Procedure : 2019/2881(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : RC-B9-0145/2019

Ingediende teksten :

RC-B9-0145/2019

Debatten :

PV 24/10/2019 - 3.3
CRE 24/10/2019 - 3.3

Stemmingen :

PV 24/10/2019 - 8.3

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0044

<Date>{23/10/2019}23.10.2019</Date>
<RepeatBlock-NoDocSe> <NoDocSe>B9‑0145/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0150/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0152/2019</NoDocSe> }
 <NoDocSe>B9‑0153/2019</NoDocSe></RepeatBlock-NoDocSe> } RC1
PDF 155kWORD 47k

<TitreType>GEZAMENLIJKE ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van het Reglement</TitreRecueil>


<Replacing>ter vervanging van de volgende ontwerpresoluties:</Replacing>

<TablingGroups>B9‑0145/2019 (Verts/ALE)

B9‑0150/2019 (Renew)

B9‑0152/2019 (S&D)

B9‑0153/2019 (PPE)</TablingGroups>


<Titre>over het voorgestelde nieuwe strafwetboek van Indonesië</Titre>

<DocRef>(2019/2881(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Michael Gahler, Tomáš Zdechovský, Eva Maydell, Lefteris Christoforou, Loucas Fourlas, Loránt Vincze, Vladimír Bilčík, Željana Zovko, Karlo Ressler, Romana Tomc, Tomasz Frankowski, Luděk Niedermayer, Magdalena Adamowicz, Isabel Wiseler‑Lima, Milan Zver, Maria Walsh, Roberta Metsola, Krzysztof Hetman, Sandra Kalniete, Stanislav Polčák, Jiří Pospíšil, Inese Vaidere</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Kati Piri</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Katalin Cseh, Atidzhe Alieva‑Veli, Petras Auštrevičius, Malik Azmani, Phil Bennion, Izaskun Bilbao Barandica, Sylvie Brunet, Dita Charanzová, Olivier Chastel, Anna Júlia Donáth, Laurence Farreng, Valter Flego, Luis Garicano, Barbara Ann Gibson, Klemen Grošelj, Christophe Grudler, Bernard Guetta, Svenja Hahn, Martin Hojsík, Antony Hook, Irena Joveva, Karin Karlsbro, Elsi Katainen, Ondřej Kovařík, Ilhan Kyuchyuk, Nathalie Loiseau, Karen Melchior, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa, Frédérique Ries, María Soraya Rodríguez Ramos, Michal Šimečka, Susana Solís Pérez, Ramona Strugariu, Viktor Uspaskich, Hilde Vautmans, Marie‑Pierre Vedrenne</Depute>

<Commission>{Renew}namens de Renew-Fractie</Commission>

<Depute>Heidi Hautala, Hannah Neumann, Ernest Urtasun</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Fabio Massimo Castaldo</Depute>

</RepeatBlock-By>

AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over het voorgestelde nieuwe strafwetboek van Indonesië

(2019/2881(RSP))

 

 

Het Europees Parlement,

 gezien zijn eerdere resoluties over Indonesië,

 gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de EU en Indonesië, die op 1 mei 2014 in werking is getreden,

 gezien de zevende mensenrechtendialoog tussen de EU en Indonesië, die op 1 februari 2018 plaatsvond,

 gezien de achtste onderhandelingsronde over het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Indonesië, die plaatsvond in juni 2019,

 gezien het op 15 september 2019 gepresenteerde ontwerp-strafwetboek,

 gezien de beginselen van Yogyakarta,

 gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

 gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 1966, dat Indonesië in 2006 heeft geratificeerd,

 gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1987,

 gezien de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf,

 gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A. overwegende dat Indonesië het op drie na volkrijkste land, een stabiele democratie in de regio en het land met de grootste moslimbevolking is, en een diverse samenleving heeft van 265 miljoen burgers met verschillende religies, etniciteiten, talen en culturen;

B. overwegende dat de regering van Indonesië een ontwerp-strafwetboek heeft voorgesteld ter wijziging van het huidige wetboek van strafrecht; overwegende dat op 15 september 2019 de laatste hand is gelegd aan dit ontwerp-strafwetboek;

C. overwegende dat het ontwerp-strafwetboek artikelen bevat waarmee de rechten van vrouwen, religieuze minderheden en lhbti’ers worden geschonden, evenals de vrijheid van meningsuiting en vereniging;

D. overwegende dat in september duizenden mensen, waaronder studenten, zich door heel Indonesië hebben verzameld om te protesteren tegen het ontwerp-strafwetboek en te eisen dat de wetgevingsprocedure wordt opgeschort;

E. overwegende dat de president van Indonesië naar aanleiding van de grootschalige protesten het parlement op 20 september heeft bevolen de aanneming van het wetsvoorstel uit te stellen; overwegende dat het besluit over de aanneming nu in handen ligt van de Indonesische kamer van volksvertegenwoordigers;

F. overwegende dat artikel 2 van het ontwerp-strafwetboek, waarin wordt verwezen naar “levende wetten”, gezien wordt als onduidelijk, aangezien het artikel geen opsomming van strafbare feiten bevat, en zou kunnen worden gebruikt om talloze bestaande en discriminatoire shariawetten op lokaal niveau te legitimeren;

G. overwegende dat in het ontwerp-strafwetboek seks buiten het huwelijk strafbaar wordt gesteld en de gevangenisstraf hiervoor kan oplopen tot een jaar; overwegende dat met deze bepaling in feite alle seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht strafbaar worden gesteld; overwegende dat door dit artikel alle mensen die werkzaam zijn in de seksindustrie worden blootgesteld aan strafrechtelijke vervolging;

H. overwegende dat in het voorgestelde strafwetboek is bepaald dat ongetrouwde stellen die samenwonen kunnen worden veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf;

I. overwegende dat relaties tussen personen van hetzelfde geslacht niet formeel worden erkend door de Indonesische autoriteiten en dat het ontwerp-strafwetboek daarom uitdrukkelijk gericht is tegen deze relaties; overwegende dat er in Indonesië sprake is van een ongekend hoog aantal gewelddadige en discriminerende aanvallen tegen lhbti’ers, dat lhbti’ers vaak worden geïntimideerd, en dat er steeds vaker venijnige uitspraken worden gedaan over lhbti’ers;

J. overwegende dat bepalingen van het ontwerp-strafwetboek een uitbreiding vormen op de huidige wet tegen godslastering; overwegende dat sinds de wet tegen godslastering in 1965 is ingevoerd, meer dan 150 mensen, waarvan het merendeel behoort tot een religieuze minderheid, op grond van deze wet zijn veroordeeld; overwegende dat religieuze minderheden door de wet tegen godslastering gevaar lopen, terwijl in Indonesië de intolerantie jegens minderheden toeneemt;

K. overwegende dat met het ontwerp-strafwetboek de informatievoorziening over anticonceptie en de hulpverlening bij anticonceptie aan iedereen onder de 18 jaar worden beperkt; overwegende dat beperkte toegang tot anticonceptie bijzonder ernstige gevolgen heeft voor gemarginaliseerde groepen, die reeds het hardst worden getroffen door de hiv-epidemie in Indonesië;

L. overwegende dat in het voorgestelde strafwetboek is bepaald dat vrouwen die abortus hebben laten plegen veroordeeld kunnen worden tot een gevangenisstraf van maximaal vier jaar; overwegende dat iedereen die hulp verleent aan een zwangere vrouw die abortus laat plegen veroordeeld kan worden tot een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar;

M. overwegende dat Indonesië in september een controversiële wet heeft aangenomen waarmee de nationale commissie ter bestrijding van corruptie (KPK), die sinds haar oprichting in 2002 honderden politici succesvol heeft vervolgd, wordt verzwakt; overwegende dat bepalingen van het huidige strafwetboek, de wet inzake elektronische informatie en transacties en de antiterrorismewetgeving zijn gebruikt om het werk van mensenrechtenverdedigers naar willekeur te beperken;

N. overwegende dat mensenrechtenverdedigers tot doelwit zijn gemaakt omdat zij mensenrechtenschendingen aan de kaak stellen, vooral met betrekking tot de protesten in West-Papoea; overwegende dat sinds het begin van de protesten ten minste 40 mensen zijn gedood en meer dan 8 000 inheemse Papoea’s en andere Indonesiërs hun woonplaats in West-Papoea zijn ontvlucht; overwegende dat journalisten en onafhankelijke VN-organen telkens de toegang tot de regio is ontzegd;

O. overwegende dat tussen 2015 en 2018 meer dan 40 mensen ter dood zijn veroordeeld, en meer dan 300 gevangenen in Indonesië nog in de dodencel zitten; overwegende dat de doodstraf een wrede, onmenselijke en onterende bestraffing is die in strijd is met het recht op leven;

1. is ingenomen met het feit dat de betrekkingen tussen de EU en Indonesië berusten op de gedeelde waarden van democratie en goed bestuur, eerbiediging van mensenrechten, en de bevordering van vrede, stabiliteit en economische vooruitgang;

2. maakt zich ernstige zorgen over de bepalingen in het voorgestelde herziene strafwetboek van Indonesië, die ruimte laten voor discriminatie op basis van geslacht, religie en seksuele oriëntatie en discriminatie jegens minderheden;

3. is verheugd over het bevel van president Widodo om de aanneming van de wet uit te stellen; roept het Indonesische parlement op om het voorgestelde strafwetboek grondig te herzien om ervoor te zorgen dat het wetboek voldoet aan de internationale mensenrechtennormen, en om alle discriminatoire bepalingen te schrappen;

4. verzoekt de Indonesische autoriteiten om alle wettelijke bepalingen waarmee fundamentele rechten en vrijheden worden beknot af te schaffen, en alle wetten in overeenstemming te brengen met de internationale mensenrechtennormen en de internationale verplichtingen van Indonesië;

5. roept de autoriteiten van Indonesië op om de rechten van lhbti’ers te beschermen door alle daden van vervolging jegens lhbti’ers gerechtelijk te vervolgen en homoseksualiteit te decriminaliseren door het wetboek van strafrecht te wijzigen; roept Indonesische ambtenaren op om zich te onthouden van opruiende uitspraken over lhbti’ers die deze groep alleen maar verder zullen stigmatiseren; spoort de Indonesische autoriteiten aan om de politieke dialoog met belangrijke belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld aan te moedigen, om zo de universele toepassing van mensenrechten te bevorderen en te waarborgen;

6. dringt aan op de herziening van de bepalingen over de wet tegen godslastering omdat deze bepalingen religieuze minderheden en atheïsten in gevaar brengen; onderschrijft de aanbevelingen van de VN om de artikelen 156 en 156(a) van het wetboek van strafrecht, de wet inzake het voorkomen van misbruik en belastering van religie en de wet inzake elektronische transacties en data in te trekken, de antiterrorismewetgeving aan te passen, en de aanklachten jegens en vervolging van degenen die van godslastering worden beschuldigd stop te zetten;

7. merkt met bezorgdheid op dat met het ontwerp-strafwetboek de vrije verspreiding van belangrijke informatie over seksuele gezondheid wordt beperkt; pleit voor toegang tot ongecensureerde informatie over anticonceptie en gezinsplanning voor vrouwen en meisjes;

8. benadrukt dat toegang tot gezondheidszorg, inclusief seksuele en reproductieve gezondheidszorg, een mensenrecht is; benadrukt dat goede en betaalbare seksuele en reproductieve gezondheidszorg gegarandeerd moet worden, inclusief seksuele voorlichting, informatie over gezinsplanning, voorbehoedsmiddelen, en veilige en legale abortus; wijst erop dat deze voorzieningen belangrijk zijn om vrouwenlevens te redden, zuigelingen- en kindersterfte terug te dringen en seksueel overdraagbare ziekten zoals hiv en aids te voorkomen;

9. roept de autoriteiten nogmaals op om opnieuw een officieel moratorium op executies in te stellen, met het oog op de afschaffing van de doodstraf; merkt op dat deze aanbeveling door Indonesië is aanvaard tijdens de laatste ronde van de universele periodieke doorlichting in 2017;

10. dringt erop aan de mensenrechtensituatie in Indonesië nauwlettend te blijven volgen, met name via regelmatige verslaggeving door de delegatie van de Europese Unie in Indonesië en Brunei; verzoekt de delegatie van de Europese Unie in Indonesië en Brunei, en de lidstaten, alles in het werk te stellen om noodbescherming en ondersteuning te bieden aan mensen die in gevaar verkeren;

11. betreurt de invoering van nieuwe wetgeving tegen corruptie, waarmee de KPK een overheidsagentschap zal worden in plaats van een onafhankelijk orgaan, en dringt aan op herziening van deze wetgeving;

12. uit zijn bezorgdheid over het geweld in West-Papoea; roept de autoriteiten van Indonesië op om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de recente protesten in West-Papoea; dringt aan op terughoudendheid bij de inzet van veiligheidstroepen in de regio; dringt er bij de Indonesische regering op aan de situatie in West-Papoea aan de orde te stellen door middel van politieke dialoog; roept de autoriteiten op VN-functionarissen, ngo’s en journalisten onbelemmerde toegang te geven tot West-Papoea;

13. verzoekt Indonesië een vaste uitnodiging te verstrekken aan alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad, hetgeen tevens vrije toegang tot het gehele land zou moeten omvatten;

14. dringt er bij de Indonesische regering op aan haar verplichtingen na te komen en de in het IVBPR verankerde rechten en vrijheden te beschermen en te eerbiedigen;

15. benadrukt dat het belangrijk is om bindende en afdwingbare bepalingen over mensenrechten op te nemen in het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Indonesië waarover momenteel wordt onderhandeld;

16. is ingenomen met de permanente jaarlijkse mensenrechtendialoog tussen de EU en Indonesië en ziet uit naar de komende dialoog in november;

17. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Indonesië, de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), de Intergouvernementele Commissie inzake mensenrechten van de ASEAN en de VN-Mensenrechtenraad.

 

Laatst bijgewerkt op: 23 oktober 2019Juridische mededeling