Procedure : 2019/2569(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0104/2019

Ingediende teksten :

RC-B8-0104/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/02/2019 - 10.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 144kWORD 47k
12.2.2019
PE635.329v01-00}
PE635.330v01-00}
PE635.331v01-00} RC1
 
B8-0104/2019}
B8-0105/2019}
B8-0106/2019} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 123, leden 2 en 4, van het Reglement

ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:

B8‑0104/2019 (Verts/ALE)

B8‑0105/2019 (S&D)

B8‑0106/2019 (GUE/NGL)


over het recht op vreedzaam protest en het evenredig gebruik van geweld (2019/2569(RSP))


Sylvia‑Yvonne Kaufmann namens de S&D-Fractie
Eva Joly, Judith Sargentini, Philippe Lamberts namens de Verts/ALE-Fractie
Marie‑Christine Vergiat, Marina Albiol Guzmán, Patrick Le Hyaric, Martin Schirdewan, Barbara Spinelli namens de GUE/NGL-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over het recht op vreedzaam protest en het evenredig gebruik van geweld (2019/2569(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien de EU-Verdragen, en met name de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna "het Handvest" genoemd),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR),

–  gezien de vergelijkende studie over nationale wetgeving inzake de vrijheid van vreedzame vergadering die door de Commissie van Venetië werd aangenomen tijdens haar 99e plenaire vergadering (Venetië, 13 en 14 juni 2014),

–  gezien het Mensenrechtenhandboek over ordehandhaving bij massale bijeenkomsten van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE (ODIHR),

–  gezien de richtsnoeren voor de vrijheid van vreedzame vergadering van de Commissie van Venetië en het ODIHIR van de OVSE,

–  gezien de Basisbeginselen van de VN inzake het gebruik van geweld en vuurwapens door politiefunctionarissen en gezien de Gedragscode van de VN voor politiefunctionarissen,

–  gezien het gezamenlijke VN-verslag van de speciale rapporteur voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging en van de speciale rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies, over de juiste aanpak van grote bijeenkomsten,

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017(1),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU berust op de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; overwegende dat deze waarden door alle lidstaten gedragen worden in een samenleving waarin pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, gerechtigheid, solidariteit en gelijkheid van mannen en vrouwen prevaleren;

B.  overwegende dat de grondrechten, aangezien die voortkomen uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, moeten bestaan uit algemene beginselen van het recht van de Unie; overwegende dat internationale mensenrechteninstrumenten moeten worden geëerbiedigd;

C.  overwegende dat artikel 12 van het Handvest, artikel 11 van het EVRM en artikel 21 van het IVBPR bepalen dat eenieder recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering;

D.  overwegende dat artikel 4 van het Handvest, artikel 3 van het EVRM en artikel 7 van het IVBPR bepalen dat niemand mag worden onderworpen aan foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

E.  overwegende dat de vrijheid van vergadering hand in hand gaat met de vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest en artikel 10 van het EVRM, alsook artikel 19 van het IVBPR, waarin is bepaald dat eenieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting;

F.  overwegende dat volgens de jurisprudentie van het EHRM en het Hof van Justitie van de Europese Unie elke inperking van grondrechten en burgerlijke vrijheden de beginselen van rechtmatigheid, noodzaak en evenredigheid moet eerbiedigen;

G.  overwegende dat rechtshandhavingsinstanties in verscheidene lidstaten kritiek hebben gekregen vanwege de ondermijning van het recht op de vrijheid van vreedzame vergadering en vanwege het gebruik van buitensporig geweld;

H.  overwegende dat het gebruik van minder dodelijke wapens en apparaten, zoals de Flash‑Ball en LBD40-wapens die rubberkogels afvuren, stingball-granaten en GLI‑F4‑granaten, tijdens recente demonstraties in de EU tot een groot aantal ernstige verwondingen heeft geleid;

1.  verzoekt de lidstaten het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vrijheid van meningsuiting, inclusief het recht op vreedzaam protest, te eerbiedigen;

2.  benadrukt dat het openbare debat van cruciaal belang is voor het functioneren van democratische samenlevingen; is van mening dat geweld tegen vreedzame betogers nooit een oplossing kan zijn;

3.  veroordeelt het dat er de afgelopen jaren in diverse lidstaten restrictieve wetten over de vrijheid van vergadering zijn aangenomen;

4.  veroordeelt het gebruik van gewelddadige en onevenredige interventies van de autoriteiten tijdens protesten en vreedzame betogingen; spoort de bevoegde autoriteiten aan te zorgen voor een transparant, onpartijdig en doeltreffend onderzoek wanneer het gebruik van buitensporig geweld wordt verondersteld of is gemeld; herinnert eraan dat rechtshandhavingsautoriteiten altijd verantwoording moeten afleggen over de uitvoering van hun taken en hun naleving van de toepasselijke wettelijke en operationele kaders;

5.  dringt er bij de lidstaten op aan geen buitensporig geweld te gebruiken tegen vreedzame betogers en geen mensen willekeurig gevangen te nemen; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat het gebruik van geweld door de rechtshandhavingsautoriteiten altijd rechtmatig, evenredig en noodzakelijk en een uiterste middel is, en het menselijk leven en de lichamelijke integriteit beschermt; merkt op dat het willekeurige gebruik van geweld tegen menigten indruist tegen het evenredigheidsbeginsel;

6.  wijst op de belangrijke rol van journalisten en persfotografen bij het melden van gevallen van onevenredig geweld, en veroordeelt de gevallen waarin zij het doelwit waren;

7.  ziet in dat de politie, onder wie er ook veel slachtoffers zijn gevallen, onder moeilijke omstandigheden werkt, met name vanwege de vijandige houding van sommige betogers, maar ook vanwege een buitensporige werkdruk; veroordeelt elke vorm van geweld tegen personen of eigendommen door georganiseerde gewelddadige groepen die de legitimiteit van vreedzame betogingen schaden;

8.  verzoekt de lidstaten alternatieve praktijken toe te passen die al doeltreffend zijn gebleken, in het bijzonder het vermijden van fysiek contact met betogers en de inzet van bemiddelingsfunctionarissen;

9.  herinnert eraan dat in het rechtshandhavingsbeleid met name rekening moet worden gehouden met personen die bijzonder kwetsbaar zijn voor de schadelijke gevolgen van het gebruik van geweld in het algemeen en voor de effecten van specifieke minder dodelijke wapens, zoals kinderen, zwangere vrouwen, ouderen, personen met een handicap, personen met een psychische aandoening of personen onder invloed van drugs of alcohol;

10.  spoort de rechtshandhavingsambtenaren van de lidstaten aan actief deel te nemen aan de opleiding over handhaving van de openbare orde die wordt aangeboden door het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol); spoort de lidstaten aan om beste praktijken op dit gebied uit te wisselen; verzoekt de lidstaten de voortdurende scholing van rechtshandhavingsautoriteiten op het gebied van nationale en internationale mensenrechtenwetgeving te bevorderen;

11.  benadrukt dat de rechtshandhavingsautoriteiten er voorrang aan moeten geven dat betogers vrijwillig uiteengaan zonder het gebruik van geweld; hamert erop dat vuurwapens nooit rechtmatig mogen worden gebruikt om een menigte uiteen te drijven, maar alleen als dat strikt noodzakelijk is om het hoofd te bieden aan een levensbedreigende situatie of een risico op ernstige verwonding;

12.  veroordeelt dat bepaalde minder dodelijke wapens, zoals projectielen met kinetische impact en granaten waaruit onmiddellijk traangas vrijkomt, door de politie worden ingezet tegen vreedzame betogers; veroordeelt tevens dat traangas, waterkanonnen, stroomstootwapens en soortgelijke methoden, die ernstige verwondingen kunnen veroorzaken met blijvende gevolgen, worden gebruikt om betogers uit elkaar te drijven; merkt op dat verscheidene internationale organisaties en organen erom hebben verzocht bepaalde soorten minder dodelijke wapens te verbieden;

13.  vindt het zorgelijk dat de lidstaten verschillende drempels hanteren voor het gebruik van geweld en wapens; betreurt het dat EU-burgers zeer verschillend worden behandeld door de rechtshandhavingsautoriteiten en dat hun grondrechten niet overal op dezelfde wijze worden beschermd;

14.  is ingenomen met de beslissing van een aantal lidstaten en hun regio's om het gebruik van bepaalde soorten minder dodelijke wapens op te schorten of te verbieden; dringt aan op een verbod op het gebruik van bepaalde soorten minder dodelijke wapens en apparaten, zoals afvuurinrichtingen van projectielen met kinetische impact, stingball-granaten en granaten waaruit onmiddellijk traangas vrijkomt;

15.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle wapens onafhankelijk worden beoordeeld en getest voordat ze in de handel worden gebracht en dat alle actuele gegevens over al het gebruik van geweld worden verzameld zodat bewijs kan worden vergaard over gebruik, misbruik, onverwachte gevolgen, sterfgevallen en de oorzaken daarvan;

16.  verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een hoorzitting te organiseren over het gebruik van geweld en minder dodelijke wapens bij grote bijeenkomsten, en in samenwerking met het STOA-panel een verslag over dit onderwerp op te stellen met het doel richtsnoeren te ontwikkelen ten behoeve van de lidstaten over het gebruik van geweld en minder dodelijke wapens; spoort de Commissie en het Bureau voor de grondrechten aan om deel te nemen aan dit proces;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Verenigde Naties.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.

Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2019Juridische mededeling