Procedure : 2019/2564(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B8-0111/2019

Ingediende teksten :

RC-B8-0111/2019

Debatten :

PV 14/02/2019 - 8.3
CRE 14/02/2019 - 8.3

Stemmingen :

PV 14/02/2019 - 10.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0117

GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE
PDF 165kWORD 61k
13.2.2019
PE635.336v01-00}
PE635.338v01-00}
PE635.340v01-00}
PE635.341v01-00}
PE635.346v01-00}
PE635.348v01-00}
PE635.351v01-00} RC1
 
B8-0111/2019}
B8-0113/2019}
B8-0115/2019}
B8-0116/2019}
B8-0121/2019}
B8-0123/2019}
B8-0126/2019} RC1

ingediend overeenkomstig artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement

ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:

B8‑0111/2019 (ECR)

B8‑0113/2019 (Verts/ALE)

B8‑0115/2019 (S&D)

B8‑0116/2019 (EFDD)

B8‑0121/2019 (GUE/NGL)

B8‑0123/2019 (ALDE)

B8‑0126/2019 (PPE)


over verdedigers van vrouwenrechten in Saudi-Arabië  (2019/2564(RSP))


Cristian Dan Preda, Michaela Šojdrová, David McAllister, Elmar Brok, Agnieszka Kozłowska‑Rajewicz, Marijana Petir, Eduard Kukan, Patricija Šulin, Jarosław Wałęsa, Tunne Kelam, Roberta Metsola, Csaba Sógor, Milan Zver, Bogusław Sonik, Adam Szejnfeld, Pavel Svoboda, Lorenzo Cesa, Giovanni La Via, Tomáš Zdechovský, Krzysztof Hetman, Anders Sellström, Ivo Belet, Dubravka Šuica, Sandra Kalniete, Seán Kelly, Francis Zammit Dimech, Deirdre Clune, Ivana Maletić, Anna Záborská, Romana Tomc, Andrey Kovatchev, Laima Liucija Andrikienė, László Tőkés, Anna Maria Corazza Bildt, Jiří Pospíšil, Stanislav Polčák, Inese Vaidere namens de PPE-Fractie
Elena Valenciano, Victor Boştinaru, Soraya Post, Pier Antonio Panzeri namens de S&D-Fractie
Charles Tannock, Jana Žitňanská, Ruža Tomašić, Jan Zahradil, Monica Macovei namens de ECR-Fractie
Marietje Schaake, Izaskun Bilbao Barandica, Ilhan Kyuchyuk, Petras Auštrevičius, Beatriz Becerra Basterrechea, Dita Charanzová, Gérard Deprez, Marian Harkin, Nadja Hirsch, Ivan Jakovčić, Petr Ježek, Patricia Lalonde, Valentinas Mazuronis, Louis Michel, Javier Nart, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Carolina Punset, Frédérique Ries, Robert Rochefort, Jasenko Selimovic, Pavel Telička, Ramon Tremosa i Balcells, Ivo Vajgl, Hilde Vautmans, Cecilia Wikström namens de ALDE-Fractie
Ernest Urtasun, Barbara Lochbihler, Jordi Solé, Judith Sargentini, Ana Miranda, Bodil Valero, Florent Marcellesi, Tilly Metz, Terry Reintke, Molly Scott Cato, Josep‑Maria Terricabras, Margrete Auken namens de Verts/ALE-Fractie
Marie‑Christine Vergiat, Ángela Vallina, Marie‑Pierre Vieu, Luke Ming Flanagan, Patrick Le Hyaric, Merja Kyllönen, Miguel Urbán Crespo, Tania González Peñas, Lola Sánchez Caldentey, Xabier Benito Ziluaga, Dimitrios Papadimoulis, Stelios Kouloglou namens de GUE/NGL-Fractie
Ignazio Corrao, Fabio Massimo Castaldo, Rosa D’Amato namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over verdedigers van vrouwenrechten in Saudi-Arabië  (2019/2564(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Saudi-Arabië, met name zijn resolutie van 11 maart 2014 over Saudi-Arabië, de betrekkingen tussen Saudi-Arabië en de Europese Unie en de rol van Saudi-Arabië in het Midden-Oosten en Noord-Afrika(1), zijn resolutie van 12 februari 2015 over Raif Badawi in Saudi-Arabië(2), zijn resolutie van 8 oktober 2015 over Ali Mohammed al-Nimr(3), zijn resolutie van 31 mei 2018 over de situatie van voorvechters van vrouwenrechten in Saudi-Arabië(4), en zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de moord op journalist Jamal Khashoggi in het Saudische consulaat in Istanbul(5),

–  gezien de verklaringen van 29 mei 2018 van de woordvoerder voor de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over recente arrestaties in Saudi-Arabië, en van 31 juli 2018 over de willekeurige detentie van mensenrechtenverdedigers en -activisten in Saudi-Arabië, waaronder vrouwenrechtenactivisten,

–  gezien de verklaring van 12 oktober 2018 van meerdere speciaal rapporteurs van de VN waarin wordt aangedrongen op onmiddellijke vrijlating van alle vrouwenrechtenverdedigers,

–  gezien het rapport van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (OHCHR) van december 2017:

–  gezien het lidmaatschap van Saudi-Arabië van de VN-Mensenrechtenraad en de VN‑Commissie betreffende de status van vrouwen, alsook het lidmaatschap van het land van de Uitvoerende Raad van de VN-Commissie betreffende de status van vrouwen, dat in januari 2019 is begonnen,

–  gezien de toespraak van Europees commissaris Christos Stylianides, namens de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), tijdens het debat in het Europees Parlement op 4 juli 2017 over de verkiezing van Saudi-Arabië tot lid van de VN‑Commissie betreffende de status van vrouwen,

–  gezien de openingstoespraak van de VV/HV op de vijfde ministerbijeenkomst van de EU en de Arabische Liga, waarin zij zei: "en ik zou willen zeggen dat samenwerking tussen Europa en de Arabische wereld nog nooit zo belangrijk en, naar mijn mening, zo noodzakelijk is geweest",

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien de slotopmerkingen van 9 maart 2018 van het Comité voor de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen over het gecombineerde derde en vierde periodieke rapport over Saudi-Arabië,

–  gezien het verslag van het panel voor de beoordeling van de detentie van vrouwelijke activisten in Saudi-Arabië (Detention Review Panel into Women Activist Detainees in Saudi Arabia),

–  gezien de door de Saudische Shura-raad op 28 mei 2018 goedgekeurde wet tegen intimidatie,

–  gezien de universele periodieke evaluatie van Saudi-Arabië van november 2018,

–  gezien de wereldindex voor persvrijheid 2018 van Verslaggevers zonder grenzen, waar Saudi-Arabië op plaats 169 van 180 landen staat,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) van 1966,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR) van 1966,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte en van meningsuiting aan de Saudische blogger Raif Badawi in 2015,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de activisten die door de Saudische autoriteiten zijn gearresteerd wegens hun vrouwenrechtenactivisme nog steeds zonder aanklacht worden vastgehouden; overwegende dat het bij deze activisten gaat om Loujain al-Hathloul, Aziza al-Yousef, Eman al-Nafjan, Nouf Abdulaziz, Mayaa al-Zahrani, Samar Badawi, Nassima al-Sada, Shadan al-Anezi, Abir Namankani, Amal al-Harbi en Hatoon al-Fassi, allen vrouwenrechtenactivisten, alsmede om mannelijke aanhangers van de beweging, waaronder Mohammed al-Rabea; overwegende dat deze activisten bekend zijn vanwege hun campagne tegen het verbod voor vrouwen om een auto te besturen en voor de afschaffing van het systeem van mannelijke voogdij; overwegende dat zij gearresteerd zijn voorafgaand aan de verwachte opheffing van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen op 24 juni 2018; overwegende dat sommigen van hen naar verluidt zullen worden berecht door het gespecialiseerde strafhof dat oorspronkelijk was ingesteld voor de berechting van personen die gevangen gezet zijn in verband met terroristische daden;

B.  overwegende dat mensenrechtenverdediger Israa al-Ghomgham, afkomstig uit de regio Qatif, nog steeds onderworpen is aan willekeurige detentie; overwegende dat de doodstraf die tegen haar was uitgesproken, onlangs is ingetrokken, maar dat er nog steeds een niet nader omschreven aanklacht tegen haar loopt; overwegende dat er bezorgdheid heerst omtrent het lichamelijke en geestelijke welzijn van Israa al-Ghomgham;

C.  overwegende dat Saudische ondervragers naar verluidt minstens drie van de vrouwelijke activisten die in mei 2018 werden vastgehouden, hebben gemarteld, mishandeld en seksueel misbruikt; overwegende dat voor familieleden van de vrouwelijke activisten, zoals de ouders van Loujain al-Hathloul, een reisverbod geldt;

D.  overwegende dat het Saudische ministerie van mediazaken de beschuldigingen van foltering van gevangenen in het koninkrijk als ongegrond heeft afgedaan;

E.  overwegende dat activiste Loujain al-Hathloul sinds maart 2018 wordt vastgehouden nadat zij een evaluatiebijeenkomst over Saudi-Arabië in het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen had bijgewoond; overwegende dat zij tussen mei en september 2018 in een isolatiecel werd geplaatst, en dat zij volgens haar ouders in die periode werd gefolterd;

F.  overwegende dat een delegatie van de Saudische mensenrechtencommissie een bezoek bracht aan Loujain al-Hathloul nadat de berichten over haar foltering publiek waren gemaakt; overwegende dat de delegatie niet kon garanderen dat zij beschermd zou worden; overwegende dat een openbaar aanklager haar vervolgens opzocht om haar verklaring op te nemen;

G.  overwegende dat Loujain al-Hathloul is voorgedragen voor de Nobelprijs voor de vrede 2019;

H.  overwegende dat Saudi-Arabië tot de landen behoort waar voor vrouwen de zwaarste beperkingen gelden, ondanks recente regeringshervormingen gericht op het vergroten van de rechten van vrouwen op het gebied van werk; overwegende dat het Saudische politieke en sociale systeem onveranderd discriminerend is, vrouwen in de praktijk tot tweederangsburgers maakt, geen vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging kent, de talrijke buitenlandse werknemers in het land sterk discrimineert, en elke tegengeluid hard aanpakt;

I.  overwegende dat Saudi-Arabië een waaier aan discriminerende wetten kent, met name de wettelijke bepalingen in verband met de persoonlijke status, de situatie van vrouwelijke arbeidsmigranten, het wetboek op de burgerlijke staat, de arbeidswetgeving, de nationaliteitswet en het systeem van mannelijke voogdij, dat de uitoefening door vrouwen van de meeste van hun rechten uit hoofde van het CEDAW afhankelijk stelt van de toestemming door een mannelijke voogd;

J.  overwegende dat Saudische vrouwen onder het systeem van mannelijke voogdij niet de geringste controle over hun leven hebben; overwegende dat er nog altijd discriminerende wetten inzake huwelijk en echtscheiding gelden en dat vrouwen bij de wet verplicht zijn om een mannelijke voogd om toestemming te vragen om hoger onderwijs te volgen of werk te zoeken, en om te reizen of te trouwen; overwegende dat Saudische vrouwen met een buitenlandse echtgenoot, anders dan hun mannelijke tegenhangers, hun nationaliteit niet aan hun kinderen of echtgenoten kunnen doorgeven;

K.  overwegende dat het voorbehoud van Saudi-Arabië op het CEDAW volgens het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen onverenigbaar is met het doel en de strekking van het verdrag, en ontoelaatbaar op basis van artikel 28 van dat verdrag;

L.  overwegende dat sinds kroonprins Mohammed bin Salman Al Saud in juni 2017 aan de macht kwam, veel voor hun mening uitkomende mensenrechtenverdedigers, activisten en critici willekeurig zijn vastgehouden of ten onrechte veroordeeld tot lange gevangenisstraffen, eenvoudigweg omdat zij gebruik maakten van hun recht op vrijheid van meningsuiting;

M.  overwegende dat de hervormingsagenda Vision 2030, gericht op een economische en sociale transformatie van het land onder meer op basis van empowerment van vrouwen, een daadwerkelijke kans voor Saudische vrouwen had moeten zijn voor hun wettelijke emancipatie, hetgeen absoluut noodzakelijk is om hen in staat te stellen hun rechten uit hoofde van het CEDAW ten volle uit te oefenen; overwegende dat de recente golf van arrestaties en vermoedelijke foltering van vrouwenrechtenactivisten haaks op dit doel lijkt te staan en de hervormingsagenda in gevaar zou kunnen brengen; overwegende dat het Vision 2030-decreet een echt wettelijk kader ontbeert;

N.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de pers- en de mediavrijheid, zowel online als offline, cruciale voorwaarden en katalysatoren voor democratisering en hervorming zijn, evenals essentiële aspecten van de controle op de macht;

O.  overwegende dat Saudi-Arabië een van de hoogste executiecijfers ter wereld heeft; overwegende dat het aantal executies per jaar tussen 2014 en 2017 gemiddeld minstens 126 bedroeg; overwegende dat de autoriteiten de doodstraf opleggen voor niet-gewelddadige misdrijven, zoals drugssmokkel, hoogverraad en overspel; overwegende dat misdrijven als afvalligheid, die volgens de internationale mensenrechtenwetgeving niet als misdrijf zouden mogen worden beschouwd, eveneens hebben geleid tot het opleggen van de doodstraf;

P.  overwegende dat Saudi-Arabië een score van 0,853 op de menselijke ontwikkelingsindex 2018 van de VN heeft, waarmee het land op plaats 39 van in totaal 188 landen en gebiedsdelen staat; overwegende dat Saudi-Arabië een score van 0,234 op de genderongelijkheidsindex 2017 van de VN heeft, waarmee het op plaats 39 van in totaal 189 landen staat; overwegende dat het land een score van 0,877 op de genderontwikkelingsindex van de VN heeft (en daarmee op plaats 39 in de wereld staat);

1.  veroordeelt ten strengste de detentie van de vrouwelijke mensenrechtenactivisten die zich hebben ingezet voor de opheffing van het verbod op het besturen van een auto, en van alle vreedzame mensenrechtenverdedigers, journalisten, advocaten en activisten, en toont zich geschokt over de geloofwaardige berichten over systematische foltering van een aantal van hen, waaronder Loujain al-Hathloul;

2.  roept de Saudische autoriteiten op deze vrouwelijke mensenrechtenverdedigers en alle mensenrechtenverdedigers, advocaten, journalisten en andere gewetensgevangenen die uitsluitend worden vastgehouden en veroordeeld omdat zij gebruik maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en zich op vreedzame wijze inzetten voor de mensenrechten, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en onafhankelijke internationale waarnemers toe te staan om gedetineerde vrouwelijke mensenrechtenverdedigers te bezoeken;

3.  dringt er bij de Saudische autoriteiten op aan de toegang van onafhankelijke medici tot de gedetineerden te faciliteren; beklemtoont dat alle gevangenen, waaronder mensenrechtenactivisten, behandeld moeten worden in overeenstemming met de voorwaarden als bedoeld in de "Body of Principles for the Protection of All Persons under Any Form of Detention or Imprisonment", neergelegd in Resolutie 43/173 van de VN-Veiligheidsraad van 9 december 1988;

4.  dringt erop aan dat onder deze onafhankelijke waarnemers ook waarnemers uit de EU‑delegatie voor Saudi-Arabië of uit de EU-instellingen zouden moeten zijn, evenals VN-mandaathouders voor de mensenrechten, zoals de speciale VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, of internationale ngo's;

5.  dringt erop aan dat de Saudische autoriteiten een einde maken aan alle vormen van intimidatie, ook op gerechtelijk niveau, van Loujain al-Hathloul, Aziza al-Yousef, Eman al-Nafjan, Nouf Abdulaziz, Mayaa al-Zahrani, Samar Badawi, Nassima al-Sada, Shadan al-Anezi, Abir Namankani, Amal al-Harbi, Hatoon al-Fassi, Israa Al-Ghomgham, Mohammed al-Rabea en alle overige mensenrechtenverdedigers in het land, zodat zij hun werk kunnen uitvoeren zonder dat zij onnodig worden gehinderd of bang moeten zijn voor represailles jegens henzelf of hun familie;

6.  veroordeelt de voortdurende repressie tegen en foltering van mensenrechtenvoorvechters, waaronder vrouwenrechtenverdedigers, in Saudi-Arabië, die de geloofwaardigheid van het hervormingsproces in het land ondermijnen; veroordeelt de voortdurende en stelselmatige discriminatie van vrouwen en meisjes in Saudi-Arabië;

7.  dringt er bij Saudi-Arabië op aan de veiligheid van alle gedetineerde activisten publiekelijk te garanderen, de gedetineerde vrouwen toegang tot advocaten en familieleden te verlenen, bewijs te verstrekken van hun welzijn, en degenen die gevangen worden gehouden alleen omdat zij op vreedzame wijze pleiten voor hervormingen, vrij te laten;

8.  prijst en steunt de Saudische vrouwenrechtenverdedigers die streven naar gelijke en eerlijke behandeling in hun samenleving, alsmede diegenen die de mensenrechten verdedigen ondanks de moeilijkheden die hen dat oplevert;

9.  maakt zich ernstige zorgen over het op gender gebaseerde geweld in Saudi-Arabië, waarover bijna niet wordt bericht en nauwelijks documentatie bestaat, en dat wordt gerechtvaardigd onder verwijzing naar achterhaalde redenen zoals de noodzaak om vrouwen te disciplineren onder de voogdij van een man; dringt er bij de Saudische autoriteiten op aan alomvattende wetgeving vast te stellen voor het specifiek definiëren en strafbaar stellen van alle vormen van op gender gebaseerd geweld tegen vrouwen, met name genitale verminking van vrouwen, verkrachting, waaronder binnen het huwelijk, seksueel geweld en seksuele intimidatie, en alle obstakels voor de toegang van vrouwen tot de rechter weg te nemen; spreekt zijn grote verontrusting uit over de berichten dat de praktijk van kinderhuwelijken veelvuldig voorkomt;

10.  betreurt het bestaan van het systeem van mannelijke voogdij, waarbij op een aantal gebieden nog altijd de toestemming van een mannelijke voogd vereist is, waaronder voor buitenlandse reizen, toegang tot gezondheidszorgdiensten, het kiezen van een woonplaats, trouwen, het indienen van een klacht bij justitie, en het verlaten van staatsopvanghuizen voor mishandelde vrouwen en detentiecentra; beklemtoont dat dit systeem een afspiegeling vormt van het diepgewortelde patriarchale systeem dat het land in zijn greep heeft; dringt er bij de Saudische regering op aan het systeem van mannelijke voogdij onverwijld af te schaffen en andere wetten die vrouwen en meisjes discrimineren, in te trekken;

11.  neemt kennis van de recente goedkeuring van een wet die toestaat om Saudische vrouwen per sms te laten weten dat hun man van hen gaat scheiden, om hen ertegen te beschermen dat hun huwelijk eindigt zonder dat zij hiervan op de hoogte zijn; benadrukt dat deze wet niets doet tegen het feit dat Saudische vrouwen alleen in een zeer beperkt aantal gevallen kunnen scheiden, bijvoorbeeld met instemming van hun echtgenoot of indien hun echtgenoot hen kwaad heeft gedaan;

12.  spreekt zijn verontrusting uit over de webdiensten van de overheid waarmee mannelijke voogden vrouwen kunnen opsporen, kunnen zien wanneer en hoe zij de grenzen van Saudi-Arabië passeren, en real-time sms-updates tijdens hun reis kunnen verkrijgen;

13.  verwelkomt de opheffing, in het kader van de Vision 2030-agenda, van het verbod voor vrouwen om een auto te besturen in het koninkrijk;

14.  verzoekt de Saudische autoriteiten de wet op verenigingen en stichtingen van december 2015 te herzien om vrouwelijke activisten in staat te stellen zich aaneen te sluiten en vrij en onafhankelijk te werken, zonder ongerechtvaardigde bemoeienis door de autoriteiten; dringt voorts aan op herziening van de wet tegen terrorisme, de wet tegen cybercriminaliteit en de wet op de pers en publicaties, die herhaaldelijk gebruikt worden om mensenrechtenverdedigers te vervolgen, evenals van alle discriminerende bepalingen in het rechtsstelsel, waaronder op gebieden als het erfrecht;

15.  verzoekt de Saudische autoriteiten de ICCPR te ratificeren, de bij het CEDAW aangetekende bezwaren te laten vallen en het optionele protocol bij het CEDAW te ratificeren, zodat Saudische vrouwen de in het verdrag neergelegde rechten ten volle kunnen gebruiken, en een einde te maken aan kinderhuwelijken, gedwongen huwelijken en de verplichte kledingvoorschriften voor vrouwen; verzoekt Saudi-Arabië met klem een vaste uitnodiging te verstrekken aan alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad om het land te bezoeken;

16.  benadrukt dat de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van vreedzame vereniging en vergadering beschermd wordt door de internationale mensenrechtenwetgeving; dringt er bij de Saudische autoriteiten op aan een onafhankelijke pers en onafhankelijke media toe te staan en de vrijheid van meningsuiting online en offline, evenals de vrijheid van vereniging en de vrijheid van vreedzame vergadering voor alle inwoners van Saudi-Arabië te waarborgen; verzoekt de Saudische autoriteiten met klem de beperkingen voor mensenrechtenactivisten om zich in de sociale media en de internationale pers uit te spreken, op te heffen;

17.  verzoekt de Saudische autoriteiten onmiddellijk een moratorium in te stellen op het gebruik van de doodstraf, en dit te beschouwen als een stap in de richting van volledige afschaffing ervan; dringt erop aan alle terdoodveroordelingen te herzien, om te waarborgen dat de internationale normen bij de daaraan voorafgaande processen in acht zijn genomen;

18.  beveelt aan nog voor het einde van het huidige mandaat een ad-hocdelegatie van de Subcommissie mensenrechten (DROI) en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (FEMM) naar Saudi-Arabië te sturen om een bezoek te brengen aan de gedetineerde vrouwen en de nodige bijeenkomsten met de Saudische autoriteiten te houden;

19.  neemt kennis van het engagement tussen de EU en Saudi-Arabië en moedigt een verdere dialoog aan;

20.  betreurt de inefficiënte verklaringen die door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten zijn afgegeven over de gevallen van de vrouwenrechtenverdedigers die sinds mei 2018 gevangen worden gehouden;

21.  roept de VV/HV, de EDEO en de lidstaten op het geval van Loujain al-Hathloul, Eman al-Nafjan, Aziza al-Yousef, Samar Badawi, Nassima al-Sada en alle overige vrouwenrechtenverdedigers aan de orde te stellen in hun dialoog met de Saudische autoriteiten, en aan te dringen op hun vrijlating; dringt erop aan dat er, in afwachting van hun vrijlating, door EU-diplomaten bij de Saudische autoriteiten wordt aangedrongen op waarborging van hun veiligheid en op grondig onderzoek naar de berichten over foltering;

22.  spoort de Commissie en het Parlement aan onderzoek te verrichten naar het ontbreken van vermeldingen van Saudi-Arabië in het EU-transparantieregister;

23.  roept de VV/HV, de EDEO en de lidstaten op het geval van Israa al-Ghomgham, haar echtgenoot Mousa al-Hashim, en hun vier medebeschuldigden Ahmed al-Matrood, Ali Ouwaisher, Khalid al-Ghanim en Mujtaba al-Muzain aan de orde te stellen in hun dialoog met de Saudische autoriteiten, en aan te dringen op hun vrijlating; dringt er verder op aan het geval van Sheikh Salman al-Awda aan de orde te stellen en aan te dringen op zijn vrijlating;

24.  roept de VV/HV, de EDEO en de lidstaten op een eensluidend standpunt in te nemen om ervoor te zorgen dat de Europese diplomatieke diensten in Saudi-Arabië systematisch gebruik maken van de mechanismen als bedoeld in de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, waaronder publieke verklaringen, diplomatieke stappen, monitoring van rechtszaken en bezoeken aan gevangenissen, waar het gaat om de Saudische vrouwenrechtenverdedigers die sinds mei 2018 worden vastgehouden;

25.  dringt aan op indiening van een resolutie van het Europees Parlement over de situatie van mensenrechtenactivisten in Saudi-Arabië tijdens de volgende sessie van de VN‑Mensenrechtenraad; verzoekt de EU tijdens de volgende bijeenkomst van de VN‑Mensenrechtenraad en de Commissie betreffende de status van vrouwen de kwestie van het lidmaatschap van landen met een twijfelachtige reputatie op het gebied van de mensenrechten, waaronder wat betreft de eerbiediging van vrouwenrechten en gendergelijkheid, aan de orde te stellen; verzoekt de EU in de VN-Mensenrechtenraad voor te stellen een speciaal rapporteur voor de mensenrechten in Saudi-Arabië te benoemen;

26.  roept de Saudische autoriteiten eens te meer op een einde te maken aan verdere geseling van Raif Badawi en hem onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; dringt erop aan dat alle hoge vertegenwoordigers van de EU, met name de VV/HV en alle commissarissen het geval van Raif Badawi systematisch aan de orde stellen in hun contacten met hun Saudische tegenhangers, en vragen hem te mogen ontmoeten tijdens hun bezoeken aan het land; zegt toe zijn inspanningen ten behoeve van zijn vrijlating te zullen opvoeren; verzoekt zijn Voorzitter naar Riyad te reizen om de kwestie van de winnaars van de Sacharovprijs rechtstreeks met de autoriteiten te bespreken;

27.  verzoekt de VV/HV, de EDEO en de lidstaten te zorgen voor volledige uitvoering van de EU-richtsnoeren met betrekking tot mensenrechtenverdedigers, en de bescherming en ondersteuning van deze groep, en met name van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers, uit te breiden; vraagt de VV/HV verslag uit te brengen over de huidige stand van de samenwerking op militair en veiligheidsgebied tussen de lidstaten en de Saudische regering;

28.  roept de Raad er andermaal toe op een gemeenschappelijk standpunt in te nemen met het oog op de instelling van een EU-embargo op de uitvoer van wapens naar Saudi-Arabië, en zich te houden aan Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB(6); dringt aan op een embargo op de uitvoer van surveillancesystemen en andere goederen voor tweeledig gebruik die in Saudi-Arabië kunnen worden gebruikt voor de onderdrukking van de burgers van het land, waaronder vrouwelijke mensenrechtenverdedigers; is ernstig verontrust over het gebruik van deze wapens en van technologie voor cybersurveillance door de Saudische autoriteiten; herinnert de lidstaten eraan dat hun aanhoudende wapenhandel met Saudi-Arabië in strijd is met het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake de uitvoer van wapens; dringt er bij de EDEO op aan voorstellen te doen over het gebruik van beperkte maatregelen tegen Saudi-Arabië in antwoord op schendingen van de mensenrechten, inclusief bevriezing van tegoeden en visumverboden, en bij de Raad om zulks goed te keuren;

29.  verzoekt de VV/HV, de EDEO en de lidstaten door te gaan met het voeren van een dialoog met Saudi-Arabië over mensenrechten, fundamentele vrijheden en de verontrustende rol van het land in de regio; spreekt zijn bereidheid uit tot het voeren van een constructieve en open dialoog met de Saudische autoriteiten, inclusief parlementsleden, over de implementatie van hun internationale mensenrechtenverplichtingen; dringt aan op een uitwisseling van expertise over juridische en wettelijke kwesties, gericht op het versterken van de bescherming van de rechten van het individu in Saudi-Arabië;

30.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de secretaris-generaal van de VN, de hoge commissaris van de VN voor mensenrechten, de Commissie betreffende de status van vrouwen, de VN-Mensenrechtenraad, Zijne Koninklijke Hoogheid koning Salman bin Abdulaziz Al Saud en kroonprins Mohammad bin Salman Al Saud, de regering van het Koninkrijk Saudi-Arabië, en de secretaris-generaal van het Centrum voor nationale dialoog van het Koninkrijk Saudi‑Arabië.

 

 

(1)

PB C 378 van 9.11.2017, blz. 64.

(2)

PB C 310 van 25.8.2016, blz. 29.

(3)

PB C 349 van 17.10.2017, blz. 34.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA (2018)0232.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0434.

(6)

Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2019Juridische mededeling