Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2777(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0251/2014

Ingediende teksten :

B8-0251/2014

Debatten :

PV 26/11/2014 - 7
CRE 26/11/2014 - 7

Stemmingen :

PV 26/11/2014 - 12.3
CRE 26/11/2014 - 12.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0063

Aangenomen teksten
PDF 199kWORD 108k
Woensdag 26 november 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
VN-Conferentie over klimaatverandering 2014 - COP 20 in Lima, Peru (1-12 december 2014)
P8_TA(2014)0063B8-0251/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 26 november 2014 over de Conferentie van de VN over klimaatverandering 2014 - COP 20 in Lima, Peru (1-12 december 2014) (2014/2777(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de dertiende zitting van de Conferentie van de Partijen (COP 13) bij het UNFCCC en de derde zitting van de Conferentie van de Partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP3), die in 2007 op Bali hebben plaatsgevonden, alsmede het actieplan van Bali (Besluit 1/COP 13),

–  gezien de vijftiende zitting van de Conferentie van de Partijen (COP 15) bij het UNFCCC en de vijfde zitting van de Conferentie van de Partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP5), die van 7 tot en met 18 december 2009 in Kopenhagen (Denemarken) hebben plaatsgevonden, alsmede het akkoord van Kopenhagen,

–  gezien de zestiende zitting van de Conferentie van de Partijen (COP 16) bij het UNFCCC en de zesde zitting van de Conferentie van de Partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP6), die van 29 tot en met 10 december 2010 in Cancún (Mexico) hebben plaatsgevonden, alsmede de akkoorden van Cancún,

–  gezien de zeventiende zitting van de Conferentie van de Partijen (COP 17) bij het UNFCCC en de zevende zitting van de Conferentie van de Partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP7), die van 28 november tot en met 9 december 2011 in Durban (Zuid-Afrika) hebben plaatsgevonden en met name de besluiten die het Platform van Durban voor versterkte maatregelen omvatten,

–  gezien de achttiende zitting van de Conferentie van de Partijen (COP 18) bij het UNFCCC en de achtste zitting van de Conferentie van de Partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP8), die van 26 november tot en met 8 december 2012 in Doha (Qatar) hebben plaatsgevonden, alsmede de goedkeuring van de "Doha Climate Gateway",

–  gezien de negentiende zitting van de Conferentie van de Partijen (COP 19) bij het UNFCCC en de negende zitting van de Conferentie van de Partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP9), die van 11 tot en met 23 november 2013 in Warschau (Polen) hebben plaatsgevonden, alsmede de oprichting van het internationaal mechanisme van Warschau voor schade en verlies,

–  gezien de twintigste zitting van de Conferentie van de Partijen (COP 20) bij het UNFCCC en de tiende zitting van de Conferentie van de Partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP10), die van 1 tot en met 12 december 2014 in Lima (Peru) zullen plaatsgevonden,

–  gezien het klimaat- en energiepakket van de EU van december 2008,

–  gezien het groenboek van de Commissie van 27 maart 2013 getiteld "Een kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030" (COM(2013)0169),

–  gezien Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG, ten einde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap(1),

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2009 over de EU-strategie voor de conferentie over klimaatverandering in Kopenhagen (COP 15)(2), van 10 februari 2010 over de resultaten van de conferentie van Kopenhagen over de klimaatverandering (COP 15)(3), van 25 november 2010 over de conferentie over klimaatverandering in Cancún (COP 16)(4), van 16 november 2011 over de conferentie over klimaatverandering in Durban (COP 17)(5), van 22 november 2012 over de conferentie over klimaatverandering in Doha (COP 18)(6), en van 23 oktober 2013 over de conferentie over klimaatverandering in Warschau, Polen (COP 19)(7),

–  gezien zijn resoluties van 4 februari 2009 getiteld "2050: De toekomst begint vandaag – aanbevelingen voor een toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering"(8), van 15 maart 2012 over een Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(9), en van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(10),

–  gezien de consultatieve mededeling van de Commissie van 26 maart 2013 met de titel "De internationale overeenkomst inzake klimaatverandering van 2015: het internationale klimaatbeleid na 2020 vormgeven" (SWD(2013)0097),

–  gezien de conclusies van de Raad van 9 maart 2012 over de follow-up van de COP 17/CMP 7, de conclusies van de Raad van 15 mei 2012 over klimaatfinanciering – snelstartfinanciering, de conclusies van de Raad van 18 juli 2011 en van 24 juni 2013 over de klimaatdiplomatie van de EU, en de Raad van 15 oktober 2013 inzake de toezegging van de EU en haar lidstaten om meer middelen voor klimaatfinanciering beschikbaar te stellen,

–  gezien de EU-strategie inzake de aanpassing aan de klimaatverandering van april 2013 en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie,

–  gezien het samenvattende verslag van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van november 2012 getiteld "The Emissions Gap Report 2012",

–  gezien de verslagen van de Wereldbank getiteld "Turn Down the Heat: Why a 4 °C Warmer World Must be Avoided", "Turn Down the Heat: Climate Extremes, Regional Impacts, and the Case for Resilience" en "Climate-Smart Development: Adding up the Benefits of Climate Action",

–  gezien het verslag van de Wereldcommissie voor economie en klimaat getiteld "Better Growth, Better Climate: The New Climate Economy Report",

–  gezien de drie werkgroepverslagen van het vijfde evaluatieverslag (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag,

–  gezien het feit dat VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon de staatshoofden heeft uitgenodigd voor de klimaattop in september 2014, teneinde duidelijke toezeggingen te doen voor verdere actie tegen klimaatverandering,

–  gezien het Greenhouse Gas Bulletin nr. 10 van 9 september 2014 van de Wereld Meteorologische Organisatie, en het resultaat van de aan de Conferentie van de Partijen voorafgaande sociale bijeenkomst inzake klimaatverandering van 4-7 november 2014 in Venezuela,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de klimaatverandering een urgente en mogelijk onomkeerbare bedreiging vormt voor de samenleving, biodiversiteit en de planeet en daarom op internationaal niveau moet worden aangepakt door alle partijen;

B.  overwegende dat klimaatverandering een ongekende bedreiging vormt voor de biosfeer, voor de beschikbaarheid en toelevering van voedsel en water, in het bijzonder voor arme mensen op de meeste continenten, en voor de volksgezondheid, het levensonderhoud van burgers en de economische ontwikkeling overal ter wereld; overwegende dat met klimaat samenhangende ontwikkelingen gemeenschappen en samenlevingen kunnen destabiliseren, problematische migratiestromen op gang kunnen brengen, en kunnen bijdragen aan het ontstaan van spanningen en conflicten of deze kunnen verergeren;

C.  overwegende dat veranderingen in het klimaat de afgelopen decennia gevolgen hebben gehad voor natuurlijke en menselijke systemen op alle continenten en in de oceanen; overwegende dat veranderende neerslagpatronen of smeltende sneeuw en smeltend ijs in veel gebieden veranderingen veroorzaken in de hydrologische systemen en gevolgen hebben voor de kwantiteit en kwaliteit van de watervoorraden; overwegende dat de gletsjers nagenoeg overal ter wereld blijven krimpen vanwege klimaatverandering, wat gevolgen heeft voor de waterafvloeiing en de watervoorraden stroomafwaarts;

D.  overwegende dat de effecten van klimaatverandering ook invloed hebben op de fauna en flora van de planeet; overwegende dat voor veel land-, zoetwater- en marine soorten hun geografische grenzen, de seizoenen waarin zij actief zijn, hun migratiepatronen, de mate waarin zij voorkomen en hun interactie met andere soorten gewijzigd zijn als reactie op de aanhoudende klimaatverandering;

E.  overwegende dat volgens het wetenschappelijk bewijs dat werd gepresenteerd in de werkgroepverslagen van het 5e evaluatieverslag van de IPCC, er onmiskenbaar een opwarming van het klimaatsysteem plaatsvindt; er klimaatverandering optreedt en menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn voor de waargenomen opwarming sinds het midden van de 20e eeuw; de wijdverbreide en substantiële effecten van de klimaatverandering reeds duidelijk waarneembaar zijn in natuurlijke en menselijke systemen op alle continenten en in de oceanen; de voortdurende uitstoot van broeikasgassen een verdere opwarming zal veroorzaken, evenals veranderingen van het land, de atmosfeer en de oceanen in alle regio´s op aarde; alle landen, ongeacht hun rijkdom, getroffen zullen worden door de effecten van de klimaatverandering; de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen gedurende de periode 2000-2010 het hoogste was in de geschiedenis van de mensheid; de gemiddelde temperatuur, zonder aanzienlijke wereldwijde mitigatie-inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, waarschijnlijk met wel 5  C zal toenemen tegen het einde van deze eeuw; overwegende dat uit de bevindingen van de IPPC blijkt dat sommige risico's van klimaatverandering aanzienlijk zijn en onevenredig toenemen bij een temperatuurstijging van 1 - 2 °C;

F.  overwegende dat uit de bevindingen van het vijfde evaluatieverslag van de IPPC (AR5) blijkt dat het wereldwijde koolstofbudget dat na 2011 beschikbaar is voor een reële kans om de wereldwijde temperatuurstijging beneden 2 °C te houden, 1 010 Gton CO2 bedraagt, terwijl het huidige niveau van de wereldwijde emissies jaarlijks ongeveer 36 Gton CO2 bedraagt en dat bijgevolg het wereldwijde koolstofbudget dat verenigbaar is met 2 °C over 28 jaar uitgeput zal zijn als de emissies op het huidig niveau blijven;

G.  overwegende dat de wereldwijd aangenomen doelstelling om de opwarming van de aarde tot minder dan 2 °C te beperken geenszins aan belang heeft ingeboet; overwegende dat in het vijfde verslag van de IPCC duidelijk wordt gesteld dat wij een "agressieve" beperking moeten nastreven voor 2050, om te voorkomen dat de temperaturen wereldwijd met meer dan 2 °C stijgen; overwegende dat het Europees Parlement heeft verzocht om in 2015 een akkoord te sluiten met het oog op de geleidelijke beëindiging van de wereldwijde koolstofemissies tegen 2050, overwegende dat hiervoor de uitstoot van broeikasgassen op korte termijn zijn piek moet bereiken en dan gestaag moet afnemen; overwegende dat een dergelijke piek niet in het verschiet ligt en dat de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer in 2013 sneller is gestegen dan gedurende welk ander jaar ook sinds 1984;

H.  overwegende dat de EU, in het kader van het Protocol van Kyoto, haar emissies in 2012 met 19% teruggebracht heeft ten opzichte van 1990, terwijl haar bbp met meer dan 45% toegenomen is en dat zij bijgevolg haar gemiddelde emissie-intensiteit tussen 1990 en 2012 bijna gehalveerd heeft, en de emissie per hoofd van de bevolking met 25% teruggebracht is tot 9 ton CO2-equivalent (inclusief alle gassen en alle emissiebronnen, maar exclusief broeikasgasputten); overwegende dat hiermee rekening moet worden gehouden tijdens de besprekingen over klimaatambities betreffende de periode voor 2020 en bij de voorbereiding van ambitieuze streefdoelen voor 2030;

I.  overwegende dat veel landen aan de vergroening van de economie werken in de sectoren industrie en energie, onder meer om redenen van klimaatbescherming, schaarste en efficiënt gebruik van grondstoffen, energiezekerheid, innovatie en concurrentievermogen; overwegende dat volgens het Internationaal Energieagentschap de wereldwijde CO2-uitstoot in 2012 desalniettemin naar een recordhoogte gestegen is en de gemiddelde mondiale oppervlaktetemperaturen en zeespiegelniveaus volgens de IPCC blijven stijgen;

J.  overwegende dat de wereldwijde vraag naar energie volgens de International Energy Outlook 2014 van 2010 tot 2040 met 56 % zal stijgen(11) en dat de CO2-uitstoot aanzienlijk zal toenemen om aan deze vraag te kunnen voldoen; overwegende dat het grootste deel van de stijgende vraag en toenemende emissies zich in de opkomende economieën zullen voordoen; overwegende dat de subsidies voor fossiele brandstoffen volgens het IMF in de gehele wereld 1,9 biljoen USD belopen, waarvan ongeveer de helft voor rekening komt van de grootste subsidieverleners VS, China en Rusland(12);

K.  overwegende dat de totale door de mens veroorzaakte broeikasgasemissies tussen 1970 en 2010 steeds zijn toegenomen, met een grotere absolute stijging per decennium aan het eind van deze periode; overwegende dat CO2-emissies uit de verbranding van fossiele brandstoffen en uit industriële processen goed waren voor ongeveer 78 % van de totale toename van broeikasgasemissies tussen 1970 en 2010, en dat dat percentage ongeveer hetzelfde was voor de periode 2000-2010;

L.  overwegende dat de twee landen in de wereld met de grootste uitstoot van broeikasgassen, China en de VS, onlangs hun klimaatbeleid hebben geïntensiveerd en gesprekken hebben aangeknoopt over de geleidelijke afschaffing van fossiele brandstoffen; overwegende dat de EU zich heeft verbonden tot een stappenplan dat de broeikasgasemissies met ten minste 80 % zou moeten terugdringen tegen 2050;

M.  overwegende dat de cruciale rol van de hervorming van de subsidies voor fossiele brandstoffen nog niet is erkend in het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), ondanks de grote klimaatvoordelen die de afschaffing van deze subsidies zou opleveren door de daling van de wereldwijde kosten om de concentraties van broeikasgassen te stabiliseren en economieën te doen afstappen van koolstofintensieve activiteiten; overwegende dat dit eveneens aanzienlijke voordelen kan opleveren voor het milieu en de gezondheid, onder meer in de vorm van afname van plaatselijke luchtverontreiniging, congestie, ongevallen en schade aan wegen, en bijkomende stimulansen kan bieden voor investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen;

N.  overwegende dat volgens de Wereldbank(13), de bestrijding van klimaatverandering kan leiden tot extra groei van het bbp tot 2,6 biljoen USD (1,9 biljoen EUR) per jaar tot 2030; overwegende dat de EU, als voorloper op de groeiende wereldmarkt voor energiegerelateerde goederen en diensten, baat zou hebben bij de toepassing van klimaatgerelateerde innovaties in de energiesector en de industrie, met name op het gebied van energie-efficiëntie, omdat daardoor banen gecreëerd worden, de economische groei gestimuleerd, de energie-onafhankelijkheid vergroot, en betaalbare energieprijzen voor iedereen gewaarborgd wordt, en tegelijkertijd de energiearmoede bestreden en de klimaatverandering afgeremd wordt, en voortgang geboekt wordt op de weg naar een duurzame economie;

O.  overwegende dat hergebruik en recycling van materialen niet alleen bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen maar ook aan de totstandkoming van een concurrerende kringloopeconomie;

P.  overwegende dat de doelstellingen van het beleid inzake klimaatverandering enkel kunnen worden bereikt als de algemene ontwikkelingskoers wordt gericht op ecologische duurzaamheid, zowel in de ontwikkelde landen als in de ontwikkelingslanden;

Q.  overwegende dat steun aan ontwikkelingslanden om hun mitigatie- en aanpassingsinspanningen mogelijk te maken, deel moet uitmaken van de mondiale aanpak van klimaatverandering;

R.  overwegende dat de kwestie van de klimaatfinanciering onlosmakelijk verbonden is met de bredere problematiek van de financiering van duurzame mondiale ontwikkeling;

S.  overwegende dat belangrijke resultaten bij de bestrijding van de klimaatverandering bepalend zullen zijn voor het nastreven van een groot aantal andere doelstellingen van het milieu-, ontwikkelings-, buitenlands en veiligheids-, en mensenrechtenbeleid van de Unie en het EU-beleid inzake humanitaire hulp en beperking van risico op rampen, alsook voor de langetermijnvooruitzichten voor beheersbare migratiestromen naar de EU;

T.  overwegende dat in de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 de nadruk gelegd wordt op duurzaamheid om wereldwijde vraagstukken te helpen aanpakken zoals armoede, ongelijkheid, gezondheid, voedsel- en waterzekerheid;

U.  overwegende dat klimaatverandering het aantal ontheemden in de 21e eeuw naar verwachting zal doen toenemen; overwegende dat het risico op ontheemding toeneemt wanneer het volkeren ontbreekt aan land, elementaire voeding of huisvesting; overwegende dat de effecten van klimaatverandering op de kritieke infrastructuur en territoriale integriteit van tal van landen naar verwachting invloed zullen hebben op het nationale veiligheidsbeleid en de territoriale integriteit van kleine eilandstaten en landen met lange kustlijnen; overwegende dat ontheemding vanwege klimaatverandering het risico op gewelddadige conflicten, zoals burgeroorlogen of geweld tussen bevolkingsgroepen, indirect kan vergroten;

V.  overwegende dat wordt voorspeld dat de effecten van klimaatverandering in de 21e eeuw de economische groei zullen afremmen, het moeilijker zullen maken om de armoede terug te dringen, de voedselzekerheid verder zullen uithollen, bestaande armoedevallen zullen bestendigen en nieuwe zullen creëren; overwegende dat verwacht wordt dat de effecten van klimaatverandering de armoede in de meeste ontwikkelingslanden zullen verergeren en nieuwe armoedehaarden zullen creëren in landen en de ongelijkheid zal doen toenemen, zowel in ontwikkelde als in ontwikkelingslanden;

W.  overwegende dat de wereld het enorme en complexe probleem van de klimaatverandering met spoed moet aanpakken door middel van een koerswijziging op het gebied van mitigatie- en adaptatiemaatregelen, waaronder:

—  een overeenkomst tijdens de klimaatconferentie in Parijs in december 2015 (COP 21), over een ambitieus, juridisch bindend internationaal akkoord voor klimaatmaatregelen na 2020 dat verenigbaar is met de 2 °C-doelstelling, waarbij het recht op billijke en duurzame ontwikkeling wordt geëerbiedigd;

—  een aanscherping en verbreding op korte termijn van de maatregelen ter beperking van de uitstoot van broeikasgassen tot 2020 en daarna; en

—  een verhoging van de middelen die industrielanden beschikbaar stellen voor mitigatie, aanpassing, technologieontwikkeling en -overdracht en capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden, in overeenstemming met de oprichting van het Groen Klimaatfonds en de toezegging van nieuwe en bijkomende middelen op dit gebied om tegen 2020 op een bedrag van 100 miljard USD per jaar te komen, waarbij de ontwikkelingshulp moet worden verhoogd om het reeds sinds lange tijd toegezegde niveau van 0,7 % van het bruto nationaal inkomen van ontwikkelde landen te bereiken;

Dringende noodzaak om te handelen

1.  erkent de buitengewone omvang en ernst van de door de klimaatverandering veroorzaakte dreigingen en uit zijn ernstige bezorgdheid over de nog altijd zwakke internationale respons op de uitdagingen op dit gebied; is uiterst bezorgd over het feit dat de wereld sterk achterloopt bij de verwezenlijking van het doel om de opwarming van de aarde tot minder dan 2 °C te beperken en roept regeringen ertoe op onverwijld concrete maatregelen te treffen om klimaatverandering aan te pakken en een wereldwijd akkoord te sluiten in Parijs in 2015 om dit doel te bereiken;

2.  merkt op dat in overeenstemming met de bevindingen van het vijfde evaluatieverslag van de IPPC het wereldwijde koolstofbudget dat na 2011 beschikbaar is en een reële kans biedt om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur te beperken tot 2 °C, 1 010 Gton CO2 bedraagt; benadrukt dat alle landen een bijdrage moeten leveren en dat vertraging van te nemen maatregelen de kosten zal doen stijgen en het aantal opties zal beperken;

3.  stelt tot zijn verontrusting vast dat volgens de meest recente bevindingen van het Tyndall Centre for Climate Change Research de CO2-emissies in 2014 een nieuw record van 40 miljard ton (per jaar) zullen bereiken en dat de toekomstige CO2-emissies in totaal niet boven de 1 200 miljard ton mogen uitkomen - waarbij een reële kans van 66 % bestaat dat de gemiddelde opwarming van de aarde beneden de 2 °C kan worden gehouden;

4.  benadrukt dat het akkoord van 2015 het doel moet bereiken van een wereldwijde vermindering van de emissies tot een niveau dat verenigbaar is met het 2 °C-koolstofbudget, en erop gericht moet zijn de mondiale koolstofemissies geleidelijk af te schaffen tegen 2050;

5.  herinnert eraan dat binnen het proces van de VN-kaderovereenkomst inzake klimaatverandering (UNFCCC) zal worden overwogen om de langetermijndoelstelling ten aanzien van temperatuurstijgingen aan te scherpen tot 1,5 °C;

6.  onderstreept de bevindingen van het "Better Growth, Better Climate: The New Climate Economy Report " waarin staat dat alle landen, ongeacht hun inkomensniveau, de kans hebben om duurzame economische groei te verwezenlijken en tegelijkertijd de enorme risico's van klimaatverandering te verminderen;

7.  verwacht van de nieuwe Commissie dat zij een proactieve rol zal vervullen bij de aanpak van de mondiale klimaatcrisis, ook wat bijkomende klimaatfinanciering betreft; roept de Commissie op duidelijk te maken dat het klimaatprobleem een van haar belangrijkste strategische prioriteiten is en dit uit haar handelen te doen blijken, op alle niveaus en in alle sectoren, in beleidsmaatregelen en acties binnen en buiten de EU, onder meer met investeringen in duurzame landbouw, in overeenstemming met de aanbevelingen van de speciale rapporteur van de VN voor het recht op voedsel, en in duurzaam vervoer;

8.  benadrukt dat het mondiale beleid inzake klimaatverandering gebaseerd is op de Conferentie van de Verenigde Naties over Milieu en Ontwikkeling van 1992 (UNCED) en dat dit beleid integraal deel uitmaakt van de mondiale inspanningen om duurzame ontwikkeling overal ter wereld te stimuleren; wijst erop dat het beleid inzake klimaatverandering binnen deze ruimere context moet worden gezien en moet worden gekoppeld aan de follow-up van de Conferentie van Rio, de millenniumontwikkelingsdoelstellingen en de agenda voor de periode na 2015;

Bevordering van het Platform van Durban

9.  herinnert aan de samenvatting van de VN-secretaris-generaal over de VN-klimaattop, waarin werd onderstreept dat vele leiders, afkomstig uit alle regio's, ongeacht hun niveau van economische ontwikkeling, ervoor pleitten om vóór 2020 een piek in broeikasgasemissies te bereiken en daarna de emissies sterk te reduceren om in de tweede helft van deze eeuw klimaatneutraliteit te bereiken;

10.  verwacht van de EU en haar lidstaten dat zij een belangrijke, constructieve rol zullen spelen in de COP 20 in Lima om de nodige voorwaarden te scheppen voor een geslaagd bindende mondiaal klimaatakkoord in Parijs in 2015; benadrukt dat regeringen wereldwijd de collectieve verantwoordelijkheid dragen, ook ten opzichte van toekomstige generaties, voor het nemen van passende klimaatmaatregelen;

11.  herinnert eraan dat alle partijen bij het UNFCCC in Warschau hebben ingestemd met Besluit 1/CP.19, waarin alle partijen worden opgeroepen in eigen land voorbereidingen voor hun geplande nationaal bepaalde bijdragen (Intended Nationally Determined Contributions (INDC's)) in gang te zetten of te intensiveren, en deze ruim voor de COP 21 (vóór het eerste kwartaal van 2015 door de partijen die ze reeds beschikbaar hebben) openbaar te maken op een manier die de duidelijkheid, transparantie en het begrip van de INDC's ten goede komt en het mogelijk maakt om ze te kwantificeren; roept de partijen op ervoor te zorgen dat hun INDC's in overeenstemming zijn met het beperkte 2 °C-koolstofbudget en dat zo snel mogelijk een mondiale emissiepiek wordt bereikt;

12.  roept de conferentie van Lima op om overeenstemming te bereiken over voorafgaande informatievereisten zodat de INDC's transparant, kwantificeerbaar en vergelijkbaar zijn en gedifferentieerd zijn naar het soort bijdrage; roept de conferentie van Lima voorts op om overeenstemming te bereiken over een evaluatiefase in aanloop naar de COP in Parijs, om na te kunnen gaan of de voorgestelde INDC's gezamenlijk volstaan met het oog op de doelstelling van "minder dan 2 °C", en elk afzonderlijk billijk zijn;

13.  benadrukt dat de landen die zich reeds hebben verplicht tot een emissiereductiedoelstelling voor de gehele economie hun inspanningen moeten voortzetten met het oog op verdere emissiereductie, en dat andere landen, met name de landen met de hoogste emissies en de landen met grootste verantwoordelijkheden en capaciteiten, zich eveneens moeten verplichten tot emissiereductiedoelstellingen voor de gehele economie, emissieplafonds moeten instellen en de broeikasgasintensiteit moeten verlagen;

14.  roept op tot een nieuwe algemene impuls voor het EU-klimaatbeleid en tot een snel akkoord over bindende ambitieuze doelstellingen voor uitstootvermindering, efficiënt energieverbruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, met uitzondering van maatschappelijk en ecologisch schadelijke biobrandstoffen, tegen 2030, waarmee vaart kan worden gegeven aan internationale klimaatbesprekingen en in overeenstemming is met de verplichtingen van de EU om in 2050 de uitstoot van broeikasgassen met 80-95 % te verminderen ten opzichte van 1990;

15.  herhaalt dat een ambitieus klimaat- en energiekader voor 2030 de EU in staat zal stellen haar voortrekkerspositie te behouden en internationale partners ertoe kan aansporen hun ambities dienovereenkomstig naar boven bij te stellen;

16.  onderstreept dat het Europees Parlement bij de Commissie en de lidstaten heeft aangedrongen op de vaststelling van een EU-streefdoel voor de reductie van de EU-broeikasgasemissies met ten minste 40 % voor 2030, in vergelijking met het niveau van 1990, een bindend EU-streefdoel voor energie-efficiëntie van 40 % voor 2030, in overeenstemming met het onderzoek naar een kosteneffectief energiebesparingspotentieel, en een bindend EU-streefdoel om tegen 2030 ten minste 30 % van het totale energieverbruik uit hernieuwbare energiebronnen te halen; dringt er bij de lidstaten op aan in de lopende besprekingen rekening te houden met deze streefdoelen;

Onderdelen van het akkoord van 2015

17.  benadrukt dat het akkoord van 2015 van meet af aan, reeds bij de sluiting ervan in Parijs, ambitieus moet zijn om ervoor te zorgen dat de wereld op schema blijft voor de doelstelling van "minder dan 2 °C", en roept de EU op om zich samen met haar internationale partners hiervoor in te zetten;

18.  is van mening dat op de conferentie in Lima de belangrijkste onderdelen van het akkoord van 2015 vastgesteld moeten worden, waarbij wordt voortgebouwd op de in 2014 in het kader van het Platform van Durban geboekte vooruitgang, en wijst er nogmaals op dat mitigatie, aanpassing, klimaatfinanciering en uitvoeringsmethoden essentiële onderdelen van het akkoord van 2015 zullen vormen;

19.  roept de EU op om alle partijen bij haar werkzaamheden voor een ambitieuze en billijk akkoord van 2015 te betrekken en ervoor te zorgen dat het akkoord niet alleen strookt met de laatste stand van de wetenschap maar ook kan inspelen op nieuwe wetenschappelijke bevindingen en veranderende omstandigheden, waardoor het nog vele jaren na 2020 een geschikt instrument blijft om het beoogde doel te bereiken; benadrukt derhalve de noodzaak van een mechanisme waarmee de verbintenissen op het gebied van mitigatie regelmatig kunnen worden getoetst, waardoor het voor de partijen mogelijk wordt om hun toezeggingen in het licht van de doelstelling "minder dan 2  C" naar boven bij te stellen zonder daarvoor het akkoord te moeten openbreken;

20.  onderstreept de noodzaak van een doeltreffende nalevingsregeling die krachtens het akkoord van 2015 van toepassing is op alle partijen; benadrukt dat het akkoord van 2015 transparantie en verantwoordingsplicht moet bevorderen door middel van een gemeenschappelijk, op regels gebaseerd stelsel waarvan ook boekhoudregels en regelingen inzake toezicht, verslaglegging en verificatie deel uitmaken; wijst erop dat de regels gedifferentieerd moeten worden op grond van het soort verbintenis waarvoor de partijen kiezen, waarbij lering wordt getrokken uit het Raamverdrag en het Protocol van Kyoto daarbij;

21.  is van mening dat lastenverdeling gebaseerd moet zijn op billijkheidsbeginselen met name gericht op de huidige uitstoot en de geaccumuleerde uitstoot in het verleden van broeikasgassen en op capaciteiten, die bijvoorbeeld worden beoordeeld op basis van bbp-cijfers per hoofd van de bevolking, indexen op het gebied van menselijke ontwikkeling en armoede, en gegevens die een beeld geven van de moeite die het zal kosten om de uitstoot terug te brengen of te beperken; wijst op het belang van vooruitgang inzake klimaatfinanciering voor de algehele voortgang naar een nieuwe klimaatregeling;

Ambities voor de periode tot 2020 en het Protocol van Kyoto

22.  benadrukt met name dat er dringend vooruitgang moet worden geboekt bij het dichten van de " gigatonkloof " die gaapt tussen de wetenschappelijke bevindingen en de toezeggingen die partijen met betrekking tot de periode tot 2020 hebben gedaan; verzoekt de partijen die nog geen toezeggingen hebben gedaan, dat alsnog te doen; onderstreept dat ook andere beleidsmaatregelen moeten worden genomen om de gigatonkloof te dichten, waaronder maatregelen inzake energie-efficiëntie, aanzienlijke energiebesparingen, hernieuwbare energie, hulpbronnenefficiëntie, de geleidelijke uitbanning van fluorkoolwaterstoffen, de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen en een breder gebruik van CO2-heffingen;

23.  verzoekt alle partijen, internationale organisaties, subnationale actoren en niet-gouvernementele organisaties haast te maken met het ontwikkelen, verbeteren en ten uitvoer leggen van binnenlandse beleidsmaatregelen en internationale samenwerkingsinitiatieven gericht op het dichten van gigatonkloof, en om daarbij met name voort te bouwen op de initiatieven die tijdens de klimaattop naar voren zijn gebracht (zoals Clean Air en Climate Coalition) en op de beleidsdialogen die in het kader van de UNFCCC op politiek en technisch niveau worden gevoerd en die ten doel hebben doeltreffend beleid te ontwikkelen op het gebied van klimaat, ontwikkeling en groei;

24.  stelt vast dat een groot aantal Kyoto-eenheden (AAU's, CER's en ERU's) moest worden overgeheveld naar rekeningen van de EU en de lidstaten voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan, overeenkomstig Besluit 1/CMP.8, op grond waarvan partijen hun emissiereductieverbintenissen voor de tweede verbintenisperiode vóór eind 2014 moeten herzien, een aantal eenheden te schrappen om zodoende aan te sluiten bij de verwachte werkelijke emissies, en een kosteneffectief binnenlands emissietraject op te stellen voor de verwezenlijking van de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2050;

25.  ziet ernaar uit dat, als onderdeel van het internationale evaluatie- en toetsingsproces, tijdens de conferentie in Lima een multilaterale evaluatie zal plaatsvinden van de vooruitgang die de EU en een aantal lidstaten en andere partijen hebben geboekt met betrekking tot hun reductiedoelstellingen voor 2020; is van mening dat deze transparantie noodzakelijk is voor meer inzicht in de wederzijdse inspanningen en het creëren van vertrouwen tussen alle partijen;

26.  merkt op dat de EU goed op weg is om de huidige emissiereductiedoelstelling van 20 % ruimschoots te halen en herhaalt dat de EU zich bereid heeft verklaard haar emissiereductiedoelstelling aan te scherpen tot 30 % in 2020 als andere landen met hoge emissies zich verbinden tot vergelijkbare reductiedoelstellingen;

27.  maakt duidelijk dat de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto weliswaar niet zo lang is, maar toch gezien moet worden als een belangrijke tussenstap, en verzoekt daarom de partijen, waaronder de lidstaten van de EU, om de tweede verbintenisperiode onverwijld te ratificeren;

28.  benadrukt de bijdrage die hergebruik en recycling kunnen leveren aan de vermindering van broeikasgasemissies, aangezien het gebruik van grondstoffen een belangrijke bron van broeikasgassen is; wijst nogmaals op het belang van een omschakeling naar een kringloopeconomie met hogere recyclingpercentages;

29.  merkt op dat de EU een essentiële rol moet spelen op het gebied van emissiereductie door het nemen van beleidsmaatregelen gericht tegen de ontwikkeling van het gebruik van niet-conventionele fossiele brandstoffen met hoge broeikasgasemissies, zoals teerzand;

30.  merkt op dat veel landen nu al het goede voorbeeld geven en laten zien dat koolstofarme ontwikkelingsstrategieën en economische groei hand in hand kunnen gaan; benadrukt dat een krachtig internationaal akkoord een stimulans zal zijn voor verdere ambitieuze nationale maatregelen;

Klimaatfinanciering

31.  herinnert eraan dat de EU en haar lidstaten hebben toegezegd meer middelen voor klimaatfinanciering bijeen te brengen, teneinde hun bijdrage te leveren tot de in het akkoord van Kopenhagen opgenomen verplichting om middelen beschikbaar te stellen voor het Groen Klimaatfonds (Green Climate Fund, GCF) en vóór 2020 gezamenlijk jaarlijks 100 miljard USD beschikbaar te stellen uit een breed scala aan publieke en particuliere, bilaterale en multilaterale bronnen, waaronder alternatieve financieringsbronnen; roept andere donorlanden op om ook hun steentje bij te dragen en meer financiële middelen vrij te maken voor klimaatfinanciering;

32.  dringt er bij de EU op aan een routekaart overeen te komen gericht op het bijeenbrengen van voorspelbare, nieuwe en aanvullende financiële middelen, overeenkomstig de bestaande afspraken, zodat de EU kan voldoen aan haar verplichting om 100 miljard USD per jaar bijeen te brengen tegen 2020, en tevens een mechanisme in het leven te roepen voor financiële verantwoording en toezicht; is ingenomen met de toezeggingen die onlangs zijn gedaan om bij te dragen aan de financiering van het Groen Klimaatfonds en dringt er bij andere landen op aan om ook hun deel bij te dragen, zodat de ontwikkelde landen in de komende drie jaar 15 miljard USD beschikbaar zullen stellen aan het Groen Klimaatfonds;

33.  verzoekt de lidstaten hun financiële bijdrage ruim voor de conferenties te leveren en hun aankondigingen inzake klimaatfinanciering beter af te stemmen met de EU, zodat de communicatie met derde partijen over de totale EU-bijdrage beter verloopt en tijdens de onderhandelingen een zo positief mogelijk uitgangspunt kan worden ingenomen; beschouwt de tijdens de top van Ban Ki-moon gedane financiële toezeggingen als een goed signaal en wijst erop dat hierdoor het imago van de EU in de aanloop naar de onderhandelingen in Lima is verbeterd;

34.  herinnert eraan dat er wellicht een beroep moet worden gedaan op innovatieve financieringsbronnen om tegen 2020 en daarna jaarlijks 100 miljard dollar bijeen te brengen, en roept de landen op om in Lima te overleggen over mogelijkheden op dit gebied;

35.  herhaalt zijn oproep om inkomsten gegenereerd door marktgebaseerde instrumenten voor het verminderen van de emissies in de mondiale lucht- en scheepvaart te gebruiken voor internationale klimaatfinanciering en het Groen Klimaatfonds voor de periode na 2020; is van mening dat de EU voorstellen moet doen voor adequate en voorspelbare internationale klimaatfinanciering voor de overeenkomst van 2015;

36.  dringt er bij de lidstaten op aan om een deel van de inkomsten uit de koolstofmarkten te gebruiken voor klimaatfinanciering en ontwikkelingshulp in ontwikkelingslanden; wijst er echter op dat er in dit kader grote problemen bestaan, aangezien de inkomsten ten gevolge van de dalende mondiale koolstofprijs zijn ingestort; is in deze context van mening dat maatregelen moeten worden genomen om het EU-emissiehandelssysteem (ETS) tot een veel efficiënter instrument te maken, om de situatie in overeenstemming te brengen met de verwachte werkelijke emissies en door het opstellen van een kosteneffectief binnenlands emissietraject voor de verwezenlijking van de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2050, waardoor aanzienlijke inkomsten zouden kunnen worden gegenereerd die ingezet kunnen worden ter financiering van mitigatie- en aanpassingsmaatregelen in de ontwikkelingslanden;

37.  verzoekt de EU en haar lidstaten om duidelijk vast te stellen welke rol in de context van aanvullende financiering is weggelegd voor particuliere financiering en daarbij duidelijk te maken dat deze vorm van financiering de noodzaak tot overheidsfinanciering, met name op het gebied van aanpassing, niet wegneemt, en te benadrukken dat transparante verslaglegging en verantwoordingsplicht met betrekking tot deze financieringsvorm essentieel is en dat er tevens gezorgd moet worden voor de benodigde sociale en milieuwaarborgen;

Aanpassing; verlies en schade

38.  roept grote ontwikkelde economieën ertoe op om hun bestaande geavanceerde infrastructuur aan te wenden om duurzame groei te bevorderen, te verbeteren en te ontwikkelen en om zich ertoe te verbinden ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het opbouwen van hun eigen capaciteit, om ervoor te zorgen dat economische groei in de verschillende delen van de wereld niet ten koste gaat van het milieu;

39.  benadrukt dat aanpassingsmaatregelen onvermijdelijk en noodzakelijk zijn en in het kader van het nieuwe akkoord centraal moeten staan; benadrukt dat het voor de mondiale economie en de nationale economieën goedkoper zal zijn als er nu werk wordt gemaakt van de vermindering van broeikasgasemissies en dat ook aanpassingsmaatregelen in dat geval minder kosten met zich zouden meebrengen; verzoekt alle landen dringend om passende maatregelen te nemen om de gevolgen van klimaatverandering tijdig te voorzien, zich daaraan aan te passen en erop te reageren, om hun bevolking, samenleving, economie en milieu te beschermen en te komen tot een duurzame, klimaatbestendige ontwikkeling; merkt op dat om klimaatgerelateerde risico's aan te pakken besluiten moeten worden genomen tegen een voortdurend veranderende achtergrond, waarbij de ernst van de gevolgen van klimaatverandering en de snelheid waarmee deze gevolgen zullen optreden onduidelijk zijn en er grenzen zijn aan de effectiviteit van aanpassingsmaatregelen;

40.  herinnert eraan dat ontwikkelingslanden en met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden het minst hebben bijgedragen aan de toename van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer, maar wel het kwetsbaarst zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering en het minst in staat zijn zich eraan aan te passen; verzoekt alle landen die daartoe de middelen hebben om de meest kwetsbare landen te ondersteunen bij hun inspanningen om zich aan te passen aan en te reageren op de gevolgen van klimaatverandering om aldus een duurzame klimaatbestendige ontwikkeling te bewerkstelligen, en te streven naar overeenkomsten over de versterking van de nationale processen voor aanpassingsplanning, klimaatfinanciering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw;

41.  waardeert dat tijdens de laatste twee COP's veel aandacht werd besteed aan de noodzaak om oplossingen te vinden voor verlies en schade ten gevolge van klimaatverandering in ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen, die bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige effecten van klimaatverandering; merkt op dat het noodzakelijk is de in Warschau genomen besluiten volledig ten uitvoer te leggen en in Lima hierover verder te onderhandelen;

42.  wijst erop dat de klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden ter ondersteuning van de inspanningen van deze landen gericht op aanpassing aan en vermindering van klimaatverandering voorspelbaar moet zijn; onderstreept in dit kader dat de landen die bijdragen aan het Groen Klimaatfonds zullen moeten verduidelijken welke financieringsbronnen zij gaan gebruiken en hoe zij deze middelen bijeen zullen brengen, aangezien deze informatie ervoor zorgt dat de te verwachten financiële middelen voor ontwikkelingslanden voorspelbaarder worden;

43.  beseft dat het moeilijk het is om duidelijk onderscheid te maken tussen klimaatmaatregelen en ontwikkelingsmaatregelen, omdat er tussen deze maatregelen op landenniveau allerlei synergieën bestaan, maar stelt zich desondanks op het standpunt dat het nog wel mogelijk is om op betrouwbare en transparante wijze de additionaliteit te beoordelen;

44.  betreurt dat hoewel de uitgaven voor mitigatie- en aanpassingsactiviteiten stijgen, ze volledig teniet worden gedaan door het feit dat de meeste regeringen, ook in ontwikkelde landen, de productie en het gebruik van fossiele brandstoffen nog steeds actief subsidiëren;

45.  benadrukt dat het noodzakelijk is bij klimaatmaatregelen een genderneutrale, participatieve en op rechten gebaseerde aanpak te volgen en de gevolgen van klimaatverandering aan te pakken op een manier waarbij met name arme en gemarginaliseerde mensen en leefgemeenschappen worden ondersteund;

Sector landgebruik

46.  benadrukt dat volgens de bevindingen van de IPCC de sector landgebruik (landbouw, bosbouw en andere vormen van landgebruik) tot de meest blootgestelde en kwetsbaarste sectoren van onze economieën behoort, maar ook een aanzienlijk kosteneffectief potentieel heeft als het gaat om mitigatie en het verbeteren van de veerkracht; wijst erop dat het voor alle partijen van groot belang is om een landcomponent in hun nationale bijdrage op te nemen en gebruik te maken van passende gemeenschappelijke meeteenheden, zodat de kwantitatieve vooruitgang met betrekking tot onderling samenhangende doelstellingen (mitigatie, productiviteit en veerkracht) kan worden bewaakt en gemeten en daarover verslag kan worden uitgebracht; wijst erop dat het akkoord moet voorzien in een omvattend boekhoudkundig kader voor emissies en onttrekkingen ten gevolge van landgebruik;

47.  benadrukt dat er in het licht van de klimaatverandering bijzondere aandacht moet worden besteed aan het waarborgen van voedsel- en voedingszekerheid voor kwetsbare bevolkingsgroepen;

Internationaal lucht- en zeevervoer

48.  herinnert eraan dat ook op het gebied van lucht- en zeevervoer gewerkt moet worden aan de beperking van de uitstoot van broeikasgassen en dat snelle actie en daadkrachtig optreden door de Internationale Maritieme Organisatie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie noodzakelijk zijn om op korte termijn tot bevredigende resultaten te komen en aan te sluiten bij de omvang en urgentie van het klimaatprobleem;

Klimaatdiplomatie

49.  benadrukt in dit verband dat het zeer belangrijk het is dat de EU, als belangrijke speler binnen de klimaatdiplomatie, tijdens de conferentie met één stem spreekt en verenigd blijft in het streven naar een internationaal akkoord; dringt er bij de lidstaten op aan dat zij hun standpunten efficiënt met het standpunt van de EU coördineren; benadrukt dat de EU druk moet uitoefenen op partijen die niet op de goede weg zijn naar verwezenlijking van de 2º C-doelstelling; roept de EU-delegatie op om toezeggingen te benadrukken die bij de ondertekening van het Protocol van Kyoto door andere regeringen zijn gedaan;

50.  roept de lidstaten op om hun diplomatieke contacten met de partnerlanden te intensiveren om op die manier de onderhandelingsstandpunten van de EU te versterken, en hierbij samen te werken met de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie en tevens gebruik te maken van het Netwerk voor groene diplomatie;

51.  is verheugd over de klimaattop die op 23 september 2014 onder voorzitterschap van de secretaris-generaal van de VN gehouden werd en waar voor het eerst sinds Kopenhagen weer gesproken werd over klimaatverandering, en waaraan werd deelgenomen door meer dan 130 staatshoofden en regeringsleiders en een groot aantal maatschappelijke organisaties en actoren uit het bedrijfsleven; is met name verheugd over het feit dat de regeringsleiders hebben aangekondigd concrete maatregelen te zullen nemen om de uitstoot te beperken, te investeren in schone energie en koolstofarme groei, koolstofbeprijzing te steunen en bij te dragen aan klimaatfinanciering; benadrukt dat het van het grootste belang is dat de in New York gedane toezeggingen ook worden nagekomen, zodat deze positieve ontwikkeling wordt voortgezet in de aanloop naar de conferenties van Lima en Parijs;

52.  is van mening dat de geloofwaardigheid van de EU als speler in de klimaatonderhandelingen afhangt van de ambities die zij in haar interne beleid tentoonspreidt;

53.  benadrukt dat de overkoepelende agenda voor de periode na 2015 gericht moet zijn op intensivering van de inspanningen van de internationale gemeenschap ter bevordering van duurzame ontwikkeling, en tevens de internationale toezeggingen en streefdoelen, waaronder die met betrekking tot klimaatverandering, moet ondersteunen;

54.  benadrukt dat COP 21 een unieke kans biedt om de klimaatverandering aan te pakken en tegelijkertijd de koppeling te maken met de werkzaamheden van de VN in het kader van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 en de voorbereidingen voor de in maart 2015 te houden conferentie over het Actiekader van Hyogo inzake risicoreductie; pleit voor meer inspanningen in het kader van de EU-klimaatdiplomatie om deze processen te koppelen, zodat op samenhangende en ambitieuze wijze kan worden gewerkt aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling;

Industrie en concurrentievermogen

55.  is verontrust over de mondiale toename van de CO2-uitstoot in 2013, zoals uit cijfers van het Internationaal Energieforum (IEA) blijkt, ondanks de daling van de emissies in Europa en de Verenigde Staten; stelt daarom voor gedifferentieerde verantwoordelijkheden in overweging te nemen, zodat elk land zijn bijdrage levert aan de mondiale inspanningen op het gebied van industrie- en energiebeleid; pleit voor een betere benutting van technologieën, zoals ruimtesatellieten, om accurate emissie- en temperatuurgegevens te verzamelen, en voor transparante samenwerking en uitwisseling van informatie tussen landen;

56.  beklemtoont dat Europa meer werk moet maken van de marktpenetratie van milieuvriendelijke technologieën, onder meer op het gebied van ICT, hernieuwbare energie, innovatieve en efficiënte technologieën die lage emissies genereren, en in het bijzonder energie-efficiënte technologieën; benadrukt dat een stabiel internationaal rechtskader een stimulans zou vormen voor investeringen in koolstofreductie, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, en toonaangevende Europese bedrijven in deze sectoren nieuwe mogelijkheden zou bieden; merkt op dat innovatieve duurzame investeringen groei en banen kunnen opleveren;

57.  is van mening dat een ambitieus en juridisch bindend internationaal akkoord kan bijdragen aan het aanpakken van het probleem van koolstoflekkage en het probleem van vermindering van het concurrentievermogen van de betrokken sectoren, en met name de energie-intensieve sector;

Onderzoek en innovatie

58.  benadrukt dat de ontwikkeling en toepassing van duurzame doorbraaktechnologieën essentieel is om klimaatverandering tegen te gaan, maar ook om de partners van de EU in de hele wereld te overtuigen van het feit dat het mogelijk is emissiereducties te verwezenlijken en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de werkgelegenheid te vergroten;

59.  pleit voor internationale toezeggingen om de investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) ten behoeve van duurzame doorbraaktechnologieën in de betreffende sectoren te verhogen; vindt het belangrijk dat de EU het goede voorbeeld geeft door haar onderzoeksbudget aan te wenden voor de demonstratie van klimaatvriendelijke en energie-efficiënte technologieën en dat de EU op dit gebied een nauwe wetenschappelijke samenwerking aangaat met internationale partners zoals de BRIC-landen en de Verenigde Staten;

Energiebeleid

60.  is verheugd over de recente signalen van de zijde van de Amerikaanse en Chinese regering op het gebied van klimaatactie en over de bereidheid van deze regeringen om een grotere rol te spelen in de mondiale aanpak van de klimaatverandering; betreurt dat in sommige ontwikkelde landen de emissies per hoofd van de bevolking blijven stijgen;

61.  merkt op dat de prijzen van de verschillende energiebronnen in hoge mate bepalend zijn voor het gedrag van marktdeelnemers, waaronder het bedrijfsleven en consumenten, en wijst erop dat het falen van het huidige internationale beleidskader om de externe kosten volledig te internaliseren het voortduren van niet-duurzame consumptiepatronen in de hand werkt; wijst er voorts nogmaals op dat een wereldwijde koolstofmarkt met een voldoende hoge handelsprijs een goede basis zou vormen om zowel substantiële emissiereducties als billijke concurrentieverhoudingen voor de industrie te helpen bewerkstelligen; dringt er bij de EU en haar partners op aan zo snel mogelijk op zoek te gaan naar de effectiefste manier om de emissiehandelsregeling van de EU en de overige emissiehandelssystemen beter aan elkaar te koppelen met het oog op de totstandbrenging van een mondiale koolstofmarkt, diversifiëring van de reductiemogelijkheden, grotere marktomvang en -liquiditeit, meer transparantie en uiteindelijk een efficiëntere allocatie van hulpbronnen voor de energiesector en de industrie;

62.  roept op tot nauwere samenwerking tussen de Raad, de Commissie en de EDEO, zodat de EU binnen internationale organisaties als het IEA, het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie, het Internationaal Partnerschap voor samenwerking inzake energie-efficiëntie en het Internationaal Agentschap voor atoomenergie met één stem kan spreken en aldus een actievere rol kan spelen en meer invloed kan uitoefenen, in het bijzonder bij het nastreven van beleid dat gericht is op het bevorderen van duurzame energie, energie-efficiëntie en energiezekerheid;

63.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan onverwijld concrete maatregelen vast te stellen om alle milieuschadelijke subsidies, waaronder subsidies voor fossiele brandstoffen, tussen nu en 2020 geleidelijk af te schaffen, en vraagt de Commissie hierbij het voortouw te nemen en voor aansturing te zorgen, en daarbij een actiegerichte benadering te volgen en toezicht op dit proces te houden via het Europees semester; dringt voorts aan op internationaal gecoördineerde tenuitvoerlegging van de op de G20-top van Pittsburgh overeengekomen doelstelling om subsidies voor fossiele brandstoffen (volgens het IEA in 2012 op mondiaal niveau nog goed voor 544 miljard USD) af te schaffen, aangezien daarmee een belangrijke bijdrage kan worden geleverd aan het terugdringen van CO2 -uitstoot en bovendien het overheidstekort in een groot aantal landen kan worden verlaagd; is ingenomen met de tijdens de G20-top van Sint Petersburg gemaakte plannen om een systeem van peer review op te zetten met betrekking tot de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen; betreurt dat er nog geen concrete maatregelen zijn genomen om invulling te geven aan dit plan en om deze doelstelling te realiseren; dringt aan op herziening van het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM), waarbij de nadruk moet komen te liggen op het voorkomen van negatieve effecten van CDM-projecten voor de mensenrechten, voedselzekerheid en het milieu;

64.  betreurt dat het energiebesparingspotentieel internationaal en binnen de EU onvoldoende wordt benut; benadrukt dat energiebesparingen bevorderlijk zijn voor de werkgelegenheid en voor economische besparingen en energiezekerheid, een bijdrage leveren aan het concurrentievermogen en vermindering van uitstoot en bovendien zeer belangrijk zijn voor het verwezenlijken van economische groei zonder toename van uitstoot; verlangt dat de EU bij internationale onderhandelingen over bijvoorbeeld technologieoverdracht, ontwikkelingsplannen voor ontwikkelingslanden of financiële bijstand, aandringt op meer aandacht voor en actie op het gebied van energiebesparing; onderstreept dat de EU en haar lidstaten, om geloofwaardig te zijn, ambitieuze energie-efficiëntiedoelstellingen moeten vaststellen en deze ook moeten realiseren; onderstreept dat het belangrijk is dat energieverspilling in de bouwsector en de vervoerssector en energieverspilling in verband met elektrische installaties in woningen en huishoudelijke apparatuur wordt tegengegaan, om een maximale energiebesparing en een maximale energie-efficiëntie te verwezenlijken;

65.  onderstreept het belang van de invoering van energiezuinige vervoerssystemen en vervoersmiddelen op waterstof;

Fluorkoolwaterstoffen en het protocol van Montreal

66.  verzoekt de partijen om te onderzoeken of de stemprocedures en besluitvormingsprocedures van het succesvolle protocol van Montreal, de andere benadering van verantwoordelijkheden in dit protocol en de bepalingen inzake handhaving en sanctionering en de financiering van dit protocol wellicht bruikbaar zijn en kunnen worden overgenomen in het kader van het UNFCCC; vraagt de EU zich actiever in te zetten voor de mondiale uitfasering van fluorkoolwaterstoffen in het kader van het protocol van Montreal;

67.  herinnert eraan dat de EU ambitieuze regelgeving heeft vastgesteld waarin is bepaald dat uiterlijk 2030 het gebruik van fluorkoolwaterstoffen met 79 % verminderd moet zijn, aangezien klimaatvriendelijke alternatieven ruimschoots beschikbaar zijn en het potentieel daarvan volledig benut moet worden; merkt op dat vermindering van het gebruik van fluorkoolwaterstoffen in het kader van de vermindering van de emissies van broeikasgassen in en buiten de EU een relatief gemakkelijk te verwezenlijken doel is en dringt er bij de EU op aan zich actief in te zetten voor mondiale maatregelen op het gebied van fluorkoolwaterstoffen;

68.  is ingenomen met de discussienota die de EU aan de partijen bij het Protocol van Montreal heeft voorgelegd en waarin een mondiale uitfasering van fluorkoolwaterstoffen wordt voorgesteld, en verzoekt de Commissie en de lidstaten in deze context een formeel wijzigingsvoorstel in te dienen dat dan op de 27e bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Montreal in 2015 kan worden behandeld;

Delegatie van het Europees Parlement

69.  is van mening dat de EU-delegatie bij de onderhandelingen over klimaatverandering een belangrijke rol vervult en vindt het daarom onaanvaardbaar dat leden van het Europees Parlement op eerdere conferenties van partijen de EU-coördinatievergaderingen niet konden bijwonen; verwacht dat ten minste de voorzitter van de delegatie van het Europees Parlement de EU-coördinatievergaderingen in Lima zal kunnen bijwonen;

o
o   o

70.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek dat ze wordt toegezonden aan alle verdragsluitende partijen buiten de EU.

(1) PB L 8 van 13.1.2009, blz. 3.
(2) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 1.
(3) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 25.
(4) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 77.
(5) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 83.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0452.
(7) P7_TA(2013)0443.
(8) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 44.
(9) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 75.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.
(11) http://www.eia.gov/forecasts/ieo/?src=Analysis-b2
(12) http://www.imf.org/external/pubs/ft/survey/so/2013/int032713a.htm
(13) http://documents.worldbank.org/curated/en/2014/06/19703432/climate-smart-development-adding-up-benefits-actions-help-build-prosperity-end-poverty-combat-climate-change-vol-1-2-main-report

Juridische mededeling