Procedure : 2019/2800(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0040/2019

Ingediende teksten :

RC-B9-0040/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 19/09/2019 - 7.4

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0020

<Date>{17/09/2019}17.9.2019</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9‑0040/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0041/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0042/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0043/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0044/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0047/2019</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 148kWORD 47k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9‑0040/2019 (PPE)

B9‑0041/2019 (Verts/ALE)

B9‑0042/2019 (GUE/NGL)

B9‑0043/2019 (ECR)

B9‑0044/2019 (S&D)

B9‑0047/2019 (Renew)</TablingGroups>


<Titre>over de octrooieerbaarheid van planten en werkwijzen van wezenlijk biologische aard</Titre>

<DocRef>(2019/2800(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Annie Schreijer‑Pierik, Herbert Dorfmann</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Paolo De Castro</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Jan Huitema</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

<Depute>Martin Häusling</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Anthea McIntyre, Bert‑Jan Ruissen, Veronika Vrecionová, Nicola Procaccini, Mazaly Aguilar</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

<Depute>Martin Buschmann, Luke Ming Flanagan, Stelios Kouloglou, Petros Kokkalis, Marisa Matias, Manuel Bompard</Depute>

<Commission>{GUE/NGL}namens de GUE/NGL-Fractie</Commission>

<Depute>Dino Giarrusso, Daniela Rondinelli</Depute>

</RepeatBlock-By>


Resolutie van het Europees Parlement over de octrooieerbaarheid van planten en werkwijzen van wezenlijk biologische aard

(2019/2800(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn resolutie van 10 mei 2012 over de octrooiering van werkwijzen van wezenlijk biologische aard[1],

 gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over octrooien en kwekersrechten[2],

 gezien Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen[3], en met name artikel 4, waarin wordt bepaald dat producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard niet octrooieerbaar zijn,

 gezien het Europees Octrooiverdrag (EOV) van 5 oktober 1973, en met name artikel 53, onder b),

 gezien het uitvoeringsreglement bij het EOV, en met name artikel 26, waarin wordt bepaald dat Richtlijn 98/44/EG een aanvullend middel voor uitleg vormt bij Europese octrooiaanvragen en octrooien met betrekking tot biotechnologische uitvindingen,

 gezien de mededeling van de Commissie van 8 november 2016 inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen[4],

 gezien de conclusies van de Raad van 1 maart 2017 over de mededeling van de Commissie inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen[5],

 gezien het besluit van 29 juni 2017 van de raad van bestuur van de Europese Octrooiorganisatie tot wijziging van de artikelen 27 en 28 van het uitvoeringsreglement bij het EOV (CA/D 6/17)[6],

 gezien de verwijzing door de president van het EOB van meerdere vragen met betrekking tot besluit T 1063/18 van de technische kamer van beroep 3.3.04 van het Europees Octrooibureau (EOB) van 5 december 2018 naar de Grote Kamer van beroep van het EOB[7],

 gezien Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht[8], met name artikel 15, onder c), dat de uitzondering voor kwekers bevat,

 gezien de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, met inbegrip van de handel in namaakproducten (TRIPS-Overeenkomst), en met name artikel 27, lid 3,

 gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de onbelemmerde toegankelijkheid van plantaardig materiaal, met inbegrip van plantenkenmerken, absoluut van essentieel belang is voor de innovatieve kracht en het concurrentievermogen van de Europese veredelings- en landbouwsector, alsook voor de ontwikkeling van nieuwe plantenrassen om de mondiale voedselzekerheid te waarborgen, de klimaatverandering tegen te gaan en monopolies binnen de veredelingssector te voorkomen, en tegelijkertijd kmo’s en landbouwers meer kansen te bieden;

B. overwegende dat elke beperking van de toegang tot genetische rijkdommen, evenals elke poging tot beperking ervan, tot een buitensporige marktconcentratie kan leiden op het gebied van gewasveredeling, ten koste van de marktconcurrentie, de consument, de Europese interne markt en de voedselzekerheid;

C. overwegende dat octrooien op producten die zijn verkregen door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard of op genetisch materiaal dat noodzakelijk is voor conventionele voortbrenging, afbreuk doen aan de uitzondering die is opgenomen in artikel 53, onder b), van het EOV, en in artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG;

D. overwegende dat producten die voortkomen uit werkwijzen van wezenlijk biologische aard, zoals planten, zaden en inheemse plantenkenmerken en genen, niet octrooieerbaar mogen zijn;

E. overwegende dat gewasveredeling en dierfokkerij processen zijn die door landbouwers en landbouwgemeenschappen sinds het ontstaan van de landbouw worden toegepast en dat onbeperkt gebruik van rassen en teeltwijzen belangrijk is voor de genetische diversiteit;

F. overwegende dat Richtlijn 98/44/EG wetsvoorschriften voor biotechnologische uitvindingen en in het bijzonder gentechnologie bevat;

G. overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 8 november 2016 heeft geconcludeerd dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was van de Uniewetgever om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid;

H. overwegende dat de Raad zich in zijn conclusies van 3 februari 2017 ingenomen toont met de mededeling van de Commissie; overwegende dat alle Uniewetgevers expliciet hebben aangegeven dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid;

I. overwegende dat de raad van bestuur van de Europese Octrooiorganisatie op 29 juni 2017 de artikelen 27 en 28 van het uitvoeringsreglement bij het EOV[9] heeft gewijzigd en heeft vastgesteld dat octrooien op gewassen en dieren die het product zijn van werkwijzen van wezenlijk biologische aard verboden zijn;

J. overwegende dat de 38 landen die partij zijn bij het EOV hebben bevestigd dat hun nationale wetgeving en praktijk zodanig worden afgestemd dat producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard daadwerkelijk worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;

K. overwegende dat de landen die partij zijn bij het EOV hun zorgen hebben geuit over de rechtsonzekerheid die wordt veroorzaakt door besluit T 1063/18[10] van de technische kamer van beroep 3.3.04 van 5 december 2018;

L. overwegende dat dit besluit door de president van het EOB tijdens de 159e vergadering van de raad van bestuur in maart 2019 is verwezen naar de Grote Kamer van beroep van het EOB;

M. overwegende dat het EOB nog geen besluit heeft genomen over vele aanvragen met betrekking tot producten die zijn verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard, waardoor de aanvragers, evenals degenen voor wie deze octrooien gevolgen hebben, dringende behoefte hebben aan rechtszekerheid inzake de geldigheid van artikel 28, lid 2;

N. overwegende dat zowel het internationale stelsel voor kwekersrecht, dat gebaseerd is op het UPOV-verdrag uit 1991, als het EU-stelsel, dat gebaseerd is op Verordening (EG) 2100/94 van de Raad, als grondbeginsel hebben dat een houder van een kweekproduct anderen er niet van mag weerhouden het beschermde product voor verdere kweekactiviteiten te gebruiken;

1. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het besluit van de technische kamer van beroep 3.3.04 van het EOB van 5 december 2018 (T 1063/18), waardoor een situatie van rechtsonzekerheid is ontstaan;

2. herhaalt dat planten- en dierenrassen, waaronder delen en eigenschappen, werkwijzen van wezenlijk biologische aard en via deze werkwijzen verkregen producten overeenkomstig Richtlijn 98/44/EG en de bedoeling van de Uniewetgever op geen enkele wijze octrooieerbaar mogen zijn;

3. is van oordeel dat de interne besluitvormingsregels van het EOB niet mogen indruisen tegen de democratische politieke controle van het Europees octrooirecht, de uitlegging van dat recht en de bedoeling van de wetgever, die verduidelijkt wordt in de mededeling van de Commissie van 8 november 2016 inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen;

4. is van mening dat elke poging om producten te octrooieren die op conventionele wijze zijn voortgebracht, waaronder via kruising en selectie, of op genetisch materiaal dat noodzakelijk is voor conventionele voortbrenging, afbreuk doet aan de uitzondering van artikel 53, onder b), van het Europees Octrooiverdrag en van artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG;

5. verzoekt de Commissie en de lidstaten alles te doen wat in hun vermogen ligt om juridische duidelijkheid te verkrijgen met betrekking tot het verbod op de octrooieerbaarheid door het EOB van producten die zijn verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard;

6. is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 8 november 2016, waarin wordt verduidelijkt dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was van de Uniewetgever om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid; is verheugd dat de landen die partij zijn bij het EOV hun wetgeving en praktijk afstemmen, en is ingenomen met het besluit van de raad van bestuur van de Europese Octrooiorganisatie om het toepassingsgebied en de betekenis van artikel 53, onder b), van het EOV te verduidelijken voor wat betreft uitzonderingen op de octrooieerbaarheid;

7. verzoekt de Commissie en de lidstaten de innovatiekracht van de Europese plantveredelings- en landbouwsector en het algemeen belang te beschermen en erop toe te zien dat de Unie de toegang tot en het gebruik van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten zal blijven waarborgen, zodat, wanneer van toepassing, de praktijken waarmee de rechten van landbouwers en de “kwekersvrijstelling” worden gewaarborgd, niet verstoord worden;

8. dringt er daarom bij de Commissie op aan om vóór 1 oktober 2019 als amicus curiae opmerkingen in te dienen bij de Grote Kamer van het EOB, ter ondersteuning van de in de mededeling van de Commissie van 2016 getrokken conclusie dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was van de Uniewetgever om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid, en om deze resolutie bij haar verklaring te voegen;

9. dringt er bij de Grote Kamer van beroep van het EOB op aan om de rechtszekerheid onverwijld te herstellen door bevestigend te antwoorden op de vragen die door de president van het EOB aan de Grote Kamer van beroep zijn voorgelegd, in het belang van kwekers, landbouwers en in het algemeen belang;

10. vraagt de Commissie om tijdens onderhandelingen over handels- en partnerschapsovereenkomsten actief samen te werken met derde landen om ervoor te zorgen dat zowel werkwijzen van wezenlijk biologische aard als via deze werkwijzen verkregen producten worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;

11. dringt er bij de Commissie op aan om er in de context van onderhandelingen over de harmonisering van het multilaterale octrooirecht naar te streven dat werkwijzen van wezenlijk biologische aard en de producten die via deze werkwijzen zijn verkregen, worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;

12. roept de Commissie op om verslag uit te brengen over de ontwikkeling en de implicaties van het octrooirecht op het gebied van de bio- en gentechnologie, conform artikel 16, onder c), van Richtlijn 98/44/EG, en conform het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 17 december 2015 over octrooien en kwekersrechten, en om kwesties die verband houden met de omvang van de bescherming van octrooien verder te analyseren;

13. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie vóór 1 oktober 2019 als schriftelijke verklaring te verzenden naar de Grote Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau, en deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

 

[1] PB C 261 E van 10.9.2013, blz. 31.

[2] PB C 399 van 24.11.2017, blz. 188.

[3] PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13.

[4] PB C 411 van 8.11.2016, blz. 3.

[5] PB C 65 van 1.3.2017, blz. 2.

[6] Publicatieblad van de Europese Octrooiorganisatie, A56 van 31.7.2017.

[7] Publicatieblad van de Europese Octrooiorganisatie, A52 van 31.5.2019.

[8] PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.

[9] Publicatieblad van de Europese Octrooiorganisatie, A56 van 31.7.2017 (CA/D 6/17).

[10] https://www.epo.org/news-issues/news/2019/20190329.html

Laatst bijgewerkt op: 18 september 2019Juridische mededeling