Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2713(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0027/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/07/2014 - 10.6

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0010

Aangenomen teksten
PDF 147kWORD 68k
Donderdag 17 juli 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Werkgelegenheid voor jongeren
P8_TA(2014)0010RC-B8-0027/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 17 juli 2014 over werkgelegenheid voor jongeren (2014/2713(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn standpunt van 8 september 2010 over het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten: Deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020 (COM(2010)0193 – C7-0111/2010 – 2010/0115(NLE))(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011 getiteld "Initiatief "Kansen voor jongeren""(COM(2011)0933),

–  gezien de conclusies van de Raad, goedgekeurd op 17 juni 2011 in Luxemburg, over de bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020,

–  gezien de mededeling van de Commissie over de uitvoering van het initiatief "Kansen voor jongeren" (COM(2012)0727),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 5 december 2012 voor een aanbeveling van de Raad tot invoering van een jongerengarantie (COM(2012)0729),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 7 februari 2013 over een jeugdwerkgelegenheidsinitiatief,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 over de invoering van een jongerengarantie,

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over de bestrijding van jeugdwerkloosheid: mogelijke uitwegen(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over de eerbiediging van het grondrecht van vrij verkeer in de EU(3),

–  gezien zijn standpunt van 16 april 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende verbeterde samenwerking tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's) (COM(2013)0430 – C7-0177/2013 – 2013/0202(COD))(4),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie over de uitvoering van het initiatief "Kansen voor jongeren" (COM(2012)0727),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2013 over een jongerengarantie(6),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat werkloosheid een van de belangrijkste oorzaken van ongelijkheid is en dat de werkloosheid een ongekend hoog niveau heeft bereikt (gemiddeld 23 % in de hele EU), en overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de EU ongelijk verdeeld is, met in sommige lidstaten een jeugdwerkloosheidspercentage onder jongeren tussen 16 en 25 jaar van meer dan 50 %;

B.  overwegende dat in maart 2014 in de EU-28 5,340 miljoen jongeren (onder de 25 jaar) werkloos waren, van wie 3,426 miljoen in de eurozone;

C.  overwegende dat de oorzaken van jeugdwerkloosheid in de EU van lidstaat tot lidstaat verschillen en onderliggende structurele problemen van de economieën met gevolgen voor de arbeidsmarkt kunnen omvatten; overwegende dat de situatie en de problemen waarmee jongeren te kampen hebben, niet overal dezelfde zijn en dat bepaalde groepen onevenredig hard getroffen worden en op maat gesneden oplossingen behoeven;

D.  overwegende dat de arbeidsmarktsituatie met name bijzonder moeilijk is voor jongeren, ongeacht hun opleidingsniveau, aangezien zij vaak hetzij werkloos zijn, hetzij alleen in tijd beperkte arbeidsovereenkomsten aangeboden krijgen met lagere lonen en een lager sociaal beschermingsniveau, of gedwongen zijn onzekere arbeidsovereenkomsten of onbetaalde stageplaatsen te accepteren;

E.  overwegende dat een jongerengarantie zou bijdragen tot de verwezenlijking van drie doelstellingen van de Europa 2020-strategie, namelijk dat 75 % van de bevolking in de leeftijdsgroep 20-64 jaar werk moet hebben, dat het aantal jongeren dat vroegtijdig de school verlaat niet meer dan 10 % mag bedragen en dat ten minste 20 miljoen mensen uit de armoede en sociale uitsluiting moeten worden gehaald;

F.  overwegende dat 7,5 miljoen Europeanen tussen 15 en 24 jaar geen werk hebben, geen onderwijs volgen en geen opleiding doen (de zogenaamde NEET's), en overwegende dat in 2012 in de EU-28 29,7 % van de jongeren tussen 15 en 29 jaar tegen de armoedegrens aan zat of bedreigd werd door sociale uitsluiting(7);

G.  overwegende dat het in sommige lidstaten gehanteerde duale stelsel van beroepsonderwijs en tevens de gecombineerde academische en beroepsopleidingsprogramma's vanwege de nadruk op praktische vaardigheden hun waarde hebben bewezen, met name tijdens de crisis, aangezien dit stelsel, doordat het is gericht op een bredere inzetbaarheid van jongeren, zorgt voor lagere jeugdwerkloosheidspercentages;

H.  overwegende dat de huidige beperking van de jongerengarantie tot 25 jaar onvoldoende is, aangezien het inhoudt dat de 6,8 miljoen NEET's (werkloos, zonder onderwijs en/of opleiding) tussen 25 en 30 jaar buiten de boot vallen;

I.  overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo´s) een groot potentieel herbergen voor het creëren van nieuwe banen en een cruciale rol spelen in de overgang naar een nieuwe, duurzame economie;

J.  overwegende dat, ondanks het feit dat het aantal werknemers dat van de ene lidstaat naar de andere gaat, is gestegen van 4,7 miljoen in 2005 naar 8 miljoen in 2008, dit in procenten een stijging inhoudt van 2,1 % naar 3,3 % van de totale beroepsbevolking;

K.  overwegende dat de lidstaten een cruciale rol moeten vervullen bij de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, mede dankzij financiële steun van door de EU gefinancierde instrumenten, zoals het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Europees programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie en de jongerengarantie voor de programmeringsperiode 2014-2020;

L.  overwegende dat de Europese Unie 6 miljard euro heeft uitgetrokken ter ondersteuning van de werkgelegenheid voor mensen onder de 25 jaar;

M.  overwegende dat jeugdwerkloosheid niet alleen te maken heeft met de kloof tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden, maar ook met een gebrek aan nieuwe banen ten gevolge van de de-industrialisering in Europa, outsourcing en speculatie, en een verslechtering van deze situatie door de crisis en bezuinigingen; overwegende dat onderwijs en opleiding alléén het probleem van de jeugdwerkloosheid in Europa niet zullen kunnen oplossen;

N.  overwegende dat alle maatregelen en programma's gericht op het vergroten van de werkgelegenheid onder jongeren genomen en vastgesteld moeten worden in overleg en samenwerking met de betrokken belanghebbenden op de respectieve niveaus, met name de sociale partners en jongerenorganisaties;

O.  overwegende dat 20,7 miljoen kmo's meer dan 67 % van de werkgelegenheid in de privésector voor hun rekening nemen en dat 30 % daarvan afkomstig is van micro-ondernemingen;

P.  overwegende dat kmo's en micro-ondernemingen een enorm potentieel voor het scheppen van werkgelegenheid herbergen en verantwoordelijk zijn voor 85 % van alle nieuwe banen;

Jeugdgarantie - Jeugdwerkgelegenheid

1.  waarschuwt dat er in de EU geen sprake zal zijn van significante duurzame economische groei als de ongelijkheid niet wordt gereduceerd, en herinnert eraan dat hiervoor in eerste instantie de werkloosheid, en met name de werkloosheid onder jongeren, moet worden verlaagd en de armoede moet worden teruggedrongen;

2.  dringt erop aan de tenuitvoerlegging van de Jongerengarantie goed te controleren; verzoekt de Commissie om nauwlettend toe te zien op de kwesties die aan het licht zijn gekomen in de landenspecifieke aanbevelingen van 2014 en die betrekking hebben op de kwaliteit van het aanbod en het gebrek aan actieve hulp aan jongeren die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen, de administratieve capaciteit van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en het gebrek aan effectieve inzet van alle relevante partners, en parallel daaraan goede praktijken in kaart te brengen als referentiepunt voor het verbeteren van programma's; verlangt dat de tenuitvoerlegging op transparantere wijze wordt gecontroleerd en dat meer ambitie aan de dag wordt gelegd bij het aanspreken van de lidstaten die in dit verband geen vooruitgang boeken;

3.  verzoekt de Commissie een voorstel voor te leggen voor een Europees wettelijk kader met minimumnormen voor de tenuitvoerlegging van de jongerengaranties, waaronder met betrekking tot de kwaliteit van stages, fatsoenlijke lonen voor jongeren en toegang tot arbeidsbemiddelingsdiensten, en ook geldend voor jongeren tussen 25 en 30 jaar, wanneer de lidstaten de aanbevelingen betreffende de jongerengaranties niet in acht nemen;

4.  pleit ervoor om terugdringing van de jeugdwerkloosheid als aparte doelstelling in het Europees Semester op te nemen; vindt daarnaast dat op de bestrijding van jeugdwerkloosheid gerichte maatregelen opgenomen moeten worden in de landenspecifieke aanbevelingen en de nationale hervormingsprogramma's; verzoekt de Commissie om de invoering van deze maatregelen nauwgezet te volgen en te toetsen; dringt erop aan het Europees Parlement in het kader van het proces van het Europees Semester hier nauw bij te betrekken;

5.  doet een beroep op de Europese Commissie om de invoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te bespoedigen en vóór eind 2014 een mededeling te publiceren over de wijze waarop dit initiatief is ingevoerd;

6.  moedigt de lidstaten aan om te overwegen de jongerengarantie te verruimen tot jonge mensen onder de 30 jaar;

7.  beklemtoont de noodzaak van een actief, alomvattend en integrerend arbeidsmarktbeleid, met bijzondere maatregelen voor jongeren;

8.  dringt bij de lidstaten aan op krachtige maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, met name door middel van preventieve maatregelen tegen vroegtijdig schoolverlaten of door bevordering van opleidings- en leerlingstelsels (bijvoorbeeld door invoering van een duaal opleidingssysteem of andere even efficiënte structuren), op ontwikkeling van uitgebreide strategieën ten behoeve van jongeren die niet werken, en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's), en op volledige tenuitvoerlegging van de nationale jongerengarantieregelingen;

9.  onderstreept dat het werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren de lidstaten niet hoeft te beletten om gebruik te maken van het Europees Sociaal Fonds voor financiering van jongerenprojecten in ruimere zin, met name op het gebied van armoede en sociale insluiting; vraagt de Commissie erop te letten in hoeverre en op welke wijze gebruik wordt gemaakt van middelen uit het ESF ten behoeve van projecten voor jongeren;

10.  is er stellig van overtuigd dat EU-financiering, met name uit het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, niet mag worden gebruikt om nationale benaderingen te vervangen, maar overeenkomstig het besluit van de lidstaten moet worden aangewend om jongeren extra steun te geven ter aanvulling en versterking van nationale programma's;

11.  vindt dat EU-programma's voldoende flexibiliteit moeten bieden om de lidstaten in staat te stellen op de lokale behoeften afgestemde geïndividualiseerde steun te verlenen, teneinde ervoor te zorgen dat de financiering wordt gebruikt in de gebieden waar de jeugdwerkloosheid het hoogst en het geld het meest nodig is, zonder te tornen aan het toezicht en de controle;

12.  onderstreept dat het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief niet betekent dat de lidstaten niet ook een beroep kunnen doen op andere EU-programma's, bijvoorbeeld die in het kader van het Europees Sociaal Fonds of Erasmus+, voor financiering van jongerenprojecten in ruimere zin, met name met betrekking tot jeugdondernemerschap, armoede en sociale insluiting; onderstreept dat het belangrijk is dat de lidstaten hiervoor voldoende medefinanciering ter beschikking stellen; vraagt de Commissie erop te letten in hoeverre en op welke wijze gebruik wordt gemaakt van middelen uit het ESF ten behoeve van projecten voor jongeren;

Beroepsonderwijs en -opleiding

13.  is van oordeel dat de 6 miljard euro die voor het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief is gereserveerd niet volstaat om de jeugdwerkloosheid duurzaam aan te pakken; vraagt de Commissie en de lidstaten derhalve de Jongerengarantie op het moment van de verplichte post-electorale toetsing van het MFK 2014-2020, die gepland is voor uiterlijk eind 2016, tot een prioriteit te maken en de in totaal ter beschikking staande financiële middelen voor de periode 2014-2020 te verhogen;

14.  verzoekt de lidstaten stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding te ontwikkelen en/of de bestaande stelsels te verbeteren; onderstreept dat om de overgang van school naar werk te verbeteren een Europees kader voor duaal onderwijs moet worden ontwikkeld dat stoelt op bestaande goede praktijken op dit gebied in Europa; is daarnaast voorstander van het gebruik in de hele EU van zogenaamde "ijsbreker"-regelingen, waarbij jonge gediplomeerden en mensen met een afgeronde beroepsopleiding in de praktijk werkervaring kunnen opdoen in ondernemingen die hen voor een half jaar tot een jaar inhuren voor het oplossen van een specifiek op innovatie en ontwikkeling gericht probleem;

15.  dringt er bij de lidstaten op aan krachtige maatregelen te treffen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid en een vroegtijdige uitsluiting van de arbeidsmarkt, met name door preventief op te treden tegen vroegtijdige schoolverlating of voortijdige uitval uit opleidings- en stageprogramma's (bijvoorbeeld door een duaal onderwijssysteem of andere kaders met een vergelijkbare doeltreffendheid op te zetten);

16.  verzoekt de lidstaten met name de onderwijs- en opleidingsnormen voor jongeren te hervormen om hun kansen op het vinden van een baan en een goed leven aanzienlijk te verbeteren;

17.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de transparantie en de erkenning van kwalificaties binnen de Unie verder te verbeteren, met name via het Europees systeem voor overdracht van leerresultaten voor beroepsonderwijs en -opleiding, Europass en het Europees kwalificatiekader;

18.  benadrukt hoe belangrijk het is dat jongeren – bijvoorbeeld door in het buitenland te studeren – transversale vaardigheden verwerven, zoals ICT-, management- en taalvaardigheden en kritisch denken, teneinde hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten, zich beter te kunnen aanpassen aan toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en actief aan de maatschappij te kunnen deelnemen;

19.  doet een beroep op de lidstaten om zich te concentreren op sectoren met een potentieel voor grote groei en het creëren van banen, en om maatregelen te nemen waarmee in het kader van hun onderwijsprogramma's voorrang wordt verleend aan wetenschap, technologie, ingenieurswetenschappen en wiskunde teneinde in te spelen op de verwachte toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, in overeenstemming met de noodzaak om over te schakelen naar een hulpbronnenefficiënte economie;

20.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan steun te verlenen aan nieuwe economische verschijnselen, met name sociaal ondernemerschap, flexwerken en crowdsourcing, en steunmaatregelen te creëren voor jongerencoöperaties en startende sociale ondernemingen;

21.  roept de lidstaten op groeibevorderend beleid te stimuleren en dringt aan op maatregelen op EU-niveau in de zin van een Europese groeistrategie die ervoor zorgt dat investeringen in en ontwikkeling van essentiële sectoren als de digitale en de telecommunicatiemarkt alsmede een gezamenlijke energiegemeenschap duurzame werkgelegenheid opleveren;

22.  betreurt dat de prioriteiten van de Raad, zoals die door de Europese Raad op 27 juni 2014 werden aangekondigd als strategische agenda voor de EU en de nieuwe Europese Commissie, geen gerichte maatregelen en investeringen omvatten waarmee het creëren van hoogwaardige banen voor jongeren ondersteund kan worden;

23.  onderstreept dat voor het verwezenlijken van de doelstellingen van een jongerengarantie strategische hervormingen noodzakelijk zijn ten einde een succesvollere overgang van school naar arbeidsmarkt mogelijk te maken;

24.  dringt er bij de lidstaten op aan om hun arbeidsvoorzieningsdiensten respectievelijk te vergroten en te hervormen;

25.  wijst erop dat gezien de aangekondigde snelle veranderingen op de arbeidsmarkt nu meer dan ooit geïnvesteerd moet worden in onderwijs en opleiding; wijst er in het bijzonder op dat op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen niet alleen beschouwd moeten worden als een manier om tegemoet te komen aan de vraag op de arbeidsmarkt, maar ook deel moeten uitmaken van een omvattende benadering van onderwijs die middels niet-formeel onderwijs opgedane vaardigheden erkent en de tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van levenslang leren ondersteunt;

26.  vraagt de Commissie en agentschappen als Eurofound en Cedefob om bestaande systemen van tweeledig beroepsonderwijs te analyseren en deze informatie door te geven aan andere lidstaten die geïnteresseerd zijn in invoering van zo'n systeem op vrijwillige basis, zonder de reeds bestaande onderwijsnormen te verlagen;

27.  erkent dat het gezin als een doeltreffend vangnet kan fungeren voor jongeren die geconfronteerd worden met werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting;

28.  dringt er bij de lidstaten op aan de grensoverschrijdende belemmeringen voor beroepsopleidingen, beroepsoriëntatie, leerplaatsen en stages op te heffen en deze mogelijkheden te versterken, en het aanbod van en de vraag naar opleidingsmogelijkheden op het werk voor jongeren beter op elkaar af te stemmen waardoor de mobiliteit en de kans op het vinden van een baan worden vergroot, met name in de grensregio's;

29.  is verheugd over de aanbeveling van de Raad over het kwaliteitskader voor stages, die op 10 maart 2014 is goedgekeurd, en doet een beroep op de lidstaten om dit onverwijld in de praktijk te brengen ten behoeve van degenen voor wie het bedoeld is, en onderstreept dat de programma's van de lidstaten ter bevordering en aanbieding van stages voor financiële steun uit de Europese fondsen in aanmerking komen;

Een nieuw klimaat voor banen

30.  onderstreept dat Europa een kmo-vriendelijk klimaat tot stand moet brengen, mede door het creëren van de optimale financiële en juridische voorwaarden voor startende bedrijven, aangezien de kleine en middelgrote ondernemingen in 2012 voor 66,5 % van de banen in Europa zorgden(8);

31.  wijst andermaal op de noodzaak van een veelomvattende en gemakkelijke opleiding en toegang tot het internet, online-informatie en digitale vaardigheden; doet een beroep op de lidstaten om, overeenkomstig de doelstellingen van de Digitale Agenda, de digitalisering van diensten en onderwijsmogelijkheden voor jongeren te bevorderen en te vergemakkelijken teneinde hen in staat te stellen digitale banen te vinden;

32.  wijst op de recente trend dat bedrijven productie- en dienstenactiviteiten naar Europa terughalen, en op de kansen die dit biedt voor nieuwe banen, met name voor jongeren; is van mening dat de economieën in de EU een unieke gelegenheid hebben om dit terughalen van banen te versnellen;

33.  onderstreept dat een herindustrialisering van Europa noodzakelijk is op basis van een samenhangende strategie en de uitvoering ervan waarmee groeibevorderende beleidsvormen en het creëren van nieuwe banen worden gestimuleerd en vergemakkelijkt;

34.  dringt er bij de lidstaten op aan beleidsmaatregelen voor jongerenwerkgelegenheid te combineren met goede en duurzame arbeidsovereenkomsten, teneinde de toename van structurele precaire arbeidsomstandigheden en gedeeltelijke werkloosheid aan te pakken;

35.  verzoekt de lidstaten er zorg voor te dragen dat jongeren toegang hebben tot hoogwaardige banen die hun rechten waarborgen, inclusief het recht op stabiliteit en veiligheid, door middel van een baan die een fatsoenlijk en billijk salaris en sociale bescherming biedt en het leiden van een veilig, waardig en autonoom leven mogelijk maakt, teneinde jonge werknemers tegen discriminatie en uitbuiting te beschermen;

36.  is van mening dat jonge ondernemers en groeigerichte kmo's noodzakelijk zijn als drijvende kracht achter innovatie en werkgelegenheid;

37.  is van mening dat ondernemingen uitsluitend meer banen zullen creëren en meer mensen in dienst zullen nemen indien het economisch klimaat groei bevordert en indien zij kunnen steunen op gekwalificeerde arbeidskrachten;

38.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een op rechten gebaseerde benadering van jongeren en werkgelegenheid te volgen; onderstreept dat met name in tijden van crisis de kwaliteit van werk voor jongeren niet in het gedrang mag komen en dat de fundamentele arbeidsnormen en andere aan de kwaliteit van werk gerelateerde normen, zoals arbeidstijd, sociale zekerheid, en veiligheid en gezondheid op de werkplek, centraal moeten staan in de geleverde inspanningen; benadrukt dat er een einde moet worden gemaakt aan de discriminatie op basis van leeftijd;

39.  benadrukt dat de verschillende sociale en economische systemen in de lidstaten erkend en geëerbiedigd moeten worden;

40.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om mobiliteitsmechanismen, met name Eures, waarmee het zoeken naar banen in andere landen wordt vergemakkelijkt, te ondersteunen en te bevorderen;

41.  doet een beroep op de lidstaten om volledig gebruik te maken van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA) teneinde de vraag naar en het aanbod van vacatures en kwalificaties tussen de lidstaten in evenwicht te brengen;

42.  verzoekt de Europese Commissie om in het kader van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid initiatieven van en andere vormen van samenwerking met de private sector te ondersteunen;

43.  verzoekt de Europese Commissie het voortouw te nemen met een initiatief voor de herindustrialisering van Europa, waardoor het industriële concurrentievermogen wordt vergroot zonder bedrijven met buitensporige regelgeving te belasten, het creëren van banen wordt vergemakkelijkt, de werkloosheid wordt aangepakt en de mogelijkheden voor jongeren worden vergroot om een eigen bedrijf te beginnen of een baan te vinden;

44.  beveelt aan dat de Commissie bij toekomstige beoordelingen van ESF-regelingen op het gebied van werkgelegenheid voor jongeren niet alleen naar de kosten en het aantal deelnemers kijkt maar ook rekening houdt met het daadwerkelijke effect op de arbeidsmarkt voor jongeren gedurende langere tijd, en in de eerste plaats nagaat hoe en waarom maatregelen succesvol zijn;

45.  verzoekt de lidstaten om de werkloosheid te bestrijden door onnodige administratieve lasten en bureaucratie voor zelfstandigen, micro-ondernemingen en kmo´s weg te nemen, gunstige belastingregelingen in te voeren, een positiever klimaat voor particuliere investeringen te creëren en onevenredig zware faillissementswetgeving aan te pakken, aangezien kleine en middelgrote ondernemingen een groot aandeel van de Europese economie voor zijn rekening nemen en een doorslaggevende rol kunnen vervullen bij het zorgen voor een snel en duurzaam herstel van de economische crisis en het creëren van nieuwe banen, ook voor jongeren;

46.  roept de lidstaten op de samenwerking tussen het bedrijfsleven en het onderwijs op alle niveaus te verbeteren, met het doel leerprogramma's beter te laten aansluiten bij de behoeften van de arbeidsmarkt;

47.  benadrukt dat de Europese economie eerder maatregelen nodig heeft die het vrije verkeer en de arbeidsmobiliteit in de EU vergroten dan deze beperken, en roept de lidstaten op het vrije verkeer van alle burgers en werknemers te waarborgen om de ontwikkeling van een daadwerkelijke EU-arbeidsmarkt mogelijk te maken, knelpunten weg te nemen en EU-werknemers in staat te stellen zich daarheen te begeven waar vraag is naar hun vaardigheden; benadrukt dat vrijheid van verkeer een elementair recht is; benadrukt voorts dat jonge mensen tevens in gelegenheid moeten worden gesteld om toegang te krijgen tot arbeidsmogelijkheden binnen hun eigen gemeenschap;

48.  spoort de lidstaten aan specifiek iets te doen aan de hoge jeugdwerkloosheid onder benadeelde bevolkingsgroepen door voorrang te verlenen aan hun toegang tot en hun integratie in de arbeidsmarkt en door het toegangs- en integratiebeleid te mainstreamen, aangezien werk de sleutel is tot succesvolle integratie;

49.  meent dat de lidstaten tegemoet moeten komen aan de specifieke behoeften van jongeren met een handicap door hen de juiste instrumenten en ondersteunende diensten te verstrekken, teneinde een gelijke omgeving tot stand te brengen en de inzetbaarheid van jongeren met een handicap op de arbeidsmarkt en in onderwijs en opleidingen actief te verbeteren;

50.  onderstreept hoe belangrijk het is aandacht te schenken aan het stimuleren van ondernemerschap, met name onder jongeren en afgestudeerden, en aan het bevorderen van practica en stages in kleine en micro-ondernemingen om jongeren ervaring met het bedrijfsleven te laten opdoen en ze meer bewust te maken van de kansen en mogelijkheden om hun eigen bedrijf op te zetten;

51.  benadrukt in het licht van de gevolgen die de crisis voor jongeren heeft dat meer betrokkenheid van en beter toezicht door de lidstaten noodzakelijk is om de situatie van jongeren te verbeteren; doet in dit verband een oproep aan de lidstaten om het onderwerp jeugdwerkloosheid aan de orde te stellen op de volgende informele EPSCO-raadszitting op 17 en 18 juli 2014 in Milaan en maatregelen en beleid te ontwikkelen in plaats van verklaringen af te leggen;

o
o   o

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 116.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0365.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0037.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0435.
(5) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 29.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0016.
(7) Eurostat: http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=yth_incl_010&lang=en
(8)http://ec.europa.eu/enterprise/policies/sme/facts-figures-analysis/performance-review/files/supporting-documents/2013/annual-report-smes-2013_en.pdf report

Juridische mededeling