Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/0807(CNS)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0028/2014

Ingediende teksten :

A8-0028/2014

Debatten :

PV 25/11/2014 - 21
CRE 25/11/2014 - 21

Stemmingen :

PV 26/11/2014 - 12.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0062

Aangenomen teksten
PDF 258kWORD 94k
Woensdag 26 november 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen *
P8_TA(2014)0062A8-0028/2014

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 november 2014 over de ontwerpverordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2532/98 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (10896/2014 – C8-0090/2014 – 2014/0807(CNS))

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Europese Centrale Bank (10896/2014 – ECB/2014/19),

–  gezien artikelen 129, lid 4, en 132, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 34, lid 3, en 41 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0090/2014),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0028/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het in de aanbeveling van de Europese Centrale Bank voorgestelde ontwerp, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het in de aanbeveling van de Europese Centrale Bank voorgestelde ontwerp;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Europese Centrale Bank en de Commissie.

Ontwerp van de Europese Centrale Bank   Amendement
Amendement 1
Ontwerp van verordening
Overweging 6
(6)   De ECB dient besluiten te publiceren waarbij administratieve geldelijke boetes worden opgelegd vanwege schendingen van rechtstreeks toepasbaar Unierecht en sancties vanwege schendingen van ECB-verordeningen of –besluiten op zowel toezichtgebied als niet-toezichtgebied, tenzij een dergelijke publicatie disproportioneel zou zijn gezien de ernst van een aan een onderneming opgelegde sanctie of indien dit de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen.
(6)   De ECB dient als hoofdregel besluiten waarbij administratieve geldelijke boetes worden opgelegd vanwege schendingen van rechtstreeks toepasbaar Unierecht en sancties vanwege schendingen van ECB-verordeningen of –besluiten op zowel toezichtgebied als niet-toezichtgebied, onverwijld bekend te maken. Indien de ECB van oordeel is dat de onmiddellijke bekendmaking van een besluit de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen of disproportioneel zou zijn gezien de ernst van een aan een onderneming opgelegde administratieve geldelijke boete of sanctie, moet zij de bekendmaking van het besluit kunnen uitstellen tot drie jaar na de datum waarop het besluit is genomen, of totdat daartegen geen beroep meer mogelijk is. Op verzoek dient de ECB over dergelijke gevallen achter gesloten deuren vertrouwelijke mondelinge besprekingen te voeren met de voorzitter en de ondervoorzitters van de bevoegde commissie van het Europees Parlement. De ECB moet in een bijlage bij het bekendgemaakte besluit een verklaring geven voor de vertraging die is opgetreden.
Amendement 2
Ontwerp van verordening
Overweging 6 bis (nieuw)

(6 bis)  Artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 schrijft nadrukkelijk voor dat de ECB bij haar optreden ten volle rekening moet houden met en zorg moet dragen voor de eenheid en de integriteit van de interne markt, die op gelijke behandeling van de kredietinstellingen berust ter voorkoming van regelgevingsarbitrage en dat geen handeling, voorstel of beleidsmaatregel van de ECB direct of indirect een lidstaat of groep lidstaten mag discrimineren die als platform fungeert voor het verstrekken van bancaire of financiële diensten in welke valuta dan ook. In dit verband dient de ECB metterdaad te voorkomen dat er een comparatief voordeel ontstaat dat oneerlijke concurrentie bevordert.
Amendement 3
Ontwerp van verordening
Overweging 9
(9)  Artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 legt het scheidingsbeginsel vast, waarbij de ECB de krachtens Verordening (EU) nr. 1024/2013 aan haar opgedragen taken gescheiden uitoefent van, en zonder afbreuk te doen aan, de monetaire beleidstaken en andere taken. Ter versterking van dit scheidingsbeginsel is een Raad van toezicht ingesteld op basis van artikel 26, die onder meer verantwoordelijk is voor de voorbereiding van ontwerpbesluiten voor de Raad van bestuur van de ECB op toezichtgebied. Daarnaast zijn de door de Raad van bestuur van de ECB genomen besluiten, krachtens de voorwaarden van artikel 24 daarvan, onderworpen aan toetsing door de Administratieve Raad voor Toetsing. Rekening houdend met het scheidingsbeginsel en de instelling van de Raad van toezicht en de Administratieve Raad voor Toetsing, dienen twee aparte procedures van toepassing te zijn: a) indien de ECB het opleggen van administratieve boetes overweegt in het kader van uitoefening van haar toezichttaken, worden besluiten daartoe genomen door de Raad van bestuur van de ECB op basis van een compleet ontwerpbesluit van de Raad van toezicht en afhankelijk van toetsing door de administratieve raad voor toetsing; en b) indien de ECB het opleggen van sancties overweegt in het kader van de uitoefening van haar niet-toezichttaken, worden besluiten daartoe genomen door de directie van de ECB, afhankelijk van toetsing door de Raad van bestuur van de ECB.
(9)  Artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 legt het scheidingsbeginsel vast, waarbij de ECB de krachtens Verordening (EU) nr. 1024/2013 aan haar opgedragen taken gescheiden uitoefent van, en zonder afbreuk te doen aan, de monetaire beleidstaken en andere taken. Om belangenconflicten te vermijden, moet dit beginsel bij elk optreden van de ECB onverkort worden toegepast. Ter versterking van dit scheidingsbeginsel is een Raad van toezicht ingesteld op basis van artikel 26, die onder meer verantwoordelijk is voor de voorbereiding van ontwerpbesluiten voor de Raad van bestuur van de ECB op toezichtgebied. Daarnaast zijn de door de Raad van bestuur van de ECB genomen besluiten, krachtens de voorwaarden van artikel 24 daarvan, onderworpen aan toetsing door de Administratieve Raad voor Toetsing. Rekening houdend met het scheidingsbeginsel en de instelling van de Raad van toezicht en de Administratieve Raad voor Toetsing, dienen twee aparte procedures van toepassing te zijn: a) indien de ECB het opleggen van administratieve boetes overweegt in het kader van uitoefening van haar toezichttaken, worden besluiten daartoe genomen door de Raad van bestuur van de ECB op basis van een compleet ontwerpbesluit van de Raad van toezicht en afhankelijk van toetsing door de administratieve raad voor toetsing; en b) indien de ECB het opleggen van sancties overweegt in het kader van de uitoefening van haar niet-toezichttaken, worden besluiten daartoe genomen door de directie van de ECB, afhankelijk van toetsing door de Raad van bestuur van de ECB.
Amendement 4
Ontwerp van verordening
Overweging 10 bis (nieuw)

(10 bis)  Gezien de mondialisering van bankdiensten en het toegenomen belang van internationale normen, dient de ECB, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten, een regelmatige dialoog te voeren met toezichthouders van buiten de Unie om de internationale coördinatie te bevorderen en overeenstemming te bereiken over gemeenschappelijke beginselen voor het opleggen en de toepassing van sancties. Deze dialoog moet o.a. resulteren in een gemeenschappelijk inzicht in de implicaties die het gevolg kunnen zijn van een divergerend sanctiebeleid met betrekking tot markttoegang en concurrentie, en moet erop gericht zijn de internationale concurrentieverhoudingen te verbeteren.
Amendement 5
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 1 – punt 6
‘dwangsommen’: door een onderneming te betalen geldbedragen, als sanctie voor een geval van voortdurende niet-naleving, of met het oog op het dwingen van de betrokken personen tot naleving van de ECB-toezichtverordeningen en –besluiten. Dwangsommen worden in rekening gebracht voor elke dag dat de niet-naleving voortduurt (a) gerekend vanaf de dag van kennisgeving van een beschikking krachtens artikel 3, lid 1, tweede alinea, die beëindiging van de niet-naleving voorschrijft; of (b) indien de voortdurende niet-naleving valt onder artikel 18, lid 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen*, in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikel 4ter van deze Verordening;
(6)  "dwangsommen": door een onderneming te betalen geldbedragen, als sanctie voor een geval van voortdurende niet-naleving, of met het oog op het dwingen van de betrokken personen tot naleving van de ECB-toezichtverordeningen en –besluiten. Dwangsommen worden in rekening gebracht voor elke volledige dag dat de niet-naleving voortduurt (a) gerekend vanaf de dag van kennisgeving van een beschikking krachtens artikel 3, lid 1, tweede alinea, die beëindiging van de niet-naleving voorschrijft; of (b) indien de voortdurende niet-naleving valt onder artikel 18, lid 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen*, in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikel 4ter van deze Verordening;
____________
_____________
(*) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(*) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
Amendement 6
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 1 bis – lid 3
3.   De ECB kan ieder besluit tot oplegging van een administratieve geldelijke sanctie aan een onderneming wegens schendingen van direct toepasselijk Unierecht en sancties vanwege schendingen van ECB-verordeningen of -besluiten, zulks zowel op toezichtgebied alsook op niet-toezichtgebied publiceren, ongeacht of hiertegen beroep is ingesteld of niet. De ECB verricht een dergelijke publicatie in overeenstemming met het betreffende Unierecht, onafhankelijk van nationale wetten of regelingen, en tevens, indien het betreffende Unierecht bestaat uit richtlijnen, nationale wetgeving die deze richtlijnen implementeren.
3.   Na kennisgeving aan de betrokken onderneming dient de ECB volgens een transparante procedure en transparante regels die zij openbaar maakt, in de regel onverwijld ieder besluit bekend te maken tot oplegging van een administratieve geldelijke sanctie aan een onderneming wegens schendingen van direct toepasselijk Unierecht en sancties vanwege schendingen van ECB-verordeningen of -besluiten, zulks zowel op toezichtgebied alsook op niet-toezichtgebied, voor zover tegen dat besluit geen beroep meer mogelijk is. Indien de ECB van oordeel is dat de onmiddellijke bekendmaking van een besluit de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen of disproportioneel zou zijn gezien de ernst van de aan een onderneming opgelegde administratieve geldelijke boete of sanctie, moet zij de bekendmaking van het besluit kunnen uitstellen tot drie jaar na de datum waarop het besluit is genomen. Op verzoek dient de ECB over dergelijke gevallen achter gesloten deuren vertrouwelijke mondelinge besprekingen te voeren met de voorzitter en de ondervoorzitters van de bevoegde commissie van het Europees Parlement. De ECB moet in een bijlage bij het bekendgemaakte besluit een verklaring geven voor de vertraging die is opgetreden. De ECB verricht een dergelijke bekendmaking naar gelang het geval en in overeenstemming met de in het betreffende Unierecht gestipuleerde voorwaarden, onafhankelijk van nationale wetten of regelingen, en tevens, indien het betreffende Unierecht bestaat uit richtlijnen, nationale wetgeving die deze richtlijnen implementeren.
Amendement 7
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 1 bis – lid 3 bis (nieuw)

3 bis.  Onverminderd de andere specifieke bevoegdheden die zij aan het nationale recht ontlenen, blijven de bevoegde nationale autoriteiten bevoegd tot oplegging van administratieve boetes, maar mogen zij deze boetes slechts opleggen aan onder direct toezicht van de ECB staande kredietinstellingen indien zij door de ECB zijn verzocht een procedure voor dit doel in te leiden.
Amendement 15
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 4 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 3 – lid 9

(a bis) Lid 9 wordt vervangen door:
9.  De opbrengst van sancties die door de ECB zijn opgelegd, komt aan de ECB toe.
"9. De opbrengst van sancties die door de ECB zijn opgelegd, komt aan de ECB toe. De opbrengst van sancties die door de ECB bij de uitoefening van haar toezichthoudende taken zijn opgelegd, inclusief het verzamelen van statistische informatie, komt toe aan het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds."
Amendement 8
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 4 – letter b
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 3 – lid 10
Als de niet-naleving uitsluitend verband houdt met een krachtens de ESCB-statuten en het Verdrag aan het ESCB of de ECB opgedragen taak, kan een niet-nalevingsprocedure alleen op grond van deze verordening worden ingeleid, ongeacht eventuele bestaande nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die voorzien in een aparte procedure. Als de niet-naleving tevens verband houdt met een of meer gebieden die buiten de bevoegdheid van het ESCB of de ECB vallen, bestaat het recht om een niet-nalevingsprocedure krachtens deze verordening in te leiden ongeacht enig recht van een bevoegde nationale instantie om andere procedures in te leiden in verband met deze buiten de bevoegdheid van het ESCB of de ECB vallende gebieden. Deze bepaling geldt onverminderd de toepassing van het strafrecht en de bevoegdheden op het gebied van bedrijfseconomisch toezicht in de deelnemende lidstaten, in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad.”;
10.  Als de niet-naleving uitsluitend verband houdt met een krachtens de ESCB-statuten en het Verdrag aan het ESCB of de ECB opgedragen taak, kan een niet-nalevingsprocedure alleen op grond van deze verordening worden ingeleid, ongeacht eventuele bestaande nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die voorzien in een aparte procedure. Als de niet-naleving tevens verband houdt met een of meer gebieden die buiten de bevoegdheid van het ESCB of de ECB vallen, bestaat het recht om een niet-nalevingsprocedure krachtens deze verordening in te leiden ongeacht enig recht van een bevoegde nationale instantie om andere procedures in te leiden in verband met deze buiten de bevoegdheid van het ESCB of de ECB vallende gebieden. Deze bepaling geldt onverminderd de toepassing van het strafrecht en de bevoegdheden op het gebied van bedrijfseconomisch toezicht in de deelnemende lidstaten, in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad. Bovendien valt de opbrengst van de in artikel 2 van deze verordening bedoelde sancties toe aan de ECB, met dien verstande dat deze daaraan een andere bestemming moet geven dan de financiering van lopende uitgaven, en zij over het gebruik daarvan rekenschap dient af te leggen aan het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer.
Amendement 9
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 4 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 4 – lid 1

4 bis.  Lid 1 in artikel 4 wordt vervangen door:
1.   Het recht te besluiten een niet-nalevingsprocedure in te leiden in de zin van deze verordening vervalt een jaar na het moment waarop ofwel de ECB ofwel de nationale centrale bank van de lidstaat in wiens rechtsgebied het vermeende geval van niet-naleving zich heeft voorgedaan, kennis heeft gekregen van het bestaan ervan, en in elk geval vijf jaar na de datum waarop het geval van niet-naleving zich heeft voorgedaan, of, in het geval van een voortdurende niet-naleving, vijf jaar na beëindiging van de niet-naleving.
"1. Het recht te besluiten een niet-nalevingsprocedure in te leiden in de zin van deze verordening vervalt een jaar na het moment waarop ofwel de ECB ofwel de nationale centrale bank van de lidstaat in wiens rechtsgebied het vermeende geval van niet-naleving zich heeft voorgedaan, kennis heeft gekregen van het bestaan ervan, en in elk geval drie jaar na de datum waarop het besluit tot inleiding van een niet-nalevingsprocedure is genomen, of, in het geval van een voortdurende niet-naleving, drie jaar na beëindiging van de niet-naleving."
Amendement 10
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 5
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 4 c – lid 1
1.   In afwijking van artikel 4 vervalt het recht tot het nemen van een besluit tot oplegging van een administratieve boete met betrekking tot niet-naleving van rechtstreeks toepasselijke Unierechthandelingen alsmede besluiten en verordeningen die door de ECB zijn vastgesteld in de uitoefening van haar toezichtstaken vijf jaar nadat de niet-naleving zich heeft voorgedaan of, in een geval van voortdurende niet-naleving, vijf jaar nadat de niet-naleving eindigde.
1.   In afwijking van artikel 4 vervalt het recht tot het nemen van een besluit tot oplegging van een administratieve boete met betrekking tot niet-naleving van rechtstreeks toepasselijke Unierechthandelingen alsmede besluiten en verordeningen die door de ECB zijn vastgesteld in de uitoefening van haar toezichtstaken vijf jaar na de datum waarop het besluit tot inleiding van een niet-nalevingsprocedure is genomen of, in een geval van voortdurende niet-naleving, vijf jaar nadat de niet-naleving eindigde.
Amendement 11
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 5
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 4 c – lid 2
2.   Acties die door de ECB worden ondernomen in het kader van het onderzoek van of procedures met betrekking tot niet-naleving hebben als gevolg dat de in lid 1 bedoelde termijn wordt gestuit. De verjaringstermijn wordt gestuit met ingang van de datum waarop de betreffende onder toezicht staande entiteit in kennis wordt gesteld van de actie. Iedere stuiting zorgt ervoor dat de termijn opnieuw aanvangt. De termijn is echter niet langer dan een periode van 10 jaar nadat de niet-naleving zich voordeed of, in een geval van voortdurende niet-naleving, 10 jaar nadat de niet-naleving eindigde.
2.   Acties die door de ECB worden ondernomen in het kader van het onderzoek van of procedures met betrekking tot niet-naleving hebben als gevolg dat de in lid 1 bedoelde termijn wordt gestuit. De verjaringstermijn wordt gestuit met ingang van de datum waarop de betreffende onder toezicht staande entiteit in kennis wordt gesteld van de actie. Iedere stuiting zorgt ervoor dat de termijn opnieuw aanvangt. De termijn is echter niet langer dan een periode van zeven jaar na de datum waarop het besluit tot inleiding van een niet-nalevingsprocedure is genomen of, in een geval van voortdurende niet-naleving, zeven jaar nadat de niet-naleving eindigde.
Amendement 12
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 5
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 4 c – lid 4 bis (nieuw)

4 bis.  Tot de acties die tot gevolg hebben dat de verjaringstermijn wordt gestuit, moeten met name worden gerekend:

a)  een schriftelijk verzoek om informatie van de zijde van de ECB of van de bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat;

b)  door de ECB of een bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat aan functionarissen verstrekte schriftelijke volmachten om inspecties te verrichten;

c)  de inleiding van een niet-nalevingsprocedure door de bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat.
Amendement 13
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 5 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 5

5 bis.  Artikel 5 wordt vervangen door:
Artikel 5
Artikel 5
Toetsing door de rechter
Toetsing door de rechter
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft volledige rechtsmacht in de zin van artikel 172 van het Verdrag met betrekking tot de herziening van definitieve besluiten waarbij een sanctie is opgelegd.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie volledige rechtsmacht met betrekking tot de herziening van definitieve besluiten waarbij een sanctie is opgelegd.
Amendement 14
Ontwerp van verordening
Artikel 1 – punt 5 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 2532/98
Artikel 6 bis (nieuw)

5 ter.  Het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 6 bis

Internationale Dialoog

Conform artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 dient de ECB met toezichthoudende autoriteiten van buiten de Unie een regelmatige dialoog te voeren met het oog op de coherente toepassing van sancties en sanctiemechanismen op internationaal niveau."
Juridische mededeling