Procedure : 2019/2886(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0123/2019

Ingediende teksten :

RC-B9-0123/2019

Debatten :

PV 23/10/2019 - 7
CRE 23/10/2019 - 7

Stemmingen :

PV 24/10/2019 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0049

<Date>{22/10/2019}22.10.2019</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9‑0123/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0125/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0127/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0128/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0129/2019</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 174kWORD 58k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, leden 2 en 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9‑0123/2019 (Verts/ALE)

B9‑0125/2019 (Renew)

B9‑0127/2019 (PPE)

B9‑0128/2019 (GUE/NGL)

B9‑0129/2019 (S&D)</TablingGroups>


<Titre>over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan</Titre>

<DocRef>(2019/2886(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Michael Gahler, Željana Zovko, David McAllister, Sandra Kalniete, Esther de Lange, Andrzej Halicki, Paulo Rangel, Jeroen Lenaers, Vladimír Bilčík, Michal Wiezik, Peter Pollák, Ivan Štefanec</Depute>

<Commission>{PECH}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Kati Piri, Nacho Sánchez Amor, Andreas Schieder</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Malik Azmani, Hilde Vautmans, Petras Auštrevičius, Phil Bennion, Izaskun Bilbao Barandica, Sylvie Brunet, Olivier Chastel, Katalin Cseh, Anna Júlia Donáth, Engin Eroglu, Laurence Farreng, Valter Flego, Luis Garicano, Barbara Ann Gibson, Klemen Grošelj, Christophe Grudler, Bernard Guetta, Martin Hojsík, Antony Hook, Karin Karlsbro, Ondřej Kovařík, Nathalie Loiseau, Karen Melchior, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Michal Šimečka, Susana Solís Pérez, Ramona Strugariu, Marie‑Pierre Vedrenne</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew­Fractie</Commission>

<Depute>Tineke Strik, Hannah Neumann, Ernest Urtasun, Yannick Jadot, Heidi Hautala, Alice Kuhnke, Molly Scott Cato, Ellie Chowns, Damien Carême, Benoît Biteau, Petra De Sutter, Michael Bloss, Pär Holmgren, Markéta Gregorová, Caroline Roose, Erik Marquardt, François Alfonsi, David Cormand, Michèle Rivasi, Alexandra Geese, Catherine Rowett, Mounir Satouri, Jutta Paulus, Marcel Kolaja, Gwendoline Delbos‑Corfield, Niklas Nienaß, Ville Niinistö, Sergey Lagodinsky</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Nikolaj Villumsen, Özlem Demirel</Depute>

<Commission>{GUE/NGL}namens de GUE/NGL-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de Turkse militaire operaties in het noordoosten van Syrië en de gevolgen daarvan

(2019/2886(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 17 oktober 2019 over Turkije,

 gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 14 oktober 2019 over Syrië,

 gezien de relevante verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), met name haar verklaring van 9 oktober 2019 over de recente ontwikkelingen in het noordoosten van Syrië en haar opmerkingen bij aankomst op en tijdens de persconferentie na de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 14 oktober 2019,

 gezien zijn eerdere resoluties over Syrië en zijn resolutie van 14 maart 2019 over een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen[1],

 gezien de gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de commissies voor buitenlandse zaken van Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, het Europees Parlement en het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde Staten van Amerika van 18 oktober 2019,

 gezien de gezamenlijke verklaring van Turkije en de VS van 17 oktober 2019 over het noordoosten van Syrië,

 gezien de verklaringen van de woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Rupert Colville, van 11 en 15 oktober 2019 over Syrië,

 gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN van 14 oktober 2019,

 gezien het communiqué van de Arabische Liga van 12 oktober 2019 over de militaire operatie van Turkije in het noordoosten van Syrië,

 gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 14 maart 2017 over elementen voor een EU-strategie voor Syrië (JOIN(2017)0011) en de conclusies van de Raad van 3 april 2017 over een EU-strategie voor Syrië,

 gezien het Handvest van de Verenigde Naties en alle VN-verdragen waarbij Turkije en Syrië partij zijn,

 gezien de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad, met name Resolutie 2254 (2015) van 18 december 2015, en het Communiqué van Genève van 2012,

 gezien resolutie 71/248 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2016 tot instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd,

 gezien het Statuut van Rome en de oprichtingsdocumenten van het Internationaal Gerechtshof, en het precedent dat is geschapen door de oprichting van internationale tribunalen zoals het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië, het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda en het Speciale Tribunaal voor Libanon,

 gezien het memorandum over de totstandbrenging van de-escalatiegebieden in de Syrische Arabische Republiek, dat op 6 mei 2017 is ondertekend door Iran, Rusland en Turkije,

 gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

 gezien het NAVO-Verdrag van 1949,

 gezien het Verdrag inzake chemische wapens van 1993,

 gezien de conclusies van de Raad van 16 maart 2015 over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van IS/Da’esh,

 gezien zijn resolutie van 13 maart 2019 over het Commissieverslag 2018 over Turkije[2], waarin het de Commissie en de Raad aanbeveelt om in overeenstemming met het onderhandelingskader de toetredingsonderhandelingen met Turkije formeel op te schorten,

 gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat Turkije, na het besluit van de Amerikaanse president Donald Trump om de Amerikaanse troepen uit het noordoosten van Syrië terug te trekken, op 9 oktober 2019 in strijd met het internationale recht een militaire invasie (Operatie Ontluikende Vrede) is gestart in gebieden die door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) worden gecontroleerd; overwegende dat dit heeft geleid tot een groot aantal slachtoffers onder burgers en militairen aan beide zijden van de grens en, volgens VN-bronnen, de ontheemding van ten minste 300 000 burgers, waaronder 70 000 kinderen; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad tot op heden niet op de crisis heeft gereageerd, ondanks het eensgezinde standpunt van de EU;

B. overwegende dat de VS en Turkije op 18 oktober 2019 een onmiddellijk vijfdaags staakt-het-vuren hebben afgekondigd in de grensstreek van Syrië; overwegende dat dit akkoord tijdelijk is, aangezien Turkije niet heeft toegezegd zijn strijdkrachten terug te trekken uit het noordoosten van Syrië; overwegende dat het nog onduidelijk is in welke mate uitvoering wordt gegeven aan het staakt-het-vuren; overwegende dat op 22 oktober een ontmoeting tussen de presidenten Erdoğan en Poetin plaatsvond;

C. overwegende dat de Raad de Turkse operatie heeft veroordeeld en ervoor heeft gepleit een aantal eerste maatregelen te nemen met betrekking tot de wapenverkoop aan Turkije; overwegende dat een aantal EU-lidstaten de verkoop van wapens aan Turkije reeds formeel heeft opgeschort, overeenkomstig de bepalingen van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie[3];

D. overwegende dat de Raad, gezien de situatie in Syrië, een reeks beperkende maatregelen heeft genomen tegen personen die verantwoordelijk zijn voor de onderdrukking van de burgerbevolking in Syrië en personen en entiteiten die banden met hen hebben; overwegende dat de VS sancties heeft opgelegd aan Turkse ministeries en hoge regeringsfunctionarissen als reactie op het militaire offensief van het land in het noorden van Syrië;

E. overwegende dat deze eenzijdige militaire operatie van Turkije geen rechtsgrondslag heeft en het conflict in Syrië dat al acht jaar lang woedt alleen maar verergert; overwegende dat de gevolgen van de operatie de inspanningen tenietdoen van de wereldwijde coalitie tegen IS, waarin de SDF momenteel nog steeds een cruciale rol spelen door hun strijd tegen de nog actieve IS-strijders;

F. overwegende dat de EU, volgens haar officiële standpunt, blijft hechten aan de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van de Syrische staat; overwegende dat deze doelstellingen uitsluitend kunnen worden gewaarborgd door middel van een daadwerkelijke politieke transitie in overeenstemming met Resolutie 2254 van de VN‑Veiligheidsraad en het Communiqué van Genève van 2012, dat het resultaat is van onderhandelingen tussen de Syrische partijen binnen het door de VN geleide proces van Genève; overwegende dat onder auspiciën van de Verenigde Naties door de regering van de Arabische Republiek Syrië en de Syrische onderhandelingscommissie overeen is gekomen om een geloofwaardige, evenwichtige en inclusieve constitutionele commissie op te richten die een politieke oplossing voor de oorlog in Syrië moet bevorderen, en die als gevolg van het unilaterale militaire optreden van Turkije mogelijk niet bijeen kan komen;

G. overwegende dat er specifieke meldingen zijn van moorden, intimidatie, mishandeling, ontvoering, plundering en inbeslagname van huizen van burgers door gewapende groepen die Turkse steun krijgen, waarbij burgers die worden beschuldigd van banden met specifieke Koerdische groepen naar verluidt onder dwang uit hun huizen worden gezet of bij controleposten worden gearresteerd; overwegende dat er volgens de VN meldingen zijn van standrechtelijke executies door strijders van de gewapende groep Ahrar al-Sharqiya, een bondgenoot van Turkije; overwegende dat Hevrin Khalaf, een bekende Koerdische vrouwelijke politicus, naar verluidt is gefolterd en geëxecuteerd door strijders van Ahrar al-Sharqiya;

H. overwegende dat de troepen van Bashar al-Assad na de terugtrekking van de Amerikaanse troepen op 14 oktober 2019 voor het eerst in zeven jaar een aantal steden in het noordoosten van Syrië zijn binnengetrokken, nadat de Koerdische troepen hadden ingestemd met een door Rusland bemiddeld akkoord in een poging een Turkse aanval tegen te houden; overwegende dat de precieze details van het akkoord tussen Damascus en de Koerden nog niet duidelijk zijn; overwegende dat er volgens nog niet bevestigde berichten Russische troepen patrouilleren aan de frontlinies tussen de Turkse en Syrische strijdkrachten om deze uit elkaar te houden;

I. overwegende dat door Turkije gesteunde strijdkrachten naar verluidt witte fosfor bevattende munitie hebben gebruikt; overwegende dat op fotomateriaal en videobeelden uit ziekenhuizen in Tal Tamar en al-Hasakah kinderen te zien zijn met ernstige chemische brandwonden; overwegende dat Turkije deze aantijgingen heeft ontkend; overwegende dat de SDF internationale organisaties hebben opgeroepen deskundigen te sturen om de kwestie te onderzoeken; overwegende dat VN-inspecteurs voor chemische wapens hebben gemeld dat zij naar aanleiding van deze beschuldigingen zijn begonnen met het verzamelen van informatie;

J. overwegende dat de inbreuken die tijdens het conflict in Syrië gepleegd zijn door het regime van Assad en zijn bondgenoten, IS/Da’esh en andere terroristische groepen, onder andere bestonden in aanvallen met chemische wapens, aanvallen op burgers, wederrechtelijk doden, foltering en mishandeling, gedwongen verdwijningen, massale en willekeurige arrestaties, collectieve straffen, aanvallen op medisch personeel en het ontzeggen van voedsel, water en medische hulp; overwegende dat deze misdaden neerkomen op oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide en tot nu toe onbestraft zijn gebleven;

K. overwegende dat honderden vermeende Da’esh-leden, onder wie EU-burgers, en hun families naar verluidt tijdens het Turkse offensief zijn ontsnapt uit de door de SDF bewaakte gevangenissen; overwegende dat het voor de veiligheid in de regio en in de EU een belangrijke prioriteit is om te voorkomen dat deze ontsnapte gevangenen de strijd hervatten en opnieuw terreur zaaien; overwegende dat de SDF beweren zo’n 10 000 strijders van Islamitische Staat vast te houden; overwegende dat de grote meerderheid van de duizenden Europese kinderen van IS-strijders zich momenteel bevinden in drie verschillende kampen in het noordoosten van Syrië, al-Hol, al-Roj en Ain Issa, die zwaar getroffen zijn door het Turkse offensief;

L. overwegende dat het creëren van veilige zones in Syrië ernstige zorgen oproept over de veiligheid van mensen die tijdens het conflict ontheemd zijn geraakt en degenen die vanuit Turkije niet konden worden hervestigd; overwegende dat de gedwongen ontheemding van mensen, onder meer met het oog op demografische veranderingen, een duidelijke schending van het internationaal humanitair recht en een misdaad tegen de menselijkheid vormt en tot demografische en etnische veranderingen kan leiden; overwegende dat “veilige zones” in de context van militaire conflicten vaak “oorlogszones” voor burgers worden;

M. overwegende dat in diverse provincies sinds juli 2019 geloofwaardige meldingen binnenkomen van willekeurige detentie en gedwongen uitzetting door de Turkse autoriteiten van tientallen Syriërs naar het noordoosten van Syrië, hetgeen een schending vormt van de internationale verplichting van Turkije om geen mensen terug te sturen naar een plaats waar zij een reëel gevaar lopen te worden vervolgd, gefolterd, mishandeld of gedood;

N. overwegende dat de Turkse autoriteiten sinds het begin van de militaire interventie met gebruikmaking van Turkse antiterrorismewetten hard optreden tegen iedereen die kritiek uit op de militaire operatie; overwegende dat de Turkse autoriteiten een onderzoek hebben ingesteld naar meer dan 500 socialemedia-accounts, die zij ervan beschuldigen “terroristische propaganda” te verspreiden; overwegende dat volgens de Turkse minister van Binnenlandse Zaken al 121 mensen zijn gearresteerd wegens berichten op sociale media waarin ze vraagtekens zetten bij de operatie; overwegende dat sinds het begin van de operatie meer dan 150 leden van de Democratische Volkspartij (HDP) zijn gearresteerd;

O. overwegende dat de meeste internationale hulporganisaties zich om veiligheidsredenen gedwongen zagen hun werkzaamheden op te schorten en hun internationaal personeel te evacueren; overwegende dat het opwerpen van obstakels voor de veilige, onbelemmerde en aanhoudende verstrekking van humanitaire hulp, evacuatie en medische zorg tevens een schending vormt van het internationaal humanitair recht en van diverse resoluties van de VN-Veiligheidsraad; overwegende dat de VN en haar partners humanitaire hulpgoederen blijven leveren aan tienduizenden mensen die door het geweld ontheemd zijn geraakt;

P. overwegende dat het de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap en de afzonderlijke landen is om degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitaire recht tijdens het conflict in Syrië ter verantwoording te roepen, onder meer door de toepassing van het beginsel van universele jurisdictie en het nationaal recht; overwegende dat dit ofwel voor bestaande nationale en internationale rechterlijke instanties, ofwel voor nog op te richten internationale ad-hoctribunalen kan worden gedaan;

Q. overwegende dat de douane-unie tussen Turkije en de EU in 1995 in werking is getreden en sindsdien ongewijzigd is gebleven; overwegende dat de bilaterale handel als gevolg hiervan meer dan verviervoudigd is; overwegende dat Turkije in 2018 de op vier na grootste handelspartner van de EU was, terwijl de EU voor Turkije veruit de belangrijkste handelspartner vormt en de grootste bron van buitenlandse directe investeringen (BDI’s); overwegende dat het initiatief om de douane-unie te moderniseren in 2018 door de EU werd opgeschort vanwege de zorgwekkende politieke ontwikkelingen in Turkije;

R. overwegende dat Turkije nog altijd een belangrijke partner van de EU en NAVO-lid is, en een belangrijke rol speelt in de Syrische crisis en de regio; overwegende dat in artikel 1 van het NAVO-Verdrag is vastgelegd dat de partijen bij dit Verdrag zich ertoe verbinden om alle internationale geschillen waarin zij mochten worden gewikkeld met vreedzame middelen te beslechten op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties;

1. veroordeelt krachtig de eenzijdige Turkse militaire interventie in het noordoosten van Syrië, die een ernstige schending vormt van het internationaal recht, de stabiliteit en veiligheid van de gehele regio ondermijnt, nog meer leed veroorzaakt voor mensen die reeds door de oorlog zijn getroffen, leidt tot massale ontheemding van burgers en kan bijdragen tot een heropleving van Da’esh, hetgeen een veiligheidsdreiging blijft voor Syrië, Turkije, de ruimere regio, de EU en de wereld, en de toegang tot humanitaire hulp belemmert;

2. roept Turkije op onmiddellijk en definitief een einde te maken aan zijn militaire operatie in het noordoosten van Syrië en al zijn troepen uit Syrië terug te trekken; onderstreept dat de militaire interventie van Turkije geen oplossing biedt voor de onderliggende veiligheidszorgen van het land; dringt aan op volledige eerbiediging van het humanitaire recht, met inbegrip van de bescherming van burgers, en op ongehinderde toegang voor lokale en internationale humanitaire organisaties;

3. verklaart zich solidair met het Koerdische volk en alle andere inwoners van de regio; wijst op de cruciale bijdrage die de SDF, en met name vrouwen, hebben geleverd als bondgenoot in de strijd tegen Da’esh en de bevestiging van het belang van vrijheid en burgerrechten in de ontwikkeling van het sociale, politieke en culturele leven in de overwegend Koerdische regio van Syrië;

4. verzoekt de VV/HV het standpunt van de EU aan de Turkse autoriteiten mee te delen en de basis te leggen voor een krachtige en alomvattende reactie van de EU op deze crisis; dringt er bij de VV/HV op aan een dialoog aan te gaan met de Turkse autoriteiten om te zorgen voor een snelle de‑escalatie van de situatie en het vinden van een duurzame oplossing voor de crisis; benadrukt dat de EU zich, in samenwerking met haar internationale partners in het kader van de VN, op alle mogelijke opties moet beraden;

5. neemt kennis van het akkoord tussen de VS en Turkije van 17 oktober over een tijdelijk staakt-het-vuren; uit echter zijn bezorgdheid over het feit dat de bepalingen ervan de Turkse bezetting van de “veilige zone” in het noordoosten van Syrië rechtvaardigen; spreekt bovendien de ernstige zorg uit dat het akkoord niet alleen voorziet in de ontheemding van de lokale bevolkingsgroepen zoals Koerden, jezidi’s en Assyriërs, alsook van Turkmeense, Armenische, Arabische en andere minderheden, maar ook in hun hervestiging in overwegend Arabische gebieden, hetgeen zou leiden tot nieuwe spanningen en de veiligheid van de burgerbevolking in gevaar zou brengen;

6. benadrukt nogmaals dat er een algehele politieke oplossing voor het Syrische conflict moet worden gevonden, op basis van de erkenning van de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van de Syrische staat, met volledige eerbiediging van de rechten van alle etnische en religieuze groepen die deel uitmaken van de Syrische samenleving, binnen het kader van Resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad en het communiqué van Genève van 2012, waarover door de Syrische partijen werd onderhandeld in het kader van het door de VN geleide proces van Genève en dat de basis vormt voor een daadwerkelijke politieke transitie;

7. is in dit verband ingenomen met de oprichting van de constitutionele commissie en de inspanningen van Geir O. Pedersen, de speciale gezant van de secretaris-generaal van de VN voor Syrië, die een geloofwaardige, evenwichtige en inclusieve basis zouden moeten bieden voor een politiek proces tussen Syriërs zonder inmenging van buitenaf; dringt erop aan dat alle relevante actoren uit het noordoosten van Syrië ten volle bij dit proces worden betrokken; herinnert eraan dat er geen duurzame militaire oplossing voor het conflict bestaat, en verzoekt alle partijen zich volledig aan de resoluties van de VN‑Veiligheidsraad te houden, waarin wordt aangedrongen op onmiddellijke beëindiging van de vijandelijkheden, opheffing van alle belegeringen, volledige en onbelemmerde toegang voor humanitaire hulp in het hele land, en bescherming van humanitaire hulpverleners door alle partijen; verzoekt de lidstaten de VN‑Veiligheidsraad nogmaals te vragen een resolutie aan te nemen die hem in staat stelt gericht te handelen, met als uiteindelijk doel een door de VN geleide veiligheidszone in het noorden van Syrië ten behoeve van de mensen die daar wonen;

8. wijst nogmaals op de ernstige gevolgen die verdere escalatie en destabilisatie in de regio met zich meebrengen, zowel voor de regio zelf als voor de EU, waaronder toenemende veiligheidsrisico’s, humanitaire crises en migratiestromen; dringt er daarom bij de Commissie op aan de EU in al haar aspecten voor te bereiden om zo goed mogelijk te reageren op alle situaties die zich kunnen voordoen en het Europees Parlement op de hoogte te stellen van de consequenties van verdere escalatie en destabilisatie in de regio;

9. betreurt dat de Raad Buitenlandse Zaken het op 14 oktober 2019 niet eens kon worden over een EU-wapenembargo tegen Turkije; is niettemin verheugd over het besluit van verschillende EU-lidstaten om de verlening van vergunningen voor de uitvoer van wapens naar Turkije stop te zetten, maar dringt erop aan dat deze opschorting ook zou gelden voor reeds goedgekeurde en nog niet uitgevoerde leveringen; wijst met name nogmaals op de noodzaak van een strikte toepassing door alle lidstaten van de regels die zijn vastgelegd in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad betreffende wapenuitvoer, met inbegrip van de strikte toepassing van criterium 4 inzake regionale stabiliteit; dringt er bij de VV/HV op aan om, zo lang de Turkse militaire operatie en aanwezigheid in Syrië voortduren, het initiatief te nemen voor het opleggen van een volledig EU-breed wapenembargo tegen Turkije, met inbegrip van goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, in het licht van de ernstige beschuldigingen van schendingen van het internationaal recht;

10. verzoekt de Raad een reeks gerichte sancties en een visumverbod op te leggen aan Turkse functionarissen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen tijdens de huidige militaire interventie, alsmede een vergelijkbaar voorstel in te dienen voor de Turkse functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de onderdrukking van de grondrechten in Turkije; verzoekt alle lidstaten met klem volledig uitvoering te geven aan Besluit 2013/255/GBVB[4] van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, en in het bijzonder de vermogens van de in dat besluit genoemde personen te bevriezen en de toegang te beperken van de personen die voordeel hebben van of steun verlenen aan het regime in Syrië;

11. wijst de plannen van Turkije om langs de grens in het noordoosten van Syrië een zogenaamde veilige zone in te richten, krachtig van de hand; benadrukt dat het gedwongen overbrengen van Syrische vluchtelingen of intern ontheemde personen naar dit gebied een ernstige schending zou vormen van het vastgelegde internationaal vluchtelingenrecht, het internationaal humanitair recht en het beginsel van non-refoulement; herinnert eraan dat een eventuele terugkeer van vluchtelingen veilig, vrijwillig en waardig dient te gebeuren, en dat een dergelijke terugkeer onder de huidige omstandigheden volstrekt ondenkbaar is; benadrukt dat de EU geen stabilisatie- of ontwikkelingshulp aan deze gebieden zal bieden; onderstreept dat etnische en religieuze groepen in Syrië het recht hebben om waardig en veilig te blijven wonen of terug te keren naar hun historische en traditionele thuisland;

12. verzoekt de Raad te overwegen om tegen Turkije passende en gerichte economische maatregelen vast te stellen, die echter geen nadelige gevolgen mogen hebben voor het maatschappelijk middenveld of voor mensen die reeds zwaar zijn getroffen door de economische crisis in het land, voor de situatie van Syrische vluchtelingen of voor de deelname van Turkse studenten aan Europese uitwisselingsprogramma’s als Erasmus+; dringt er bij de Raad op aan om, met het oog op een afschrikkende werking teneinde een escalatie in het noordoosten van Syrië te voorkomen, de handelspreferenties in het kader van de overeenkomst over landbouwproducten op te schorten, en als laatste redmiddel, de douane-unie tussen de EU-en Turkije op te schorten;

13. wijst erop dat het Parlement zich de afgelopen jaren proactief heeft ingezet voor een beperking van de middelen uit het instrument voor pretoetredingssteun II (IPA), uit bezorgdheid over een gebrek aan eerbiediging van de mensenrechten; concludeert dat de stappen die de Turkse autoriteiten recentelijk hebben ondernomen in strijd zijn met de Europese waarden; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat er geen EU-middelen worden gebruikt om de lopende militaire operatie te financieren of de gedwongen terugkeer van Syrische vluchtelingen naar de zogenaamde “veilige zone” te faciliteren;

14. is uiterst bezorgd over de beschuldigingen ten aanzien van het gebruik van witte fosfor tegen burgers door Turkse troepen en/of aan hen gelieerde gewapende groeperingen, hetgeen volgens internationaal recht verboden is; staat volledig achter het werk van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW), die een onderzoek naar het mogelijk gebruik van witte fosfor is begonnen; dringt erop aan dat degenen die verantwoordelijk zijn worden berecht;

15. verzoekt Turkije ervoor te zorgen dat gelieerde gewapende groeperingen ter verantwoording worden geroepen over gepleegde wreedheden, waaronder de moord op Hevrin Khalaf en andere standrechtelijke executies; vraagt de EU en haar lidstaten alle schendingen in het noordoosten van Syrië te helpen documenteren en erop aan te dringen dat ze grondig en op onpartijdige wijze worden onderzocht en dat de daders worden vervolgd;

16. is zeer bezorgd over berichten dat honderden IS-gevangenen, onder wie veel buitenlandse strijders, ontsnappen uit kampen in het noorden van Syrië als gevolg van het Turkse offensief, wat het risico op een heropleving van IS vergroot; dringt er bij de EU-lidstaten op aan noodplannen op te stellen voor veiligheidsdreigingen als gevolg van de mogelijke terugkeer van buitenlandse IS-strijders, en deze personen overeenkomstig de internationale normen te berechten voor de wreedheden die zij hebben begaan; verzoekt de nationale inlichtingen- en veiligheidsdiensten waakzaamheid te betrachten met betrekking tot de mogelijke terugkeer van buitenlandse strijders en hun gezinnen;

17. is bezorgd over de dramatische situatie en het lot van Europese kinderen van IS-strijders in het noorden van Syrië; verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te geven aan de situatie en behoeften van deze kinderen teneinde ervoor te zorgen dat hun grondrechten worden geëerbiedigd; verzoekt de lidstaten om bij alle beslissingen met betrekking tot kinderen het belang van het kind voorop te stellen;

18. spreekt nogmaals zijn steun uit voor de inspanningen van de wereldwijde coalitie tegen Da’esh, waarvan Turkije een partner is; onderstreept dat de coalitie en de Syrische partnertroepen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt in het offensief om Da’esh in Syrië te verslaan, maar is bezorgd dat deze vooruitgang wordt ondermijnd door het eenzijdige militaire optreden van Turkije;

19. is ingenomen met de steun van de EU voor lopende humanitaire hulp aan de buurlanden van Syrië, met name Jordanië, Libanon, Turkije, Irak en Egypte, die nog steeds miljoenen vluchtelingen opvangen; vindt het onaanvaardbaar dat de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan vluchtelingen als wapen gebruikt en hen inzet als chantagemiddel tegen de EU; dringt er bij de lidstaten op aan zich krachtiger in te zetten voor het delen van verantwoordelijkheden, om zo de vluchtelingen die de oorlogsgebieden in Syrië ontvluchten, in staat te stellen om bescherming te vinden buiten de direct aangrenzende regio, door middel van hervestiging; onderstreept dat het beginsel van non-refoulement volledig in acht moet worden genomen; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan te zorgen voor extra financiering voor de Koerdische regionale regering in Irak, om haar te helpen de instroom van vluchtelingen vanuit Syrië het hoofd te bieden;

20. erkent dat Turkije legitieme veiligheidszorgen heeft, maar benadrukt eens te meer dat deze moeten worden aangepakt met politieke en diplomatieke middelen, niet met militair optreden, en in overeenstemming met het internationaal humanitair recht;

21. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Verenigde Naties, Turkije, de leden van de Internationale Steungroep voor Syrië en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict, en ook te zorgen voor vertaling van deze tekst in het Arabisch en het Turks.

 

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0215.

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0200.

[3] PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

[4] Besluit 2013/255/GBVB van de Raad van 31 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB L 147 van 1.6.2013, blz. 14).

Laatst bijgewerkt op: 24 oktober 2019Juridische mededeling