; overwegende dat het akkoord in oktober 2018 is afgelopen, hoewel er nog veel werk moet worden verzet; overwegende dat het akkoord is opgevolgd door een overgangsakkoord dat drie jaar zal gelden;

N.  overwegende dat het akkoord moet worden ondersteund en dat alle partijen de mogelijkheid moeten krijgen hun werk vlot voort te zetten, ook na november 2018; overwegende dat de regering van Bangladesh en haar Coördinatiecel Sanering slechts eenmaal met woord en daad hebben aangetoond dat ze aan de voorwaarden inzake paraatheid voldoen en dat dit soort initiatieven op het gebied van verantwoord ondernemen misschien niet langer nodig is;

O.  overwegende dat Bangladesh in 2018 een massale instroom van meer dan 700 000 Rohingya te verwerken kreeg die op de vlucht waren voor een etnische zuiveringscampagne door de Birmese strijdkrachten en nog steeds ernstig behoefte hebben aan humanitaire bijstand; overwegende dat Bangladesh en Myanmar op 30 oktober 2018 overeenstemming hebben bereikt om medio november te beginnen met de repatriëring van Rohingya naar Myanmar, zonder raadpleging of betrokkenheid van het VN-Vluchtelingenbureau (UNHCR);

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de verslechterende mensenrechtensituatie in Bangladesh en met name de voortdurende beknotting van de vrijheid van meningsuiting en vergadering jegens de media, studenten, activisten en de oppositie; veroordeelt dat mensen worden gearresteerd en het slachtoffer zijn van geweld omdat zij hun recht op vrije meningsuiting gebruiken om kritiek te uiten op de regering; is uiterst bezorgd over meldingen dat het gebruik van foltering schering en inslag wordt;

2.  merkt op dat Bangladesh in de universele periodieke doorlichting door de VN van mei 2018 wordt geprezen voor zijn "aanzienlijke vooruitgang" inzake verbetering van de mensenrechten in de afgelopen jaren; dringt er bij de regering van Bangladesh op aan de aanbevelingen van de universele periodieke doorlichting uit te voeren, met name op het vlak van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, burgerrechten en politieke rechten, mediavrijheid, economische, sociale en culturele rechten, en de rechten van vrouwen en meisjes;

3.  vraagt de Bengalese autoriteiten onafhankelijke onderzoeken in te stellen naar meldingen van buitengerechtelijke executies, gedwongen verdwijningen en het gebruik van buitensporig geweld, met inbegrip van de zaken van Maroof Zaman en Mir Ahmad Bin Quasem, en de verantwoordelijken overeenkomstig de internationale normen voor de rechter te brengen; verzoekt Bangladesh voorts het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen te ratificeren en de bepalingen ervan in het nationale recht op te nemen;

4.  vraagt de Bengalese autoriteiten Shahidul Alam onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, alle aanklachten tegen hem te laten vallen en hem de mogelijkheid te geven zijn legitieme mensenrechtenwerk voort te zetten; benadrukt dat de Bengalese autoriteiten alle nodige maatregelen moeten treffen om de lichamelijke en geestelijke integriteit en veiligheid van Shahidul Alam en zijn gezin te waarborgen en ervoor te zorgen dat Shahidul Alam tijdens zijn gevangenschap wordt behandeld op een wijze die strookt met de internationale beginselen en normen; roept de Bengalese autoriteiten ertoe op onmiddellijk een openbaar onderzoek in te stellen naar de beweringen dat Shahidul Alam is gefolterd, en de daders voor de rechter te brengen;

5.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de ICT-wet, niet alleen omdat die al ernstige gevolgen heeft gehad voor het werk van journalisten, bloggers en commentatoren, maar ook omdat de rechtmatige uitoefening van de vrijheid van meningsuiting door personen, ook op de sociale media, ermee wordt bestraft; is van mening dat deel 57 van de ICT-wet onverenigbaar is met de grondrechten van vrije meningsuiting en het recht op een eerlijk proces;

6.  betreurt ten zeerste de beslissing van de regering om de wet inzake digitale beveiliging vast te stellen omdat de politie hierdoor meer macht krijgt om met harde hand op te treden tegen vrije meningsuitingen, ook op de sociale media, in de aanloop naar de nationale verkiezingen in 2018; verzoekt de Bengalese autoriteiten de wet inzake digitale beveiliging en de ICT-wet dringend te herzien en ze in overeenstemming te brengen met de internationale mensenrechtenverdragen waarbij Bangladesh partij is;

7.  is erkentelijk voor de constructieve rol die Bangladesh onder moeilijke omstandigheden heeft gespeeld door Rohingya-vluchtelingen te willen opvangen; dringt er bij de autoriteiten op aan meer land ter beschikking te stellen om de overbevolking en de erbarmelijke omstandigheden in de kampen tegen te gaan; dringt er bij de autoriteiten op aan de bureaucratische beperkingen die zij aan humanitaire organisaties opleggen, te versoepelen; dringt er bij de regeringen van Bangladesh en Myanmar op aan onmiddellijk terug te komen op het besluit om te beginnen met de repatriëring van Rohingya-vluchtelingen, daar de voorwaarden voor een veilige, waardige en vrijwillige terugkeer nog niet vervuld zijn;

8.  verzoekt de EU en andere internationale donoren zich meer in te spannen om de nodige financiële en materiële hulp te verlenen voor de Rohingya-vluchtelingenkampen in Bangladesh;

9.  dringt erop aan dat Bangladesh voldoet aan zijn verplichtingen in het kader van de "alles behalve wapens"-regeling met betrekking tot democratie, mensenrechten en de rechtsstaat;

10.  roept nogmaals op tot afschaffing van de doodstraf in Bangladesh;

11.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de nietigverklaring van het overgangsakkoord dat op 30 november 2018 in werking zou moeten treden; merkt op dat de Coördinatiecel Sanering nog niet de capaciteit heeft om toe te zien op voorschriften inzake gezondheid en veiligheid en deze af te dwingen, wat ernstige gevolgen heeft voor de veiligheid en de rechten van fabrieksarbeiders; verzoekt de regering van Bangladesh met klem het overgangsakkoord onmiddellijk te erkennen en ten uitvoer te leggen en een grotere bereidheid te tonen om alle functies van het akkoord over te nemen; verzoekt de donoren de regering van Bangladesh te steunen om dit mogelijk te maken; verzoekt voorts de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om met de Coördinatiecel Sanering verder te werken aan capaciteitsopbouw;

12.  vraagt de regering van Bangladesh wijzigingen door te voeren in de Bengalese arbeidswetgeving en de uitvoeringsvoorschriften daarvan om ze in overeenstemming te brengen met de internationale arbeidsnormen van de IAO, en de volledige vrijheid van vereniging mogelijk te maken; verzoekt de regering van Bangladesh de nodige maatregelen te nemen om alle gevallen van vakbondsdiscriminatie, met inbegrip van geweld en intimidatie, doeltreffend aan te pakken;

13.  spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat de wet ter beperking van kindhuwelijken uit 2017 weliswaar bepalingen over een betere preventie en over de vervolging van de daders bevat, maar ook een bepaling die in bijzondere omstandigheden een huwelijk onder de leeftijd van 18 jaar mogelijk maakt met ouderlijke toestemming en toestemming van de rechter; vraagt om met het oog op kinderbescherming deze lacune dringend te dichten;

14.  dringt er bij de Bengalese autoriteiten op aan mensenrechtenvraagstukken te blijven aanpakken; merkt op dat mensenrechtenkwesties verder zullen worden besproken tijdens de bijeenkomst van de gemengde commissie EU-Bangladesh, in de eerste helft van 2019 in Dhaka;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, en de regering en het parlement van Bangladesh.

 

 

(1)

Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 over Bangladesh, met inbegrip van kinderhuwelijken (PB C 298 van 23 augustus 2018, blz. 65).

(2)

Resolutie van het Europees Parlement van 26 november 2015 over de vrijheid van meningsuiting in Bangladesh (PB C 366 van 27.10.2017, blz. 135).

(3)

PB C 331 van 18.9.2018, blz. 100.

(4)

PB C 298 van 23.8.2018, blz. 100.

(5)

PB L 118 van 27.4.2001, blz. 48.

Laatst bijgewerkt op: 14 november 2018Juridische mededeling