Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 18 september 2014 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Vervolging van verdedigers van de mensenrechten in Azerbeidzjan
 Burundi, met name het geval van Pierre Claver Mbonimpa
 Mensenrechtenschendingen in Bangladesh
 Situatie in Oekraïne en stand van zaken in de betrekkingen tussen de EU en Rusland
 Reactie van de EU op de uitbraak van ebola
 Situatie in Irak en Syrië en het offensief van IS, met inbegrip van de vervolging van minderheden
 Situatie in Libië
 Israël-Palestina na de oorlog in Gaza en de rol van de EU

Vervolging van verdedigers van de mensenrechten in Azerbeidzjan
PDF 148kWORD 200k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2014 over de vervolging van mensenrechtenactivisten in Azerbeidzjan (2014/2832(RSP))
P8_TA(2014)0022RC-B8-0090/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Azerbeidzjan, en met name van 18 april 2012 met de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden inzake de onderhandelingen over de associatieovereenkomst EU-Azerbeidzjan(1), en van 13 juni 2013 over de zaak-Ilgar Mammadov(2),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 15 mei 2012 van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Resultaten boeken voor een nieuw Europees nabuurschapsbeleid" (JOIN(2012)0014),

–  gezien het ENB-voortgangsverslag 2013 over Azerbeidzjan van de Commissie van 27 maart 2014 (SWD(2014)0070),

–  gezien het ENB-actieplan EU-Azerbeidzjan,

–  gezien de verklaring van 2 augustus 2014 van de woordvoerders van de VV/HV en van de commissaris voor Uitbreiding en het Europees nabuurschapsbeleid, Štefan Füle, over de arrestatie van Leyla Yunus,

–  gezien de verklaring van 6 augustus 2014 van de woordvoerder van de VV/HV over de arrestatie van Rasul Jafarov,

–  gezien de verklaring van de EU van 14 augustus 2014 over de situatie van de mensenrechten en het maatschappelijk middenveld in Azerbeidzjan,

–  gezien de verklaring die commissaris Füle op 8 september 2014 in Baku heeft afgelegd over de cruciale rol die het maatschappelijk middenveld in het oostelijk partnerschap speelt, en gezien zijn aankondiging van een nieuw steunprogramma van de EU ten behoeve van het maatschappelijk middenveld in Azerbeidzjan, waarmee in de periode 2014-2015 een bedrag van 3 miljoen EUR aan steun zal worden verleend,

–  gezien de verklaring van 1 augustus 2014 van de secretaris-generaal van de Raad van Europa, Thorbjørn Jagland, over de arrestatie van Leyla Yunus, directeur van het Instituut voor Vrede en Democratie in Azerbeidzjan,

–  gezien de Verklaring van Baku, aangenomen door de Parlementaire Assemblee van de OVSE op haar jaarvergadering van 28 juni tot 2 juli 2014, waarin bezorgdheid wordt geuit over het misbruik van administratieve procedures en wetgeving in een groot aantal OVSE-landen om mensenrechtenactivisten en dissidenten te arresteren, op te sluiten, te intimideren of anderszins het zwijgen op te leggen,

–  gezien de in 1999 in werking getreden partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Azerbeidzjan en de lopende onderhandelingen tussen de twee partijen over een nieuwe overeenkomst ter vervanging van de bestaande overeenkomst,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de algemene mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan de afgelopen jaren is verslechterd en dat er de laatste paar maanden sprake is van een enorme toename van onderdrukking door de overheid en druk op en intimidatie van ngo's, maatschappelijke activisten, journalisten en mensenrechtenactivisten;

B.  overwegende dat de regering het sinds eind juli gemunt heeft op een aantal belangrijke Azerbeidzjaanse mensenrechtenactivisten, en deze gevangen heeft gezet om, zo lijkt het, politieke redenen, en dat hierbij met name gewezen moet worden op het geval van Leyla Yunus, de bekende directeur van het Instituut voor Vrede en Democratie en haar man, de historicus Arif Yunus, alsmede Rasul Jafarov, voorzitter van de Azerbeidzjaanse Club voor de mensenrechten;

C.  overwegende dat de voorzitter van de Vereniging voor juridisch onderwijs, Intigam Aliyev, een mensenrechtenadvocaat die voor het Europees Hof voor de rechten van de mens meer dan 200 zaken heeft verdedigd die betrekking hadden op onder meer de vrijheid van meningsuiting, het recht op een eerlijk proces en de kieswetten in Azerbeidzjan, op 8 augustus 2014 is gearresteerd en veroordeeld is tot drie maanden gevangenisstraf op basis van verschillende aanklachten, en dat dit voorval illustreert dat prominente mensenrechtenactivisten in het land steeds vaker de mond wordt gesnoerd en dat zij steeds vaker het slachtoffer zijn van vervolging;

D.  overwegende dat bericht wordt dat Leyla Yunus door haar celgenote is mishandeld en dat er geen maatregelen zijn genomen om de celgenote te straffen of om Leyla Yunus te beschermen; overwegende dat mevrouw Yunus, ondanks het feit dat haar gezondheid in de gevangenis is verslechterd, geen passende medische zorg is geboden;

E.  overwegende dat Anar Mammadli, voorzitter van het Election Monitoring and Democracy Studies Centre (EMDS), en Bashir Suleymanli, bestuurslid van het EMDS, op 26 mei 2014 veroordeeld zijn tot 5 jaar en 6 maanden, respectievelijk 3 jaar en 6 maanden gevangenisstraf wegens onder meer belastingontduiking en illegaal ondernemerschap;

F.  overwegende dat ook acht activisten van de niet-gouvernementele jongerenorganisatie NIDA veroordeeld zijn wegens hooliganisme, drugsbezit en het bezit van explosieven en pogingen om de openbare orde te verstoren en dat bovendien de sociale-media-activisten Omar Mammadov, Abdul Abilov en Elsever Murselli, zonder dat zij zich konden laten bijstaan door een advocaat naar keuze, wegens drugsbezit veroordeeld zijn tot gevangenisstraffen uiteenlopend van vijf tot vijfeneenhalf jaar en dat allen hebben aangeven tijdens hun voorlopige hechtenis mishandeld te zijn;

G.  overwegende dat nog veel meer journalisten, mensenrechtenverdedigers en activisten in Azerbeidzjan strafrechtelijk worden vervolgd, waaronder Hasan Huseynli, hoofd van de Intelligent Citizen Enlightenment Centre Public Union, die op 14 juli 2014 is veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf, en Rauf Mirkadirov, onderzoeksjournalist van de gezaghebbende Russischtalige krant "Zerkalo", die in voorlopige hechtenis zit op verdenking van verraad; overwegende dat het hoofdkantoor van het Institute for Reporters' Freedom and Safety (IRFS), een gezaghebbende ngo op het gebied van mediarechten in het land, die geleid wordt door de bekende en internationaal erkende mensenrechtenactivist Emin Huseynov, op 8 augustus 2014 werd binnengevallen door de politie; overwegende dat daarnaast ook nog Seymur Haziyev, die als journalist voor de oppositie werkte, wegens criminele activiteiten en hooliganisme werd gearresteerd en twee maanden in voorlopige hechtenis werd gehouden;

H.  overwegende dat er behalve deze gevallen nog tientallen eerdere gevallen zijn van politieke activisten, mensenrechtenactivisten, journalisten, bloggers en activisten op sociale media die door de autoriteiten in de afgelopen twee jaar gevangen zijn gezet op basis van gelijksoortige gefingeerde beschuldigingen, waaronder hooliganisme, drugsbezit, belastingontduiking en zelfs verraad; overwegende dat de recente golf arrestaties flinke gevolgen heeft gehad en een aantal bekende activisten ertoe heeft gebracht het land te ontvluchten of onder te duiken;

I.  overwegende dat de onafhankelijke Azerbeidzjaanse krant "Azadliq" zich vanwege financiële problemen genoodzaakt zag te stoppen met publiceren, en eerder al door de overheid onder druk werd gezet, waarschijnlijk vanwege haar publicaties over corruptie;

J.  overwegende dat het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) veelvuldig uitspraak heeft gedaan in zaken over schendingen van de mensenrechten in Azerbeidzjan, laatstelijk op 22 mei 2014 in de zaak Ilgar Mammadov, voorzitter van de Republican Alternative Civic Movement (REAL); overwegende dat de autoriteiten weigerden de heer Mammadov vrij te laten, ondanks het feit dat het EHRM tot de conclusie was gekomen dat zijn gevangenhouding politiek gemotiveerd was;

K.  overwegende dat sinds 2006 vreedzame demonstraties in het centrum van Bakoe niet meer zijn toegestaan en dat er onlangs nieuwe, strenge boetes en langere periodes van administratieve detentie zijn ingevoerd voor organisatoren van en deelnemers aan ongeoorloofde openbare bijeenkomsten;

L.  overwegende dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten geen rekening hebben gehouden met de adviezen van de Europese Commissie voor Democratie door Recht (de Commissie van Venetië) van de Raad van Europa inzake de wetgeving betreffende de vrijheid van vereniging, politieke partijen en bescherming tegen laster; overwegende dat er bovendien onvoldoende rekening is gehouden met de bevindingen van de Commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa naar aanleiding van de bezoeken die deze aan Azerbeidzjan heeft gebracht;

M.  overwegende dat president Aliyev in februari 2014 enkele wijzigingen van de wet op de ngo's heeft ondertekend, waardoor deze wet de autoriteiten nu nog meer bevoegdheden verleent om nationale en buitenlandse ngo's in Azerbeidzjan tijdelijk op non-actief te stellen of permanent te verbieden, en bovendien nieuwe vergrijpen introduceert waarvoor boetes kunnen worden opgelegd, die bovendien verhoogd zijn tot 2 500 - 3 000 AZN (ongeveer 2 600 - 3 100 EUR) voor ngo's en 1 000 - 2 000 AZN (ongeveer 1 000 - 2 000) voor directeuren van nationale en buitenlandse ngo's;

N.  overwegende dat, na een uitspraak van de districtsrechtbank van Bakoe-stad op 8 juli 2014, de bankrekening van de Oil Workers' Rights Protection Organisation Public Union in Bakoe is bevroren, evenals de bankrekening van haar leider Gahramanova Mirvari Uzeyir;

O.  overwegende dat Azerbeidzjan lid is van de Raad van Europa en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft ondertekend;

P.  overwegende dat Azerbeidzjan sinds 14 mei 2014 het voorzitterschap van het Comité van Ministers van de Raad van Europa bekleedt;

1.  benadrukt dat de volwaardige eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat centraal staat in het kader voor samenwerking met het Oostelijk Partnerschap en in de toezeggingen die Azerbeidzjan binnen de Raad van Europa en de OVSE heeft gedaan;

2.  veroordeelt in de sterkst mogelijke bewoordingen de arrestatie en gevangenhouding van Leyla Yunus, Arif Yunus, Rasul Jafarov, Intigam Aliyev en Hasan Huseyni en eist hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating en de intrekking van alle aanklachten tegen hen; eist een onmiddellijk en grondig onderzoek naar de aanval op Ilqar Nasibov en eist dat de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn worden berecht;

3.  dringt er bij de autoriteiten in Azerbeidzjan op aan de fysieke en psychische integriteit van Leyla Yunus, Arif Yunusov en alle andere mensenrechtenactivisten in Azerbeidzjan te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij onmiddellijk passende medische zorg en medicijnen krijgen en indien nodig in een ziekenhuis worden opgenomen;

4.  doet nogmaals een beroep op de regering van Azerbeidzjan om op zo kort mogelijke termijn concrete maatregelen te nemen om de mensenrechtensituatie in het land te verbeteren, alle politieke gevangenen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en op te houden met het om politieke redenen arresteren van personen;

5.  dringt er bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten op aan om te stoppen met het lastigvallen en intimideren van maatschappelijke organisaties, politieke tegenstanders en onafhankelijke journalisten en zich niet langer te mengen in of afbreuk te doen aan het waardevolle werk dat zij doen ter bevordering van de democratie in Azerbeidzjan; verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten voorts om ervoor te zorgen dat alle gevangenen, waaronder journalisten en politieke en maatschappelijke activisten, ten volle gebruik kunnen maken van hun recht op een behoorlijke rechtsgang, en met name van het recht op toegang tot een advocaat naar eigen keuze, contact met familieleden en andere normen voor een eerlijk proces;

6.  betreurt de maatregelen die de regering van Azerbeidzjan heeft getroffen om de contacten tussen maatschappelijke en jonge activisten en intellectuelen uit Armenië en Azerbeidzjan te bemoeilijken, omdat deze contacten van groot belang zijn om een einde te maken aan de reeds zeer lang bestaande slechte verhouding tussen de twee landen; wijst in dit verband op het belangrijke werk dat Leyla Yunus en haar man Arif op dit gebied hebben verricht;

7.  dringt er bij de regering van Azerbeidzjan op aan advies in te winnen bij en ten volle samen te werken met de Commissie van Venetië van de Raad van Europa en haar commissaris en de Speciale Procedures-mandaathouders van de VN met betrekking tot mensenrechtenactivisten, het recht op vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering, vrijheid van meningsuiting en willekeurige detentie, met als doel om haar wetgeving te herzien en haar werkwijze aan te passen in overeenstemming met de conclusies van de deskundigen op dit gebied;

8.  dringt er bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten op aan zonder verder uitstel de mensenrechtenhervormingen door te voeren die al lang doorgevoerd hadden moeten zijn, en onder meer de toezeggingen gestand te doen die Azerbeidzjan heeft gedaan toen het land lid werd van de Raad van Europa en uitvoering te geven aan uitspraken die het Europees Hof voor de mensenrechten in zaken tegen Azerbeidzjan heeft gedaan;

9.  dringt er bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten op aan het verbod op openbare bijeenkomsten in het centrum van Bakoe op te heffen en vreedzame demonstranten niet langer te beboeten of zonder proces gevangen te zetten;

10.  herhaalt zijn standpunt dat steunverlening door de EU aan en samenwerking van de EU met de Republiek Azerbeidzjan, met inbegrip van de lopende onderhandelingen over een strategisch partnerschap inzake modernisering, slechts mogelijk is onder de voorwaarde dat het land de mensenrechten eerbiedigt en bevordert en er hierover clausules worden opgenomen, met name inzake de vrijheid van de media, waaronder waarborgen voor internetvrijheid en ongecensureerde toegang tot informatie en communicatie, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en vrijheid van vereniging;

11.  benadrukt dat het Parlement alleen zijn goedkeuring aan de ondertekening van een partnerschapsovereenkomst met Azerbeidzjan zal hechten als zij van oordeel is dat aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan, als de mensenrechtenactivisten zijn vrijgelaten, de wetgeving die de activiteiten van onafhankelijke maatschappelijke organisaties aan banden legt is ingetrokken en een einde is gemaakt aan de onderdrukking en intimidatie van ngo's en van de onafhankelijke media, de oppositie, mensenrechtenactivisten, voorvechters van de rechten van minderheden, jonge activisten en activisten die actief zijn op sociale netwerken;

12.  dringt er bij de Raad, de Commissie en de EDEO op aan strikte toepassing te geven aan het "meer-voor-meer"-beginsel en daarbij met name de aandacht te richten op de situatie van mensenrechtenactivisten (overeenkomstig de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers), willekeurige en politiek gemotiveerde gevangenhouding, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, democratische hervormingen en fundamentele rechten en vrijheden; dringt met name aan op herziening van de programmering in het kader van het Europees nabuurschapsinstrument en op stopzetting van alle steun die niet puur gericht is op mensenrechten/het maatschappelijk middenveld;

13.  betreurt dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en Azerbeidzjan geen enkele substantiële vooruitgang heeft opgeleverd op het gebied van de mensenrechtensituatie in het land; verzoekt de EDEO deze dialoog te intensiveren om ervoor te zorgen dat deze doeltreffender en resultaatgerichter wordt, en hierover regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement;

14.  vraagt de regering van Azerbeidzjan om de huidige onnodig complexe en langdurige procedure voor de registratie van ngo's te vereenvoudigen, vergaande wetswijzigingen door te voeren met het oog op het intrekken van de recente maatregelen ter beperking van de vrijheid van ngo's om donaties te aanvaarden zonder deze officieel te moeten registreren, en uitvoering te geven aan Aanbeveling CM/Rec(2007)14 van het Comité van ministers van de Raad van Europa inzake de juridische status van ngo's in Europa;

15.  vraagt de Raad en de lidstaten er bij het Internationaal Olympisch Comité (IOC) op aan dringen om de Azerbeidzjaanse autoriteiten op te roepen een einde te maken aan de onderdrukkende maatregelen, en duidelijk te maken dat van de Azerbeidzjaanse autoriteiten als gastheren van de volgend jaar te houden Europese Olympische Spelen wordt verwacht dat zij de persvrijheid zullen eerbiedigen, in overeenstemming met het Olympisch Handvest;

16.  roept de EDEO op de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers onverkort toe te passen en in de ruimtes van de EU-delegatie in Bakoe geregeld vergaderingen te houden met onafhankelijke mensenrechtenorganisaties en deze vergaderingen te coördineren met vertegenwoordigingen van lidstaten van de EU, en op deze vergaderingen openlijk steun te betuigen met het werk van mensenrechtenverdedigers; dringt er bij de EDEO op aan alle rechtszaken en gerechtelijke procedures tegen mensenrechtenverdedigers nauwlettend te volgen en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

17.  herhaalt zijn standpunt van 24 mei 2012(3), en roept de Raad op de mogelijkheid te overwegen van gerichte sancties tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor de schendingen van de mensenrechten, indien deze blijven plaatsvinden;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Azerbeidzjan, de EDEO, de Raad, de Commissie en de Raad van Europa.

(1) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 36.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0285.
(3) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 91.


Burundi, met name het geval van Pierre Claver Mbonimpa
PDF 133kWORD 189k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2014 over Burundi, in het bijzonder de zaak Pierre Claver Mbonimpa (2014/2833(RSP))
P8_TA(2014)0023RC-B8-0086/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Burundi,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de verklaring van de EU-delegatie in Burundi van 10 september 2014,

–  gezien de verklaring van de VN-Veiligheidsraad van 10 april 2014 over Burundi,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening,

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 juli 2014 over het gebied van de Grote Meren en met name punt 7 daarvan,

–  gezien de rapporten van het VN-bureau in Burundi,

–  gezien de verklaring die op woensdag 9 juli 2014 voor het Burundi Configuration of Peacebuilding Fund is afgelegd door Ivan Simonovic, assistent-secretaris-generaal van de VN voor de mensenrechten,

–  gezien de waarnemingsverslagen en de zwaartepunten voor actie (2010-2014) van FAO en Unicef in Burundi, met name wat betreft de bestrijding van honger en ondervoeding,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Pierre Claver Mbonimpa, een vooraanstaand strijder voor de mensenrechten en voorzitter van de vereniging voor de bescherming van de mensenrechten en de rechten van gevangenen (Association pour la protection des droits humains et des personnes détenues, APRODH), op 15 mei 2014 weer eens gearresteerd werd op beschuldiging van "in gevaar brengen van de externe staatsveiligheid" en "in gevaar brengen van de interne staatsveiligheid door verstoring van de openbare orde", en dat hij sindsdien nog steeds in voorarrest wordt gehouden;

B.  overwegende dat de strijd van Pierre Claver Mbonimpa voor democratie en mensenrechten gedurende in de afgelopen periode van ruim twintig jaar met verscheidene internationale prijzen is beloond en in binnen- en buitenland ruime waardering heeft geoogst;

C.  overwegende dat de aanklacht verband houdt met zijn uitspraak op 6 mei 2014 voor Radio Publique Africaine (RPA) dat de jeugdbeweging van de regeringspartij CNDD-FDD, ook bekend onder de naam "Imbonerakure", van wapens wordt voorzien en militaire opleiding in de Democratische Republiek Congo krijgt, en overwegende dat hiervan ook gewag is gemaakt door het VN-bureau in Burundi, dat heeft verklaard dat de militarisering van deze jongeren een "ernstige bedreiging voor de vrede in Burundi" vormt;

D.  overwegende dat de arrestatie van Pierre Claver Mbonimpa tekenend is voor een situatie waarin strijders voor de mensenrechten in toenemende mate gevaar lopen, activisten en journalisten worden gedwarsboomd en leden van oppositiepartijen worden gearresteerd, hetgeen volgens mensenrechtenorganisaties en de adjunct-secretaris-generaal van de VN voor de mensenrechten vooral het werk van Imbonerakure is;

E.  overwegende dat er na een vreedzame bijeenkomst van een oppositiepartij op 8 maart 2014 zeventig mensen werden gearresteerd, van wie er 48 tot gevangenisstraf, waaronder levenslang, werden veroordeeld;

F.  overwegende dat de regering van Burundi de afgelopen weken vreedzame betogingen voor Mbonimpa heeft verboden en druk op radiozenders heeft uitgeoefend om geen berichten uit zenden die zijn standpunten onderschrijven;

G.  overwegende dat volledige eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, met name voor journalisten en strijders voor de mensenrechten, een voorwaarde is voor vrije, eerlijke verkiezingen in 2015 en voor erkenning van de uitslag daarvan door iedereen;

H.  overwegende dat de EU Burundi kort geleden 432 miljoen euro uit het Europees Ontwikkelingsfonds 2014-2020 heeft toegekend ter ondersteuning van onder meer bestuurlijke verbeteringen en het maatschappelijk middenveld;

I.  overwegende dat ten minste een op de twee Burundezen en bijna tweederde deel, om precies te zijn 58% van alle kinderen onder de vijf jaar aan chronische ondervoeding lijdt, en dat Burundi van de 120 landen waarvoor in 2012 de hongerindex is berekend de hoogste score had;

J.  overwegende dat Burundi tot de vijf armste landen met het laagste bbp per hoofd ter wereld behoort; overwegende dat vele Burundezen meer en meer genoeg hebben van de stijgende voedsel-, water- en brandstofprijzen, de omvang van de corruptie en het feit dat de politieke leiders niet er verantwoording kunnen worden geroepen;

K.  overwegende dat Burundi thans de ergste politieke crisis doormaakt sinds het eind van de twaalfjarige burgeroorlog in 2005, waardoor niet alleen de interne stabiliteit van Burundi in gevaar is maar ook de stabiliteit van de buurlanden in een toch al zo wankele Afrikaanse regio;

1.  spreekt zijn ferme veroordeling uit over de gevangenhouding van de strijder voor de mensenrechten Mbonimpa en verlangt dat hij onverwijld en onvoorwaardelijk wordt vrijgelaten; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over Mbonimpa's verslechterende gezondheidstoestand en verlangt dat hij met spoed medische bijstand krijgt;

2.  spreekt met name zijn bezorgdheid uit over de leden van de oppositionele MSD die sinds 8 maart 2014 gevangen worden gehouden; dringt aan op vernietiging van het vonnis en hernieuwde berechting van degenen tegen wie geloofwaardige beschuldigingen kunnen worden ingebracht overeenkomstig internationale normen, waaronder het recht op verdediging en evenredigheid;

3.  dringt er bij de regering van Burundi op aan dat zij de jeugdbeweging van de CNDD-FDD aan banden legt om te voorkomen dat deze "tegenstanders" intimideert en aanvalt, en dat zij ervoor zorgt dat degenen die dergelijke daden hebben gepleegd berecht worden; dringt aan op een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de berichten dat de CNDD-FDD haar jeugdbeweging wapens en trainingen verstrekt; doet een beroep op de leiders van de oppositiepartijen om geweld tegen tegenstanders te voorkomen;

4.  verzoekt de landen in het gebied van de Grote Meren zich met de onwettige praktijken van Imbonerakure bezig te houden en een en ander gezamenlijk bij de regering van Burundi aan te kaarten; verzoekt deze landen zich via de voorhanden zijnde regionale kanalen sterk te blijven inzetten voor vrede en stabiliteit en meer werk te maken van regionale economische ontwikkeling, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan verzoening, eerbiediging van de mensenrechten, het tegengaan van straffeloosheid en de totstandbrenging van betere rechterlijke verantwoordingsplicht;

5.  wijst erop dat Burundi gebonden is door de mensenrechtenclausule van de Overeenkomst van Cotonou, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en op grond daarvan verplicht is de universele rechten van de mens, waaronder de vrijheid van meningsuiting, te eerbiedigen; dringt er bij de regering van Burundi op aan dat zij in de aanloop naar de verkiezingen van 2015 een echt, open politiek debat mogelijk maakt, waarbij niemand bang voor intimidatie hoeft te zijn, en wel door zich niet te mengen in de interne organisatie van de oppositiepartijen, alle partijen zonder beperkingen campagne te laten voeren, met name op het platteland, en geen misbruik van de rechterlijke macht te maken om politieke concurrenten te mond te snoeren;

6.  is ernstig verontrust over de straffeloosheid voor de plegers van tientallen politieke moorden tussen 2010 en 2012 na de verkiezingen van 2010; dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan dat zij ervoor zorgen dat de moordenaars in een eerlijk proces berecht worden en dat zij politiek geweld voorafgaand aan de verkiezingen van 2015 voorkomen;

7.  wijst in dit verband andermaal op het belang van de gedragscode voor verkiezingen (Code de bonne conduite en matière électorale) en het onder auspiciën van de VN tot stand gekomen stappenplan voor de verkiezingen, dat in 2013 door de politieke leiders is ondertekend, en geeft zijn volledige steun aan het VN-bureau voor Burundi, dat zich ervoor inzet een verdere toename van het politiek geweld in de aanloop naar de verkiezingen in 2015 te voorkomen en veiligheid en vrede blijvend te herstellen;

8.  is ernstig verontrust over de sociaal-economische situatie van alle bevolkingsgroepen in Burundi en met name van de vluchtelingen en ontheemden, die in aantal alleen maar zullen toenemen, gezien de onveiligheid in Burundi zelf en de spanningen in de buurlanden;

9.  spoort alle partijen aan zich te houden aan hun verbintenissen zoals neergelegd in de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening van 2000, die van groot belang was voor de beëindiging van de twaalfjarige burgeroorlog in 2005; ontraadt een zodanige herziening van de grondwet van Burundi dat zij wordt ontdaan van de fundamentele bepalingen inzake machtsverdeling zoals neergelegd in de overeenkomsten van Arusha;

10.  verzoekt de hoge vertegenwoordiger en de lidstaten zorg te dragen voor een duidelijk en principieel EU-beleid tegenover Burundi om de aanhoudende ernstige schendingen van de mensenrechten aan te pakken, zulks in overeenstemming met het strategisch kader van de EU voor de mensenrechten; verzoekt de Commissie na te gaan of er wellicht met Burundi overleg zoals bedoeld in artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou moet worden gestart met het oog op eventuele opschorting van de overeenkomst, en de nodige passende maatregelen te nemen voor de periode dat het overleg plaatsvindt;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de regering van Burundi, de regeringen van de landen van het gebied van de Grote Meren, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement.


Mensenrechtenschendingen in Bangladesh
PDF 141kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2014 over mensenrechtschendingen in Bangladesh (2014/2834(RSP))
P8_TA(2014)0024RC-B8-0097/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bangladesh,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Bangladesh van 2001,

–  gezien de artikelen 33 en 35 van de grondwet van Bangladesh, die bepalen dat geen enkele persoon onderworpen mag worden aan foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en dat geen enkele persoon in hechtenis genomen of gehouden mag worden zonder op de hoogte te worden gesteld van de redenen van deze vrijheidsbeneming,

–  gezien de uitspraak van het Hooggerechtshof, waarmee waarborgen worden vastgelegd tegen willekeurige arrestaties door de politie op grond van artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering, dat tevens vereist dat alle dodelijke incidenten die zich voordoen tijdens politiële hechtenis onderzocht worden door een rechter-commissaris, en dat de noodzakelijke gerechtelijke procedure wordt gevolgd,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat Bangladesh in 2000 heeft geratificeerd,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU en Bangladesh al lang goede betrekkingen onderhouden, onder andere door de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling;

B.  overwegende dat Bangladesh de afgelopen jaren significante vooruitgang heeft geboekt, met name bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en op het gebied van economische prestaties;

C.  overwegende dat de regering van Bangladesh een "zero-tolerance"-beleid heeft afgekondigd voor elke schending van de mensenrechten door organen voor rechtshandhaving, en een Wet op de politiehervorming heeft uitgevaardigd die voorziet in een gedragscode, modelpolitiebureaus en centra voor slachtofferhulp in de belangrijkste politiebureaus;

D.  overwegende dat de regering van Bangladesh heeft aangekondigd in samenwerking met het Internationale Comité van het Rode Kruis informatie- en trainingsprogramma's uit te voeren over internationale waarborgen tegen marteling, die gericht zijn op wetshandhavingsorganen en autoriteiten van detentiecentra;

E.  overwegende dat Bangladesh de afgelopen jaren is getroffen door een aantal tragedies in zijn kledingfabrieken, waarbij de instorting van de Rana Plaza-fabriek met meer dan 1 100 gewonden het dodelijkste incident was; overwegende dat Bangladesh na de instorting van Rana Plaza samen met de grootste belanghebbenden in de kledingsector een hervormingsprogramma heeft afgekondigd dat is gericht op veilige en menswaardige werkomstandigheden; overwegende dat de EU dit programma steunt door middel van het Duurzaamheidspact Bangladesh, maar dat sommige belanghebbenden weigeren deel te nemen;

F.  overwegende dat verdwijningen, waarbij naar verluidt dikwijls staatsveiligheidsdiensten zijn betrokken, foltering en andere vormen van mishandeling nog altijd voorkomen in Bangladesh, ondanks waarborgen in de grondwet, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op (het verbod op) marteling en dood in hechtenis, evenals inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting;

G.  overwegende dat de door Sheikh Hasina geleide Awami Bond-regering na de algemene verkiezingen van 5 januari 2014, die door de grootste oppositiepartij, de Nationalistische Partij Bangladesh (BNP) werd geboycot en werd overschaduwd door door de BNP uitgelokte stakingen en daaruit voortvloeiend geweld, verscheidene maatregelen heeft genomen met het oog op inperking van de burgerrechten;

H.  overwegende dat zowel militairen als leden van de politie zijn aangesloten bij het bataljon "Rapid Action" (RAB), dat 10 jaar geleden is opgezet als noodmaatregel om veiligheidsdreigingen van militante groeperingen het hoofd te bieden, waarmee het leger effectief betrokken raakt bij civiele wetshandhaving, zonder dat sprake is van welk transparant verantwoordingsmechanisme dan ook; overwegende dat onafhankelijke mensenrechtenorganisaties het RAB verantwoordelijk houden voor circa 800 doden, zonder dat de verantwoordelijke officieren zijn vervolgd of gestraft; overwegende dat, afgezien van de recente arrestaties van diverse RAB-leden naar aanleiding van een vermoedelijk geval van huurmoord op een regerend partijpoliticus, andere abjecte misstanden niet vervolgd worden;

I.  overwegende dat de regering van Bangladesh op 6 augustus 2014 haar nieuwe mediabeleid heeft gepresenteerd; overwegende dat bepaalde onderdelen van dit beleid de vrijheid van de media aan banden leggen door bijvoorbeeld een verbod uit te vaardigen op uitlatingen die "tegen de staat" gericht zijn, "de nationale ideologie bespotten" en "niet in overeenstemming zijn met de cultuur van Bangladesh", en door verslaggeving over "anarchie, rebellie of geweld" te beperken; overwegende dat de regering beoogt een juridisch kader in te voeren ter handhaving van dit beleid; overwegende dat Bangladesh de 145e plaats inneemt van de 179 plaatsen op de Wereldindex voor persvrijheid;

J.  overwegende dat de regering van Bangladesh een nieuwe wet heeft voorgesteld die, naar verluidt, strenge beperkingen oplegt aan non-gouvernementele organisaties (ngo's); overwegende dat de nieuwe ontwerpwet op de regulering van buitenlandse donaties operaties en financiering voor elke groep met buitenlandse middelen reguleert en de in het kabinet van de eerste minister gesitueerde Dienst voor ngo-aangelegenheden de autoriteit verleent om met buitenlandse middelen gefinancierde projecten goed te keuren; overwegende dat de nieuwe ontwerpwet tevens vereist dat een bij vrijwilligerswerk betrokken persoon vooraf toestemming vraagt voordat hij of zij het land verlaat voor doeleinden die verband houden met zijn of haar werk in het kader van een project; overwegende dat onder ngo's sprake is van wijdverbreide zorg dat op grond van deze wet meer overheidsambtenaren betrokken raken die het proces monitoren, evalueren en goedkeuren, waarbij zich mogelijk vertragingen en wanpraktijken zullen voordoen;

K.  overwegende dat Hana Shams Ahmed, coördinator van de internationale commissie Chittagong Hill Tracts (CHTC), en een vriend tijdens een privébezoek aan Shoilopropat in Bandarban in de regio Chittagong Hill Tracts op 27 augustus 2014 op brute wijze werden aangevallen door 8 tot 10 leden van de zogeheten Somo Odhikar Andolon; overwegende dat vier leden van de Afdeling recherche van de politie, die werden verondersteld hen te beveiligen, niet optraden en zelfs verdwenen tijdens de aanval;

L.  overwegende dat etnisch en religieus gemotiveerd geweld aanhoudt, waaronder een aanval begin juli 2014 door tientallen gewapende mannen op het klooster van het pauselijk Instituut voor nonnen van de buitenlandse missie in Boldipuku; overwegende dat het klooster bij deze aanval werd geplunderd en de nonnen fysiek werden aangevallen;

M.  overwegende dat ten minste vier bloggers en twee mensenrechtenactivisten de afgelopen twee jaar zijn aangeklaagd op grond van artikel 57 van de Wet op informatie- en communicatietechnologie;

N.  overwegende dat het Internationaal Strafhof van Bangladesh, dat oorlogsmisdaden in verband met de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh onderzoekt, tot nu toe tien vonnissen heeft geveld, waaronder acht doodstraffen en twee levenslange gevangenisstraffen; overwegende dat de islamitische politicus Abdul Quader Mollah als eerste is geëxecuteerd; overwegende dat herhaaldelijk scherpe kritiek op het Internationaal Strafhof wordt geuit omdat het niet zou voldoen aan de internationale normen; overwegende dat naar schatting meer dan 1000 mensen in Bangladesh ter dood veroordeeld zijn;

O.  overwegende dat de regering van Bangladesh en westerse detailhandelaren na de tragische instorting van de Rana Plaza-fabriek in april 2013 een inspectieregeling hebben opgesteld voor meer dan 3 500 kledingfabrieken die worden gecontroleerd op structurele integriteit, brand- en elektrische veiligheid; overwegende dat de inspecties door westerse detailhandelaren nog steeds plaatsvinden en openbaar zijn, maar dat de inspecties door de regering van Bangladesh nog niet openbaar zijn gemaakt;

P.  overwegende dat het donortrustfonds, opgezet door het coördinatiecomité Rana Plaza voor hulp aan slachtoffers en overlevenden, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de regering van Bangladesh, de kledingindustrie, vakbonden en non-gouvernementele organisaties en wordt voorgezeten door de Internationale Arbeidsorganisatie, het beoogde bedrag van 40 miljoen USD nog niet bij elkaar heeft; overwegende dat volgens de campagne "Clean Clothes" slechts de helft van de Europese en Amerikaanse bedrijven die gelieerd zijn aan de fabrieken in het Rana Plaza-gebouw heeft bijgedragen aan het donortrustfonds;

Q.  overwegende dat weliswaar een paar hervormingen zijn doorgevoerd in het arbeidsrecht, maar dat arbeiders nog altijd melding maken van pesterijen en intimidatie om hen af te houden van toetreding tot of vorming van vakbonden, en dat nog altijd melding wordt gemaakt van geweld tegen organisatoren van vakbonden; overwegende dat de arbeidswet van 2013 nog steeds niet voldoet aan de internationale normen op het gebied van vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht op staking en collectieve onderhandeling;

1.  looft de regering van Bangladesh voor de voortgang die zij heeft geboekt bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, waarmee het leven van miljoenen burgers significant en reëel is verbeterd; onderkent voorts dat deze verbeteringen zijn doorgevoerd onder moeilijke binnenlandse omstandigheden, waaronder de constante dreiging van gewelddadige aanvallen door radicale groeperingen, zoals de aan de BNP gelieerde Jamaat-e-Islami-partij; is er in dit verband mee ingenomen dat de Wet op de preventie van kinderhuwelijken op 15 september 2014 is aangenomen;

2.  blijft evenwel bezorgd over de voortdurende schendingen van de mensenrechten door het RAB en andere veiligheidstroepen, waaronder gedwongen verdwijningen en buitengerechtelijke executies van oppositieactivisten; pleit andermaal voor afschaffing van de doodstraf en is ingenomen met het besluit van het Hooggerechtshof van 16 september 2014 om de doodstraf die het Internationaal Strafhof heeft uitgevaardigd tegen de vicevoorzitter van Jamaat-e-Islami, Delwar Hossain Sayedee, om te zetten in levenslange gevangenisstraf;

3.  verzoekt de regering van Bangladesh om onmiddellijke vrijlating van alle personen die het slachtoffer zijn van gedwongen verdwijning, tenzij hun een herkenbaar delict ten laste kan worden gelegd, in welk geval zij onmiddellijk voor de rechter gebracht moeten worden; verzoekt de autoriteiten van Bangladesh een onderzoek in te stellen naar de daders, waarbij een verantwoord commando wordt gevoerd en degenen die verantwoordelijk worden gehouden voor de rechter worden gebracht en een eerlijk proces krijgen; roept de regering op een onafhankelijk orgaan in te stellen dat onderzoek doet naar dergelijke gevallen, en herhaalt zijn verzoek aan de regering om instelling van een effectieve en volledig onafhankelijke commissie voor mensenrechten;

4.  verzoekt de regering om het gebruik van geweld bij het herstel van de openbare orde tot een minimum te beperken en de basisbeginselen van de VN inzake het gebruik van geweld en vuurwapens strikt na te leven; veroordeelt ten stelligste de gewelddadige aanvallen van oppositiegroeperingen op zowel civiele als overheidsdoelen; roept oppositiegroeperingen op alleen vreedzame protesten te voeren;

5.  verzoekt de regering van Bangladesh de staatsveiligheidsdiensten, waaronder de politie en het RAB, weer binnen de grenzen van de wet te brengen; doet een dringend beroep op de autoriteiten van Bangladesh om een eind te maken aan de straffeloosheid van het RAB en onderzoek naar en vervolging van vermeende illegale executies door RAB-strijdkrachten te gelasten; wijst erop dat het de voortgang van de moordzaak-Narayanganj nauwgezet zal volgen, in verband waarmee drie RAB-officieren zijn gearresteerd na ontvoering en moord op zeven mensen in Narayanganj in april 2014, en die nu in afwachting van hun proces zijn;

6.  benadrukt hoe belangrijk een onafhankelijk, onpartijdig en goed toegankelijk rechtsstelsel is, zodat de rechtsstaat en de grondrechten van de bevolking beter geëerbiedigd kunnen worden, en onderstreept het belang van hervorming van het tribunaal voor oorlogsmisdaden; onderkent dat de opbouw van publiek vertrouwen in het rechtsstelsel en in veiligheids- en mensenrechteninstellingen belangrijker dan ooit is gezien de toegenomen dreiging in de regio van terroristische organisaties als Al Qaida;

7.  toont zich bezorgd over het voorstel voor een ngo-wet; dringt erop aan dat de regering van Bangladesh onafhankelijke groepen blijft raadplegen over de inhoud van deze ontwerpwet en erop toeziet dat deze wet, wanneer hij uiteindelijk is aangenomen, voldoet aan de internationale normen en verplichtingen op het gebied van de burgerrechten waartoe Bangladesh zich heeft verbonden;

8.  verzoekt de regering van Bangladesh de persvrijheid en de vrijheid van de media te erkennen en te eerbiedigen, en mensenrechtengroeperingen in staat te stellen hun belangrijke rol te spelen bij de versterking van de verantwoordingsplicht en het in kaart brengen van schendingen van de mensenrechten; verlangt dat de autoriteiten van Bangladesh hun nieuwe mediabeleid herzien, hun verplichtingen nakomen en vrijheid van meningsuiting mogelijk maken;

9.  is uitermate bezorgd over terugkerende gevallen van geweld om etnische en religieuze redenen; verzoekt de regering van Bangladesh om minderheden als hindoes, boeddhisten, christenen, maar ook bihari's, betere bescherming en waarborgen te bieden; is ermee ingenomen dat de verdachten van de criminele aanval op het klooster in Boldipuku zijn gearresteerd;

10.  verzoekt de regering van Bangladesh toe te zien op handhaving van de arbeidswetgeving en verlangt verdere hervorming om de wetgeving in overeenstemming te brengen met de IAO-normen, en met name te voorzien in de mogelijkheid van werknemers om vrij vakbonden te vormen en daartoe toe te treden;

11.  neemt kennis van de hervormingsplannen in de kledingindustrie, maar verzoekt de regering het actieplan dat het in mei 2013 is overeengekomen met de IAO en heeft ondertekend ten volle in de praktijk te brengen, met inbegrip van de aanwerving en opleiding van inspecteurs en het doorvoeren van grondige inspecties, met openbare verslaggeving, van de vele duizenden fabrieken; verlangt dat de ondertekenaars van het akkoord over brand en veiligheid in Bangladesh hun verplichtingen nakomen, onder meer op het gebied van financiële compensatie van slachtoffers en minimumnormen;

12.  betreurt dat met vrijwillige giften door bedrijven aan het donortrustfonds in juni 2014 net 17 miljoen USD is vergaard, waarmee nog een bedrag van 23 miljoen USD ontbreekt; concludeert derhalve dat het vrijwilligheidsbeginsel tekort is geschoten voor de slachtoffers van de ramp in Rana Plaza en dat een verplicht mechanisme dringend noodzakelijk is;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Bangladesh, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de regeringen en de parlementen van de lidstaten.


Situatie in Oekraïne en stand van zaken in de betrekkingen tussen de EU en Rusland
PDF 163kWORD 215k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2014 over de situatie in Oekraïne en de stand van zaken in de betrekkingen tussen de EU en Rusland (2014/2841(RSP))
P8_TA(2014)0025RC-B8-0118/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het Europees Nabuurschapsbeleid, het Oostelijk Partnerschap en Oekraïne, en met name zijn resoluties van 27 februari 2014 over de situatie in Oekraïne(1), van 13 maart 2014 over de invasie van Oekraïne door Rusland(2) en van 17 april 2014 over Russische druk op de landen van het Oostelijk Partnerschap en in het bijzonder de destabilisatie van Oost-Oekraïne(3), en van 17 juli 2014 over de situatie in Oekraïne(4),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 22 juli en 15 augustus 2014 en de conclusies van de Europese Raad van 30 augustus 2014 over Oekraïne,

–  gezien de verklaring van de EDEO-woordvoerder van 11 september 2014 over de ontvoering van een Estse politiefunctionaris,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, met name zijn resolutie van 6 februari 2014 over de top EU-Rusland(5),

–  gezien de slotverklaring van de NAVO-topontmoeting op 5 september 2014 in Wales,

–  gezien de conclusies van de buitengewone bijeenkomst van de Raad Landbouw op 5 september 2014,

–  gezien de gezamenlijke ministeriële verklaring van 12 september 2014 over de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst / diepe en brede vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Oekraïne,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het conflict in het oosten van Oekraïne in de zomer van 2014 verder geëscaleerd is; overwegende dat volgens schattingen van de VN ten minste drieduizend mensen het leven hebben verloren en vele duizenden gewond zijn geraakt en dat honderdduizenden burgers de conflictgebieden zijn ontvlucht; overwegende dat de economische kosten van het conflict, met inbegrip van de kosten van de wederopbouw van de oostelijke regio's, een grote zorg zijn voor de maatschappelijke en economische ontwikkeling van Oekraïne;

B.  overwegende dat de trilaterale contactgroep op 5 september 2014 in Minsk een staakt-het-vuren is overeengekomen, dat dezelfde dag van kracht werd; overwegende dat de overeenkomst ook een 12-puntenprotocol omvatte, dat betrekking heeft op de vrijlating van krijgsgevangenen, maatregelen ter verbetering van de humanitaire situatie, de terugtrekking van alle illegale gewapende groeperingen, militaire uitrusting en huursoldaten uit Oekraïne en maatregelen gericht op decentralisatie in de regio's Donetsk en Loehansk;

C.  overwegende dat het staakt-het-vuren sinds 5 september 2014 met name door reguliere Russische troepen en separatisten is geschonden in de buurt van Mariupol en de luchthaven van Donetsk, en dat op diverse andere plaatsen getracht is de Oekraïense defensie op de proef te stellen;

D.  overwegende dat Rusland de afgelopen weken zijn militaire aanwezigheid op Oekraïens grondgebied heeft en zijn logistieke steun aan de separatistische milities heeft opgevoerd door constant wapens, munitie, gepantserde voertuigen en materieel, huurlingen en vermomde militairen aan te voeren, ondanks de oproepen van de EU om alles in het werk te stellen om te komen tot de-escalatie; overwegende dat de Russische Federatie sedert het uitbreken van de crisis troepen en militair materieel heeft samengebracht aan de grens met Oekraïne;

E.  overwegende dat de directe en indirecte militaire interventie van Rusland in Oekraïne, met inbegrip van de annexatie van de Krim, een schending vormt van het internationaal recht, onder meer het VN-Handvest, de Slotakte van Helsinki en de Overeenkomst van Boedapest van 1994; overwegende dat Rusland blijft weigeren het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa (CSE) toe te passen;

F.  overwegende dat de Europese Raad op 30 augustus 2014, gezien het destabiliserende optreden van Rusland in de oostelijke Oekraïne, heeft verzocht om voorstellen ter versterking van de restrictieve maatregelen van de EU; overwegende dat de voorgestelde maatregelen op 12 september 2014 in werking zijn getreden;

G.  overwegende dat de EU en Oekraïne, na de ondertekening van de politieke bepalingen van de associatieovereenkomst op 21 maart 2014, op 27 juni 2014 het resterende deel van deze overeenkomst officieel hebben ondertekend, waaronder een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst; overwegende dat het Europees Parlement en de Verchovna Rada de associatieovereenkomst gelijktijdig hebben geratificeerd; overwegende dat de Commissie op 12 september 2014 heeft bekendgemaakt dat de voorlopige toepassing van de associatieovereenkomst/diepe en brede vrijhandelsovereenkomst (DCFTA) tot 31 december 2015 wordt uitgesteld; merkt op dat dit zal leiden tot verlenging van de eenzijdige handelspreferenties van de EU jegens Oekraïne, die op 1 november 2014 zouden aflopen;

H.  overwegende dat de Russische regering op 7 augustus 2014 een lijst met producten uit de EU, de VS, Noorwegen, Canada en Australië heeft goedgekeurd die een jaar lang niet op de Russische markt mogen worden aangeboden; overwegende dat de EU hierdoor het sterkst wordt getroffen, omdat Rusland voor de EU de op een na grootste exportmarkt voor landbouwproducten vormt en de zesde plaats inneemt bij visserijproducten en omdat 73% van de goederen waarvoor een invoerverbod geldt, uit de EU afkomstig is; overwegende dat als gevolg van de globale beperkingen die Rusland momenteel toepast, een handelsvolume van EUR 5 miljard op het spel staat en 9,5 miljoen werknemers in de meest getroffen landbouwbedrijven in de EU in hun inkomen getroffen kunnen worden;

I.  overwegende dat het Russische verbod op levensmiddelen uit de EU, dat vooral de groente- en fruitsector, maar ook de zuivel- en vleessector heeft getroffen, er wellicht toe kan leiden dat er op de interne markt een overaanbod ontstaat, en dat de ban op EU-visserijproducten in sommige lidstaten tot ernstige problemen zou kunnen leiden; overwegende dat de waarde van de verboden visserijproducten bijna EUR 144 miljoen bedraagt;

J.  overwegende dat Rusland de veiligheid van de EU aantast door regelmatig het luchtruim van Finland, de Oostzeelanden en Oekraïne te schenden en door de recente verlaging van de gasleveringen aan Polen met 45%;

K.  overwegende dat op de NAVO-top in Newport is bevestigd dat de NAVO Oekraïne steunt tegen de destabiliserende Russische invloed, hulp is aangeboden met het oog op de versterking van de Oekraïense strijdkrachten en een oproep is gedaan aan Rusland om zijn troepen uit Oekraïne terug te trekken en een einde te maken aan de illegale annexering van de Krim; overwegende dat de NAVO heeft verklaard te blijven streven naar coöperatieve en constructieve betrekkingen met Rusland, met inbegrip van versterking van het wederzijdse vertrouwen, en dat de communicatiekanalen met Rusland open blijven;

L.  overwegende dat het neerhalen met noodlottige afloop van vlucht MH17 van Malaysian Airlines in de regio Donetsk in Europa en daarbuiten hevige verontwaardiging heeft gewekt; overwegende dat de VN en de EU hebben aangedrongen op een diepgaand internationaal onderzoek naar de toedracht van het ongeluk en dat berechting van de verantwoordelijken een morele en wettelijke verplichting is;

M.  overwegende dat Mykola Zelenec, honorair consul van Litouwen in Loehansk, door de rebellen is ontvoerd en gewelddadig omgebracht;

1.  verwelkomt de staakt-het-vuren overeenkomst van Minsk en roept alle partijen op alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat dit staakt-het-vuren volledig worden nageleefd en dat zo de weg kan worden bereid voor het begin van een echt vredesproces, met inbegrip van effectieve OVSE-controles aan de Oekraïense grenzen, de volledige en onvoorwaardelijke terugtrekking van Russische troepen, illegale gewapende groepen, militair materieel en huurlingen uit het internationaal erkende grondgebied van Oekraïne, en vrijlating van gijzelaars; betreurt het dat het wapenstilstandsakkoord voortdurend door met name separatisten en Russische strijdkrachten wordt geschonden en dat zij zich nog steeds blijven versterken; kan niet genoeg benadrukken dat dit conflict langs politieke weg moet worden opgelost;

2.  roept alle partijen op het staakt-het-vuren te eerbiedigen en zich te onthouden van acties die deze overeenkomst in gevaar zouden kunnen brengen; spreekt er echter zijn grote bezorgdheid over uit dat het staakt-het-vuren voor de Russische troepen een voorwendsel is om zich te hergroeperen met het oog op voortzetting van hun offensief gericht op de totstandbrenging van een "landcorridor" naar de Krim en verder naar Transnistrië;

3.  veroordeelt met klem de Russische Federatie voor het voeren van een niet-verklaarde hybride oorlog tegen Oekraïne met de inzet van reguliere Russische troepen, en voor het steunen van illegale bewapende groepen; benadrukt het feit dat dit optreden van de Russische leiders niet alleen een bedreiging vormt voor de eenheid en onafhankelijkheid van Oekraïne, maar voor het hele Europese continent; dringt er bij Rusland op aan dat het onmiddellijk al zijn militair materieel en troepen uit Oekraïne terugtrekt, de aanvoer van strijders en wapens naar het oosten van Oekraïne verbiedt en zijn steun, direct of indirect, voor de acties van de separatisten op Oekraïens grondgebied stopzet;

4.  herhaalt zijn engagement voor de onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit, onschendbaarheid van de grenzen en de keuze van Oekraïne voor Europa; herhaalt dat de internationale gemeenschap de illegale annexatie van de Krim en Sevastopol en de pogingen om in Donbas quasi-republieken te vestigen, niet zal erkennen; is verheugd over het besluit van de EU om import uit de Krim te verbieden tenzij een invoerproduct vergezeld gaat van een door de Oekraïense overheid afgegeven certificaat van oorsprong; veroordeelt verder de gedwongen afgifte van Russische paspoorten aan Oekraïense burgers op de Krim, de vervolging van Oekraïners en Krimtataren, en de dreigementen van de zelfbenoemde leiders aan het adres van burgers op de Krim die hebben aangegeven bij de komende parlementsverkiezingen te willen stemmen;

5.  benadrukt dat de OVSE een cruciale rol speelt in het oplossen van de Oekraïense crisis, omdat de OVSE ervaring heeft met het omgaan met gewapende conflicten en crises en omdat Rusland en Oekraïne beide lid zijn van deze organisatie; verzoekt de lidstaten, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie alles in het werk te stellen om de bijzondere OVSE-waarnemingsmissie in Oekraïne te versterken en uit te breiden, zowel op het gebied van ervaren personeel als van logistiek en uitrusting; benadrukt dat de OVSE-waarnemers dringend moeten worden ingezet langs alle delen van de Oekraïens-Russische grens die momenteel door de separatisten worden gecontroleerd;

6.  onderstreept dat de hervorming en de associatieagenda parallel moeten lopen met de voortgaande strijd voor de territoriale integriteit en eenheid van Oekraïne; verklaart opnieuw dat deze twee taken onlosmakelijk en synergistisch met elkaar verbonden zijn; benadrukt de behoefte aan een vreedzame dialoog en aan een decentralisatie die de waarborg biedt dat het gezag over het gehele grondgebied in handen van de centrale overheid blijft, zodat de eenheid van Oekraïne gegarandeerd is; onderstreept dat er vertrouwen moet worden geschapen tussen de verschillende gemeenschappen in de samenleving, en dringt aan op een duurzaam verzoeningsproces; benadrukt in dit verband het belang van een inclusieve nationale dialoog, waarbij propaganda en tot haat aanzettende taal die het conflict nog verder kan verscherpen, moeten worden vermeden; beklemtoont dat bij zo'n inclusieve dialoog maatschappelijke organisaties betrokken moeten worden, alsook mensen uit alle regio's en minderheidsgroepen;

7.  is verheugd over de gelijktijdige ratificatie van de AA/DCFTA door de Verchovna Rada en het Europees Parlement; beschouwt dit als een belangrijke stap waarmee beide zijden blijk geven van hun engagement voor een succesvolle uitvoering; neemt kennis van het feit dat de voorlopige toepassing van de DCFTA tussen de EU en Oekraïne mogelijk wordt uitgesteld tot 31 december 2015 en wordt vervangen door de verlenging van eenzijdige handelsmaatregelen, hetgeen in feite neerkomt op een asymmetrische toepassing van het akkoord; Betreurt de buitengewone maatregelen die door Rusland zijn genomen en de druk die door Rusland wordt uitgeoefend; Verklaart dat de overeenkomst niet gewijzigd kan en zal worden en dat de EU hier met deze ratificatie geen misverstand over heeft laten bestaan; Roept de lidstaten op haast te maken met de ratificatie van de AA/DCFTA met Oekraïne; is ingenomen met het lopende overleg tussen Oekraïne, Rusland en de EU over de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst / diepe en brede vrijhandelsovereenkomst met Oekraïne en hoopt dat mede daardoor misverstanden uit de weg kunnen worden geruimd;

8.  onderstreept dat de komende maanden tot de uitvoering van de AA/DCFTA moeten worden benut om de noodzakelijke hervorming en modernisering van het Oekraïense politieke bestel en de Oekraïense economie en samenleving volgens de associatieagenda ter hand te nemen; is verheugd over het hervormingsprogramma dat president Porosjenko heeft aangekondigd, waaronder begrepen wetgeving inzake corruptiebestrijding, decentralisering en amnestie; roept de Commissie en de EEAS op snel te komen met een omvangrijk en ambitieus financieel steunpakket voor Oekraïne en met name voor de bevolking in Oost-Oekraïne, en zo te werken aan een politieke oplossing en nationale verzoening;

9.  beschouwt de speciale status die is toegekend aan sommige districten in de Donetsk- en Loehansk-regio's en de amnestie die op 16 september 2014 door het Oekraïense parlement is goedgekeurd als een belangrijke bijdrage aan de de-escalatie in het kader van het vredesplan van de president van Oekraïne;

10.  steunt de restrictieve maatregelen die de EU deze zomer tegen Rusland heeft genomen naar aanleiding van de voortdurende agressie van dat land en neemt kennis van de versterking van deze maatregelen waartoe 12 september 2014 werd besloten; is van mening dat elke sanctie zodanig moet worden ingekleed dat aan het Kremlin gelieerde bedrijven deze niet kunnen omzeilen; verzoekt de EU om nauwlettend toe te zien op vormen van economische samenwerking als aandelenswaps en joint-ventures;

11.   benadrukt de omkeerbaarheid en de gradeerbaarheid van de beperkende maatregelen van de EU, al naar gelang de situatie in Oekraïne;

12.  verzoekt de lidstaten en de EDEO een reeks duidelijke benchmarks vast te stellen die, wanneer daaraan voldaan is, de vaststelling van nieuwe beperkende maatregelen tegen Rusland kunnen voorkomen of kunnen leiden tot de opheffing van de voorgaande maatregelen; is van mening dat de volgende ijkpunten niet mogen ontbreken: algehele terugtrekking van Russische troepen en huurlingen uit het grondgebied van Oekraïne; beëindiging van de levering van wapens en materieel aan terroristen; volledige inachtneming van de bestandsovereenkomst door Rusland; de totstandkoming van een effectieve internationale controle en verificatie van de bestandsovereenkomst; en herstel van de controle van Oekraïne over zijn hele grondgebied; verzoekt de Raad en de lidstaten geen enkele sanctie te heroverwegen voordat aan deze voorwaarden is voldaan en bereid te zijn tot verdere sancties mocht Rusland acties ondernemen die die de staakt-het-vuren overeenkomst in gevaar brengen of zouden kunnen leiden tot verdere escalatie van de spanningen in Oekraïne;

13.  wijst erop dat de beperkende maatregelen van de EU rechtstreeks samenhangen met het feit dat Rusland het internationaal recht heeft geschonden met de illegale annexatie van de Krim en de destabilisering van Oekraïne, terwijl de handelsmaatregelen van Russische zijde, waaronder die tegen Oekraïne en andere landen van het oostelijk partnerschap, die de afgelopen tijd associatieovereenkomsten met de EU hebben gesloten, ongegrond zijn; verzoekt de EU in overweging te nemen Rusland uit te sluiten van civiele nucleaire samenwerking en het SWIFT-systeem;

14.  verzoekt de Commissie het effect van de Russische tegensancties nauwlettend te volgen en snel maatregelen te nemen om producenten te steunen die worden getroffen door Russische handelsbeperkingen; stemt in met de maatregelen die de Raad Landbouw op 5 september 2014 heeft afgekondigd en verzoekt de Commissie na te gaan hoe de EU in staat kan worden gesteld om in de toekomst een dergelijke crisis beter aan te pakken, en vraagt de Commissie alles in het werk te stellen om de getroffen Europese producenten tijdig forse steun te bieden; betreurt de opschorting van de noodmaatregelen voor de markten voor bederfelijke waar als fruit en groenten, maar veroordeelt misbruik van de steun; Roept de Commissie op zo spoedig mogelijk met en nieuw plan te komen;

15.  verzoekt de Commissie de landbouw-, levensmiddelen-, visserij- en aquacultuurmarkt van nabij te volgen, de Raad en het Parlement op de hoogte te stellen van eventuele veranderingen en het effect van de genomen maatregelen te evalueren om de lijst van de voor steun in aanmerking komende producten mogelijk uit te breiden en het budget van 125 miljoen EUR te verhogen; dringt er bij de Commissie op aan zich niet tot marktmaatregelen te beperken, maar ook maatregelen voor de middellange termijn te nemen ter versterking van de aanwezigheid van de EU op de markten van derde landen (bijv. promotieactiviteiten);

16.  overweegt de mogelijkheid om ook van andere EU-middelen dan alleen landbouwgelden gebruik te maken, omdat de crisis in eerste instantie van politieke aard is en niet het gevolg van slechte marktwerking of ongunstige weersomstandigheden;

17.  benadrukt dat politieke en economische stabiliteit en ontwikkeling in Rusland op middellange en lange termijn staat of valt met het ontstaan van een echte democratie, en dat de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en Rusland af zal hangen van de inspanningen om de democratie, de rechtstaat en de eerbiediging van de mensenrechten in Rusland te verbeteren;

18.  neemt met genoegen kennis van de vrijlating van gijzelaars door de ongeregelde gewapende groepen in het oosten van Oekraïne en dringt aan op de vrijlating van Oekraïense gevangenen in Rusland; wijst met name op de zaak Nadezjda Savtsjenko, een in juni 2014 door de separatisten gevangen genomen Oekraïense vrijwilliger die vervolgens naar Rusland overgebracht is en nog steeds vastgehouden wordt; wijst voorts op de gevallen van de filmmakers en journalisten Oleg Sentsov, Oleskiy Chierny, Gennadiy Afanasiev en Aleksandr Kolchenko, die op de Krim gevangen zijn genomen;

19.  is verheugd over de hernieuwde toezegging van de NAVO om prioriteit toe te kennen aan de collectieve veiligheid, en over het feit dat men zich heeft gecommitteerd aan artikel 5 van het Verdrag van Washington; is verheugd over de besluiten op de NAVO-top in Newport om het veiligheidsniveau van de oostelijke bondgenoten te verhogen, o.a. door de oprichting van de Very High Readiness Joint Task Force (VJTF)", een permanente roulerende militaire aanwezigheid van de NAVO en de aanleg van logistieke infrastructuur, alsmede de steun die is aangeboden met het oog op de versterking van het Oekraïense vermogen om voor zijn eigen veiligheid te zorgen; neemt er nota van dat de NAVO-bondgenoten bilateraal de nodige wapens, technologie en knowhow voor veiligheid en defensie aan Oekraïne kunnen leveren; benadrukt echter nadrukkelijk dat er geen militaire oplossing is voor de crisis in Oekraïne;

20.  onderstreept het belang van het onafhankelijke, snelle en volledige onderzoek naar de oorzaken van het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysian Airlines, dat is toevertrouwd aan de Nederlandse Onderzoeksraad voor Veiligheid, en benadrukt dat de verantwoordelijken voor de rechter moeten worden gebracht; merkt op dat de Nederlandse Onderzoeksraad voor Veiligheid zijn voorlopige rapport over het onderzoek naar het neerstorten van MH17 op 9 september 2014 heeft uitgebracht; onderstreept dat er, afgaande op de nu beschikbare voorlopige bevindingen, geen aanwijzingen zijn gevonden voor eventuele technische of operationele problemen met vliegtuig of bemanning en dat de in het voorste deel vastgestelde schade erop lijkt te duiden dat het vliegtuig van buitenaf is geraakt door een groot aantal objecten die het toestel met hoge snelheid hebben doorboord; betreurt het dat de rebellen onderzoekers nog steeds geen onbelemmerde toegang bieden tot de rampplek en roept alle betrokken partijen op onmiddellijk toegang mogelijk te maken;

21.  is ervan overtuigd dat de EU alleen doeltreffend op de Russische dreigementen kan reageren door de eenheid te bewaren en met één stem tegen Rusland te spreken; meent dat de EU haar betrekkingen met Rusland grondig moet herzien, de idee van een strategisch partnerschap moet laten varen en moet kiezen voor een nieuwe, uniforme benadering;

22.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de catastrofale humanitaire situatie in de oostelijke Oekraïne, vooral met het oog op de naderende winter; wijst erop dat er dringend behoefte is aan humanitaire hulp voor de bevolking in de omstreden gebieden en voor vluchtelingen en ontheemden; herhaalt de onlangs door de Wereldgezondheidsorganisatie gelanceerde noodkreet dat het oosten van Oekraïne met een medische noodsituatie te kampen heeft doordat ziekenhuizen niet optimaal functioneren en er een tekort aan geneesmiddelen en vaccins heerst; is ingenomen met het onlangs door de Commissie genomen besluit om EUR 22 miljoen uit te trekken voor humanitaire en ontwikkelingshulp aan Oekraïne; dringt aan op verdere inspanningen, volledig onder EU-verantwoordelijkheid en -toezicht, met inbegrip van een humanitair hulpkonvooi, om de meest behoeftigen hulp te bieden; wijst erop dat de verlening van humanitaire hulp aan het oosten van Oekraïne plaats moet vinden met volledige inachtneming van het internationaal humanitair recht en de beginselen menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid en in nauwe samenwerking met de Oekraïense regering, de VN en het Internationale Rode Kruis; betuigt zijn diepe respect voor het fantastische werk dat groepen Oekraïense burgers hebben verricht op humanitair gebied, met name door kinderen te evacueren en gezondheidszorg en voedsel te verstrekken;

23.  dringt er bij de Commissie op aan te beginnen met de voorbereiding van het derde ambitieus pakket voor macro-financiële bijstand aan Oekraïne, alsook het voortouw te nemen bij de organisatie van de donorconferentie voor Oekraïne die uiterlijk eind 2014 moet plaatsvinden en waaraan internationale organisaties, internationale financiële instellingen en het maatschappelijk middenveld zullen deelnemen; Benadrukt het belang van een harde toezegging van de internationale gemeenschap om de economische en politieke stabilisatie en hervorming van Oekraïne te ondersteunen;

24.  prijst de voortdurende pogingen van de Oekraïense autoriteiten om het recht op onderwijs te garanderen en met name om ervoor te zorgen dat alle door het conflict getroffen kinderen zo snel mogelijk weer naar school kunnen; wijst op het belang van psychosociale steunverlening aan alle kinderen die rechtstreeks te maken hebben gehad met gewelddadige gebeurtenissen;

25.  veroordeelt ten scherpste de illegale ontvoering van een Estse functionaris van de binnenlandse veiligheidsdienst van Ests grondgebied naar Rusland en roept de Russische autoriteiten op de heer Kohver onmiddellijk vrij te laten en hem veilig naar Estland te laten terugkeren;

26.  acht het van het grootste belang dat de afhankelijkheid van de EU van Russische en andere totalitaire regimes wordt gereduceerd; dringt er bovendien bij de Europese Raad op aan in oktober 2014 een ambitieus en omvattend noodplan voor de komende winter goed te keuren, waarin tevens buurlanden als Oekraïne worden opgenomen;

27.  vestigt de aandacht op de recente, geloofwaardige meldingen van mensenrechtenschendingen in conflictgebieden door vooral reguliere Russische troepen en separatisten; steunt de oproep aan de Oekraïense regering om één regelmatig geactualiseerd register van gemelde ontvoeringen te creëren en alle aantijgingen van misbruik van geweld, mishandeling en foltering aan een grondig en onafhankelijk onderzoek te onderwerpen;

28.  is ingenomen met de vaststelling van het vierde voortgangsverslag van de Commissie over de uitvoering van actieplan voor visumliberalisering door Oekraïne en over het besluit van de Raad om de tweede fase aan te vatten; dringt erop aan dat de regeling inzake visumvrij verkeer tussen de EU en Oekraïne spoedig wordt afgerond als concreet antwoord op de Europese aspiraties van de betogers van het Maidanplein; vraagt dat in afwachting daarvan onmiddellijk tijdelijke, eenvoudige en goedkope visumprocedures worden ingevoerd;

29.  dringt aan op voortzetting van het in juni opgeschorte driehoeksoverleg over de sinds juni 2014 gestaakte gasleveringen aan Oekraïne, om een oplossing in de zin van een hervatting te vinden; herhaalt dat de gasvoorziening verzekerd moet worden door vanuit EU-buurlanden gasstromen naar Oekraïne terug te leiden;

30.  verzoekt de EU gasopslag, interconnecties en flow-back installaties te gaan zien als strategische troeven, waarmee het aandeel van derde contractsluitende ondernemingen in deze cruciale sectoren kan worden gereguleerd; roept de lidstaten voorts op geplande akkoorden met Rusland in de energiesector, met inbegrip van de South Stream gaspijpleiding, te annuleren;

31.  onderstreept dat de energiezekerheid, de onafhankelijkheid en de veerkracht van de EU in het geval van externe pressie radicaal moeten worden verbeterd door het consolideren van de energiesectoren, de verdere ontwikkeling van de energie-infrastructuur in de buurlanden van de EU en de ontwikkeling van energie-interconnecties tussen deze landen en met de EU, overeenkomstig de doelstellingen van de Energiegemeenschap, en dat deze prioritaire projecten van gemeenschappelijk belang met de grootste spoed moeten worden verwezenlijkt om een volledig werkende vrije gasmarkt in Europa tot stand te brengen;

32.  is ingenomen met het besluit van de Franse regering om de levering van de vliegdekschepen van de Mistral-klasse op te schorten en roept alle lidstaten op een soortgelijk standpunt in te nemen ten aanzien van export die niet door de EU-sanctiebesluiten worden bestreken, met name wat betreft wapens en materieel voor tweeledig gebruik; herinnert eraan dat dit contract onder de huidige omstandigheden vermoedelijk in strijd is met de EU-gedragscode inzake wapenexport en het Gezamenlijk standpunt van 2008 waarin gemeenschappelijke regels zijn vastgelegd over controle op de export van militaire technologie en uitrusting; dringt er bij alle lidstaten op aan dat ze zich volledig houden aan het wapenembargo en het uitvoerverbod voor goederen voor tweeledig gebruik met een militaire eindbestemming;

33.  is verheugd over het besluit om op 26 oktober 2014 in Oekraïne vervroegde parlementsverkiezingen te houden en verwacht van de regering dat zij vrije en eerlijke verkiezingen garandeert; verzoekt de Oekraïense autoriteiten volledige openheid te betrachten over de financiering van politieke partijen en hun politieke campagnes en alle opmerkingen in de bevindingen en conclusies van de OVSE/ODIHR-waarnemingsmissie voor de recente presidentsverkiezingen volledig te behandelen; dringt erop aan dat alle partijen die thans in het Oekraïense parlement vertegenwoordigd zijn aan de verkiezingen deelnemen en dat alle partijen de uitslag volledig eerbiedigen; hoopt op een sterke meerderheid gezien de belangrijke uitdagingen en noodzakelijke hervormingen in de toekomst; dringt er daarom bij de opstandelingen in het oosten van de Oekraïne op aan dat zij het verkiezingsproces niet blokkeren en de inwoners van het Don-bekken het grondrecht garanderen om in vrijheid hun vertegenwoordigers te kiezen; hecht aan het sturen van verkiezingswaarnemers om deze verkiezingen te volgen, en dringt aan op een substantiële internationale waarnemingsmissie bij deze cruciale verkiezingen, die onder nog steeds moeilijke omstandigheden zullen plaatsvinden;

34.  onderstreept dat Rusland nu minder reden dan ooit heeft om kritiek te uiten op de overeenkomst tussen de EU en Oekraïne of met ongerechtvaardigde handelsbeperkingen en militaire agressie te reageren; spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat deze nieuwe ontwikkeling Rusland aanspoort tot aanscherping van zijn beleid dat erop gericht is Oekraïne te intimideren en het land binnen zijn eigen invloedssfeer te brengen; vreest dat het conflict zou kunnen overslaan naar Georgië en Moldavië;

35.  betreurt eveneens het feit dat het Russische leiderschap het Oostelijk Partnerschap van de EU als een bedreiging van zijn eigen politieke en economische belangen opvat; onderstreept daarentegen dat Rusland gebaat zal zijn met toegenomen handel en economische activiteiten, en de veiligheid van Rusland zal verbeteren met stabiele en voorspelbare buurlanden; betreurt dat Rusland handel gebruikt als instrument om de regio te destabiliseren, dit door een invoerverbod op te leggen voor bepaalde producten uit Oekraïne en Moldavië, en onlangs nog door de GOS-vrijhandelsovereenkomsten met Oekraïne, Georgië en Moldavië op te zeggen en bijgevolg opnieuw meestbegunstigdelandrechten te heffen op producten die uit deze landen komen;

36.  herhaalt in dit verband zijn standpunt dat deze overeenkomst niet het einddoel in de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne vormt; wijst er voorts op dat Oekraïne overeenkomstig artikel 49 VEU net als alle andere Europese landen een Europees perspectief heeft en het EU-lidmaatschap kan aanvragen, op voorwaarde dat het de democratische beginselen in acht neemt, de fundamentele vrijheden, de mensenrechten en de rechten van minderheden eerbiedigt en het functioneren van de rechtsstaat garandeert;

37.  beklemtoont dat de relatie van partnerschap en samenwerking met Rusland hersteld moet worden zodra Rusland er blijk van geeft het internationaal recht te eerbiedigen, actief en ondubbelzinnig bijdraagt tot een vreedzame oplossing van de crisis in Oekraïne en de territoriale integriteit, onafhankelijkheid en soevereiniteit van Oekraïne, de andere landen van het oostelijk partnerschap en zijn buurlanden ten volle eerbiedigt; verzoekt de nieuwe hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter vooruitlopend daarop het pad te effenen voor de dialoog tussen Oekraïne en Rusland en die tussen de EU en Rusland, en vreedzame oplossingen voor conflicten te bevorderen; is daarnaast van oordeel dat de Commissie na moet gaan hoe samenwerking tussen de EU en de Euraziatische Economische Unie gestalte kan krijgen;

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de president, de regering en het parlement van Oekraïne, de Raad van Europa, de OVSE, en de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0170.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0248.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0457.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0009.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0101.


Reactie van de EU op de uitbraak van ebola
PDF 141kWORD 194k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2014 over de reactie van de EU op de uitbraak van het ebolavirus (2014/2842(RSP))
P8_TA(2014)0026RC-B8-0107/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling "Public Health Emergency of International Concern" van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 8 augustus 2014,

–  gezien de door de WHO opgestelde routekaart bij wijze van "Reactie op de uitbraak van het ebolavirus" van 28 augustus 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van de Europese Unie betreffende de ebolocrisis in West-Afrika van 15 augustus 2014,

–  gezien de risicobeoordeling met betrekking tot de uitbraak van het ebolavirus van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) van 27 augustus 2014,

–  gezien de verklaring over de uitbraak van het ebolavirus in West-Afrika van de commissaris voor Volksgezondheid, Tonio Borg, van 8 augustus 2014,

–  gezien de verklaring over de reactie van de EU op de uitbraak van het ebolavirus van de commissaris voor Ontwikkeling, Andris Piebalgs, en de commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbestrijding, Kristalina Georgieva, van 5 september 2014,

–  gezien het evenement op hoog niveau van de Europese Commissie van 15 september 2014 ter coördinatie van de reactie op de uitbraak van het ebolavirus in West-Afrika,

–  gezien de op 21 augustus 2014 door de Afrikaanse Unie (AU) ingestelde missie voor steunverlening bij de uitbraak van het ebolavirus in West-Afrika (ASEOWA),

–  gezien de speciale briefing van de VN over ebola door Dr. Joanne Liu, de internationale voorzitter van Artsen zonder Grenzen, van 2 september 2014,

–  gezien de verklaring van de minister van Defensie van Liberia, Brownie Samukai, in de VN-Veiligheidsraad over de bedreiging voor het voortbestaan van zijn land door de uitbraak van het ebolavirus,

–  gezien de bijeenkomst van de VN-Veiligheidsraad op 18 september 2014, waar de ebolacrisis bovenaan de agenda zal staan,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de virale ebolaziekte, vroeger bekend onder de naam hemorragische ebolakoorts, een ernstige, vaak dodelijke, bij mensen voorkomende ziekte is;

B.  overwegende dat sinds de officiële aanvang van de ebola-uitbraak op 22 maart 2014 in Guinee, de epidemie vier andere landen heeft bereikt (Liberia, Nigeria, Sierra Leone en Senegal), meer dan 4 000 mensen heeft getroffen en meer dan 2 000 mensen het leven heeft gekost, en dat er ook een onbekend aantal personen met het ebolavirus besmet, c.q. aan besmetting met het ebolavirus overleden is;

C.  overwegende dat de epidemie zich steeds sneller en verder uitbreidt in West-Afrika, en er tevens een afzonderlijke uitbraak van het virus is in de Democratische Republiek Congo;

D.  overwegende dat de WHO erkent dat de uitbraak van het ebolavirus aanvankelijk is onderschat en denkt dat het aantal patiënten de komende drie maanden de 20 000 zou kunnen overschrijden;

E.  overwegende dat de WHO heeft gemeld dat dit de grootste uitbraak in de geschiedenis is in termen van aantallen ziektegevallen en doden en wat betreft de geografische verspreiding ervan, en heeft verklaard dat de crisis een volksgezondheidscrisis van internationale omvang is waarvoor een gecoördineerde internationale reactie nodig is;

F.  overwegende dat er in de door het ebolavirus getroffen gebieden 4,5 miljoen kinderen onder de leeftijd van vijf jaar wonen en dat vrouwen onevenredig zwaar door het virus worden getroffen vanwege hun verzorgende rol (het gaat daarbij om 75 procent van de gevallen);

G.  overwegende dat de routekaart van de WHO een aantal concrete en onmiddellijke maatregelen bevat die tot doel hebben de overdracht van ebola wereldwijd een halt toe te roepen binnen een termijn van zes tot negen maanden en tegelijkertijd snel om te gaan met de gevolgen van eventuele verdere internationale verspreiding, en dat tevens wordt erkend dat het nodig is de bredere sociaaleconomische impact van de uitbraak aan te pakken;

H.  overwegende dat de meest actieve ngo's in het gebied, zoals Artsen zonder Grenzen en het Internationale Rode Kruis en de Internationale Rode Halve Maan, de reactie van de internationale gemeenschap gevaarlijk ontoereikend hebben genoemd, aangezien uiterst beperkte capaciteiten ter plekke leiden tot kritieke tekortkomingen op alle terreinen van de reactie: medische zorgverlening, de opleiding van gezondheidswerkers, infectiebeheersing, de opsporing van contacten, epidemiologisch toezicht, waarschuwings- en verwijzingssystemen, maatschappelijke vorming en mobilisering;

I.  overwegende dat de dienst Ontwikkelingssamenwerking (DG DEVCO) en de dienst Humanitaire Hulp en Burgerbescherming (DG ECHO) van de Commissie meer dan 147 miljoen EUR aan humanitaire en ontwikkelingshulp hebben toegezegd om de verspreiding van het virus een halt toe te roepen, behandeling en hoognodige uitrusting ter beschikking te stellen aan besmette personen, en humanitaire deskundigen in te zetten;

J.  overwegende dat van de toegezegde 147 miljoen EUR slechts 11,9 miljoen EUR specifiek bedoeld is voor humanitaire noodhulp;

K.  overwegende dat alle partnerorganisaties die ter plekke opereren, onderstrepen dat er niet alleen dringend behoefte is aan geld, maar ook aan operationele capaciteit om de patiënten te kunnen isoleren en behandelen, waarbij o.a. moet worden gedacht aan gekwalificeerd personeel en logistiek materiaal;

L.  overwegende dat de Commissie de situatie volgt middels haar Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC), dat als platform moet fungeren voor de coördinatie van de EU-steun;

M.  overwegende dat de EU humanitaire deskundigen heeft ingezet in de regio, die toezicht houden op de situatie en contacten onderhouden met partnerorganisaties en plaatselijke overheden;

N.  overwegende dat de lidstaten van de EU in staat zijn op korte termijn hulpteams te mobiliseren voor vroegtijdige diagnose, isolatie (met scheiding van verdachte en bevestigde gevallen), monitoring van contactpersonen en het traceren van besmettingsketens, maatregelen voor begrafenissen, onderwijs en plaatselijke ondersteuning;

O.  overwegende dat de getroffen landen nu reeds met een tekort aan voedsel en schoon water te kampen hebben, alsook met de ineenstorting van hun economieën door een verstoring van de handel, de commerciële vluchten en het oogsten na de uitbraak van de epidemie, wat heeft geleid tot sociale onrust, mensen die vluchten, chaos, bedreigingen van de openbare orde en een verdere verspreiding van het virus;

P.  overwegende dat de uitbraak van het ebolavirus ernstige tekortkomingen in de gezondheidsstelsels van de getroffen landen aan het licht heeft gebracht, alsook de dringende behoefte aan steun om deze te verbeteren;

1.  betreurt het verlies aan mensenlevens in de regio die door de uitbraak van het ebolavirus is getroffen en betuigt zijn oprechte deelneming aan de regeringen en bevolkingen van de landen die getroffen zijn door de uitbraak;

2.  is van mening dat de internationale gemeenschap een grotere rol moet spelen, maar dat de Afrikaanse landen ook hun deel van de verantwoordelijkheid op zich moeten nemen, aangezien de ebola-uitbraak een mondiale uitdaging vormt op het vlak van veiligheid en niet enkel een probleem van West-Afrika is, maar een probleem op wereldschaal;

3.  roept de Commissie op om meer inspanningen te leveren en te zorgen voor een gecoördineerd optreden met de Verenigde Naties bij de bestrijding van de ebola-uitbraak; vraagt de VN-Veiligheidsraad samen met de getroffen partnerlanden de mogelijkheid te onderzoeken om militaire en civiele defensiemiddelen in te zetten onder leiding van de secretaris-generaal en gecoördineerd door het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden;

4.  waardeert en steunt de voortdurende uitbreiding van de financiële inzet van de Europese Commissie in termen van humanitaire en ontwikkelingshulp ter bestrijding van de crisis, en met name haar steun voor de ASEOWA-missie van de Afrikaanse Unie;

5.  prijst het werk dat, ondanks de uitdagingen, door de partnerorganisaties ter plekke wordt gedaan en is ten zeerste ingenomen met de belangrijke bijdrage en de ondersteuning die ze leveren om deze uitbraak onder controle te krijgen;

6.  herinnert de lidstaten eraan dat de financiële steun die wordt verleend aan de getroffen landen niet ten koste mag gaan van de ontwikkelingshulp op lange termijn, maar er een aanvulling op moet vormen;

7.  betreurt het dat de internationale gemeenschap de crisis aanvankelijk heeft onderschat en veel te laat begonnen is met het uitwerken van een adequate en gecoördineerde strategie;

8.  is ingenomen met de toezeggingen van de lidstaten tijdens het evenement op hoog niveau van de Europese Commissie op 15 september 2014, en dringt er bij de Raad van de Europese Unie op aan een bijeenkomst van ministers te organiseren om een noodplan uit te werken, een medische reactie te mobiliseren en humanitaire hulp ter beschikking te stellen vanuit de lidstaten, en gecoördineerd door de Commissie;

9.  roept de Commissie ertoe op behoeftenanalytische en landenspecifieke plannen op te stellen ter bepaling en coördinatie van de behoefte aan en het inzetten van geschoolde gezondheidswerkers, mobiele laboratoria, laboratoriumapparatuur, beschermende kleding en behandelingscentra met geïsoleerde behandelruimten;

10.  verzoekt de lidstaten voor coördinatie te zorgen met betrekking tot vluchten en luchtbruggen voor het vervoer van medisch personeel en uitrusting naar de getroffen landen en de regio, en, indien nodig, voor medische evacuaties te zorgen;

11.  benadrukt dat het nodig is de wetenschappelijke samenwerking en technologische bijstand te intensiveren in de door deze uitbraak getroffen gebieden, met als doel te zorgen voor klinische, epidemiologische en diagnostische infrastructuur, met inbegrip van duurzame infrastructuur en bewaking, waarbij bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de inschakeling van plaatselijk personeel, onder meer door middel van opleiding;

12.  roept de Commissie op om, door middel van het ERCC, nauwe contacten te onderhouden met het ECDC, de WHO en de lidstaten, via het Comité voor de beveiliging van de gezondheid;

13.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat alle financiële middelen die voor het stoppen van de ebola-epidemie ter beschikking worden gesteld, daadwerkelijk voor dat doel worden uitgegeven in de getroffen landen en niet voor iets anders;

14.  beschouwt de WHO-routekaart voor de bestrijding van het ebolavirus als een goed uitgangspunt voor prioritaire activiteiten, met name de gedifferentieerde reactie ten behoeve van landen met een groot aantal besmettingen, verdachte gevallen en buurlanden, waar de voorbereidingsmaatregelen moeten worden verbeterd;

15.  is ingenomen met de discussies over de manieren waarop vredeshandhavingsinspanningen van de VN, mits de juiste training, de bestrijding van ebola in de regio verder kunnen ondersteunen;

16.  roept de Raad en de Commissie op de Afrikaanse Unie te steunen en aan te moedigen met betrekking tot de behoefte aan een holistisch actieplan, aangezien de situatie snel achteruit blijft gaan en een bedreiging vormt voor zowel de economie als de openbare orde in de getroffen landen, en omdat de ebolacrisis zeer complex is geworden, met gevolgen op politiek, economisch, sociaal en veiligheidsgebied die de regio zullen blijven beïnvloeden tot ver na de huidige medische noodsituatie;

17.  benadrukt dat de huidige crisis niet kan worden opgelost door gezondheidsstelsels alleen, maar dat een gezamenlijke aanpak met de betrokkenheid van verschillende sectoren (gezondheidszorg, onderwijs en opleiding, sanitaire voorzieningen, voedselhulp) nodig is om de kritieke tekortkomingen op het vlak van alle essentiële diensten aan te pakken;

18.  is van oordeel dat het plaatselijk medisch personeel betrokken moet worden bij de behandeling van de getroffen bevolking en als verbindingsschakel moet fungeren tussen de bevolking en de internationale medische teams;

19.  pleit voor educatieve en voorlichtingsacties om het bewustzijn omtrent de symptomen en preventieve maatregelen te verhogen, teneinde meer vertrouwen te wekken en de bevolking beter te doen meewerken aan ebolabestrijdingsmaatregelen, aangezien communicatie en informatie een belangrijk aspect van de strijd tegen de uitbraak van het ebolavirus vormen;

20.  benadrukt dat de ebolabestrijding niet mag leiden tot stigmatisering van de overlevende patiënten in de betrokken gemeenschappen of landen;

21.  roept de lidstaten op te zorgen voor een nauwgezette infectiebeheersing en, in samenwerking met het ECDC, omvattender informatie aan te bieden aan het publiek over de risico's;

22.  roept de lidstaten en de Commissie op het medische onderzoek en de productie van efficiënte geneesmiddelen en vaccins tegen ebola te coördineren en te intensiveren en voorrang te verlenen aan de noodzakelijke klinische proeven voor het uittesten van bestaande potentiële behandelingen;

23.  is daarnaast van oordeel dat een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen tests voor vaccinaties voor ebola en de behandeling van personen die met het ebolavirus besmet zijn; is van oordeel dat de klinische proeven in verband met de ontwikkeling van een ebolavaccin aan de geldende WHO-regels moeten voldoen;

24.  vraagt zijn Commissie ontwikkelingssamenwerking gedetailleerde aanbevelingen te doen om de gevolgen op lange termijn van de epidemie in te perken en om de gezondheidsstelsels van de getroffen landen te versterken zodat gelijkaardige uitbraken worden vermeden;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regeringen en parlementen van de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de VN en de Wereldgezondheidsorganisatie.


Situatie in Irak en Syrië en het offensief van IS, met inbegrip van de vervolging van minderheden
PDF 155kWORD 204k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië, en het IS-offensief, inclusief de vervolging van minderheden (2014/2843(RSP))
P8_TA(2014)0027RC-B8-0109/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Irak en Syrië,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Irak en Syrië,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad over Irak en Syrië van 30 augustus 2014,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over Irak en Syrië,

–  gezien resolutie 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad en resolutie S-22/L.1 (2014) van de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien de verklaringen over Irak en Syrië van de secretaris-generaal van de VN,

–  gezien de verklaring van de NAVO-top van 5 september 2014,

–  gezien de op 24 juni 2013 goedgekeurde richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–  gezien de conclusies van de conferentie van Parijs van 15 september 2014 over veiligheid in Irak en de bestrijding van de Islamitische Staat,

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds, en zijn resolutie van 17 januari 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak(1),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de al kritieke humanitaire en veiligheidssituatie in Irak en Syrië verder is verslechterd als gevolg van de bezetting van delen van het grondgebied van deze landen door de van Al-Qaeda afgescheurde terroristische jihadistische groepering "Islamitische Staat" (IS); overwegende dat het grensoverschrijdende karakter van IS en de daarmee verbonden terroristische groepen een bedreiging vormt voor de omliggende regio; overwegende dat er groeiende zorgen bestaan over het welzijn van degenen die nog steeds vastzitten in de door IS gecontroleerde gebieden;

B.  overwegende dat de desintegratie van de grens tussen Irak en Syrië IS de gelegenheid heeft geboden om zijn aanwezigheid in beide landen te versterken; overwegende dat IS zijn territoriale veroveringen de afgelopen maanden heeft uitgebreid van het oosten van Syrië naar het noordwesten van Irak, en onder meer de op een na grootste stad van Irak, Mosul, heeft ingenomen; overwegende dat op 29 juni 2014 werd bericht dat IS een "kalifaat" of "Islamitische Staat" had uitgeroepen in de gebieden die IS in Irak en Syrië in handen heeft, en overwegende dat de leider van IS, Abu Bakr al-Baghdadi, zichzelf tot kalief heeft uitgeroepen; overwegende dat IS de internationaal aanvaarde grenzen niet erkent en de intentie heeft uitgesproken het "islamitisch kalifaat" uit te breiden naar andere landen met een moslimmeerderheid;

C.  overwegende dat in de gebieden die in Irak en Syrië door IS werden veroverd de strenge interpretatie van de shariawetgeving werd ingevoerd; overwegende dat in door IS en daarmee verbonden groepen overheerste gebieden sprake is van ernstige schendingen van internationale mensenrechten en het humanitair recht, zoals gerichte moorden, gedwongen bekeringen, ontvoeringen, vrouwenhandel, slavernij van vrouwen en kinderen, aanwerving van kinderen voor zelfmoordaanslagen, seksueel en lichamelijk misbruik en foltering; overwegende dat IS de journalisten James Foley en Steven Sotloff en de hulpverlener David Haines heeft vermoord; overwegende dat christenen, yezidi's, Turkmenen, shabak, kaka'i, sabeeërs en sjiieten, het doelwit zijn geworden van IS, net als vele Arabische en soennitische moslims; overwegende dat moskeeën, monumenten, heiligdommen, kerken en andere gebedshuizen, graven en begraafplaatsen, evenals archeologische vindplaatsen en cultureel erfgoed, opzettelijk zijn verwoest;

D.  overwegende dat Iraakse christenen onlangs zijn vervolgd, van hun grondrechten zijn beroofd, gedwongen zijn hun woning te verlaten en vluchtelingen zijn geworden als gevolg van hun godsdienst en overtuigingen; overwegende dat volgens Open Doors International het aantal christenen in Irak aanzienlijk is gedaald, van 1,2 miljoen aan het begin van de jaren '90 tot tussen de 330 000 en 350 000 nu; overwegende dat er, vóór het conflict in Syrië begon, ongeveer 1,8 miljoen christenen in het land leefden; overwegende dat er sinds het conflict is begonnen minstens 500 000 christenen zijn ontheemd;

E.  overwegende dat volgens het VN-Bureau voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) dit jaar naar schatting 1,4 miljoen mensen in Irak intern ontheemd zijn geraakt, terwijl naar schatting 1,5 miljoen mensen humanitaire hulp nodig hebben; overwegende dat de opmars van IS een humanitaire crisis en met name een massale ontheemding van burgers heeft veroorzaakt; overwegende dat de EU op 12 augustus 2014 heeft besloten de humanitaire bijstand aan Irak met 5 miljoen EUR te verhogen om ontheemden basishulp te kunnen bieden, waardoor de financiering voor humanitaire doeleinden voor Irak in 2014 tot dusver 17 miljoen EUR bedraagt; dat de EU haar humanitaire steun verder heeft opgevoerd en een luchtbrug tot stand heeft gebracht tussen Brussel en Erbil;

F.  overwegende dat volgens de VN meer dan 191 000 mensen zijn omgekomen in het conflict in Syrië; overwegende dat volgens het OCHA naar schatting 6,4 miljoen mensen in Syrië intern ontheemd zijn geraakt, terwijl er meer dan 3 miljoen Syrische vluchtelingen zijn, hoofdzakelijk in Libanon (1,17 miljoen vluchtelingen), Turkije (832 000), Jordanië (613 000), Irak (215 000) en Egypte en Noord-Afrika (162 000); overwegende dat volgens de DG Humanitaire Hulp en Civiele Bescherming (ECHO) naar schatting 10,8 miljoen mensen humanitaire bijstand nodig hebben; overwegende dat de EU in 2014 tot dusver 150 miljoen EUR aan humanitaire hulp voor de slachtoffers van de Syrische crisis heeft bijgedragen;

G.  overwegende dat honderden buitenlandse strijders, waaronder velen uit EU-lidstaten, zich bij IS hebben aangesloten; overwegende dat deze EU-burgers door de regeringen van de lidstaten als een veiligheidsrisico zijn aangemerkt;

H.  overwegende dat de EU heeft erkend dat er een grote last drukt op de regio Koerdistan en het regionale bestuur van Koerdistan, die onderdak bieden aan grote aantallen intern ontheemden;

I.  overwegende dat het volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) nog altijd erg moeilijk is om in het gebied op te treden om burgers en vluchtelingen de benodigde hulp te verstrekken; overwegende dat het belangrijk is onderdak te bieden aan de honderdduizenden Syrische en Iraakse vluchtelingen vóór het begin van de winter;

J.  overwegende dat de EU heeft herhaald dat zij de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van Irak in hoge mate is toegedaan;

K.  overwegende dat de staatshoofden en regeringsleiders die hebben deelgenomen aan de NAVO-top van 4 en 5 september 2014 hebben verklaard dat de aanwezigheid van IS in zowel Syrië als Irak een bedreiging vormt voor de regionale stabiliteit, en dat de volkeren van Syrië, Irak en de omliggende regio de steun van de internationale gemeenschap nodig hebben om deze bedreiging het hoofd te kunnen bieden;

L.  overwegende dat de mogelijkheid is geopperd luchtaanvallen uit te voeren in het oosten van Syrië; overwegende dat tijdens de NAVO-vergadering van 5 september 2014 een anti-IS-coalitie tot stand is gebracht; overwegende dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) momenteel werkt aan een alomvattende regionale strategie om de bedreiging die van IS uitgaat te bestrijden; overwegende dat de president van de VS Barack Obama op 10 september 2014 zijn strategie ter bestrijding van IS heeft onthuld, die onder meer een systematische campagne van luchtaanvallen tegen IS-doelen omvat "waar deze zich ook bevinden", inclusief in Syrië, evenals meer steun voor geallieerde grondtroepen die IS bestrijden en intensievere terrorismebestrijdingsacties met als doel de financiering van de groep af te snijden; overwegende dat de Arabische Liga zich heeft verbonden tot sterkere samenwerking om IS in Syrië en Irak ten val te brengen;

M.  overwegende dat IS zich van aanzienlijke inkomstenbronnen heeft verzekerd door banken en bedrijven in de gebieden onder zijn controle te plunderen, zes olievelden in Syrië in te nemen, waaronder het grootste olieveld van Syrië al-Omar nabij de grens met Irak, en daarnaast geld ontvangt van vermogende donoren, hoofdzakelijk afkomstig uit de regio;

N.  overwegende dat de bevordering van de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging, fundamentele beginselen en doelstellingen van de EU zijn en de grondslag vormen voor haar betrekkingen met derde landen;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de verslechterende veiligheids- en humanitaire situatie in Irak en Syrië als gevolg van de bezetting van delen van het grondgebied van deze landen door IS; veroordeelt krachtig de willekeurige moordpartijen en mensenrechtenschendingen door deze en andere terroristische organisaties jegens religieuze en etnische minderheden en de meest kwetsbare groepen; veroordeelt met klem aanvallen op burgerdoelen, waaronder ziekenhuizen, scholen en gebedshuizen, en het gebruik van executies en seksueel geweld door IS in Irak en Syrië; onderstreept dat de plegers van deze daden niet ongestraft mogen blijven;

2.  veroordeelt krachtig de moord op de Amerikaanse journalisten James Foley en Steven Sotloff en op de Britse hulpverlener David Haines door IS, en spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de veiligheid van anderen die nog steeds door de extremisten worden vastgehouden; betuigt zijn diepe medeleven met de nabestaanden van deze en alle andere slachtoffers van het conflict;

3.  benadrukt dat wijdverbreide of systematische aanvallen die tegen burgers zijn gericht vanwege hun etnische of politieke achtergrond, godsdienst, levensovertuiging of geslacht een misdaad tegen de menselijkheid zouden kunnen zijn; veroordeelt alle vormen van vervolging, discriminatie en onverdraagzaamheid op grond van godsdienst en levensovertuiging ten stelligste, evenals geweld tegen alle religieuze gemeenschappen; onderstreept andermaal dat het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst een fundamenteel mensenrecht is;

4.  spreekt zijn steun uit voor alle slachtoffers van religieuze onverdraagzaamheid en haat; uit zijn solidariteit met de leden van de christelijke gemeenschappen die worden vervolgd en in hun moederland – Irak dan wel Syrië – met uitsterving worden bedreigd, alsook met andere vervolgde religieuze minderheden; bevestigt en ondersteunt het onvervreemdbare recht van alle religieuze en etnische minderheden die in Irak en Syrië wonen, met inbegrip van christenen, om in waardigheid, gelijkheid en veiligheid in hun historische en traditionele vaderland te blijven wonen, en hun godsdienst vrijelijk te beoefenen; benadrukt dat misdaden tegen christelijke minderheden, zoals Assyriërs, Aramezen en Chaldeeërs, evenals yezidi's en sjiitische moslims, een laatste zet vormen van IS in de richting van een volledige religieuze zuivering in de regio; merkt op dat leden van verschillende religieuze groepen eeuwenlang vreedzaam in deze regio hebben samengeleefd;

5.  verwerpt zonder voorbehoud de aankondiging door de IS-leiding van de oprichting van een kalifaat in de gebieden die zij momenteel in handen heeft; benadrukt dat de oprichting en uitbreiding van het "islamitisch kalifaat", evenals activiteiten van andere extremistische groepen in Irak en Syrië, een directe bedreiging vormen voor de veiligheid van Europese landen; verwerpt het idee dat internationaal erkende grenzen met geweld worden gewijzigd; onderstreept nogmaals dat overeenkomstig resoluties 1267 (1999) en 1989 (2011) van de VN-Veiligheidsraad tegen IS een wapenembargo en een bevriezing van zijn tegoeden van kracht zijn, en benadrukt het belang van een snelle en doeltreffende tenuitvoerlegging van deze maatregelen; verzoekt de Raad te overwegen de bestaande beperkende maatregelen op een doeltreffendere manier toe te passen, met name teneinde IS de opbrengst van illegale verkoop van olie of andere hulpbronnen op internationale markten te ontzeggen; is uiterst bezorgd over de beweringen dat actoren in enkele EU-lidstaten betrokken zouden zijn bij illegale oliehandel met IS; vraagt de Commissie of zij deze beschuldigingen kan bevestigen en dringt er, indien dit het geval is, bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de illegale oliehandel onmiddellijk wordt beëindigd;

6.  veroordeelt het gebruik en de exploitatie van olievelden en oliegerelateerde infrastructuur door IS en daarmee verbonden groepen, aangezien IS daarmee een aanzienlijk inkomen verwerft, en verzoekt alle landen met klem zich te houden aan resoluties 2161 (2014) en 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad, waarin elke vorm van directe of indirecte handel met IS en daarmee verbonden groepen wordt veroordeeld; is bezorgd over het feit dat IS inkomsten genereert uit de verkoop van olie; neemt kennis van het voornemen van de EU om sancties aan te scherpen om te voorkomen dat IS olie kan verkopen; roept de EU er dan ook toe op sancties op te leggen aan alle partijen (regeringen en publieke of particuliere ondernemingen) die betrokken zijn bij het vervoer, de verwerking, de raffinage en de verhandeling van olie die is gewonnen in door IS gecontroleerde gebieden, in combinatie met strenge controles op financiële stromen om elke vorm van economische activiteit en benutting van belastingparadijzen door IS te voorkomen;

7.  is verheugd over de verklaring van alle Franse islamitische federaties van 8 september 2014, alsook over de verklaringen van andere islamitische gemeenschappen, waarin zij ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk veroordelen dat extremistische terroristische groepen de islam misbruiken om hun geweld, onverdraagzaamheid en misdaden tegen de menselijkheid te rechtvaardigen;

8.  verzoekt alle partijen bij het conflict in Irak de bescherming van de burgerbevolking te waarborgen en hun verplichtingen in het kader van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten na te komen; dringt aan op onmiddellijke steun en humanitaire bijstand voor de ontheemden in Irak;

9.  is ingenomen met de inspanningen van de VS en alle andere bijdragende landen om de Iraakse nationale en lokale autoriteiten te steunen in hun strijd tegen IS, teneinde de opmars van IS te stuiten en de verlening van humanitaire steun te faciliteren; staat positief tegenover de oproep van de VS tot een internationale coalitie tegen IS, die momenteel wordt opgebouwd; is verheugd over het besluit van de Arabische Liga van 7 september 2014 om de noodzakelijke maatregelen te nemen om IS aan te pakken en deel te nemen aan internationale, regionale en nationale inspanningen om militanten in Syrië en Irak te bestrijden, en om resolutie 2170 van de VN-Veiligheidsraad te ondersteunen; dringt er bij de Arabische Liga op aan te overwegen de Arabische Conventie voor terrorismebestrijding uit 1998 te wijzigen zodat zij het probleem van mondiaal terrorisme met alle middelen kan bestrijden;

10.  verzoekt de internationale gemeenschap de Iraakse autoriteiten te helpen - onder meer door militaire bescherming te bieden aan uiterst kwetsbare groepen - bij het beschermen en bijstaan van degenen die de door terrorisme getroffen gebieden ontvluchten, en met name degenen die tot kwetsbare groepen en etnische en religieuze gemeenschappen behoren; roept alle regionale actoren op mee te werken aan het bevorderen van de veiligheid en stabiliteit in Irak; brengt in herinnering dat het de ultieme verantwoordelijkheid is van de gehele regio en van de EU om toe te zien op de terugkeer van traditionele minderheden en van alle burgers naar hun oorspronkelijke woonplaats, die zij gedwongen moesten ontvluchten; verzoekt de EU-lidstaten Irak en de lokale autoriteiten op alle mogelijke manieren bij te staan, onder meer door passende militaire bijstand, bij het bedwingen en terugdringen van de terroristische en agressieve uitbreiding van IS; onderstreept de noodzaak van gecoördineerd optreden door landen in de regio teneinde de dreiging van IS het hoofd te bieden; roept alle regionale actoren op alles te doen wat in hun macht ligt om alle activiteiten van officiële of particuliere organen stop te zetten die bedoeld zijn om extreme fundamentalistische ideologieën te propageren en te verspreiden; dringt er bij Turkije op aan zich duidelijk en ondubbelzinnig te verplichten tot de bestrijding van de gemeenschappelijke veiligheidsdreiging die uitgaat van IS; verzoekt de EU om een regionale dialoog over de problemen in het Midden-Oosten te bevorderen en alle belanghebbende partijen, in het bijzonder Iran en Saoedi-Arabië, daarbij te betrekken;

11.  juicht toe dat het Europees crisiscoördinatiecentrum is ingeschakeld en dat het EU-mechanisme voor civiele bescherming op verzoek van de Iraakse regering in werking is gezet; is ingenomen met de humanitaire bijstand van de EU aan Syrië en Irak; verzoekt om meer humanitaire steun voor de door het conflict getroffen bevolking, waaronder de Syrische Koerden;

12.  dringt er bij alle partijen in het conflict in Syrië, met name bij het Syrische regime, op aan de bescherming van de burgerbevolking te waarborgen, hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal humanitair recht en mensenrechtenwetgeving na te komen, de verstrekking van humanitaire hulp en bijstand door middel van alle mogelijke kanalen te faciliteren, over grenzen en conflictlijnen heen, en de veiligheid van al het medisch personeel en alle humanitaire hulpverleners te waarborgen; prijst de rol van Libanon, Jordanië en Turkije bij het opvangen van vluchtelingen; verzoekt de internationale gemeenschap actiever en toeschietelijker te zijn bij het delen in de lasten en rechtstreekse financiële steun te verlenen aan de gastlanden; verzoekt de EU druk uit te oefenen op alle donoren opdat zij hun beloften en toezeggingen op korte termijn naleven; is verheugd over de verplichtingen die de lidstaten zijn aangegaan, aangezien de EU nu en in de toekomst de grootste donor van financiële steun is;

13.  benadrukt dat het noodzakelijk is alle mogelijkheden te benutten om de dreiging van IS in Syrië op doeltreffende wijze het hoofd te bieden, met volledige inachtneming van het internationaal recht; benadrukt dat op de lange termijn alleen een duurzame en inclusieve politieke oplossing, met inbegrip van een vreedzame overgang naar een werkelijk representatieve regering in Syrië, kan helpen de dreiging van IS en andere extremistische organisaties te neutraliseren;

14.  verzoekt alle partijen bij het conflict in Syrië het mandaat van de Troepenmacht van de Verenigde Naties voor het toezicht op het troepenscheidingsakkoord te eerbiedigen, en de veiligheid en het vrije verkeer van de VN-troepen – met inbegrip van die van de EU-lidstaten – te waarborgen; veroordeelt dat 45 Fijische vredehandhavers door een gewapende groepering gevangen zijn genomen; is verheugd dat de vredehandhavers op 11 september 2014 weer zijn vrijgelaten;

15.  herinnert aan de verklaring van de speciale coördinator voor de gezamenlijke missie van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens en de Verenigde Naties (OPCW-VN), die bekendmaakte dat 96 % van de Syrische chemische wapens zijn vernietigd; roept op tot de deactivering van de overblijvende wapens overeenkomstig het kader voor de vernietiging van de chemische wapens van Syrië;

16.  is ingenomen met het besluit van afzonderlijke lidstaten om in te gaan op de oproep van de Koerdische regionale autoriteiten dringend militair materieel te leveren; benadrukt dat deze positieve reacties een weerspiegeling vormen van de capaciteiten en nationale wetten van de lidstaten, en dat de Iraakse nationale autoriteiten hiermee instemmen; verzoekt de lidstaten die de Koerdische regionale autoriteiten van militair materieel voorzien hun inspanningen te coördineren en voor doeltreffende controlemaatregelen te zorgen om ongecontroleerde verspreiding van militair materieel en de inzet ervan tegen burgers te voorkomen;

17.  uit andermaal zijn bezorgdheid over het feit dat duizenden buitenlandse strijders, waaronder onderdanen van EU-lidstaten, zich bij de IS-opstand hebben aangesloten; verzoekt de lidstaten passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat strijders van hun grondgebied vertrekken – in overeenstemming met resolutie 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad – en om een gemeenschappelijke strategie voor veiligheidsdiensten en EU-agentschappen te ontwikkelen voor het volgen en controleren van jihadisten; roept op tot samenwerking in de EU en op internationaal niveau met het oog op passende juridische stappen tegen eenieder die ervan verdacht wordt bij terroristische acties betrokken te zijn; roept de EU-lidstaten op hun samenwerking en informatie-uitwisseling onderling en met EU-organen te intensiveren, en om een efficiënte samenwerking met Turkije te waarborgen; benadrukt het belang van preventie, vervolging, hulpverlening, rehabilitatie en herintegratie;

18.  is verheugd over de vorming van een nieuwe inclusieve regering in Irak, alsook over de aanneming van het ministeriële programma; steunt de inspanningen van de premier om de formatie van de regering af te ronden; dringt er bij de regering op aan werkelijk representatief te zijn, met een inclusieve agenda; onderstreept dat de regering de politieke, religieuze en etnische verscheidenheid van de Iraakse samenleving, inclusief de soennitische minderheid, naar behoren zou moeten weerspiegelen, zodat er een einde komt aan het bloedvergieten en de versnippering van het land; dringt er bij alle deelnemers op aan zich eendrachtig in te zetten voor de belangen van politieke stabiliteit en vrede, alsook voor de bestrijding van de IS-opstand; onderstreept dat de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van Irak essentieel zijn voor de stabiliteit en de economische ontwikkeling van het land en de regio;

19.  verzoekt de regering en het parlement van Irak de wetgeving en rechtspraktijken met spoed te herzien, het rechtsstelsel en het veiligheidsapparaat van het land te hervormen en een inclusief beleid te voeren jegens alle Irakezen om zo een eind te maken aan het beleid van discriminatie;

20.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan specifieke maatregelen te nemen om de situatie van vrouwen in Irak en Syrië aan te pakken, hun vrijheid en de eerbiediging van hun meest fundamentele rechten te eerbiedigen, alsook maatregelen vast te stellen om uitbuiting en misbruik van en geweld jegens vrouwen en kinderen, in het bijzonder kindhuwelijken, te voorkomen; is buitengewoon bezorgd over de toename van alle vormen van geweld jegens jezidivrouwen, die door IS-leden worden gevangen genomen, verkracht, seksueel misbruikt en verkocht;

21.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het toenemende aantal kinderen en jongeren dat in Irak en Syrië wordt geworven om te strijden; moedigt de Commissie aan om samen met partners - inclusief internationale organisaties - een alomvattend programma te ontwikkelen om te voorzien in de behoefte om kinderen en vrouwen die het slachtoffer zijn van gewapende conflicten, te beschermen;

22.  staat achter het verzoek van de VN-Mensenrechtenraad aan het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten om dringend een missie naar Irak te sturen om de schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten door IS en de daarmee verbonden groepen te onderzoeken en om de feiten en omstandigheden van die schendingen vast te stellen, teneinde straffeloosheid te voorkomen en een volledige verantwoordingsplicht te waarborgen;

23.  blijft ervan overtuigd dat er geen duurzame vrede in Syrië en Irak mogelijk is zonder dat rekenschap wordt afgelegd voor de misdaden die tijdens het conflict zijn gepleegd, met name misdaden op religieuze of etnische gronden; herhaalt zijn oproep om degenen die worden verdacht van het plegen van misdaden tegen de menselijkheid in Syrië en Irak voor het Internationaal Strafhof te brengen en steunt alle initiatieven in deze richting;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, het regionale bestuur van Koerdistan, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Syrië.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0023.


Situatie in Libië
PDF 148kWORD 200k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2014 over de situatie in Libië (2014/2844(RSP))
P8_TA(2014)0028RC-B8-0111/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Libië,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 augustus 2014 en de conclusies van de Europese Raad van 30 augustus 2014 over Libië,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 26 augustus 2014,

–  gezien het ENB-pakket voor Libië van september 2014,

–  gezien de benoeming op 14 augustus 2014 van Bernardino León als nieuwe speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor Libië,

–  gezien de resoluties nrs. 1970, 1973 (2011) en 2174 van 27 augustus 2014 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien het verslag van de United Nations Support Mission in Libya (UNSMIL) "Overzicht van de schendingen van de internationale mensenrechten en het humanitair recht tijdens het aanhoudende geweld in Libië" van 4 september 2014,

–  gezien de vergadering van de speciale gezanten voor Libië van de Arabische Liga, de Europese Unie, Frankrijk, Duitsland, Italië, Malta, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten met de Verenigde Naties op 24 juli 2014 om de recente ontwikkelingen in Libië te bespreken,

–  gezien de parlementaire verkiezingen die in juni 2014 zijn gehouden in Libië,

–  gezien de Conventies van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen van 1977, en de verplichting van partijen bij gewapende conflicten om ervoor te zorgen dat het internationaal humanitair recht in alle omstandigheden wordt geëerbiedigd,

–  gezien het Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel, en het facultatieve protocol daarbij,

–  gezien het besluit van de Raad van 22 mei 2013 tot oprichting van de EU-grensversterkingsmissie EUBAM Libië (European Union Border Assistance Mission in Libya),

–  gezien het feit dat Libië op 25 april 1981 het Verdrag van de Afrikaanse Unie betreffende specifieke aspecten van de vluchtelingenproblematiek in Afrika heeft geratificeerd,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Libiërs in februari 2011 de straat op gingen om politieke rechten te eisen, en overwegende dat zij daarbij stuitten op willekeurig staatsgeweld dat de aanleiding was voor een negen maanden durende burgeroorlog die leidde tot afzetting van het Kadhafi-regime; overwegende dat de veiligheidssituatie, de politieke stabiliteit, de mensenrechten- en de humanitaire situatie in Libië de laatste weken ernstig zijn verslechterd;

B.  overwegende dat de botsingen tussen rivaliserende milities, en met name die uit Misrata en Zintan, in de afgelopen maanden zijn toegenomen en dat de gevechten om de controle over Tripoli en Benghazi Libië en zijn democratie hebben gedestabiliseerd, alsmede de democratische transitie en geleid hebben tot steeds grotere aantallen burgerslachtoffers, binnenlandse ontheemden en vluchtelingen; overwegende dat volgens schattingen van UNSMIL ten minste 100 000 Libiërs in eigen land ontheemd zijn geraakt door de laatste serie gevechten, en dat nog eens 150 000 mensen, waaronder veel migranten, het land hebben verlaten;

C.  overwegende dat pro-islamistische milities op 24 augustus 2014 Tripoli en de civiele luchthaven aldaar hebben ingenomen; overwegende dat pro-islamistische milities gelieerd zijn aan gewapende groeperingen zoals de Islamitische Staat, AQIM, al-Jammaa al-Libiya, al-Moukatila en Ansar al-Charia;

D.  overwegende dat de recente gevechten het alleen maar waarschijnlijker hebben gemaakt dat de terroristische groeperingen zich zullen verspreiden; overwegende dat, als hier niets aan wordt gedaan, de nu al wankele situatie in de gehele regio zou kunnen verergeren;

E.  overwegende dat de gevechten tussen plaatselijke gewapende groeperingen in Libië escaleren, en dat er ook aanvallen worden uitgevoerd op burgers en eigendommen van burgers, waarbij de mensenrechten op grote schaal worden geschonden, en in sommige gevallen oorlogsmisdrijven worden gepleegd; overwegende dat tientallen burgers naar verluidt zijn ontvoerd in Tripoli en Benghazi louter en alleen omdat ze bij een bepaalde stam, familie of godsdienst horen; overwegende dat degenen die zich schuldig maken aan geweld geen rekening lijken te houden met de gevolgen ervan voor onschuldige burgers;

F.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in het hele land verder verslechtert, en dat er bijvoorbeeld gevallen plaatsvinden van willekeurige gevangenneming, ontvoeringen, moorden, foltering van en geweld tegen journalisten, functionarissen, politici en mensenrechtenactivisten, zoals de wrede moord op de vooraanstaande activiste Salwa Bugaighis;

G.  overwegende dat de recente gevechten hebben geleid tot een algehele verslechtering van de levensomstandigheden in Libië, met schaarste aan voedsel, water en elektriciteit; overwegende dat het vertrek van buitenlands medisch personeel en de schaarste aan medische hulpmiddelen de benarde toestand van de burgers nog hebben verergerd;

H.  overwegende dat er sinds december 2013 een aantal buitenlandse onderdanen is vermoord of ontvoerd aangezien de veiligheidssituatie is verslechterd; overwegende dat verscheidene EU-lidstaten zich in augustus 2014 hebben aangesloten bij de Verenigde Staten toen die het aanhoudende geweld in Libië krachtig veroordeelden;

I.  overwegende dat er op 25 juni 2014 parlementsverkiezingen zijn gehouden; overwegende dat het democratisch verkozen huis van afgevaardigden, dat het voormalige Algemene Nationale Congres vervangt, na de recente gewelddadigheden is uitgeweken van Tripoli naar Tobruk, en overwegende dat de islamistische milities het huis van afgevaardigden noch de nieuwe regering erkennen en hun eigen regering en parlement hebben gevormd;

J.  overwegende dat de grondwetgevende vergadering die in februari 2014 is verkozen en die is samengesteld uit 60 vertegenwoordigers van de drie historische regio's van Libië, volgens de Libische staatsmedia eind 2014 met een ontwerpgrondwet zal komen waarover in maart 2015 een referendum zal worden gehouden;

K.  overwegende dat de geloofwaardigheid van het politieke proces in Libië dringend moet worden hersteld; overwegende dat de wijdverbreide scepsis onder gewone Libiërs geleid heeft tot afbrokkelende geloofwaardigheid en een lage opkomst bij de recente verkiezingen; overwegende dat het democratische proces dat op gang kwam toen kolonel Kadhafi werd afgezet steeds meer in gevaar komt te gevolge van de recente gewelddadigheden;

L.  overwegende dat UNSMIL als belangrijkste taak heeft gekregen te werken aan staatsopbouw en dat de Europese Unie ernaar streeft Libië door middel van EUBAM te ondersteunen;

M.  overwegende dat er geruchten gaan over externe betrokkenheid bij het geweld in Libië, met inbegrip van militaire actie en leveranties van wapens en munitie en het uitvoeren van acties waardoor de lokale verdeeldheid wordt verergerd, hetgeen grote gevolgen heeft voor de broze bestuursstructuur en waardoor de overgang van Libië naar een democratische samenleving wordt ondermijnd; overwegende dat sommige Golfstaten en andere regionale actoren nu hun steun betuigen aan rivaliserende partijen van het escalerende binnenlandse conflict in Libië;

N.  overwegende dat resolutie nr. 2174 (2014) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties toestemming geeft voor reisverboden en het bevriezen van vermogensbestanddelen van personen en groepen die door het Comité worden aangewezen als personen die handelingen verrichten of steunen die een gevaar vormen voor de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van Libië, of die het politieke overgangsproces belemmeren of ondermijnen;

O.  overwegende dat honderden migranten en vluchtelingen, die het geweld in Libië wilden ontvluchten, naar verluidt zijn omgekomen toen ze de Middellandse Zee probeerden over te steken naar Europa, waardoor er een enorme vluchtelingencrisis is ontstaan in Italië en Malta; overwegende dat volgens de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) sinds juni 1 600 personen zijn omgekomen toen ze Europa probeerden te bereiken; overwegende dat Libië het belangrijkste vertrekpunt is voor migranten die Europa proberen te bereiken; overwegende dat volgens schattingen van de UNHCR ongeveer 98 000 van de bij benadering 109 000 personen die sinds het begin van dit jaar in Italië zijn aangekomen, uit Libië zouden zijn vertrokken; overwegende dat van nog eens 500 migranten wordt gevreesd dat zij zijn omgekomen nadat hun boot naar verluidt op 15 september 2014 zou zijn geramd door een ander vaartuig in de buurt van Malta;

P.  overwegende dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de situatie in Libië op 26 februari 2011 heeft doorverwezen naar het Internationaal Strafhof; overwegende dat het Internationaal Strafhof op 27 juni 2011 drie arrestatiebevelen heeft uitgevaardigd voor Moammar Kadhafi, Saif al-Islam Kadhafi en Abdullah al-Senussi voor misdaden tegen de menselijkheid; overwegende dat de andere verdachten niet in hechtenis worden gehouden op gezag van het Hof; overwegende dat de Libische autoriteiten erop hebben aangedrongen deze verdachten te berechten binnen het Libische rechtsstelsel;

Q.  overwegende dat Egypte op 25 augustus 2014 de derde ministeriële bijeenkomst heeft georganiseerd voor Libiës buurlanden, waaraan de ministers van Buitenlandse Zaken van Libië, Tunesië, Algerije, Sudan, Niger en Tsjaad, alsmede de Arabische Liga hebben deelgenomen om de Libische crisis te bespreken; overwegende dat het forum een persverklaring heeft doen uitgaan waarin de legitimiteit van de Libische instituties wordt bevestigd, buitenlandse inmenging wordt afgewezen, wordt aangedrongen op ontwapening van de milities en wordt voorgesteld om een graduele sanctieregeling in te voeren tegen personen en groeperingen die het politieke proces in de weg staan;

1.  veroordeelt het toenemende geweld, met name tegen de burgerbevolking en civiele instanties; dringt er bij de conflictpartijen op aan om onmiddellijk alle gewelddadigheden te staken en een staakt-het-vuren overeen te komen om een einde te maken aan het lijden van de bevolking, en om deel te nemen aan een inclusieve nationale politieke dialoog om een staat op te bouwen die gebaseerd is op eerbiediging van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat; dringt erop aan dat degenen die verantwoordelijk zijn voor alle schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, ter verantwoording worden geroepen; geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid en solidariteit met de Libische burgerbevolking en instituties;

2.  dringt er bij alle partijen bij het conflict op aan de internationale humanitaire beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid te eerbiedigen om ervoor te zorgen dat er humanitaire hulp wordt verleend en dat de veiligheid van de burgers die hulp ontvangen wordt gewaarborgd, evenals de veiligheid van het personeel dat betrokken is bij het verstrekken van humanitaire hulp;

3.  herinnert eraan dat alle partijen in Libië zich eraan moeten committeren dat de burgerbevolking te allen tijde wordt beschermd, en dat alle gedetineerden moeten worden behandeld overeenkomstig de internationale mensenrechten en het humanitair recht; herinnert eraan dat aanvallen die bewust worden uitgevoerd op personeel dat betrokken is bij humanitaire hulp of vredeshandhavingsmissies overeenkomstig het VH-handvest, ten einde burgers en eigendommen van burgers te beschermen krachtens het internationaal recht in gewapende conflicten, een oorlogsmisdrijf vormen krachtens het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC);

4.  neemt nota van de impact op de regionale en Europese veiligheid die het gevolg is van de algemene onveiligheid en het afbrokkelende bestuur in Libië; herinnert eraan dat de gevechten die plaatsvonden in juli en augustus 2014 om de controle over de luchthaven van Tripoli op dramatische wijze geëscaleerd zijn en geleid hebben tot chaos, waarbij talloze doden zijn gevallen en strategische infrastructuur is vernietigd;

5.  maakt zich ernstig zorgen over berichten over betrokkenheid van regionale actoren bij het geweld in Libië en dringt er bij de buurlanden en de regionale actoren op aan om af te zien van acties die de huidige verdeeldheid zouden kunnen verergeren en de democratische transitie van Libië zouden kunnen ondermijnen; dringt er bij hen op aan om hun grenscontroles, onder meer in havens en op luchthavens, te verscherpen en alle goederen die van en naar Libië worden vervoerd zeer grondig te inspecteren; prijst de Tunesische gastvrijheid voor de honderdduizenden Libische burgers die momenteel in Tunesië verblijven om het geweld in Libië ontvluchten;

6.  herinnert aan resolutie nr. 2174 van de VN-Veiligheidsraad, die op 27 augustus 2014 is aangenomen, en waarin de bestaande internationale sancties tegen Libië worden uitgebreid tot personen die zich bezighouden met of voorstander zijn van handelingen die "een bedreiging vormen voor de vrede, stabiliteit of veiligheid van Libië, of de succesvolle voltooiing van het politieke overgangsproces in het land belemmeren of ondermijnen"; verzoekt de hoge vertegenwoordiger, de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap in haar geheel te overwegen of er maatregelen getroffen kunnen worden tegen specifieke personen die het vooruitzicht op vrede en een democratische transitie in Libië bedreigen en ze op een lijst te plaatsen op dezelfde manier waarop de internationale gemeenschap dat indertijd heeft gedaan met Kadhafi en zijn vertrouwelingen;

7.  herinnert eraan dat de strijdende partijen ter verantwoording moeten worden geroepen en moeten worden vervolgd door nationale rechtbanken of het Internationaal Strafhof, dat bevoegd is voor oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, genocide en verkrachtingen als oorlogsmisdrijf, die in Libië zijn gepleegd sinds 15 februari 2011, overeenkomstig resolutie nr. 1970 van de VN-Veiligheidsraad;

8.  steunt de inspanningen van de VN-missie in Libië (UNSMIL) ten zeerste, alsmede die van de recent benoemde speciale VN-gezant voor Libië, Bernardino León, om de nationale dialoog tussen politici en invloedrijke actoren in Libië te bevorderen en faciliteren; dring er bij de internationale gemeenschap op aan om in het kader van de Verenigde Naties, in actie te komen met betrekking tot de situatie in Libië;

9.  steunt het huis van afgevaardigden als democratisch gekozen orgaan na de verkiezingen van juni 2014; dringt er bij Libiës interim-regering, het verkozen huis van afgevaardigden en de wetgevende vergadering op aan hun taken uit te voeren op basis van de rechtsstaat en de mensenrechten, in een geest van inclusiviteit in het belang van het land en om de rechten van alle Libische burgers te beschermen, inclusief de religieuze minderheden; dringt er bij alle partijen op aan hen te steunen en deel te nemen aan een inclusieve politieke dialoog om terug te keren naar een stabiele situatie en overeenstemming te bereiken over een uitweg uit de crisis; verzoekt de leden van het huis van afgevaardigden een bezoek te brengen aan het Europees Parlement en de pas verkozen leden te ontmoeten, om parlementaire betrekkingen met hen aan te gaan;

10.  beseft dat vrouwen bij de overgang naar democratie in het land een grote rol hebben gespeeld en benadrukt dat vrouwen ten volle betrokken moeten worden bij de nationale besluitvorming en bij de oprichting van nationale instellingen op alle niveaus;

11.  benadrukt dat de administratie van de exploitatie en verkoop van olie in handen moet liggen van de Libische autoriteiten, en dringt er bij de internationale gemeenschap op aan om geen transacties aan te gaan met andere actoren; verzoekt internationale bedrijven die zaken doen in Libië hun financiële activiteiten in de energiesector openbaar te maken;

12.  dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan de acties van de lidstaten in Libië te coördineren en hun steun te richten op de opbouw van staatsstructuren en instituties en, tezamen met de lidstaten, VN, NAVO en regionale partners, te assisteren bij de oprichting van effectieve en op nationaal niveau aangestuurde en gecontroleerde veiligheidstroepen (leger- en politiemacht) die de vrede en de orde in het land kunnen handhaven, alsmede de pogingen om een staakt-het-vuren overeen te komen te steunen en een regeling op te stellen om toe te zien op de handhaving ervan; benadrukt dat de EU tevens steun moet verlenen aan het Libische rechtsstelsel, alsmede op andere gebieden die cruciaal zijn voor het democratisch bestuur;

13.  wijst erop dat de Unie een EU-grensmissie (EUBAM) in Libië is gestart die tot er dusverre niet in is geslaagd om haar doelstelling (verbetering van de veiligheid van de grenzen van het land te verbeteren) te verwezenlijken; merkt op dat deze missie tijdelijk is opgeschort, en dat het meeste personeel om veiligheidsredenen is gerepatrieerd, met uitzondering van een klein team dat is ondergebracht in Tunis; benadrukt dat een veiligheidsgerelateerde EU-bijdrage die alleen gericht zou zijn op grensbeveiliging duidelijk te kort zou schieten en inconsistent zou zijn met de behoeften van het land en de uitdagingen op het gebied van regionale veiligheid, met inbegrip van die van de EU; dringt er derhalve bij de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op aan het mandaat van de EU-grensversterkingsmissie EUBAM te herzien en in het kader van het GBVB een nieuwe missie in het leven te roepen, die rekening houdt met de gewijzigde situatie in Libië en met de noodzaak om te werken aan staatsopbouw, versterking van instellingen en hervorming van de veiligheidssector;

14.  maakt zich nog steeds grote zorgen over de verspreiding van wapens, munitie en explosieven, en het smokkelen van wapens in Libië, omdat dit een gevaar vormt voor de stabiliteit in Libië en voor de Libische bevolking;

15.  is ten zeerste bezorgd over de ongekende hoeveelheid asielzoekers en migranten zonder geldige verblijfspapieren die zijn aangekomen op de Italiaanse en Maltese kusten, van wie velen vertrokken zijn van Libisch grondgebied; dringt er bij de EU op aan werk te maken van de prioriteiten die zijn vastgesteld door de Mediterranean Task Force en een politieke dialoog over migratiezaken aan te gaan met de Libische regering, zodra de omstandigheden dit toelaten; betreurt ten zeerste dat nog eens 500 migranten zijn omgekomen nadat hun boot naar verluidt door een ander vaartuig in de buurt van Malta zou zijn geramd;

16.  verzoekt de EU en haar lidstaten om Italië met raad en daad bij te staan bij de prijzenswaardige inspanningen om levens te redden en om de uit de hand lopende migratiestromen uit Noord-Afrika, vooral uit Libië, aan te pakken;

17.  dringt erop aan dat het UNHCR in Libië weer actief wordt en zijn werkzaamheden onbelemmerd kan verrichten; vraagt de EU door te gaan met het bieden van humanitaire, financiële en politieke bijstand in crisisgebieden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, teneinde de onderliggende oorzaken van migratie en humanitaire problemen aan te pakken;

18.  is zeer bezorgd over de toenemende aanwezigheid van aan Al-Qaida gelieerde terroristische groeperingen en individuen die in Libië actief zijn, en bevestigt dat iedere bedreiging van de internationale vrede en veiligheid die wordt veroorzaakt door terroristische daden, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht, inclusief de toepasselijke internationale mensenrechten, vluchtelingenrecht en humanitair recht, met alle middelen moet worden bestreden;

19.  herhaalt dat de EU vastbesloten is om de democratische aspiraties van de Libische bevolking te blijven steunen, met name in de huidige crisis en tijdens de democratische transitie van het land; dringt aan op een versterkte betrokkenheid van de EU bij de totstandbrenging van stabiliteit en de democratische transitie in Libië;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het huis van afgevaardigden van Libië, de secretaris-generaal van de VN, de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie.


Israël-Palestina na de oorlog in Gaza en de rol van de EU
PDF 138kWORD 192k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2014 over Israël en Palestina na de Gazaoorlog en de rol van de EU (2014/2845(RSP))
P8_TA(2014)0029RC-B8-0117/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de vierde Conventie van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien de interimovereenkomst over de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook van 18 september 1995,

–  gezien de verklaring van de VN-Veiligheidsraad van 12 juli 2014,

–  gezien de Akkoorden van Oslo ("Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements") van 13 september 1993,

–  gezien de conclusies van de Raad van 30 augustus 2014, 16 december 2013, 14 mei 2012, 18 juli en 23 mei 2011 en 8 december 2009 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv) van 27 augustus 2014 over het staakt-het-vuren in Gaza,

–  gezien de dagelijkse situatieverslagen van de UNRWA,

–  gezien de verklaring van de VN-Veiligheidsraad van 12 juli 2014 en de verklaring van de VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon van 13 juli 2014,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Unie inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht,

–  gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen en het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het meest recente conflict in Gaza mensenlevens heeft geëist en onaanvaardbaar lijden heeft veroorzaakt onder de burgerbevolking van beide betrokken partijen;

B.  overwegende dat er als gevolg van de operatie "Beschermende rand" van het Israëlische leger en van de raketten die Hamas en andere Palestijnse bewapende groepen vanuit Gaza op Israël hebben afgevuurd, in de Gazastrook meer dan 2 000 Palestijnen – voor het overgrote deel burgers, onder wie 503 kinderen – zijn omgekomen en meer dan 10 000 Palestijnen gewond zijn, terwijl 66 Israëlische soldaten en zes Israëlische burgers, onder wie één kind, zijn omgekomen en meer dan 500 Israëli's gewond zijn; overwegende dat dit gewelddadige conflict een ernstige humanitaire crisis in Gaza heeft veroorzaakt;

C.  overwegende dat op 26 augustus 2014 een staakt-het-vuren overeengekomen is, waarmee een einde is gekomen aan zeven weken vijandelijkheden in Gaza; overwegende dat Egypte zich sterk heeft ingezet voor de totstandkoming van deze overeenkomst;

D.  overwegende dat volgens de bestandsovereenkomst humanitaire hulp tot de Gazastrook moet worden toegelaten via doorgangsposten naar Israël, de grensovergang bij Rafah moet worden geopend en de visserijzone moet worden uitgebreid tot zes mijl buiten de kust van Gaza;

E.  overwegende dat als deze wapenstilstand standhoudt, de partijen eind september 2014 besprekingen moeten beginnen over verschillende punten met betrekking tot de situatie in de Gazastrook; overwegende dat daarbij mogelijk zal worden gesproken over de ontwapening van gewapende groeperingen in Gaza, de teruggave van de stoffelijke overschotten van de twee Israëlische soldaten die bij de gevechten zijn omgekomen, de vrijlating van Palestijnse gevangenen en de opheffing of versoepeling van de blokkade van Gaza, onder meer door de wederopbouw van de zeehaven en luchthaven in het gebied;

F.  overwegende dat volgens de UNRWA en organisaties ter plaatse meer dan 1 700 huizen volledig of gedeeltelijk zijn vernield en nog eens 40 000 andere huizen zijn beschadigd, en ook 17 ziekenhuizen en medische centra, 136 UNRWA-scholen, 60 moskeeën en 13 begraafplaatsen zijn vernield;

G.  overwegende dat hele woonwijken en essentiële infrastructuur in Gaza met de grond gelijk gemaakt zijn, waaronder de elektriciteitscentrale van Gaza, die nog steeds niet werkt, waardoor er stroomonderbrekingen van 18 uur per etmaal zijn en ongeveer 450 000 mensen door schade of te lage druk nog steeds geen leidingwater hebben;

H.  overwegende dat Palestijnse deskundigen de kosten voor de heropbouw van Gaza op ongeveer 8 miljard USD hebben geraamd; overwegende dat de VN en de Palestijnse regering op 9 september 2014 de internationale donoren hebben opgeroepen om als onmiddellijke hulpverlening na het recente conflict 550 miljoen USD ter beschikking te stellen voor voedselhulp, toegang tot drinkwater, gezondheidszorg en onderwijs; overwegende dat er in Egypte een internationale donorconferentie voor de wederopbouw van Gaza gepland is;

I.  overwegende dat 29 schoolgebouwen van de UNRWA nog altijd fungeren als opvangcentra voor meer dan 63 000 ontheemden;

J.  overwegende dat er volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) ongeveer 17 000 ha landbouwgrond aanzienlijke rechtstreekse schade heeft geleden en dat de helft van de pluimveestapel in Gaza is omgekomen door rechtstreekse treffers of door verwaarlozing ten gevolge van de beperkte toegang tot landbouwgrond in grensgebieden;

K.  overwegende dat het de verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties is om een onderzoek in te stellen om de schade aan haar structuren op te nemen;

1.  betuigt nogmaals zijn deelneming aan alle slachtoffers van het gewapende conflict en hun nabestaanden; veroordeelt ten zeerste de schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht;

2.  is ingenomen met het door bemiddeling van Egypte tot stand gekomen staakt-het-vuren; erkent en looft de rol die Egypte heeft gespeeld door te bemiddelen over een staakt-het-vuren; steunt de Egyptische autoriteiten, die samen met de Israëli's en de Palestijnen verder werken aan het tot stand brengen van een duurzaam staakt-het-vuren, en wijst op de strategische rol van Egypte als huidige en toekomstige bemiddelaar voor een vreedzame oplossing; is verheugd over de recente berichten dat de Egyptenaren weldra besprekingen over een permanent staakt-het-vuren zullen aanvatten;

3.  vraagt de EU effectief deel te nemen aan de dringend noodzakelijke humanitaire hulpacties en aan de wederopbouw van Gaza; vraagt de EU ten volle deel te nemen aan de internationale donorconferentie op 12 oktober 2014 in Caïro;

4.  onderstreept dat volledige en onbelemmerde toegang voor humanitaire hulp voor de bevolking van de Gazastrook een eerste prioriteit moet zijn; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan de inspanningen op dit punt nog verder te intensiveren en met spoed in te gaan op de noodoproepen om aanvullende financiering van de UNRWA; vraagt alle partijen in de regio ervoor te zorgen dat humanitaire hulp onverwijld terechtkomt bij diegenen in de Gazastrook die wachten op elementaire goederen en diensten – met name waar het gaat om stroom en water en de specifieke behoeften van kinderen; uit zijn bezorgdheid over de aantijgingen over het opzettelijke tegenhouden van humanitaire hulp aan de Gazastrook; onderstreept tevens dat de humanitaire en financiële hulp van de EU volledig en zo efficiënt mogelijk ten goede moet komen aan de Palestijnse bevolking, en in geen geval direct of indirect mag worden gebruikt voor terroristische activiteiten;

5.  is verheugd dat de Israëlische regering en de Palestijnse nationale consensusregering over diverse onderwerpen met elkaar aan het overleggen zijn, en moedigt beide partijen aan om verder te gaan op deze weg; vraagt de Palestijnse nationale consensusregering tevens onverwijld het volledige gezag in de Gazastrook over te nemen om te voorkomen dat dit gebied wegglijdt in chaos en wetteloosheid; pleit in dit verband voor voltooiing van het Palestijnse verzoeningsproces, dat de spoedige uitschrijving van parlementaire en presidentiële verkiezingen mogelijk moet maken;

6.  moedigt de belangrijkste regionale actoren, met name Egypte en Jordanië, aan zich te blijven inspannen om de rust te herstellen; betuigt nogmaals zijn volledige steun voor de tweestatenoplossing, met als basis de grenzen van 1967 en Jeruzalem als hoofdstad van beide staten, waarbij de staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aaneengesloten en levensvatbare staat Palestina in vrede en veiligheid naast elkaar bestaan, wat zou inhouden dat de blokkade van Gaza wordt opgeheven; herhaalt dat de nederzettingen internationaalrechtelijk gezien illegaal zijn en vrede in de weg staan; verzoekt alle EU-instellingen de betrekkingen op het gebied van handel, cultuur, wetenschap, energie, water en economie tussen Israël en zijn buren te stimuleren;

7.  is voorstander van verzoening tussen Hamas en de Palestijnse Autoriteit, zodat zij kunnen samenwerken om Gaza weer op te bouwen en een politieke oplossing voor de lange termijn te zoeken;

8.  is verheugd dat de EU bereid is bij te dragen aan een omvattende en duurzame oplossing waarmee zowel de Palestijnen als de Israëli's in meer veiligheid, welvaart en voorspoed kunnen leven; neemt met tevredenheid nota van het feit dat de EU opties zal uitwerken voor effectieve en omvattende actie op de volgende gebieden: verkeer en toegang, capaciteitsopbouw, verificatie en monitoring, humanitaire hulp en wederopbouw na het conflict;

9.  betuigt nogmaals zijn steun aan het beleid van vreedzaam verzet van president Mahmoud Abbas en veroordeelt alle daden van terrorisme en geweld; vraagt de Europese Unie en haar lidstaten meer steun te bieden aan het leiderschap van president Abbas en zijn recente initiatief om de conflictsituatie te deblokkeren;

10.  onderstreept dat de status quo in de Gazastrook onhoudbaar is en extremisten in de kaart speelt, wat tot steeds nieuwe geweldsspiralen leidt; stelt dat stabiliteit op de lange termijn in Gaza niet mogelijk is zonder wederopbouw en economisch herstel, die worden belemmerd zolang er geen vrij verkeer van mensen en goederen is; pleit voor een snelle wederopbouw en herstel in de Gazastrook, en betuigt zijn volledige steun aan de donorconferentie die op 12 oktober 2014 in Cairo zal plaatsvinden;

11.  vraagt de EU en haar lidstaten nogmaals om, ook in het Kwartet, een actievere politieke rol te spelen bij de pogingen om een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen tot stand te brengen; steunt de hoge vertegenwoordiger bij haar pogingen om tot een geloofwaardig perspectief op de hervatting van het vredesproces te komen;

12.  is verheugd dat dat de EU bereid is steun te verlenen aan een eventueel door de VN-Veiligheidsraad gesteund internationaal mechanisme, onder meer door de EU-missies EUBAM Rafah, en EUPOL COPPS ter plaatse opnieuw te activeren en wellicht het toepassingsgebied en mandaat ervan uit te breiden, zodat een opleidingsprogramma kan worden opgezet voor douaniers en politiemensen van de Palestijnse Autoriteit die in Gaza zullen worden ingezet;

13.  uit zijn waardering voor het enorm belangrijke werk dat de UNWRA en al haar personeelsleden tijdens en na het conflict hebben geleverd; betuigt zijn deelneming aan de UNWRA en aan de nabestaanden van de twaalf personeelsleden die tijdens het conflict zijn omgekomen; vraagt de EU en de internationale donoren hun steun aanzienlijk op te voeren om te beantwoorden aan de toegenomen onmiddellijke behoeften van de getroffen bevolking, waarin de UNWRA moet voorzien;

14.  benadrukt dat de Palestijnse Autoriteit, de EU, Egypte en Jordanië op degelijke wijze moeten samenwerken om te voorkomen dat terroristische groeperingen in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever zich herbewapenen of opnieuw wapens gaan smokkelen, raketten gaan bouwen of tunnels gaan aanleggen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de afgezant van het Midden-Oostenkwartet, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad alsmede het parlement en de regering van Egypte en het parlement en de regering van Jordanië.

Juridische mededeling