Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2036(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0069/2014

Ingediende teksten :

A8-0069/2014

Debatten :

PV 16/12/2014 - 14
CRE 16/12/2014 - 14

Stemmingen :

PV 17/12/2014 - 10.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0089

Aangenomen teksten
PDF 223kWORD 189k
Woensdag 17 december 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014: Ontvangsten van boeten, rentebetalingen, terugbetalingen en terugstortingen – Betalingskredieten – Personeel van de Commissie, het Comité van de Regio's en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
P8_TA(2014)0089A8-0069/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie (16740/2014 – C8-0289/2014 – 2014/2036(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, definitief vastgesteld op 20 november 2013(2),

–  gezien de gezamenlijke verklaring betreffende de betalingskredieten van het Parlement, de Raad en de Commissie (gezamenlijke verklaring van 12 november 2013), opgenomen in de gezamenlijke conclusies van 12 november 2013(3), alsmede de verklaring van het Europees Parlement en de Commissie over betalingskredieten, opgenomen in dezelfde gezamenlijke conclusies,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(4) ("MFK-verordening"),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(5)("het IIA"),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, goedgekeurd door de Commissie op 28 mei 2014 (COM(2014)0329),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2014, goedgekeurd op 28 mei 2014 (COM(2014)0328),

–  gezien de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 goedgekeurde gezamenlijke conclusies,

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, vastgesteld door de Raad op 12 december 2014 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (16740/2014 – C8-0289/2014),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien de brief van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien de brief van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien de brief van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien de brief van de Commissie cultuur en onderwijs,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0069/2014),

A.  overwegende dat in het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 3/2014 op de algemene begroting 2014, zoals oorspronkelijk door de Commissie voorgesteld, wordt voorgesteld om de raming van de ontvangsten uit boeten en dwangsommen en van andere ontvangsten te verhogen met 1 568 miljoen EUR en de betalingskredieten te verhogen met 4 738 miljoen EUR voor de rubrieken 1a, 1b, 2 en 4 van het meerjarig financieel kader (MFK), met als doel te voorzien in betalingsbehoeften tot het einde van het jaar om verplichtingen in verband met vastleggingen uit het verleden en van het lopende jaar na te kunnen komen;

B.  overwegende dat bij het begin van de tenuitvoerlegging van het meerjarig financieel kader 2014-2020 sprake was van een enorme betalingsachterstand, met onbetaalde rekeningen die aan het einde van 2013 alleen al voor het cohesiebeleid ongeveer 23 400 miljard EUR bedroegen, en een niveau van uitstaande verplichtingen (RAL) aan het einde van 2013 van 221,7 miljard EUR, d.w.z. 41 000 miljoen EUR meer dan oorspronkelijk bij de vaststelling van het meerjarig financieel kader 2007-2013 voorzien was;

C.  overwegende dat van het totaal van OGB nr. 3/2014 slechts 99 miljoen EUR dient ter dekking van programma's in 2014-2020 in het kader van het cohesiebeleid en dat de rest bedoeld is voor de afsluiting van de programma's van 2007-2013 (3 296 miljoen EUR) en voor betalingen die nodig zijn uit hoofde van andere rubrieken (1 340 miljoen EUR);

D.  overwegende dat het Parlement, de Raad en de Commissie er zich door middel van de gezamenlijke verklaring van 12 november 2013 toe hebben verbonden erop toe te zien dat de Unie over de financiële middelen beschikt om te voldoen aan haar juridische verplichtingen in 2014, door een ordelijke afwikkeling van de betalingen te waarborgen en gebruik te maken van de verschillende flexibiliteitsmechanismen die zijn opgenomen in de MFK-verordening, onder meer in artikel 13 (marge voor onvoorziene uitgaven);

E.  overwegende dat een aantal delegaties in de Raad bedenkingen had inzake het gebruik van de marge voor onvoorziene uitgaven in OGB nr. 3/2014, een bezorgdheid die niet door het Parlement wordt gedeeld, maar juist wordt gezien als strijdig met de geest van de MFK-verordening en het IIA;

1.  neemt kennis van OGB nr. 3/2014, zoals voorgesteld door de Commissie;

2.  onderschrijft de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 goedgekeurde gezamenlijke conclusies met het oog op de verhoging van de betalingskredieten in de begroting voor 2014 op een aantal begrotingslijnen tot een niveau van 4 246 miljoen EUR, waarvan 3 168 miljoen EUR beschikbaar zal worden gesteld via de marge voor onvoorziene uitgaven voor 2014;

3.  is met name verheugd over de verhogingen van de betalingskredieten van de rubrieken 1a en 4, die in ruime mate in stand zijn gebleven in het uiteindelijke compromis zoals opgenomen in de gezamenlijke conclusies van 8 december 2014;

4.  is ingenomen met de verhoging van de betalingskredieten voor rubriek 1b, omdat vooral die rubriek wordt getroffen door de betalingstekorten in de begroting van de Unie in het algemeen; is echter van mening dat dit het absolute minimum is dat nodig is om de behoeften tot het einde van 2014 te dekken, en onvoldoende zal zijn om het sneeuwbaleffect van onbetaalde rekeningen sinds de begroting 2010 op te lossen; herinnert er met name aan dat het overgrote deel van de facturen van rubriek 1b traditioneel door de lidstaten worden ingediend tegen het einde van elk begrotingsjaar, om mogelijke annuleringen ten gevolge van de toepassing van de N+2- en de N+3-regels te voorkomen;

5.  steunt het voorstel voor gebruikmaking van de marge voor onvoorziene omstandigheden en benadrukt zijn uitlegging van artikel 3, lid 2, van de MFK-verordening dat betalingen in verband met de speciale instrumenten moeten worden toegewezen boven de maxima; is van mening dat een andere uitlegging van dat artikel ingaat tegen de basis voor politieke overeenstemming over het MKF 2014-2020, te weten de afspraak dat specifieke en maximale flexibiliteit toegepast moet worden om de Unie in staat te stellen aan haar verplichtingen te voldoen;

6.  herinnert eraan dat door de goedkeuring van OGB nr. 3/2014, OGB nr. 4/2014, OGB nr. 6/2014 en OGB nr. 8/2014 de behoefte aan bni-bijdragen van de lidstaten met in totaal 8 688 miljoen EUR zal dalen en dat daardoor volledige compensatie zal worden geboden voor de bijkomende betalingskredieten waarom is gevraagd in OGB nr. 3/2014, zoals overeengekomen in de gezamenlijke conclusies van 8 december 2014;

7.  keurt het standpunt van de Raad inzake de gewijzigde begroting nr. 3/2014 goed;

8.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 2/2014 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten van 20 november 2013, P7_TA(2013)0472.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(5) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(6) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.

Juridische mededeling