Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2040(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0014/2014

Ingediende teksten :

A8-0014/2014

Debatten :

PV 21/10/2014 - 16
CRE 21/10/2014 - 16

Stemmingen :

PV 22/10/2014 - 4.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0036

Aangenomen teksten
PDF 464kWORD 117k
Woensdag 22 oktober 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 - alle afdelingen
P8_TA(2014)0036A8-0014/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2014 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (12608/2014 – C8-0144/2014 – 2014/2040(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4) (IIA van 2 december 2013),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting 2015, Afdeling III - Commissie(5),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2014 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2015(6),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, dat de Commissie op 24 juni 2014 heeft goedgekeurd (COM(2014)0300),

–  gezien het standpunt over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, vastgesteld door de Raad op 2 september 2014 en meegedeeld aan het Europees Parlement op 12 september 2014 (12608/2014 – C8-0144/2014),

–  gezien Nota van wijzigingen nr. 1/2015 bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, door de Commissie gepresenteerd op 15 oktober 2014,

–  gezien de behandeling door het Bureau op 15 september 2014 en de herziene nota van de secretaris-generaal van 17 september 2014 over de lezing door het Parlement van zijn ontwerpbegroting voor 2015;

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van dinsdag 15 april 2014 over de ontwerpverordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie met het oog op de uitbreiding van het aantal rechters bij het Gerecht(7),

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 5 februari 2014,

–  gezien artikel 88 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0014/2014),

AFDELING III

Algemene opmerkingen

1.  herinnert eraan dat het Parlement in bovengenoemde resolutie van 13 maart 2014 met nadruk wees op de noodzaak van meer strategische investeringen in acties met een Europese meerwaarde, om de Europese economie weer op de rails te krijgen en te zorgen voor concurrentievermogen, duurzame groei en werkgelegenheid, met name werkgelegenheid voor de jeugd, zonder de bevordering van de economische en sociale cohesie uit het oog te verliezen;

2.  benadrukt dat de staatshoofden en regeringsleiders in juni 2014 nogmaals bevestigden (herhaald op de speciale bijeenkomst van de Europese Raad in augustus 2014) dat geïnvesteerd moet worden in de economieën van de lidstaten en dat deze voorbereid moeten worden op de toekomst door werk te maken van investeringen die al eerder gedaan hadden moeten zijn in de vervoers-, energie- en telecominfrastructuur (inclusief de voltooiing van de interne digitale markt tegen 2015) die voor de EU van betekenis is, evenals in energie-efficiëntie, innovatie en onderzoek, vaardigheden en innovatie; herinnert aan de cruciale rol die de EU-begroting speelt voor het bereiken van deze politieke doelstellingen;

3.  herinnert er eens te meer aan dat de EU-begroting niet moet worden ervaren en beoordeeld als louter een extra financiële last voor de nationale begrotingen, maar daarentegen beschouwd moet worden als een mogelijkheid om een extra dimensie te geven aan initiatieven en investeringen die van belang zijn en meerwaarde opleveren voor de Unie in haar geheel en waartoe in de meeste gevallen gezamenlijk is besloten door het Parlement en de Raad;

4.  wijst nogmaals op het aanvullend karakter van de EU-begroting ten opzichte van de nationale begrotingen en de stimulans die daarvan uitgaat ter bevordering van groei en banen, en benadrukt dat het karakter en de beperkte omvang ervan niet mogen worden ondermijnd door willekeurige bezuinigingen, maar dat specifieke terreinen juist moeten worden versterkt;

5.  merkt op dat de door de Commissie voorgestelde ontwerpbegroting (OB) voor 2015 (met inbegrip van bijzondere instrumenten) 145 599,3 miljoen EUR aan vastleggingskredieten (VK) en 142 137,3 miljoen EUR aan betalingskredieten (BK) omvat; benadrukt dat het totale niveau van de betalingskredieten in de OB een gematigde verhoging van 1,4% inhoudt ten opzichte van de begroting 2014 (rekening houdend met GB 1 en OGB 2-4/2014), en nog altijd 2 miljard EUR lager is dan de ten uitvoer gelegde begroting 2013; wijst erop dat de Commissie heeft voorgesteld om in de OB een totale marge van 1 478,9 miljoen EUR aan vastleggingskredieten onder het maximum aan te houden;

6.  wijst op de belangrijke rol van gedecentraliseerde agentschappen, die van essentieel belang zijn voor de uitvoering van het beleid en de programma's van de Unie; benadrukt dat de agentschappen van voldoende financiële en personele middelen moeten worden voorzien, zodat ze de aan hen door de wetgevende autoriteit toegewezen taken naar behoren kunnen vervullen;

Standpunt van de Raad

7.  betreurt het feit dat de Raad in zijn lezing de vastleggingskredieten heeft verlaagd met 522 miljoen EUR en de betalingskredieten met 2,1 miljard EUR, waarmee de EU-begroting voor 2015 zou neerkomen op 145 077,4 miljoen EUR aan vastleggingen en 139 996,9 miljoen EUR aan betalingen; wijst erop dat de verlaging van de betalingen met 2,1 miljard EUR een vermindering van -0,18% zou betekenen ten opzichte van de begroting 2014 (inclusief GB 1/2014 en OGB 2-4/2014); is met name verontrust over de zware bezuinigingen op de betalingskredieten voor de fondsen voor concurrentievermogen voor groei en banen in rubriek 1a, die een grove inbreuk vormen op de toezegging van de Raad om zich in te zetten voor het overwinnen van de crisis en het aanjagen van de economische groei;

8.  keurt de lezing door de Raad van de begroting 2015 af, omdat daarmee het meerjarig karakter van het Uniebeleid wordt veronachtzaamd en niet alleen de betalingstekorten zouden stijgen, maar ook de uitvoering van de EU-programma's verdere vertraging zou oplopen;

9.  benadrukt opnieuw dat de benadering van de Raad om het niveau van de betalingen vast te leggen overeenkomstig het inflatiepercentage volledig voorbijgaat aan de bedoeling en werking van het meerjarige karakter van het Uniebeleid, en het MFK volledig irrelevant maakt; merkt in dit verband op dat de toenemende kloof tussen de betalings- en vastleggingskredieten de problemen inzake de grote hoeveelheid nog betaalbaar te stellen vastleggingen verergert; benadrukt de negatieve gevolgen die deze benadering heeft voor het beeld dat de burgers van de Unie hebben; wijst er nogmaals op dat de Unie in de eerste plaats meer moet investeren om de economische crisis te overwinnen;

10.  betreurt de willekeurige bezuinigingen die de Raad voorstelt op administratieve en ondersteunende lijnen ter financiering van de uitvoering van cruciale programma's van de Unie, omdat dit rampzalige gevolgen kan hebben voor de start van nieuwe programma's vanwege te weinig administratieve capaciteit, waardoor de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie ernstig in gevaar kan komen;

11.  is ernstig verontrust over het feit dat de Raad met betrekking tot de begroting met twee maten meet, door enerzijds een verhoging van de middelen van de Unie te vragen op gebieden waar duurzame groei verwezenlijkt kan worden en anderzijds omvangrijke bezuinigingen voor te stellen op cruciale terreinen als onderzoek, innovatie, ruimtevaart, infrastructuur, kmo's en energie;

12.  is ingenomen met het feit dat 13 lidstaten hebben verklaard ervan overtuigd te zijn dat het door de Raad overeengekomen niveau van betalingskredieten ontoereikend kan zijn en kan leiden tot grote problemen wat betreft de tijdige nakoming van de juridische verplichtingen van de Unie en van de reeds gedane toezeggingen; herinnert eraan dat, overeenkomstig artikel 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Europees Parlement, de Raad en de Commissie erop toezien dat de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee de Unie haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen;

13.  is van mening dat de Raad een grote politieke verantwoordelijkheid draagt voor de zeer problematische situatie op het gebied van de betalingen, omdat er binnen de Raad jaar na jaar geen gekwalificeerde meerderheid van stemmen te vinden is voor de vaststelling van een niveau van de betalingen dat de Unie in staat stelt de onbetwiste betalingsbehoeften te dekken; veroordeelt het feit dat dit heeft geleid tot een steeds groter wordend structureel tekort op de EU-begroting, hetgeen ingaat tegen de verdragsbepalingen en de nakoming door de Commissie van haar wettelijke verplichtingen op de helling zet;

14.  wijst er tegelijkertijd op dat de huidige opzet van de EU-begroting, met betalingskredieten gekoppeld aan nationale bijdragen, het nemen van nadelige besluiten door de lidstaten kan stimuleren, vooral in tijden waarin het sluitend maken van de nationale begrotingen centraal staat; benadrukt echter dat het niveau van de betalingen rechtstreeks voortvloeit uit het niveau van de vastleggingen, dat de Raad formeel met de benodigde gekwalificeerde meerderheid heeft goedgekeurd in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedures;

15.  betreurt de ingebakken onenigheid tussen enerzijds de Raad en anderzijds het Parlement en de Commissie; roept op tot het omzetten van deze gespannen verhouding in een productievere gedachtewisseling; hoopt dat openheid voor nieuwe standpunten en voorstellen uiteindelijk zal leiden tot structurele wijzigingen die leiden tot een akkoord inzake een evenwichtig begroting die uiting geeft aan de ambities en punten van zorg van zowel het Parlement als de Raad;

Lezing door het Parlement

16.  benadrukt dat, naast de tenuitvoerlegging van het bij de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014-2020 bereikte politiek akkoord inzake de vervroegde toewijzing van kredieten voor specifieke beleidsdoelstellingen, de Commissie geen specifieke voorstellen heeft gedaan om tegemoet te komen aan de prioriteiten die niet alleen door het Parlement zijn aangegeven, maar ook door de staatshoofden en regeringsleiders zijn overeengekomen in de Europese Raad; besluit daarom de financiële middelen voor de politieke doelstellingen en strategische prioriteiten van de Unie op een aantal terreinen te verhogen;

17.  besluit de verhogingen vooral te besteden aan de programma's die de kern vormen van de Europa 2020-strategie ter versterking van groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid, te weten Horizon 2020, Cosme, Erasmus+, de Digitale Agenda, Progress en de Sociale Agenda (met inbegrip van Eures en de Microfinancieringsfaciliteit) aangezien deze programma's als voorbeeld dienen van de wijze waarop de Unie bijdraagt aan een innovatieve en welvarende economie op het gehele continent; verhoogt daarnaast de bedragen voor programma's die nodig zijn voor het uitvoeren van de externe beleidsagenda van de Unie, zoals het nabuurschapsbeleid, ontwikkelingshulp en humanitaire hulp; dringt ook aan op verhoging van de financiering van belangrijke programma's en beleidsmaatregelen ter bestrijding van ongelijkheden, zoals FEAD, Europa voor de burger, en de bevordering van gendergelijkheid;

18.  stelt het totale bedrag van de kredieten voor 2015 vast op 146 380,9 miljoen EUR voor de vastleggingskredieten en op 146 416,5 miljoen EUR voor de betalingskredieten;

Aanpak van de aanhoudende crisis met de betalingen

19.  steunt het voorstel van de Commissie om ten volle gebruik te maken van de middelen die beschikbaar zijn onder het maximum van de betalingen voor 2015, zodat er geen marge meer overblijft onder het maximum van de betalingen voor 2015; keurt alle door de Raad voorgestelde verlagingen van de betalingen af op basis van de huidige en verwachte bestedingspatronen;

20.  benadrukt echter dat zelfs het volledige gebruik van het maximum van de betalingen in 2015 niet toereikend is om een einde te maken aan de aanhoudende problemen met de betalingen, die sinds de begroting 2010 explosief zijn toegenomen; wijst in het bijzonder op de enorme achterstand met de betalingen in de afgelopen jaren, resulterend in het ongekend hoge niveau van 23,4 miljard EUR aan het einde van 2013 voor alleen al het cohesiebeleid, en vreest dat eind 2014 een soortgelijk niveau bereikt zal worden; benadrukt daarom dat het aanhoudende probleem van het tekort aan betalingen op doeltreffende wijze en zonder uitstel aangepakt moet worden; besluit daarom de bedragen die de Commissie voor de betalingen voorstelt nog te verhogen met 4 miljard EUR, voor een aantal begrotingslijnen, waaronder de belangrijkste "voltooiingslijnen 2007-2013" van de structuurfondsen en onderzoeksprogramma's van de Unie, waar de situatie op het gebied van de betalingen zeer precair is;

21.  roept de Commissie daarom op zich voor te bereiden op het indienen van passende voorstellen voor de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsmechanisme in het kader van de MFK-verordening; herhaalt geen beperkte interpretaties te zullen accepteren van de bepalingen inzake flexibiliteit en speciale instrumenten in de MFK-verordening en het IIA van 2 december 2013, die op verzoek van het Parlement bij de onderhandelingen hierover zijn goedgekeurd;

22.  dringt er nogmaals op aan dat alle betalingskredieten die beschikbaar zijn gesteld door middel van speciale instrumenten op de begroting moeten worden opgenomen boven het maximum van de betalingen in het MFK;

23.  herinnert aan het dramatische tekort aan betalingskredieten voor humanitaire hulp dat zich eind 2013 en in het eerste kwartaal van 2014 voordeed, en dat alleen opgelost kon worden met tijdelijke kortetermijnoplossingen in de vorm van overschrijvingen binnen de vastgestelde begroting; is zeer bezorgd dat een soortgelijke situatie zich ook op andere beleidsterreinen zal voordoen, zoals onderzoek & ontwikkeling en innovatie;

24.  benadrukt het feit dat de onderhandelingen over de bijkomende betalingen voor 2014 afgerond moeten zijn vóór de bemiddeling inzake de begroting 2015, om vast te kunnen stellen hoeveel middelen in 2015 nodig zijn om te voldoen aan de verplichtingen voortvloeiend uit eerdere jaren; wijst er nogmaals op dat de OGB's 2, 3 en 4/2014 als totaalpakket beschouwd moeten worden en benadrukt dat de Raad niet kan verwachten dat het overschot en de boetes op de begroting opgenomen kunnen worden zonder te voldoen aan de bijkomende behoeftes aan betalingen zoals gepresenteerd in OGB 3/2014; herinnert eraan dat de ontwerpen van gewijzigde begroting nr. 2, 3, en 4/2014, tezamen en ongewijzigd, een totaal begrotingseffect vertegenwoordigen van slechts 106 miljoen EUR aan aanvullende bni-bijdragen, door de lidstaten beschikbaar te stellen, om genoeg betalingskredieten in 2014 te waarborgen ter dekking van de bestaande juridische verplichtingen;

25.  benadrukt dat het niveau van de kredieten zoals door het Parlement in zijn lezing goedgekeurd, en met name van de betalingen, gebaseerd is op de aanname dat alle nog vast te stellen OGB's voor 2014 volledig worden goedgekeurd;

26.  benadrukt dat ter waarborging van afdoende middelen voor de geplande investeringen in de hele Unie (zoals genoemd op de Europese Raad van juni 2014 en door kandidaat-voorzitter Juncker in zijn politieke richtsnoeren benadrukt als belangrijke politieke prioriteit(8)), en voor de voortzetting van het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief, met name de Europese jongerengarantie met ingang van de begroting 2016, en teneinde het aanhoudende probleem van de betalingskredieten aan te pakken, de evaluatie/herziening van het MFK 2014-2020, overeenkomstig artikel 2 van de MFK-verordening, zo snel mogelijk moet worden gestart door de nieuwe Commissie;

Rubriek 1a

27.  merkt op dat de Raad het zwaarst bezuinigt in rubriek 1a, zowel wat betreft de vastleggingen (-323,5 miljoen ten opzichte van de OB) als de betalingen (-1 335 miljoen), ondanks het feit dat de Europese Raad in juni 2014 groei, concurrentievermogen en nieuwe banen opnieuw bovenaan zijn politieke agenda plaatste; benadrukt dat sommige van deze verlagingen niet in overeenstemming zijn met het akkoord over het MFK 2014-2020, omdat er zwaar wordt bezuinigd op Horizon 2020 (met 190 miljoen EUR aan vastleggingen ten opzichte van de OB), dat in 2014 in aanzienlijke mate vervroegd is gefinancierd met een bedrag van 200 miljoen EUR, alsmede op het ITER-programma (-11,2 miljoen EUR), dat juist vervroegd moet worden gefinancierd in 2015 ter compensatie van de vertraagde financiering ervan in 2014;

28.  is van mening dat ter verbetering van de energieveiligheid het stimuleren van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie van essentieel belang zijn in het kader van de afhankelijkheid van Russische energie, in het bijzonder in de lidstaten die het meest afhankelijk zijn van Russisch gas; roept ertoe op de bestedingsdoelstellingen van de energiefondsen binnen Horizon 2020 in overeenstemming te brengen met de verbintenissen die tijdens het wetgevingsproces zijn aangegaan;

29.  keert zich tegen de bezuinigingen door de Raad op het programma Connecting Europe Facility (-34,4 miljoen EUR), die nog eens bovenop de vertraagde financiering van dit programma in 2015 komen waar, overeenkomstig het MFK-akkoord, in de OB reeds rekening mee is gehouden; vreest voor een te trage start van dit strategische programma, dat van specifiek belang is voor de toekomstige investeringen in de telecommunicatie-, vervoers- en energie-infrastructuur die de werkgelegenheid in Europa verder kunnen stimuleren;

30.  besluit daarom als algemene regel het niveau van de OB voor 2015 weer over te nemen voor alle verlagingen die de Raad voorstelt, zowel wat de vastleggingen als de betalingen betreft; verhoogt daarnaast een aantal specifieke lijnen binnen de programma's in verband met de prioriteiten van het Parlement in het kader van rubriek 1a (Horizon 2020, Cosme, Erasmus+, de Digitale Agenda, de Sociale Agenda) door de marge volledig te benutten (totale verhoging van circa 200 miljoen EUR boven de OB);

31.  acht het verder noodzakelijk de lijnen voor CEF-Energie te verhogen met in totaal 34 miljoen EUR ten opzichte van de OB, om voor een deel de effecten te compenseren van de voor het tweede achtereenvolgende jaar plaatsvindende vertraagde financiering van dit programma, voortvloeiend uit het MFK-akkoord; beschouwt het ook als prioriteit om meer te investeren in de digitale agenda en breedband en verhoogt daarom de bedragen voor CEF-Telecommunicatienetwerken met 12 miljoen EUR ten opzichte van de OB;

32.  is van mening dat het verhogen van de financiële steun voor kmo's van wezenlijk belang is om de economie van de Unie in staat te stellen hernieuwde groei te verwezenlijken en de crisis achter zich te laten, en zo de werkloosheid te bestrijden; is van mening dat vaak wordt gewezen op het belang van innovatie door kmo's voor het concurrentievermogen van de Unie, maar dat de financiële steun hiervoor te laag is; besluit daarom de vastleggingskredieten voor kmo's en ondernemerschap te verhogen met 26,5 miljoen EUR ten opzichte van de OB; vraagt de Commissie te zorgen voor een werkelijke bottom-upbenadering bij de tenuitvoerlegging daarvan; vraagt de Commissie daarnaast voldoende middelen te bestemmen voor de uitvoering van acties in het kader van haar Groene Actieplan voor het mkb;

33.  verhoogt de vastleggingen voor de drie toezichthoudende agentschappen (EBA, EIOPA en ESMA) met in totaal 6,1 miljoen EUR ten opzichte van de OB;

34.  is bezorgd over het stijgende aantal gevallen waarin de gevolgen van het tekort aan betalingen in rubriek 1a duidelijk worden, met name in het kader van Horizon 2020, waar de voorfinanciering is teruggelopen en een aanzienlijk aantal projecten is geblokkeerd, en wijst erop dat een verstoring dreigt van de betalingen in het kader van het programma Erasmus+; is verontrust over het grote aantal programma's waarvoor de beschikbare middelen voor 2014 bijna volledig zijn besteed, maanden voordat de termijn voor de indiening van facturen is verstreken;

35.  is verheugd over de eerste stappen op weg naar de hervorming van de EFRAG, maar benadrukt dat de Maystadt-aanbevelingen volledig ten uitvoer moeten worden gelegd, met inbegrip van de eis om de taken van EFRAG te beperken tot IFRS-normen, en de werkzaamheden omtrent kleine en middelgrote bedrijven en fiscale aangelegenheden uit te faseren;

36.  benadrukt dat innovatie door kmo's een belangrijke rol kan spelen bij het economisch herstel van de Unie; verwacht dat de Commissie in verband met het mkb-instrument in het kader van het Horizon 2020-programma aan haar juridische en begrotingsverplichtingen voldoet en dringt er bij de Raad op aan de Commissie hiertoe in de gelegenheid te stellen door hiervoor voldoende financiële middelen beschikbaar te stellen; verzoekt de Commissie om met ingang van 2016 voor het mkb-instrument een afzonderlijke begrotingslijn in te voeren, om op die manier het budgettair toezicht en de begrotingscontrole gemakkelijker te maken en bij de tenuitvoerlegging van het instrument een daadwerkelijke bottom-upaanpak te garanderen;

37.  is ingenomen met het maatregelenpakket "circulaire economie" dat de Commissie op 2 juli 2014 heeft gepubliceerd(9); dringt erop aan dat er voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor de activiteiten in dit kader;

Rubriek 1b

38.  is ernstig verontrust dat de Raad weliswaar de vastleggingskredieten heeft gehandhaafd op het niveau van de OB (49 227 miljoen EUR), maar tegelijkertijd de betalingskredieten met in totaal 220 miljoen EUR heeft verlaagd tot 51 382 miljoen EUR;

39.  benadrukt dat het grootste deel van de nog betaalbaar te stellen bedragen voorkomt in rubriek 1b, hetgeen de vergoeding belemmert van middelen die reeds zijn besteed door de begunstigde lidstaten en regio's; benadrukt dat deze praktijk ernstige gevolgen heeft voor de lidstaten en regio's die het zwaarst door de crisis getroffen zijn; betreurt het dat de Raad aan dit probleem in het geheel geen aandacht besteedt; benadrukt dat in een periode waarin de meeste lidstaten voor de uitdaging staan van het vinden van financiering voor projecten die de werkgelegenheid stimuleren, het regionaal beleid van de Unie een cruciaal instrument is om dergelijke tekorten aan te vullen; wijst erop dat instrumenten zoals het ESF, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, bijzonder belangrijk zijn in tijden van crisis, en dat de eerste slachtoffers van een verlaging van de betalingen altijd de zwakkere partijen zijn, zoals lidstaten met begrotingsperikelen, plaatselijke en regionale autoriteiten, de ultraperifere regio's, kmo's, ngo's en de sociale partners;

40.  besluit om de betalingskredieten weer te verhogen tot het niveau van de OB voor wat betreft begrotingslijnen voor de nieuwe programma's die de Raad heeft verlaagd, en om de betalingskredieten voor aantal andere lijnen te verhogen tot boven het niveau van de OB, met name met het oog op de voltooiing van de programma's van het MFK 2007-2013; merkt op dat 2015 het tweede uitvoeringsjaar zal zijn in de nieuwe cyclus van de Europese structuur- en investeringsfondsen; benadrukt de behoefte aan voldoende vastleggings- en betalingskredieten om ervoor te zorgen dat de programma's het beoogde aantal deelnemers bereiken en dus de beoogde effecten kunnen sorteren;

41.  besluit om de middelen voor het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) en voor de PP/VA's te verhogen met 20,2 miljoen EUR ten opzichte van de OB; is voornemens het voorstel van de Commissie voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Flexibiliteitsinstrument te wijzigen, om de financiering van de structuurfondsprogramma's voor Cyprus in het kader van rubriek 1b aan te vullen met het volledige bedrag van 100 miljoen EUR, na afronding van de onderhandelingen met de Raad;

42.  is er stellig van overtuigd dat de EU-financiering, met name uit hoofde van het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, niet gebruikt mag worden om nationale maatregelen te subsidiëren, maar moet dienen als bijkomende steun voor jongeren, ter aanvulling en versterking van nationale programma's;

43.  verzoekt de Commissie en de lidstaten volledig gebruik te maken van de financiële middelen die bestemd zijn voor steun aan jonge werklozen; herinnert aan het politieke akkoord in verband met het meerjarig financieel kader 2014-2020 betreffende vervroegde financiering in het kader van het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief, alsook van de overeenkomstige bedragen van het Europees Sociaal Fonds, teneinde de noodzakelijke hulp ter beschikking te kunnen stellen in de eerste jaren van de programmeringsperiode; stelt met tevredenheid vast dat de Commissie en de Raad zich bij hun voorstellen aan dit akkoord houden; spreekt zijn bezorgdheid uit over de absorptiecapaciteit van sommige lidstaten voor wat betreft het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief; herinnert eraan dat overeenkomstig de MFK-verordening de marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingskredieten voor de jaren 2014-2017 een overkoepelende MFK-marge voor vastleggingen vormen, die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2016 tot en met 2020 voor beleidsdoelstellingen met betrekking tot groei en werkgelegenheid, in het bijzonder voor jeugdwerkgelegenheid;

Rubriek 2

44.  verwelkomt de verhoging die de Commissie voorstelt van de vastleggingskredieten voor het nieuwe LIFE-programma voor milieu en klimaatactie en verwacht dat dit programma in 2015 volledig in werking zal zijn, en een eerste set van financiële instrumenten zal bieden; betreurt echter dat kleinere programma's zoals het LIFE-programma en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) het zwaarst door de Raad worden gekort binnen deze rubriek, zowel wat betreft de vastleggingen als de betalingen, wat gevolgen heeft voor de verwezenlijking van de overeengekomen doelstellingen; betreurt eveneens de ongegronde bezuinigingen die de Raad wil doorvoeren op de schoolfruit- en schoolmelkregelingen; besluit daarom alle door de Raad voorgestelde verlagingen ten opzichte van de OB af te wijzen;

45.  stemt ermee in dat extra steun nodig is om de gevolgen van het Russische invoerverbod voor bepaalde landbouw- en visserijproducten uit de Unie op te vangen; verwelkomt de noodhulpmaatregelen die de Commissie heeft genomen als eerste reactie op deze crisis; verhoogt daarom de medefinanciering door de Unie van afzetbevorderingsacties in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid met 30 miljoen EUR, om producenten te steunen bij het vinden van alternatieve verkoopmogelijkheden, en wijst een bijkomend bedrag van 5 miljoen EUR toe ter ondersteuning van vissers via het EFMZV; besluit eveneens om het beschikbare bedrag voor de schoolfruitregeling te verhogen met 7 miljoen EUR en voor de schoolmelkregeling met 4 miljoen EUR ten opzichte van de OB;

46.  is van mening dat noch GLB-kredieten noch andere kredieten uit de begroting mogen worden besteed aan de financiering van dodelijke stierengevechten; herinnert eraan dat dergelijke financiering een duidelijke schending is van het Europese Verdrag voor de bescherming van landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EG van de Raad);

47.  wijst erop dat, rekening houdend met alle amendementen binnen deze rubriek, met inbegrip van 2,9 miljoen EUR voor proefprojecten en voorbereidende acties, het totale bedrag voor rubriek 2 neerkomt op 59,3 miljard EUR, waardoor een marge overblijft van 293,4 miljoen EUR onder het maximum;

Rubriek 3

48.  benadrukt dat rubriek 3 slechts 1,5% van de totale Uniebegroting uitmaakt en daarmee in financiële toewijzingen de kleinste rubriek van het MFK is, maar terreinen bestrijkt die van cruciaal belang zijn voor de Europese burgers en voor de nationale regeringen, zoals asiel- en migratiebeleid en binnenlandse veiligheid; roept de Commissie en de Raad daarom op de financiële en politieke inspanningen in deze rubriek de komende jaren op te voeren;

49.  betreurt dat in de OB de vastleggingskredieten met 1,9% worden verlaagd van 2 171,998 EUR tot 2 130,721 miljoen EUR ten opzichte van de begroting 2014, waarmee een marge overblijft van circa 115 miljoen EUR; betreurt dat de Raad de vastleggingskredieten heeft verlaagd met nog eens 30,2 miljoen EUR ten opzichte van de OB en de betalingskredieten met nog eens 28,5 miljoen EUR ten opzichte van de OB (wat neerkomt op -1,42% voor de vastleggingskredieten en -1,51% voor de betalingskredieten); stelt daarbij vast dat rubriek 3 een van de sterkst door de Raad gekorte rubrieken is;

50.  is van mening dat de extra bezuinigingen door de Raad een belemmering zullen vormen voor een afdoende uitvoering van de programma's en acties van rubriek 3; benadrukt dat de bedragen op de OB gehandhaafd moeten worden voor de begrotingsonderdelen "Toezien op de bescherming van rechten en burgers meer zeggenschap geven" en "Bestrijding van discriminatie en bevordering van gelijkheid", die dienen ter uitvoering van het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap 2014 – 2020; hanteert daarom de algemene benadering om de bedragen op alle lijnen van deze rubriek weer te verhogen tot het niveau van de OB; besluit daarnaast om op een aantal specifieke lijnen de bedragen te verhogen tot boven de OB, voornamelijk voor de programma's Creatief Europa, Europa voor de burgers en Multimedia-acties en het gemeenschappelijk asielstelsel (met in totaal 53,2 miljoen EUR aan vastleggingen boven de OB, onder meer voor agentschappen, proefprojecten en voorbereidende acties);

51.  herinnert aan de gezamenlijke verklaring van de drie instellingen dat de jaarlijkse begrotingsprocedure in de jaarlijkse begrotingsprocedures die worden toegepast voor het MFK 2014-2020, waar passend, genderelementen zullen worden geïntegreerd; wijst erop dat verdere inspanningen op dit terrein nodig zijn en dat de drie instellingen een gemeenschappelijke benadering moeten hanteren om ervoor te zorgen dat bij de jaarlijkse begrotingsprocedures sprake is van doeltreffende gendermainstreaming; herhaalt dat genderanalyses integraal deel moeten uitmaken van de begrotingsprocedures van de Unie en dat alle belanghebbenden op alle niveaus actief bij dit proces betrokken moeten worden, ter ondersteuning van het streven van de Unie naar gendergelijkheid;

52.  brengt in herinnering dat de billijke en transparante verdeling van de beschikbare middelen over de diverse doelstellingen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie voor het Parlement een van de prioriteiten was tijdens de onderhandelingen die hebben geleid tot de instelling van dat fonds; verzoekt de Commissie dan ook het aantal begrotingsonderdelen die vallen onder het Fonds voor asiel, migratie en integratie te verhogen ter vergroting van het inzicht in en de transparantie van de wijze waarop de financiële middelen over de verschillende doelstellingen en dus ook over die begrotingsonderdelen worden verdeeld en besteed;

53.  stemt ermee in dat bijkomende steun nodig is voor het Europees burgerinitiatief; besluit daarom een nieuwe lijn in rubriek 3 in te voeren: "Uitvoering van Europese burgerinitiatieven en andere instrumenten van participatieve democratie", met 1 miljoen EUR aan vastleggingskredieten;

54.  benadrukt dat het noodzakelijk en belangrijk is om voortdurend te evalueren hoe alle fondsen en programma's worden uitgevoerd en de middelen worden gebruikt, om in een vroeg stadium mogelijke tekortkomingen vast te stellen en de doeltreffendheid te beoordelen;

Rubriek 4

55.  betreurt de verlagingen door de Raad van rubriek 4 (-0,83% aan vastleggingskredieten en -5,24% aan betalingskredieten), waardoor in deze rubriek het meest door de Raad is bezuinigd wat betreft betalingskredieten; herhaalt het feit dat rubriek 4 slechts 6% van de totale begroting van de Unie omvat, maar tegelijkertijd de buitenlandse dimensie van de Unie vertegenwoordigt en daarom voldoende middelen moet bevatten om de Unie in staat te stellen haar rol als wereldspeler te vervullen;

56.  veroordeelt ten strengste de verlaging door de Raad van de vastleggingskredieten voor humanitaire hulp, waardoor het probleem van achterstanden met onbetaalde rekeningen uit eerdere jaren niet verholpen kan worden en een doeltreffende uitvoering van dit beleid in gevaar wordt gebracht, wat levensbedreigend is voor de ontvangers van die hulp; benadrukt dat het niveau van de betalingskredieten voor de Reserve voor noodhulp overeen moet komen met het niveau van de vastleggingskredieten en dat deze kredieten in de begroting moeten worden opgenomen boven het maximum van het MFK voor de betalingen; benadrukt dat het verschil tussen de vastleggings- en betalingskredieten van de humanitaire hulp verkleind moet worden om rekening te houden met de korte bestedingscycli op dit terrein en om te breken met de gewoonte van het overdragen van achterstanden van onbetaalde rekeningen van voorgaande jaren; is sterk gekant tegen de nadelige gevolgen die verlagingen van de betalingen, met name uitgestelde betalingen en verrichtingen, die het gevolg zijn van een te krappe begroting, hebben voor humanitaire hulp, met name omdat in de perifere landen een groot aantal mensen te lijden heeft onder een toenemende instabiliteit; is van mening dat deze ontwikkelingen een treurig maar krachtig signaal geven dat een realistischer wijze van begroten onontbeerlijk is;

57.  herinnert aan de internationale toezegging die de Unie en haar lidstaten hebben gedaan om hun officiële ontwikkelingshulp (ODA) te verhogen tot 0,7% van het BNI en om de millenniumdoelstellingen tegen 2015 te bereiken, en roept daarom op tot een verhoging van de kredieten voor thematische gebieden die vallen onder het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, om zo bij te dragen aan het nakomen van de algemene toezeggingen op ontwikkelingsgebied voor de periode na 2015;

58.  spreekt opnieuw zijn steun uit voor het vredesproces in het Midden-Oosten en verklaart nogmaals vastbesloten te zijn toereikende financiering voor UNRWA en de Palestijnse Autoriteit te waarborgen door het niveau van de vastleggingskredieten te verhogen tot 35,5 miljoen EUR boven de OB; is verbluft dat de Raad de betalingskredieten op de OB voor UNRWA en de Palestijnse Autoriteit wederom heeft verlaagd, en wel met 2,4 miljoen EUR, zonder dit duidelijk te motiveren, en is van mening dat de bedragen voor deze lijn op de OB al te laag waren;

59.  benadrukt de noodzaak van het waarborgen van steun voor landen in het Oostelijk en Zuidelijk nabuurschap van de Unie die te maken hebben met enorme uitdagingen op het gebied van democratische overgang en consolidatie, economische en sociale ontwikkeling, immigratie en stabiliteit; benadrukt dat bijkomende inspanningen verricht moeten worden als reactie op de situatie in Oekraïne; roept daarom op om een bedrag van 203,3 miljoen EUR boven het bedrag op de OB toe te wijzen aan het Europees nabuurschapsinstrument, om de Unie in staat te stellen te voldoen aan zijn verplichtingen in het kader van het Oostelijk en Zuidelijk Nabuurschap;

60.  acht de verlagingen door de Raad van de lijnen die het Parlement als prioriteit heeft aangewezen onaanvaardbaar en stelt voor om de bedragen van de ontwerpbegroting te herstellen voor de lijnen die de Raad heeft verlaagd en om de vastleggingskredieten zelfs te verhogen tot boven de ontwerpbegroting voor een aantal lijnen die van strategisch belang zijn voor de buitenlandse betrekkingen van de EU, en wel met in totaal van 400,55 miljoen EUR (humanitaire hulp, het Europees nabuurschapsinstrument, het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, het instrument voor pretoetredingssteun, het Europees instrument voor democratie en mensenrechten, het stabiliteitsinstrument en PP/VA's); wijst erop dat deze verhogingen de marge van rubriek 4 en een bijkomend bedrag van 66 miljoen EUR voortvloeiend uit de vrijgekomen kredieten van lijnen die zijn verplaatst naar de EDEO-begroting, volledig benutten,

61.  acht het noodzakelijk om de kredieten voor de Turks-Cypriotische lijn te verhogen, ter waarborging van een continue financiële steun van de Unie voor het werk van het Comité inzake vermiste personen op Cyprus en van het technisch comité voor het cultureel erfgoed;

62.  hecht zijn goedkeuring aan de overplaatsing van de begrotingslijnen voor speciale EU-vertegenwoordigers (SVEU's) naar de EDEO-begroting teneinde een nauwere integratie van de SVEU's in de EDEO te ondersteunen, overeenkomstig het voorstel van de VV/HV in de EDEO-evaluatie, de aanbeveling van het Parlement van 13 juni 2013 en speciaal verslag nr. 11/2014 van de Europese Rekenkamer; verwacht dat de definitieve overplaatsing uiterlijk 1 januari 2016 zal zijn afgerond;

Rubriek 5

63.  herinnert eraan dat op de OB rekening is gehouden met de laatste hervormingen van het Personeelsstatuut, met inbegrip van wijzigingen van de berekening van de salaris- en pensioenaanpassingen en de geleidelijke inkrimping van het personeelsbestand;

64.  is teleurgesteld dat de Raad desondanks de kredieten in rubriek 5 heeft verlaagd met 27,6 miljoen EUR, waarvan 16,7 miljoen EUR afkomstig van de administratieve begroting van de Commissie voor uitgaven voor ambtenaren en tijdelijk personeel, ten gevolge van een verhoging van de forfaitaire verlaging;

65.  vindt dat deze verhoging van de forfaitaire verlaging (tot 4,5% voor het hoofdkwartier van de Commissie en tot 6% voor de delegaties) getuigt van willekeur, omdat de Commissie haar totale personeelsbestand voor het derde jaar achtereen verlaagt en haar raming van de vacatures betrouwbaar moet worden geacht, omdat deze gebaseerd is op de feitelijke behoeften van de instelling;

66.  wijst bovendien op de verklaring van de Raad die bij zijn standpunt is gevoegd, te weten "dat het belangrijk is nauwlettend toezicht te houden op de kredieten voor alle categorieën externe personeelsleden, in het licht van de aanvullende capaciteit die is ontstaan door de verlenging van de arbeidstijd", en op de tegelijkertijd doorgevoerde verlagingen van in totaal 20,8 miljoen EUR van uitgaven ter ondersteuning van verschillende beleidsterreinen; is niet alleen van mening dat dit soort verlagingen risico's oplevert, zoals hierboven genoemd, maar ook onvoldoende is gemotiveerd; herinnert eraan dat overeenkomstig het IIA van 2 december 2013 de veronderstelde overbodige capaciteit reeds geneutraliseerd had moeten zijn door een inkrimping van het personeelsbestand met 5% gedurende vijf jaar; wijst er in dit verband op dat de Commissie reeds verder is gegaan dan ze had toegezegd door te korten op personeel van alle categorieën, gefinancierd uit rubriek 5 maar ook uit andere rubrieken;

67.  herstelt daarom de bedragen van de OB op alle lijnen voor administratieve en ondersteunende uitgaven en op alle lijnen van rubriek 5 die de Raad heeft verlaagd;

68.  besluit om een deel van de kredieten in de reserve te plaatsen totdat de Commissie de regels inzake deskundigengroepen heeft gewijzigd en de volledige doorvoering ervan in alle DG's heeft gewaarborgd;

Agentschappen

69.  steunt in beginsel de ramingen van de Commissie voor de budgettaire behoeften van de agentschappen; wijst erop dat de Commissie de meeste kredieten die de agentschappen aanvankelijk hadden gevraagd reeds aanzienlijk had verlaagd;

70.  is daarom van mening dat de bijkomende verlagingen die de Raad voorstelt de goede werking van de agentschappen in gevaar zou brengen en hun zou beletten de taken uit te voeren die hun door de wetgevingsautoriteit zijn toebedeeld;

71.  gaat echter niet akkoord met de benadering die de Commissie hanteert ten opzichte van het personeel, waarbij het personeelsbestand van de agentschappen niet alleen verminderd moet worden met 1%, zoals voor alle instellingen en organen is overeengekomen in het politieke akkoord over het MFK, maar nog eens 1% moet bijdragen aan een "herindelingspool";

72.  benadrukt het feit dat de overeengekomen inkrimping van het personeelsbestand gebaseerd moet zijn op het organigram en de taken die golden op de referentiedatum 31 december 2012, en dat nieuwe taken voor de bestaande agentschappen of de oprichting van nieuwe agentschappen gepaard moeten gaan met aanvullende middelen;

73.  benadrukt dat de overeengekomen doelstelling van een verlaging met 5% behaald moet zijn tegen het einde van 2017, en dat de agentschappen enige speelruimte moeten hebben met betrekking tot de jaren waarin zij deze verlagingen willen doorvoeren, om gebruik te kunnen maken van het natuurlijk verloop onder het personeel, en de kosten voor het werkloosheidsstelsel van de Unie en van andere kosten in verband met de vroegtijdige beëindiging van arbeidsovereenkomsten zo laag mogelijk te kunnen houden;

74.  wijzigt daarom een aantal organigrammen van agentschappen op zodanige wijze dat de overeengekomen vermindering met 1% wordt doorgevoerd, met vergoedingen gefinancierde posten anders worden behandeld en het personeel wordt afgestemd op bijkomende taken;

75.  besluit de kredieten op de begroting 2015 te verhogen voor de drie agentschappen voor financieel toezicht; is van mening dat deze kredieten het feit moeten weerspiegelen dat de nodige taken moeten worden uitgevoerd, nu meer verordeningen, besluiten en richtlijnen zijn en worden goedgekeurd voor het overwinnen van de huidige financiële en economische crisis, die sterk verband houdt met de stabiliteit van de financiële sector;

76.  besluit tevens de kredieten te verhogen voor het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en het Bureau voor visserijcontrole, alsmede voor een aantal agentschappen in rubriek 3, met het oog op de bijkomende taken die hen zijn toebedeeld (Frontex, het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving en het Europees ondersteuningsbureau voor asielzaken);

Proefprojecten (PP's) en voorbereidende acties (VA's)

77.  besluit na een grondige analyse van de ingediende PP's en VA's, tegen de achtergrond van het slaagpercentage van de lopende projecten en acties, de initiatieven die al gedekt zijn door bestaande rechtsgronden buiten beschouwing latend en ten volle rekening houdend met de beoordeling door de Commissie van de uitvoerbaarheid van de projecten, een compromispakket goed te keuren met een beperkt aantal PP's en VA's, mede gelet op de beperkte marges die beschikbaar zijn;

Overige afdelingen

78.  herinnert eraan dat de administratieve uitgaven van alle instellingen, de pensioenen en de Europese scholen vallen onder rubriek 5 van het MFK; wijst erop dat de totale uitgaven van deze rubriek in 2015, zoals weergegeven in de OB, geraamd worden op 8 612,2 miljoen EUR (+2,5% ten opzichte van de begroting 2014), waardoor een marge onder het maximum overblijft van 463,8 miljoen EUR, terwijl de totale administratieve uitgaven van alle instellingen samen voor 2015 geraamd worden op 6 893,1 miljoen EUR (+1,6% ten opzichte van de begroting 2014), waarmee een submarge overblijft van 457,9 miljoen EUR;

79.  neemt kennis van het standpunt van de Raad over de OB, waarin zonder enige differentiatie een horizontale verlaging wordt doorgevoerd van de administratieve uitgaven voor de instellingen voor 2015 tot 6 865,6 miljoen EUR (-27,5 miljoen EUR, of -0,4%), waarmee de submarge kunstmatig wordt vergroot tot 485,4 miljoen EUR;

80.  is verbaasd dat de Raad dit jaar opnieuw lineaire verlagingen voorstelt op de administratieve uitgaven voor de instellingen; wijst er nogmaals op dat de begroting van elke instelling van de Unie, vanwege hun specifieke taken en situatie, afzonderlijk moet worden behandeld zonder te streven naar algemeen toe te passen oplossingen, rekening houdend met de specifieke ontwikkelingsfase, operationele taken, beheersdoelen, personeelsbehoefte en het gebouwenbeleid van elke instelling; is het zeer oneens met de benadering van de Raad om het percentage vacatures horizontaal te verhogen met een procentpunt, waarmee de marge kunstmatig wordt vergroot; benadrukt dat deze grotere marge, naast het eerdere schrappen van posten in verband met de vermindering van het personeel met 1%, bepaalde instellingen die bovengenoemde personeelsvermindering reeds hebben moeten verwerken, zou dwingen de aanwerving voor vacatures stop te zetten, wat hun functioneren kan belemmeren;

81.  wijst erop dat in de OB reeds de aanpassingen zijn verwerkt van 0,8% voor de salaris- en pensioenaanpassingen voor alle instellingen en organen in 2011 en 2012, alsmede de bevriezing voor 2013 en 2014; is ingenomen met het feit dat de meeste instellingen deze aanpassingen reeds hebben verwerkt in hun raming;

82.  benadrukt dat de Commissie, de Raad en het Parlement uit wederzijds respect hun goedkeuring dienen te hechten aan de begrotingsramingen van de twee takken van de begrotingsautoriteit, zonder deze te wijzigen;

83.  is van mening dat het Parlement en de Raad moeten streven naar zoveel mogelijk besparingen en efficiëntieverhogingen door middel van een voortdurende herbeoordeling van lopende en nieuwe taken, maar daarnaast een niveau van kredieten moeten vaststellen dat afdoende is om de goede werking van de instellingen, de eerbiediging van interne en externe wettelijke verplichtingen en de levering van een hoogwaardige openbare dienst te waarborgen; herinnert eraan dat nieuwe taken, voortvloeiend uit het Verdrag van Lissabon, zonder aanvullende financiering moesten worden geïmplementeerd;

84.  complimenteert alle andere instellingen met de besparingen en efficiëntieverhogingen die zij reeds op hun ontwerpbegrotingen hebben doorgevoerd; benadrukt dat een accuraat, doeltreffend, transparant en controleerbaar gebruik van Uniemiddelen een van de belangrijkste manieren is om het vertrouwen van de burgers in de Unie te versterken; juicht de inspanningen van de instellingen toe die gericht zijn op verdere verhoging van de transparantie, de administratieve efficiency, een goed financieel beheer en het stellen van prioriteiten; is van mening dat alle instellingen van de Unie in gelijke mate moeten blijven voldoen aan strenge transparantievereisten;

85.  herstelt het niveau van de verlagingen zoals aanvankelijk gevraagd door het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Europese Dienst voor Extern Optreden en zoals horizontaal gewijzigd door de Raad, en herstelt de niveaus op de OB van de respectievelijke begrotingslijnen;

Afdeling I – Europees Parlement

86.  herinnert eraan dat de ontwerpraming voor 2015 was gesteld op 1 794 929 112 EUR, wat een toename met 2,24% ten opzichte van 2014 inhoudt; benadrukt echter dat 0,67% van deze verhoging verband houdt met de wettelijk verbindende uitzonderlijke overgangstoelage aan het einde van het mandaat van de leden, en dat 0,4% verband houdt met het akkoord over de aanpassing van de salarissen en pensioenen voor 2011-2012; benadrukt dat het niveau van overige uitgaven daarmee slechts met 1,18% stijgt ten opzichte van 2014;

87.  benadrukt dat het Parlement en de Raad voor het verwezenlijken van langetermijnbesparingen op de begroting van de Unie zich moeten beraden op een routekaart voor het vaststellen van een enkele zetel voor het Parlement, waar het Parlement in meerdere resoluties op heeft aangedrongen;

88.  verwelkomt de herziene nota van de secretaris-generaal van 17 september 2014, waarin hij voorstelt de recente besluiten en technische aanpassingen van het Bureau te verwerken in de begroting; wijst erop dat deze wijzigingen begrotingsneutraal zijn; stemt in met deze aanpassingen van zijn raming;

89.  verlaagt het aantal posten op de personeelsformatie van het Parlement om de personeelsvermindering door te voeren die is afgesproken bij de hervorming van het Personeelsstatuut;

90.  benadrukt dat de activiteiten van de fracties geen verband houden met hun administratieve werkzaamheden; wijst erop dat de fracties hun personele middelen sinds 2012 hebben bevroren en dat in de vorige twee begrotingsjaren slechts gedeeltelijk aan hun behoeften is tegemoet gekomen; benadrukt dat het totale personeelsbestand van de fracties in 2015 en de jaren daarna niet lager mag zijn dan het huidige niveau; herinnert eraan dat een daartoe strekkend besluit door het Parlement al in de vorige zittingsperiode is genomen(10);

91.  stelt vast dat de geraamde kosten voor het KAD-project 441,27 miljoen EUR in huidige prijzen bedragen (406,22 miljoen in constante prijzen) en dat de financiële behoeften voor het KAD-project in 2015 neerkomen op 128,91 miljoen EUR (29% van de totale kosten); benadrukt dat, met inbegrip van de reeds beschikbaar gestelde en nog niet gebruikte begrotingsmiddelen, de financiële behoeften in 2015 worden geraamd op 84,8 miljoen EUR; is van mening dat dit bedrag aanzienlijk kan worden verlaagd door een overschrijving aan het eind van 2014 en dat het resterende deel gefinancierd moet worden met leningen; herinnert eraan dat door de bouw van het KAD-gebouw de totale betalingen per jaar in de toekomst veel lager zullen uitvallen dan de uitgaven voor de huur van vergelijkbare gebouwen;

92.  besluit de kredieten voor de financiering van de Europese politieke stichtingen te verhogen met 3 miljoen EUR, om te waarborgen dat politieke stichtingen hun activiteiten ongehinderd kunnen uitoefenen, waarbij eveneens alle fracties aan bod komen, en ze ook meer onderzoek kunnen verrichten en meer kunnen werken aan het verspreiden en ter tafel brengen van ideeën om de Europese integratie te bevorderen; benadrukt dat deze verhoging zal worden gecompenseerd uit de reserve voor onvoorziene uitgaven en daarmee begrotingsneutraal zal zijn; stelt het totale niveau van zijn begroting voor 2015 daarmee vast op 1 794 929 112 EUR; wijst erop dat dit een verhoging van 0% inhoudt ten opzichte van zijn raming, zoals aangenomen op de plenaire vergadering van 17 april 2014;

93.  is ingenomen met het besluit van de gezamenlijke werkgroep om leden aan te bevelen voor korte vluchten gebruik te maken van economy class; vraagt de secretaris-generaal uiterlijk eind 2015 een evaluatie te presenteren van de resultaten van deze aanbeveling;

94.  verwelkomt de resultaten die de gezamenlijke werkgroep heeft geformuleerd na de evaluatie van mogelijke besparingen in verband met de uitgaven voor voertuigen en chauffeurs; verwacht dat deze besparingen de komende jaren op de begroting zichtbaar zullen worden;

Afdeling IV – Hof van Justitie

95.  benadrukt dat, ongeacht de ongekende toename van het aantal zaken, de Commissie heeft besloten om 12 nieuwe posten te verwijderen van de OB van het Hof van Justitie die bedoeld waren om knelpunten te voorkomen en het risico van een uitspraak die niet binnen een redelijke termijn wordt gegeven zoveel mogelijk te beperken; benadrukt dat de Commissie daarmee de productiviteit van de drie rechtbanken in gevaar brengt tegen de achtergrond van de voortdurende en ongekende toename van het aantal nieuwe zaken, en daarmee een ernstig risico voor de begroting creëert;

96.  hecht zijn goedkeuring aan de invoering van 12 nieuwe posten, zoals aanvankelijk gevraagd door het Hof van Justitie; verhoogt in verband daarmee de desbetreffende begrotingslijnen en past de personeelsformatie van het Hof van Justitie aan overeenkomstig zijn begrotingsraming;

97.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 3% om te waarborgen dat het Hof van Justitie de voortdurende toenemende werklast op adequate wijze kan verwerken en ten volle gebruik kan maken van zijn personeelsformatie; benadrukt dat de door de Raad voorgestelde verlaging volledig in tegenspraak is met de personeelsbezetting van 98% (het hoogst mogelijk percentage indien rekening wordt gehouden met de onvermijdelijke effecten van verloop onder het personeel in de loop van het jaar), met een uitvoeringspercentage voor bezoldigingen van bijna 99% in 2013;

98.  benadrukt dat het Gerecht, ondanks zijn aanzienlijke inspanningen, de groeiende werklast niet meer kan dragen; benadrukt dat deze algemene stijgende tendens volledig wordt bevestigd door de tot nu toe beschikbare gegevens van 2014 en zal blijven voortduren, onder meer gezien de wijzigingen voortvloeiend uit het Verdrag van Lissabon (dat de jurisdictie van het Hof met ingang van 1 december 2014 uitbreidt op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht) en de toetreding van Kroatië;

99.  benadrukt dat, ondanks de tot nu toe genomen ingrijpende initiatieven op het gebied van de productie, het aantal hangende zaken blijft toenemen (+25% in 2013, +6% tot eind juni 2014), terwijl het risico op claims in verband met het uitblijven van een uitspraak binnen een redelijke termijn (met name in zaken voor het Gerecht, waar de last van het aantal zaken nauwelijks te dragen is) werkelijkheid is geworden, nu in juni 2014 om die reden een eerste klacht is ingediend, met mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de Unie; benadrukt dat vertragingen bij het doen van een uitspraken binnen redelijke termijn door het Gerecht, en in het bijzonder op het gebied van mededingingsrecht, de werking van de interne markt ernstig ondermijnen en een werkelijke bedreiging kunnen vormen voor de begroting van de Unie;

100.  herinnert aan het beginselakkoord tussen het Parlement en de Raad waarin is afgesproken dat het aantal rechters moet worden verhoogd; benadrukt dat in deze omstandigheden zo snel mogelijk overeenstemming moet worden bereikt over de benoeming van extra rechters bij het Gerecht; plaatst 2 miljoen EUR in de reserve voor de benoeming van negen nieuwe rechters en verzoekt het Hof aan de Raad en het Europees Parlement een actuele evaluatie voor te leggen van de bijkomende financiële behoeften voor nieuwe rechters en personeel; verwacht dat de Raad zo snel mogelijk overeenstemming zal bereiken en dat de wetgevingsprocedure uiterlijk 1 oktober 2015 zal zijn afgerond; dringt erop aan dat de behoefte aan bijkomend personeel in verband met de benoeming van negen rechters op zorgvuldige wijze wordt beoordeeld;

Afdeling V – Europese Rekenkamer

101.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 2,1%, om de Rekenkamer in staat te stellen te voldoen aan zijn behoeften in verband met de personeelsformatie;

102.  neemt de bedragen van de OB weer over voor wat betreft de begrotingslijnen voor het salaris voor overig personeel, om de Rekenkamer in staat te stellen zijn juridische verplichtingen jegens zijn personeel na te komen;

Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité en Afdeling VII – Comité van de Regio's en de tenuitvoerlegging van de samenwerkingsovereenkomst met het Europees Parlement

103.  herinnert eraan dat, overeenkomstig de samenwerkingsovereenkomst van 5 februari 2014, tot maximaal 80 posten overgeplaatst moet worden van de twee comités naar het Parlement en dat de kredieten voor de uitbreiding van hun politieke activiteiten en bijkomende behoeften voor de uitbesteding van vertalingen overeen verhoogd moeten worden;

104.  stelt vast dat in 2015 naar verwachting minimaal 60 posten overgeplaatst zullen worden naar het Parlement en dat deze overplaatsing in twee fases zal plaatsvinden, de eerste fase vanaf 1 oktober 2014 en de tweede later in 2015; neemt in de begroting de aanpassingen op in verband met de overplaatsing van 42 posten (30 posten van het EESC en 12 van het CvdR) in het kader van de uitvoering van de eerste fase, en plaatst de helft van de kredieten, overeenkomend met de overplaatsing van de verwachte bijkomende posten (minimaal 6 van het EESC en minimaal 12 van het CvdR) in de reserve, die vrijgemaakt zal worden zodra het definitieve besluit over de resterende overplaatsing wordt genomen; verwacht dat de definitieve overplaatsing uiterlijk juli 2015 zal zijn afgerond;

105.  verwelkomt de huidige samenwerking tussen de twee comités op administratief gebied en moedigt ze aan deze samenwerking verder te versterken, aangezien gezamenlijke doelen en besparingen verwezenlijkt kunnen worden; verzoekt het EESC en het CvdR na te gaan hoe hun structurele en organisatorische hervormingen op gecoördineerde wijze kunnen worden uitgevoerd door middel van versterkte bilaterale samenwerking;

Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité

106.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 4,5%, om het Europees Economisch en Sociaal Comité in staat te stellen de aanhoudende vermindering van zijn personeel te verwerken;

Afdeling VII – Comité van de Regio's

107.  benadrukt dat de begroting van het Comité van de Regio's voor 2015 gekenmerkt zal zijn door een toename van zijn politieke activiteiten, aangezien het nieuwe (6e) mandaat van het CvdR in februari 2015 zal beginnen en dit het eerste jaar zal zijn waarin de aanwezigheid van de 5e fractie in het CvdR (ECR-fractie) volledig in de begroting zal zijn verwerkt;

108.  is het zeer oneens met de verlaging door de Commissie van de uitgaven in verband met de politieke activiteiten en bijbehorende kosten en in verband met de voorlichtings- en communicatieactiviteiten van het CvdR; verhoogt de desbetreffende begrotingslijnen met het oog op de aanvang van het nieuwe mandaat van het CvdR;

Afdeling VIII – Europese Ombudsman

109.  wijst erop dat de Raad de ontwerpbegroting van de Ombudsman met 1,7% heeft verlaagd; benadrukt dat deze verlaging een ernstige last zal vormen voor de zeer beperkte begroting van de Ombudsman en belangrijke gevolgen zal hebben voor de tenuitvoerlegging van de nieuwe strategie van de Ombudsman en de mogelijkheden van die instelling om de Europese burgers op efficiënte en doeltreffende wijze van dienst te zijn; maakt daarom alle verlagingen door Raad ongedaan om de Ombudsman in staat te stellen zijn/haar mandaat en verplichtingen te vervullen;

Afdeling IX – Europese toezichthouder voor gegevensbescherming

110.  herinnert eraan dat, zonder rekening te houden met de onvermijdelijke juridische verplichtingen zoals uitgaven in verband met het einde van het mandaat van de leden van de EDPS of salarisaanpassingen, de verhoging ten opzichte van de begroting 2014 voornamelijk verband houdt met de oprichting van de taskforce van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB), alsmede met de nieuwe specifieke activiteiten die zijn vastgesteld voor de periode 2014-2020;

111.  neemt de bedragen van de OB weer over voor wat betreft de begrotingslijnen in verband met het nieuwe mandaat van de EDPS, de oprichting van een ESPS-taskforce, en ter waarborging van de goede werking van de instelling, in het bijzonder met het oog op de nieuwe strategie voor 2014-2020 van de EDPS; benadrukt dat horizontale bezuinigingen op de uitgaven uiterst nadelige gevolgen kunnen hebben en contraproductief kunnen zijn, vooral voor een zo kleine instelling;

Afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden

112.  herinnert de Raad eraan dat de oprichting van de EDEO een besluit van de lidstaten was en dat deze dienst voldoende middelen moet hebben om zijn taken uit te kunnen voeren; verzoekt de lidstaten na te gaan of synergieën mogelijk zijn tussen nationale ambassades en de EDEO, zoals het gezamenlijk gebruik van gebouwen, beveiliging en samenwerking op administratief gebied;

113.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 5,3% voor het hoofdkwartier van de EDEO, 2,7% voor de delegaties en 27% voor de gedetacheerde nationale militaire deskundigen, en herstelt de kredieten zoals gevraagd op de OB; benadrukt dat een verhoging van de forfaitaire verlaging zoals voorgesteld een vermindering van het personeel zou betekenen die verder gaat dan de verplichte inkrimping van de personeelsformatie met 1% en daarmee de werking en ontwikkeling van die nieuwe orgaan met toenemende taken zou belemmeren;

114.  neemt de bedragen van de OB weer over voor alle begrotingslijnen die door de Raad zijn verlaagd, met name in verband met de kredieten voor de beveiliging van de communicatie van de EDEO, om de hoge vertegenwoordiger en het hoger personeel in staat te stellen op doeltreffende wijze deel te nemen aan uiterst delicate onderhandelingen;

115.  dringt erop aan dat de communicatiesystemen van de EDEO worden beveiligd tegen onbevoegde toegang, en dat er veilige en moderne systemen worden ingevoerd voor de communicatie tussen de EDEO en de lidstaten enerzijds, en tussen het hoofdkwartier en de delegaties anderzijds;

116.  steunt het voorstel van de hoge vertegenwoordiger om op de begroting van de EDEO kredieten op te nemen voor het openen van een nieuwe delegatie in de Golfregio, waar de Unie ondervertegenwoordigd is(11); verhoogt daarom de desbetreffende begrotingslijnen, zoals de EDEO in zijn raming heeft gevraagd;

117.  schrijft de kredieten voor "gezamenlijke administratieve kosten" voor het personeel van de Commissie in delegaties over van Afdeling III (Commissie) naar Afdeling X (EDEO) van de begroting; benadrukt dat deze overschrijving begrotingsneutraal is en geen verdere gevolgen heeft voor de administratieve kredieten van de Commissie, noch op de arbeidsomstandigheden van personeel van de Commissie in delegaties, en aansluit bij de vereenvoudiging van het beheer van administratieve uitgaven van de EU-delegaties, zoals gevraagd door de EDEO en de Raad, en als punt van aandacht genoemd in een recent verslag van de Rekenkamer; dringt erop aan dat deze overschrijving wordt uitgevoerd in goede samenwerking tussen de EDEO en de Commissie; roept de Raad op de begrotingsneutraliteit van deze overeenkomst te eerbiedigen;

o
o   o

118.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(2) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0247.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0450.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0358.
(8) http://ec.europa.eu/about/juncker-commission/docs/pg_nl.pdf
(9) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio ' s van 2 juli 2014: Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa (COM(2014)0398).
(10) Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (P7_TA(2013)0437).
(11) Resolutie van het Europees Parlement van 3 april 2014 over de EU-strategie ten aanzien van Iran (Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0339).

Juridische mededeling