Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 27 november 2014 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Pakistan: blasfemiewetten
 Servië: de kwestie van de van oorlogsmisdaden verdachte Šešelj
 Irak: ontvoeringen en mishandeling van vrouwen
 Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: voorlopig systeem van termijnen betreffende bijdragen om de administratieve uitgaven van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad tijdens de voorlopige periode te dekken
 Vertraging bij de start van het cohesiebeleid 2014-2020
 Richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling
 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind
 Digitale interne markt
 Ondervoeding bij kinderen in ontwikkelingslanden

Pakistan: blasfemiewetten
PDF 145kWORD 198k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over godslasteringswetten in Pakistan (2014/2969(RSP))
P8_TA(2014)0064RC-B8-0289/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Pakistan,

–  gezien artikel 18 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging van 1981,

–  gezien de verslagen van de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging,

–  gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, Gabriela Knaul, van 4 april 2013, dat volgde op haar bezoek aan Pakistan van 19 tot en met 29 mei 2012;

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het jaarverslag inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2012 en het beleid van de Europese Unie ter zake(1), waarin de vervolging van christenen en andere religieuze minderheden wordt veroordeeld,

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(2),

–  gezien het vijfjarig inzetplan EU-Pakistan van maart 2012, met daarin prioriteiten zoals goed bestuur en de mensenrechtendialoog, alsmede de hier nauw op aansluitende tweede strategische dialoog EU-Pakistan van 25 maart 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad over Pakistan van 11 maart 2013(3), waarin wordt herinnerd aan de verwachtingen van de EU wat betreft de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten en waarin alle vormen van geweld, inclusief geweld tegen religieuze minderheden, worden veroordeeld,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 18 oktober 2014 over het besluit van het hooggerechtshof van Lahore om de veroordeling van mevrouw Asia Bibi in Pakistan te handhaven,

–  gezien het persbericht van de delegatie van de Europese Unie in Pakistan van 29 oktober 2014 ter gelegenheid van het bezoek van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten aan Pakistan van 26 tot en met 29 oktober 2014,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over de regionale rol van Pakistan en zijn politieke betrekkingen met de EU(4),

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Asia Bibi, een christelijke vrouw uit Punjab, in 2009 werd gearresteerd en in 2010 ter dood werd veroordeeld wegens godslastering op grond van afdeling 295-C van het Pakistaanse Wetboek van Strafrecht; overwegende dat het hooggerechtshof van Lahore het door Asia Bibi aangetekende beroep op 16 oktober 2014 heeft verworpen en de veroordeling heeft gehandhaafd; overwegende dat de beklaagde op 24 november 2014 beroep heeft aangetekend bij de Hoge Raad, een procedure die jaren kan duren; overwegende dat de president van Pakistan het vonnis van het hooggerechtshof van Lahore nog door middel van presidentiële gratie kan vernietigen en Asia Bibi amnestie kan verlenen;

B.  overwegende dat in oostelijk Pakistan een christelijk koppel, Shama Bibi en Shahbaz Masih, op 7 november 2014 in elkaar is geslagen door een menigte die hen ervan beschuldigde pagina's van de Koran te hebben verbrand; overwegende dat hun lichamen vervolgens in een steenoven werden verbrand en dat zij, volgens sommige berichten, nog leefden toen zij in de oven werden geworpen;

C.  overwegende dat onlangs een aantal Pakistaanse burgers de doodstraf kreeg opgelegd wegens schending van de godslasteringswetten, onder wie de heer Sawan Masih, een christen, wegens de vermeende belediging van de profeet Mohammed tijdens een gesprek, en een christelijk koppel, Shafqat Emmanuel en Shagufta Kausar, wegens de vermeende belediging van de profeet in een sms-bericht;

D.  overwegende dat de mensenrechtenactivist en advocaat Rashid Rehman op 7 mei 2014 werd vermoord; overwegende dat Rehman enkele weken daarvoor bedreigingen had ontvangen omdat hij een docent verdedigde die werd vervolgd op grond van de Pakistaanse godslasteringswet;

E.  overwegende dat Mohammad Asghar, een Brits staatsburger van Pakistaanse origine, bij wie in het Verenigd Koninkrijk een geestesziekte is vastgesteld maar die desalniettemin gevangen zit wegens godslastering, in oktober 2014 is verwond door een door een cipier afgeschoten kogel; overwegende dat de dader door de provinciale autoriteiten is opgepakt en in staat van beschuldiging is gesteld wegens poging tot moord, en dat acht andere gevangenbewaarders zijn geschorst;

F.  overwegende dat Tufail Haider, een 45-jarige sjiiet, op 5 november 2014 werd gedood door een politieondervrager die later beweerde dat de heer Haider zich minachtend had uitgelaten over "metgezellen van de profeet Mohammed";

G.  overwegende dat volgens de berichten tussen 1987 en oktober 2014 in het totaal 1 438 mensen zijn beschuldigd van godslastering, onder wie 633 moslims, 494 Ahmadi's, 187 christenen en 21 hindoes; overwegende dat sinds 1990 ten minste 60 personen zijn omgekomen bij groepsgeweld in met godslastering verband houdende zaken;

H.  overwegende dat momenteel enkele tientallen personen, onder wie moslims, hindoes, christenen en anderen, in de gevangenis zitten op beschuldiging van godslastering; overwegende dat tot op heden geen enkele terdoodveroordeling op grond van beschuldigingen van godslastering ten uitvoer is gelegd, maar dat diverse verdachten zijn omgekomen door groepsgeweld; overwegende dat bepaalde religieuze leiders enorme druk uitoefenen op het Pakistaanse rechtsstelsel om de terdoodveroordelingen, die doorgaans worden uitgesproken door lagere rechtbanken, te handhaven en ten uitvoer te leggen; overwegende dat juridische procedures vaak vele jaren duren en een verwoestend effect hebben op onschuldige Pakistaanse burgers en hun families en gemeenschappen;

I.  overwegende dat het wegens de godslasteringswetten in Pakistan gevaarlijk is voor religieuze minderheden zich vrijelijk te uiten of in het openbaar aan religieuze activiteiten deel te nemen; overwegende dat het wijdverbreide misbruik van deze wetten goed gedocumenteerd is; overwegende dat de wetten in plaats van religieuze gemeenschappen te beschermen een deken van angst over de Pakistaanse samenleving hebben geworpen; overwegende dat alle pogingen om de wetten of de toepassing ervan te hervormen zijn gesmoord in bedreigingen en moorden; overwegende dat pogingen om deze kwesties ter discussie te stellen in de media, online en offline, vaak stuiten op bedreigingen en intimidatie, onder meer van de zijde van de regering;

J.  overwegende dat Pakistan een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van de stabiliteit in Zuid-Azië en daarom geacht mag worden het voortouw te nemen bij het versterken van de rechtsstaat en de mensenrechten;

K.  overwegende dat Pakistan recentelijk zeven van de negen belangrijkste internationale mensenrechtenverdragen heeft geratificeerd, met name het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, die talrijke bepalingen bevatten inzake rechtspraak, het recht op een eerlijk proces, de gelijkheid voor de wet en het verbod op discriminatie;

L.  overwegende dat Pakistan door VN-mensenrechteninstanties is verzocht de godslasteringswetten in te trekken of ten minste onmiddellijk waarborgen in te stellen om te voorkomen dat de wet wordt misbruikt om burgers, vaak afkomstig uit religieuze minderheidsgroeperingen, tot slachtoffer te maken;

M.  overwegende dat de EU en Pakistan hun bilaterale betrekkingen hebben verdiept en verbreed, zoals blijkt uit het in februari 2012 gepresenteerde vijfjarige inzetplan en uit de tweede strategische dialoog EU-Pakistan, die in maart 2014 werd gehouden; overwegende dat het vijfjarig inzetplan EU-Pakistan ten doel heeft strategische betrekkingen op te bouwen en een partnerschap voor vrede en ontwikkeling tot stand te brengen dat geworteld is in gedeelde waarden en beginselen;

N.  overwegende dat Pakistan op 1 januari 2014 voor het eerst is toegetreden tot de SAP+-regeling; overwegende dat deze regeling "moet voorzien in een stevige stimulans om de fundamentele mensen- en arbeidsrechten, het milieu en beginselen van goed bestuur te eerbiedigen";

1.  is ernstig bezorgd over en betreurt het besluit van het hooggerechtshof van Lahore van 16 oktober 2014 om de terdoodveroordeling van Asia Bibi wegens godslastering te handhaven; dringt er bij de Hoge Raad op aan de procedures in verband met deze zaak onverwijld in gang te zetten en de rechtsstaat en de volledige eerbiediging van de mensenrechten te beschermen;

2.  dringt er bij de Pakistaanse rechtbanken op aan zo spoedig mogelijk over te gaan tot de herziening van de terdoodveroordelingen van Sawan Masih, Mohammad Asgar en Shafqat Emmanuel en zijn vrouw Shagufta Kausar, en van die van alle andere burgers die momenteel in de dodencel zitten wegens de vermeende schending van de godslasteringswetten;

3.  veroordeelt krachtig de moorden op Shama Bibi en Shahbaz Masih en betuigt zijn medeleven aan de families van alle onschuldige slachtoffers die zijn vermoord als gevolg van de godslasteringswetten in Pakistan; dringt erop aan dat plegers van deze daden worden berecht; neemt kennis van het besluit van de regering van Punjab om een commissie op te zetten teneinde het onderzoek naar de moorden op Shama Bibi en Shahbaz Masih te versnellen en om te zorgen voor extra politiebescherming in de christelijke wijken in de provincie; onderstreept evenwel dat het noodzakelijk is een einde te maken aan het klimaat van straffeloosheid en dat bredere hervormingen nodig zijn om de kwestie van geweld jegens religieuze minderheden, hetgeen een wijdverbreid verschijnsel blijft in Pakistan, aan te pakken;

4.  uit zijn diepe bezorgdheid over het feit dat de controversiële godslasteringswetten zodanig kunnen worden misbruikt dat personen van elk geloof in Pakistan kunnen worden getroffen; spreekt in het bijzonder zijn bezorgdheid uit over het feit dat de godslasteringswetten, die openlijk werden bestreden door wijlen minister Shahbaz Bhatti, wijlen gouverneur Salman Taseer en Rashid Rehman, die wegens hun pleidooi voor religieuze tolerantie werden vermoord, in toenemende mate worden gebruikt om kwetsbare minderheidsgroeperingen in Pakistan, met inbegrip van Ahmadi's en christenen, te treffen;

5.  roept de regering van Pakistan op een grondige herziening van de godslasteringswetten en de huidige toepassing ervan uit te voeren, in het bijzonder van afdeling 295 B en C van het Wetboek van Strafrecht, waarin levenslange gevangenisstraffen (295 B en C) en zelfs de doodstraf (295 C) verplicht worden voorgeschreven voor vermeende daden van godslastering, teneinde de wetten in te trekken; dringt er bij de regering van Pakistan op aan de doodstraf af te schaffen, met inbegrip van de doodstraf wegens godslastering of afvalligheid, en waarborgen in te stellen om het misbruik van wettelijke bepalingen met betrekking tot godslastering en afvalligheid te voorkomen;

6.  verzoekt de Pakistaanse autoriteiten de onafhankelijkheid van de rechtbanken, de beginselen van de rechtsstaat en deugdelijke processen te garanderen, in overeenstemming met internationale normen over gerechtelijke procedures, onder meer door rekening te houden met de recente aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten; dringt er voorts bij de Pakistaanse autoriteiten op aan voldoende bescherming te bieden aan degenen die betrokken zijn bij godslasteringsprocessen, onder andere door rechters te behoeden voor druk van buitenaf, de beklaagden en hun families en gemeenschappen te beschermen tegen groepsgeweld en oplossingen te bieden aan de mensen die vrijgesproken zijn maar niet terug kunnen keren naar hun woonplaats;

7.  herinnert eraan dat de vrijheid van godsdienst en de rechten van minderheden worden gewaarborgd in de grondwet van Pakistan; is verheugd over de maatregelen die de Pakistaanse regering sinds november 2008 heeft genomen in het belang van religieuze minderheden, zoals de invoering van een quotum van 5 % voor minderheden op overheidsposten, de erkenning van niet-islamitische feestdagen en het uitroepen van een nationale dag van de minderheden;

8.  dringt er echter bij de regering van Pakistan op aan zich meer in te spannen voor een beter begrip tussen de verschillende geloofsgemeenschappen, religieuze vijandigheid door maatschappelijke actoren actief aan te pakken, religieuze intolerantie, gewelddaden en intimidatie te bestrijden en op te treden tegen werkelijke of vermeende straffeloosheid;

9.  veroordeelt ten stelligste alle gewelddaden tegen religieuze gemeenschappen en alle vormen van discriminatie en onverdraagzaamheid op grond van godsdienst en levensbeschouwing; benadrukt dat het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst een fundamenteel mensenrecht is; onderstreept voorts dat alle Pakistanen, ongeacht hun overtuiging of religie, in gelijke mate recht hebben op de eerbiediging, bevordering en bescherming van hun mensenrechten;

10.  dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan alle instrumenten waarover zij beschikken te benutten, met inbegrip van de reeds genoemde EU-richtsnoeren tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, teneinde religieuze gemeenschappen te helpen en druk uit te oefenen op de Pakistaanse regering om meer te doen voor de bescherming van religieuze minderheden; is in dit verband ingenomen met het recente bezoek van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten aan Pakistan en de aldaar gevoerde besprekingen;

11.  onderstreept dat de toekenning van de SAP+-status voorwaardelijk is en, onder andere, afhangt van de ratificatie en tenuitvoerlegging van 27 internationale verdragen, als uiteengezet in bijlage VIII bij de nieuwe SAP-basisverordening, waarvan het merendeel betrekking heeft op mensenrechten; benadrukt voorts dat de EU kan besluiten de SAP+-preferenties in te trekken indien een land niet aan zijn verplichtingen voldoet;

12.  spoort de EDEO en de Commissie aan om nauwlettend toe te zien op de naleving door Pakistan van zijn verplichtingen in het kader van SAP+, en om de mensenrechten in Pakistan te bevorderen en te verdedigen;

13.  dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan samen te werken met de Pakistaanse autoriteiten teneinde de manier waarop de godslasteringswetten worden gebruikt te hervormen, onder meer door de in paragraaf 6 voorgestelde maatregelen ten uitvoer te leggen;

14.  moedigt de regering van Pakistan aan om samen te werken met de VN-organen, met inbegrip van de VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, teneinde de gerechtvaardigde zorgen over mensenrechtenproblemen weg te nemen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de regering en het parlement van Pakistan.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0575.
(2) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_Data/docs/pressdata/EN/foraff/137585.pdf
(3) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/135946.pdf
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0208.


Servië: de kwestie van de van oorlogsmisdaden verdachte Šešelj
PDF 217kWORD 185k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over Servië: de kwestie van de van oorlogsmisdaden verdachte Šešelj (2014/2970(RSP))
P8_TA(2014)0065RC-B8-0292/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Servië,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds, die op 1 september 2013 in werking is getreden,

–  gezien het voortgangsverslag over Servië voor 2014 dat de Commissie op 8 oktober 2014 heeft gepubliceerd (SWD(2014)0302),

–  gezien het Statuut van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalig Joegoslavië sinds 1991 (ICTY),

–  gezien artikel 65 van het Reglement van proces- en bewijsvoering van het ICTY,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Vojislav Šešelj, de voorzitter van de Servische Radicale Partij, voor het ICTY terechtstaat op verdenking van vervolging op politieke, raciale of religieuze gronden, deportatie, onmenselijke daden, deportatie onder dwang, misdaden tegen de menselijkheid, moord, marteling, wrede behandeling, moedwillige verwoesting van dorpen of verwoestingen zonder militaire noodzaak, vernieling of opzettelijke beschadiging van godsdienstige of onderwijsinstellingen, plunderen van privébezit (schending van de wetten en gebruiken van de oorlog) in Kroatië, Bosnië en Herzegovina en in delen van Vojvodina (Servië) tussen 1991 en 1993;

B.  overwegende dat het ICTY in 1993 door de Verenigde Naties werd opgericht om zich bezig te houden met oorlogsmisdaden die in de jaren '90 werden gepleegd en daarmee de grondslagen te leggen voor de beslechting van het conflict en de ontwikkeling in de regio daarna;

C.  overwegende dat de strafkamer van het ICTY op 6 november 2014, na meer dan elf jaar hechtenis en terwijl het proces nog loopt, ambtshalve de voorwaardelijke vrijlating van Šešelj heeft gelast wegens verslechtering van zijn gezondheidstoestand, op voorwaarde dat hij i) geen getuigen en slachtoffers zou beïnvloeden en ii) voor de Kamer zou verschijnen zodra deze hem zou oproepen; dat Šešelj zich vanaf het begin van het proces vijandig heeft opgesteld tegen het ICTY door voortdurend te interrumperen, de rechtsgang te verstoren en verklaringen in te trekken, en dat hij bij drie verschillende gelegenheden beschuldigd is van belemmering van de rechtsgang wegens intimidatie van getuigen;

D.  overwegende dat Šešelj sinds zijn terugkeer in Servië diverse malen in het openbaar heeft gesproken in Belgrado en daarbij benadrukt heeft dat hij niet vrijwillig naar het Hof zal terugkeren als hem dat gevraagd wordt, waarmee hij dus al aankondigde dat hij een van de twee voorwaarden waarop hij werd vrijgelaten zal schenden;

E.  overwegende dat Šešelj in zijn openbare uitspraken bij herhaling heeft opgeroepen tot de totstandbrenging van een "groter Servië", waarbij hij publiekelijk aanspraak heeft gemaakt op buurlanden, waaronder de EU-lidstaat Kroatië, en heeft aangezet tot haat jegens niet-Serviërs; dat Šešelj in een persverklaring de Servische Tsjetniks gefeliciteerd heeft met de "bevrijding van Vukovar" op de dag van de 23e herdenking van de inname van die Kroatische stad in 1991 door Servische paramilitaire troepen en het Joegoslavische leger en de gruweldaden die daarmee gepaard zijn gegaan; dat hij daarmee de voorwaarde dat hij de slachtoffers niet mocht beïnvloeden heeft geschonden; dat de Servische vredesgroep "Vrouwen in het zwart" in Belgrado bijeengekomen is om de slachtoffers van het beleg te herdenken met een voorstelling getiteld "Wij zullen de misdaden van Vukovar nooit vergeten";

1.  veroordeelt met klem de oorlogsdreigementen, het aanzetten tot haat, het aanmoedigen van territoriale claims en de pogingen om Servië te doen afwijken van zijn Europese koers, waaraan Šešelj zich schuldig maakt; betreurt de provocerende publieke optredens van Šešelj en de oorlogsretoriek waarvan hij zich sinds zijn voorwaardelijke vrijlating bedient en waarmee hij de psychologische wonden van de oorlog en van de gruweldaden die in het begin van de jaren '90 zijn bedreven, weer heeft opengereten; benadrukt dat de recente uitlatingen van Šešelj tot gevolg zouden kunnen hebben dat de vooruitgang in de regionale samenwerking en verzoening wordt ondermijnd en de inspanningen van de afgelopen jaren teniet worden gedaan;

2.  herinnert de Servische autoriteiten aan hun verplichtingen uit hoofde van het kader van samenwerking met het ICTY en de status van Servië als kandidaat-lidstaat van de EU; constateert met bezorgdheid dat het uitblijven van een passende politieke reactie en van gerechtelijke maatregelen van de Servische autoriteiten ten aanzien van het optreden van Šešelj het vertrouwen van de slachtoffers in de rechtspraak ondermijnt; spoort de Servische autoriteiten en de democratische partijen ertoe aan elke publieke uiting van haat en oorlogsretoriek te veroordelen en de bescherming van rechten van minderheden en culturele rechten te bevorderen; verzoekt de Servische autoriteiten te onderzoeken of Šešelj de Servische wet heeft overtreden en de wettelijke verboden op haatuitingen, discriminatie en het aanzetten tot geweld te aan te scherpen en onverkort toe te passen; steunt alle politieke partijen, ngo's en personen in Servië die haatuitingen bestrijden;

3.  verzoekt het ICTY en zijn openbare aanklager maatregelen te nemen om te onderzoeken of de vereisten voor voorwaardelijke vrijlating in de nieuwe omstandigheden nog steeds bestaan; merkt op dat het niet bevorderlijk zou zijn voor het bereiken van de doelen van het ICTY als dit verschillende maatstaven zou hanteren met betrekking tot voorwaardelijke vrijlating; spoort het ICTY ertoe aan vastberaden maatregelen te nemen om het vertrouwen in het ICTY, dat door de onthutsende en onaanvaardbare publieke uitspraken van Šešelj is aangetast, te herstellen en onder meer alle nodige maatregelen te nemen om de afronding van alle rechtszaken en beroepen die voor het Hof dienen te bespoedigen; herinnert eraan dat het voor een waarachtig en duurzaam verzoeningsproces onontbeerlijk is dat de plegers van oorlogsmisdaden worden berecht;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president, de regering en het parlement van Servië, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en de president van het ICTY.


Irak: ontvoeringen en mishandeling van vrouwen
PDF 139kWORD 192k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over Irak: ontvoeringen en mishandeling van vrouwen (2014/2971(RSP))
P8_TA(2014)0066RC-B8-0295/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Irak,

–  gezien de eerdere conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de ISIL/Da'ish-crisis in Syrië en Irak van 20 oktober 2014,

–  gezien resolutie S-22/1 van de VN-Mensenrechtenraad van 1 september 2014 over de mensenrechtensituatie in Irak in het licht van de wandaden van de zogenoemde Islamitische Staat in Irak en de Levant en aanverwante groeperingen,

–  gezien het VN-rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië getiteld "Rule of Terror: Living under ISIS in Syria" van 14 november 2014,

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds, en zijn resolutie van 17 januari 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak(1),

–  gezien resolutie 2106 (2013) van de VN-Veiligheidsraad van 24 juni 2013 over seksueel geweld in gewapende conflicten en post-conflictsituaties,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Irak partij is,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV), waarbij Irak partij is, en resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de zogenaamde Islamitische Staat (IS) talrijke wreedheden heeft begaan die misdaden tegen de menselijkheid zijn, zoals massamoorden, executies op bevel van zelfbenoemde IS-rechtbanken, opleggen van een streng geïnterpreteerde sharia, seksueel geweld tegen vrouwen en kinderen, slavernij, verkrachting, gedwongen huwelijken, mensenhandel, verplaatsing en ontvoering, en die de oorzaak zijn van een catastrofale humanitaire crisis en de ontheemding van grote groepen mensen uit de gebieden onder hun controle;

B.  overwegende dat IS-strijders in augustus 2014 verder in Noord-Irak zijn doorgestoten en massaal Koerdische peshmergatroepen die door het Iraakse leger verlaten gebieden waren binnengetrokken, hebben aangevallen; overwegende dat de stad Sinjar onder de voet was gelopen, de strategisch belangrijke dam bij Mosoel, die water en elektriciteit levert aan grote delen van Irak, was ingenomen en de IS-strijders Irbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan, tot op 40 km genaderd waren; overwegende dat veel Koerdische vrouwen vechten in Kobani, met inbegrip van vrouwen die leden en leiders van de PKK zijn;

C.  overwegende dat leden van etnische en religieuze minderheden, met name christenen en Jezidi's, Turkmenen, Shabaks, Kaka'e, Sabianen en Sjiitische gemeenschappen evenals vele Arabieren en Soennitische moslims het doelwit zijn van IS in Mosoel en de omliggende gebieden, met inbegrip van Sinjar en Tal Afar;

D.  overwegende dat volgens de schattingen van Human Rights Watch 3133 Jezidi's zijn ontvoerd en vermoord door de IS, of vermist zijn sinds de IS-aanvallen van begin augustus; overwegende dat deze lijst 2305 mensen telt waarvan men denkt dat zij ontvoerd zijn, waaronder 412 kinderen; overwegende dat IS gevangen jezidikinderen indoctrineert;

E.  overwegende dat VN-onderzoekers in oktober 2014 hebben verklaard dat naar schatting 5 000 à 7 000 vrouwen werden vastgehouden in geïmproviseerde detentiecentra, van waaruit ze werden weggehaald en ofwel als slavin verkocht of aan jihadisten als concubines meegegeven; overwegende dat vermoedelijk alleen al in de stad Tal Afar ongeveer 3 500 vrouwen en kinderen worden vastgehouden in vijf detentiecentra;

F.  overwegende dat IS en andere jihadistische extremisten in Irak en Syrië de oorzaak zijn van vluchtelingenstromen naar vluchtelingenkampen in Turkije, Libanon en Jordanië, waar met name vrouwen en meisjes in moeilijke humanitaire omstandigheden leven en uiterst kwetsbaar zijn voor intimidatie, seksueel geweld, gedwongen huwelijken en andere vormen van misbruik;

G.  overwegende dat het grensoverschrijdende karakter van IS en de daarmee verbonden terroristische groepen een probleem met een mondiale impact vormt;

H.  overwegende dat de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) ernstig bezorgd is over de vraag of de internationale gemeenschap kan voorzien in dringende noden in verband met de winter in Irak, in het bijzonder voor recentelijk ontheemden;

I.  overwegende dat de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van Irak essentieel zijn voor de stabiliteit en de economische ontwikkeling van het land en de regio;

1.  veroordeelt in de sterkst mogelijke bewoordingen de systematische schendingen van de mensenrechten en de schendingen van het internationaal humanitair recht als gevolg van de acties van IS en aanverwante terroristische groeperingen, die oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid vormen; veroordeelt scherp met name alle geweld tegen mensen op grond van hun religieuze en etnische achtergrond, en geweld tegen vrouwen en kinderen;

2.  veroordeelt met klem de talrijke wreedheden van IS, die met name gericht zijn tegen vrouwen en die misdaden tegen de menselijkheid vormen, zoals ontvoeringen, verkrachtingen en andere vormen van seksueel geweld, slavernij en gedwongen huwelijken en "bekeringen"; dringt erop aan dat degenen die verantwoordelijk zijn voor alle schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, ter verantwoording worden geroepen;

3.  beklemtoont dat kinderen onmiddellijk moeten worden herenigd met hun families, er een einde moet worden gemaakt aan gedwongen huwelijken en seksueel misbruik, en alle burgers, met name vrouwen, die gevangen worden gehouden door IS onmiddellijk moeten worden vrijgelaten;

4.  roept de Iraakse regering op het Statuut van Rome waarbij het Internationaal Strafhof (ICC) is opgericht te ratificeren zodat het ICC de oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid door IS kan vervolgen;

5.  roept de Iraakse regering op de mensenrechten te bevorderen en te beschermen door alle geledingen van de Iraakse samenleving te betrekken bij haar inspanningen om IS te bestrijden, in een geest van nationale eenheid en verzoening en eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht; biedt zijn steun aan de regering bij het opbouwen van een eerlijker, meer inclusieve samenleving die ook de rechten van vrouwen beschermt en bevordert;

6.  is ingenomen met de inspanningen van de internationale gemeenschap, met name de VS, om de Iraakse nationale en lokale autoriteiten te steunen in hun strijd tegen IS, de opmars van IS te stuiten en de verlening van humanitaire steun te faciliteren; steunt de wereldwijde coalitie tegen IS en haar inspanningen om IS te bestrijden, met inbegrip van militaire middelen; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan de nodige levensreddende hulp te bieden aan mensen in Irak tijdens de winter, met inbegrip van de jezidifamilies die nog op de berg Sinjar verblijven en hun tempels verdedigen tegen vernietiging door IS;

7.  roept alle regionale actoren op alles te doen wat in hun macht ligt om een halt toe te roepen aan alle activiteiten van officiële of particuliere organen die extreme fundamentalistische ideologieën in woord en daad propageren en verspreiden; verzoekt de internationale gemeenschap en met name de EU om een regionale dialoog over de problemen in het Midden-Oosten te faciliteren en alle belanghebbende partijen, in het bijzonder Iran en Saudi-Arabië, daarbij te betrekken;

8.  dringt er bij de VN, met name de speciale rapporteur inzake geweld tegen vrouwen, Rashida Manjoo, op aan om alles in het werk te stellen om de slachtoffers op te sporen, en de feiten en omstandigheden van misbruik en schendingen tegen meisjes en vrouwen door IS en aanverwante terroristische groeperingen in Irak en Syrië te onderzoeken en vast te stellen, om straffeloosheid te vermijden en ervoor te zorgen dat daders volledige verantwoording moeten afleggen; steunt het werk van de speciale vertegenwoordiger van de VN voor seksueel geweld in conflictsituaties, Zainab Hawa Bangura;

9.  verzoekt de internationale humanitaire organisaties die werkzaam zijn in Irak, waaronder VN-agentschappen, om medische en adviesdiensten voor ontheemden die gevlucht zijn voor IS uit te breiden en speciale aandacht te geven aan de noden van slachtoffers van seksueel geweld en kinderen;

10.  dringt er bij de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de lidstaten op aan specifieke maatregelen te nemen om de situatie van vrouwen in Irak en Syrië aan te pakken, hun vrijheid en de eerbiediging van hun meest fundamentele rechten te waarborgen, alsook maatregelen te treffen om uitbuiting en misbruik van en geweld jegens vrouwen en kinderen te voorkomen; is buitengewoon bezorgd over de toename van alle vormen van geweld jegens jezidivrouwen, die door IS-leden worden gevangen genomen, verkracht, seksueel misbruikt en verkocht; verzoekt in het bijzonder de lidstaten om een zodanig beleid te voeren dat wordt voorzien in de behoeften van de overlevenden, en maatregelen te nemen waardoor getraumatiseerde vrouwen uit Syrië en Irak, met name jezidivrouwen, speciale posttraumatische begeleiding, aangepast aan hun behoeften, kunnen krijgen;

11.  is ervan overtuigd dat onmiddellijk humanitaire hulp en bescherming moeten worden aangevuld met langetermijnstrategieën ter ondersteuning van de sociaal-economische rechten en mogelijkheden om in hun levensonderhoud te voorzien voor vrouwen die terugkeren, ontheemde vrouwen en vluchtelingen, versterkt leiderschap en participatie, om hen in staat te stellen duurzame oplossingen te kiezen die aansluiten bij hun behoeften; is van mening dat er aandacht moet worden gegeven aan de specifieke risico's en de specifieke behoeften van verschillende groepen vrouwen die meervoudige en kruisende vormen van discriminatie ondervinden;

12.  veroordeelt het feit dat met de opmars van IS daden van geweld en moord tegen Iraakse LGBT in totale straffeloosheid zijn begaan; merkt op dat de Iraakse LGBT weliswaar niet de enige groep zijn die in de huidige crisis en conflictsituatie gevaar loopt, maar zich wel in een uiterst kwetsbare toestand bevinden, gezien de beperkte steun van familie en gemeenschap en geringe overheidsbescherming; merkt op dat Iraakse LGBT gemarginaliseerd blijven en gevaar lopen in vluchtelingengemeenschappen of in bepaalde gastsamenlevingen; roept de Iraakse regering op om bescherming te bieden aan Iraakse LGBT;

13.  betreurt het dat als gevolg van de jaren van dictatuur en conflict de levensomstandigheden van Iraakse vrouwen aanzienlijk zijn verslechterd; pleit voor de bevordering en uitvoering van resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, om de participatie van vrouwen in het oplossen van conflicten en de opbouw van de democratie te waarborgen; benadrukt dat zonder de deelname van vrouwen aan de besluitvorming er geen echte bescherming noch enige echte veiligheid voor vrouwen in Irak mogelijk is;

14.  vraagt om een gezamenlijke internationale inspanning om in nauwe samenwerking met islamitische landen, organisaties en gemeenschappen, de radicale salafistische/wahabitische ideologie die ten grondslag ligt aan en een inspiratiebron is voor de acties van IS en aanverwante terroristische organisaties en die een groeiende bedreiging vormt voor de veiligheid van de lidstaten te betwisten; roept de EDEO en de lidstaten op in hun dialoog met de Golfstaten de sterke bezorgdheid over de voortdurende salafistische/wahabitische indoctrinatie in veel landen met een islamitische meerderheid en islamitische gemeenschappen overal ter wereld door acteurs uit deze landen aan de orde te stellen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, het regionale bestuur van Koerdistan, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0022.


Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: voorlopig systeem van termijnen betreffende bijdragen om de administratieve uitgaven van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad tijdens de voorlopige periode te dekken
PDF 212kWORD 184k
Besluit van het Europees Parlement van 27 november 2014 om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 8 oktober 2014 betreffende het voorlopig systeem van termijnen betreffende bijdragen om de administratieve kosten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad tijdens de voorlopige periode te dekken (C(2014)7164 – 2014/2882(DEA))
P8_TA(2014)0067B8-0246/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie van 8 oktober 2014 (C(2014)7164),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 23 oktober 2014, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters, van 4 november 2014,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010(1), en met name artikel 65, lid 5, onder a), b) en c),

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat artikel 42 van Verordening (EU) nr. 806/2014 (gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme - GAM) voorziet in de oprichting van de afwikkelingsraad per 19 augustus 2014 in de vorm van een agentschap van de Europese Unie;

B.  overwegende dat artikel 98 van de GAM-verordening bepaalt dat de afwikkelingsraad op 1 januari 2015 volledig operationeel moet zijn;

C.  overwegende dat de afwikkelingsraad een autonome begroting moet krijgen die geen deel uitmaakt van de Uniebegroting en gefinancierd wordt uit bijdragen van de bankensector, in het bijzonder bijdragen voor de administratieve uitgaven van de afwikkelingsraad die betaald moeten worden door de kredietinstellingen, moederondernemingen, beleggingsondernemingen en financiële instellingen die onder de GAM-verordening vallen;

D.  overwegende dat artikel 65, lid 5, van de GAM-verordening de Commissie machtigt tot het vaststellen van gedelegeerde handelingen ter bepaling van het soort bijdragen en de berekening ervan, en met name de jaarlijkse bijdragen die nodig zijn om de administratieve uitgaven van de afwikkelingsraad te dekken voordat hij volledig operationeel wordt;

E.  overwegende dat de Commissie op 8 oktober 2014 overeenkomstig voornoemde machtiging de gedelegeerde verordening van de Commissie heeft goedgekeurd betreffende het voorlopig systeem van termijnen betreffende bijdragen om de administratieve kosten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad tijdens de voorlopige periode te dekken;

F.  overwegende dat deze gedelegeerde verordening aan het einde van de aan Parlement en Raad toegekende toetsingstermijn alleen in werking kan treden als Parlement noch Raad daartegen bezwaar heeft aangetekend, of als zowel Parlement als Raad voor het verstrijken van deze periode de Commissie hebben meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken; overwegende dat de toetsingstermijn overeenkomstig artikel 93, lid 6, van de GAM-verordening is vastgesteld op drie maanden vanaf de datum van kennisgeving, d.w.z. tot 8 januari 2015, en met drie maanden kan worden verlengd;

G.  overwegende dat de afwikkelingsraad, om per 1 januari 2015 soepel te kunnen functioneren, zo spoedig mogelijk en in elk geval vóór 1 januari 2015 over een vaste financieringsregeling moet beschikken, zodat hij de eerste administratieve uitgaven (salarissen, infrastructuur, administratieve en beleidsmatige onkosten) uit eigen middelen kan dekken;

H.  overwegende dat bovengenoemde gedelegeerde verordening daarom in 2014 in werking moet treden, voordat de in overweging F bedoelde toetsingstermijn verstrijkt;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.


Vertraging bij de start van het cohesiebeleid 2014-2020
PDF 132kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over vertragingen bij de aanvang van het cohesiebeleid 2014-2020 (2014/2946(RSP))
P8_TA(2014)0068RC-B8-0278/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 4, 162 en 174 tot en met 178,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3 bij de algemene begroting 2014 (COM(2014)0329),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het cohesiebeleid, met een begroting van meer dan 350 miljard EUR tot 2020, het belangrijkste EU-brede beleidsgebied is inzake investeringen in de reële economie, en een belangrijke motor is voor groei en werkgelegenheid in de EU; overwegende dat het cohesiebeleid een belangrijke rol speelt in kader van de EU-strategie ter bevordering van een evenwichtiger verdeling tussen de regio's, ondersteuning van diversificatie, aanpassing aan veranderingen in het bedrijfsleven en verwezenlijking van economische, sociale en territoriale cohesie; overwegende dat financiering in het kader van het cohesiebeleid voor een aantal lidstaten de belangrijkste bron van overheidsinvesteringen vormt;

B.  overwegende dat deze middelen via thematische concentratie worden aangewend voor een beperkt aantal strategische, groeibevorderende doelstellingen, zoals innovatie en onderzoek, de digitale agenda, ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), de koolstofarme economie, onderwijs, opleiding en infrastructuur;

C.  overwegende dat partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's als strategische instrumenten worden ingezet om investeringen in de lidstaten en regio's aan te sturen, overeenkomstig de algemene doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

D.  overwegende dat de artikelen 14, 16 en 19 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 voorzien in een tijdschema voor de indiening en vaststelling van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's, en dat op grond van deze bepalingen partnerschapsovereenkomsten eind augustus 2014 moesten zijn vastgesteld en operationele programma's uiterlijk eind januari 2015;

E.  overwegende dat de programmering duidelijk vertraging heeft opgelopen, aangezien er naar verwachting slechts een beperkt aantal operationele programma's (iets meer dan 100) voor eind 2014 vastgesteld zullen zijn;

F.  overwegende dat de Commissie op verzoek van de lidstaten een officieuze nota heeft opgesteld over de wijze waarop moet worden omgegaan met de vastleggingen voor 2014 met betrekking tot programma's die medegefinancierd worden door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en die niet voor 31 december 2014 zijn goedgekeurd;

G.  overwegende dat er voor de vaststelling van operationele programma's twee scenario's mogelijk zijn, die allebei inhouden dat de start van de uitvoering verdere vertraging oploopt, namelijk: i) de overdrachtsprocedure voor de programma's die voor 31 december 2014 "klaar voor goedkeuring" worden geacht, en ii) de procedure van herbudgettering van de ongebruikte toewijzingen in 2014 voor de Europese structuur- en investeringsfondsen – met als gevolg een technische herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) – voor de programma's die eind 2014 "niet klaar voor goedkeuring" worden geacht;

H.  overwegende dat operationele programma's volgens het door de Commissie gepresenteerde tijdschema tussen 15 februari en 31 maart 2015 kunnen worden vastgesteld volgens de overdrachtsprocedure en na 1 mei 2015 volgens de herbudgetteringsprocedure;

I.  overwegende dat er niet alleen sprake is van vertragingen bij de uitvoering van het cohesiebeleid voor de programmeringsperiode 2014-2020, maar dat er ook sprake is van achterstallige betalingen (zo'n 23 miljard EUR) met betrekking tot de periode 2007-2013, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid, doeltreffendheid en duurzaamheid van het beleid;

J.  overwegende dat de voorzitter van de Commissie heeft aangegeven voornemens te zijn een investeringspakket van 315 miljard EUR voor te leggen;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de aanzienlijke vertraging bij de uitvoering van het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020, en wijst erop dat het belangrijk is bij het begin van de programmeringsperiode operationele programma's van hoge kwaliteit vast te stellen om in een later stadium geen herprogrammering te hoeven doorvoeren;

2.  benadrukt dat de huidige vertragingen ervoor zorgen dat het voor de nationale, regionale en lokale overheden moeilijker wordt om te zorgen voor een doeltreffende planning en tenuitvoerlegging van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor de periode 2014-2020;

3.  herinnert eraan dat het cohesiebeleid, samen met de door de lidstaten verzorgde cofinanciering, een belangrijk deel vormt van de op groei gerichte overheidsinvesteringen in de EU; benadrukt dat het derhalve absoluut noodzakelijk is om de tenuitvoerlegging van de nieuwe programma's zo spoedig mogelijk te starten, teneinde de resultaten van de investeringen te maximaliseren, banengroei te stimuleren en de groei van de productiviteit verder te vergroten;

4.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan verantwoordelijkheid te tonen en alles in het werk te stellen om de goedkeuring van een maximaal aantal operationele programma's in 2014 te bespoedigen en ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk programma's op 31 december 2014 "klaar voor goedkeuring" zijn, zodat zij in aanmerking komen voor de overdrachtsprocedure overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), van het Financieel Reglement en artikel 4 van de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften;

5.  vraagt de Commissie alle mogelijkheden te onderzoeken om haar interne procedures te stroomlijnen om te waarborgen dat operationele programma's die na de deadline van 24 november 2014 opnieuw worden ingediend ook in overweging worden genomen en als klaar voor goedkeuring worden beschouwd indien ze aan de eisen inzake kwaliteit voldoen, teneinde het interdienstenoverleg voor het eind van het jaar te kunnen afronden, en daarbij oog te blijven houden voor kwaliteit en voor de noodzaak fraude te blijven bestrijden;

6.  beseft dat het tweede scenario met betrekking tot de operationele programma's die aan het eind van 2014 niet klaar zijn voor goedkeuring, te weten het herbudgetteren in 2015 van ongebruikte toewijzingen van 2014, noopt tot herziening van het MFK op uiterlijk 1 mei 2015, overeenkomstig artikel 19 van het MFK, en dat daarbij, ook al betreft het een puur technische kwestie, de procedure voor de meerjarige begroting moet worden gevolgd; verzoekt de Commissie derhalve om zo spoedig mogelijk met het Parlement en de Raad in overleg te treden om tot een haalbaar stappenplan te komen dat ervoor zorgt dat de herziening van het MFK zo vroeg mogelijk in 2015 plaatsvindt;

7.  onderstreept daarnaast dat met het oog op de goedkeuring van de operationele programma's ook een overeenkomstig ontwerp van gewijzigde begroting voor de desbetreffende vastleggingskredieten voor 2015 moet worden goedgekeurd, hetgeen in het gunstigste geval resulteert in een vertraging van de start van de tenuitvoerlegging van die programma's tot medio 2015;

8.  verzoekt de Commissie, gezien het bovenstaande, het Parlement de maatregelen te presenteren die zij wil treffen om de onverwijlde tenuitvoerlegging van de operationele programma's mogelijk te maken, alsmede het tijdschema dat zij hiervoor in gedachten heeft;

9.  maakt zich zorgen over de situatie met betrekking tot de achterstallige betalingen in het kader van het cohesiebeleid voor de operationele programma's in de periode 2007-2013; benadrukt dat het belangrijk en dringend is om over dit onderwerp, op basis van nieuwe voorstellen van de Commissie, uiterlijk eind 2014 tot een akkoord te komen;

10.  verzoekt de Commissie toe te lichten welke gevolgen deze betalingsachterstand voor de start van de uitvoering van de nieuwe operationele programma's zal hebben, en oplossingen aan te reiken om de schade zo veel mogelijk te beperken; verzoekt de Commissie voorts om, in het kader van het verslag over de uitkomst van de onderhandelingen als bedoeld in artikel 16, lid 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de vertragingen bij de aanvang van het cohesiebeleid 2014-2020 voor de groei en werkgelegenheid en tevens aanbevelingen te doen op basis van de hieruit getrokken lessen;

11.  verlangt dat het door de Commissie aan te kondigen investeringspakket van 315 miljard EUR volledig aanvullend is op het cohesiebeleid 2014-2020;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de andere betrokken instellingen.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB L 298 van 26.10.12, blz. 1.


Richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling
PDF 139kWORD 195k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en de rol van de kmo-test (2014/2967(RSP))
P8_TA(2014)0069RC-B8-0311/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de recente openbare raadpleging over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en het bijbehorende voorstel voor herziene richtsnoeren voor effectbeoordeling,

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over het garanderen van onafhankelijke effectbeoordelingen(1),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat effectbeoordelingen, als instrument dat in een vroeg stadium van de ontwikkeling van wetgeving wordt toegepast, een essentiële rol spelen in de agenda van de Commissie voor slimme regelgeving, en tot doel hebben transparant, uitvoerig en evenwichtig bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de economische, maatschappelijke en milieugevolgen en de toegevoegde waarde van EU-maatregelen, de te verwachten regelgevings- en administratieve lasten en de kosten en baten van alternatieve benaderingen voor alle belanghebbenden;

B.  overwegende dat in de bestaande richtsnoeren voor effectbeoordeling een centrale rol is weggelegd voor het secretariaat-generaal en de Raad voor effectbeoordeling van de Commissie wat betreft het besluit of er een effectbeoordeling nodig is voor een bepaald initiatief;

C.  overwegende dat de Raad voor effectbeoordeling een belangrijke rol speelt als centraal kwaliteitscontrolepunt voor effectbeoordelingen;

D.  overwegende dat de Verdragen, naast de verplichting om de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid na te leven, horizontale sociale en milieuclausules bevatten die in aanmerking moeten worden genomen bij de bepaling en de uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, en die bepalen dat een diepgaande analyse vereist is van de gevolgen van alle wetgeving die wordt voorgesteld;

E.  overwegende dat volgens een deskundigengroep van de Commissie de kosten van naleving van een verordening voor een kmo tien keer hoger kunnen liggen dan voor grote bedrijven; overwegende dat een correct en onafhankelijk uitgevoerde effectbeoordeling daarom van bijzonder belang is voor kmo's die vaak meer moeilijkheden ondervinden bij de aanpassing aan nieuwe wettelijke en administratieve vereisten dan grote bedrijven, en vanwege hun omvang minder snel kunnen anticiperen op veranderingen in de regelgeving;

F.  overwegende dat het "denk eerst klein"-principe het fundament vormt van de Small Business Act voor Europa uit 2008; overwegende dat dit principe sinds 2009 deel uitmaakt van de richtsnoeren voor effectbeoordeling, en sinds 2005 onderdeel is van andere teksten van de Commissie; overwegende dat dit principe erop gericht is om de belangen van kmo's van meet af aan mee te nemen in de beleidsvorming, zodat de wetgeving kmo-vriendelijker wordt; overwegende dat er een hele reeks instrumenten beschikbaar is om de doeltreffende tenuitvoerlegging van dit principe te garanderen, waaronder het uitvoeren van een kmo-test bij op stapel staande wetgevingsvoorstellen;

G.  overwegende dat de bestaande richtsnoeren voor effectbeoordeling voorzien in een specifieke leidraad in de vorm van een kmo-test, ook voor eventuele mitigatiemaatregelen; overwegende dat in het voorstel voor herziene richtsnoeren geen bepalingen over de kmo-test zijn opgenomen;

H.  overwegende dat de juiste beoordeling van de inhoudelijke amendementen van het Parlement op het eerste voorstel van de Commissie een aanzienlijke meerwaarde biedt om het standpunt van het Parlement in trialoogonderhandelingen te schragen;

Toepassingsgebied

1.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de richtsnoeren voor effectbeoordeling regelmatig te herzien teneinde de procedures voor effectbeoordeling te verbeteren;

2.  benadrukt dat de Commissie ervoor dient te zorgen dat economische, sociale, administratieve en milieuaspecten even grondig worden beoordeeld;

3.  vindt het echter bezwaarlijk dat de voorgestelde herziene richtsnoeren veel minder specifiek zijn dan de bestaande richtsnoeren wat betreft het toepassingsgebied van effectbeoordelingen, en dat deze het bevoegde directoraat-generaal veel meer ruimte voor interpretatie bieden wat betreft het besluit of een effectbeoordeling noodzakelijk is; is van mening dat de huidige praktijk moet worden gehandhaafd volgens welke de Raad voor effectbeoordeling bij het besluitvormingsproces betrokken is;

4.  is van mening dat de Commissie de huidige aanpak moet handhaven waarbij zij een effectbeoordeling voorlegt voor alle initiatieven die ten minste aan een van de volgende criteria voldoen:

   a) wetgevingsvoorstellen die zijn opgenomen in het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie;
   b) wetgevingsvoorstellen die niet zijn opgenomen in het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie maar een aanwijsbaar economisch, administratief, sociaal of milieueffect hebben;
   c) initiatieven van niet-wetgevende aard die toekomstig beleid bepalen (bijvoorbeeld witboeken, actieplannen, uitgavenprogramma's en onderhandelingsrichtsnoeren voor internationale overeenkomsten);
   d) door de Commissie en in voorkomend geval door haar agentschappen voorgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die waarschijnlijk aanzienlijke, aantoonbare economische, sociale, ecologische of bureaucratische gevolgen zullen hebben;

5.  merkt op dat effectbeoordelingen grondig en uitvoerig moeten worden uitgevoerd, en gebaseerd moeten zijn op de meest accurate, objectieve en volledige gegevens die beschikbaar zijn, met een analyse die daarmee in verhouding staat en waarin de nadruk ligt op het doel en de doelstelling van het voorstel, teneinde een weloverwogen politiek besluit te kunnen nemen;

6.  is ervan overtuigd dat effectbeoordelingen een belangrijk instrument zijn ter ondersteuning van de besluitvorming in alle EU-instellingen en een belangrijk onderdeel vormen van het proces voor betere regelgeving; beseft evenwel dat effectbeoordelingen politieke evaluatie en besluiten niet kunnen vervangen;

7.  benadrukt dat alle belanghebbenden in een vroeg stadium van de effectbeoordeling moeten worden geraadpleegd, zodat hun inbreng bij het opstellen van de effectbeoordeling en dus voor publicatie daarvan kan worden meegenomen;

8.  merkt op dat het toepassingsgebied van een effectbeoordeling in bepaalde gevallen misschien niet overeenkomt met de aangenomen voorstellen, wanneer deze gewijzigd zijn nadat ze ter goedkeuring zijn voorgelegd door het college van commissarissen; pleit ervoor dat in de voorgestelde herziene richtsnoeren wordt vermeld dat effectbeoordelingen moeten worden bijgewerkt om continuïteit te waarborgen tussen de kwesties die daarin worden behandeld en de voorstellen die uiteindelijk worden aangenomen door de Commissie;

Raad voor effectbeoordeling

9.  acht het zeer bedenkelijk dat de rol van de Raad voor effectbeoordeling in de effectbeoordelingsprocedure in de voorgestelde herziene richtsnoeren niet duidelijker wordt omschreven; verzoekt de Commissie met klem deze lacune op te vullen en, in reactie op deze door het Parlement aan te nemen resolutie, de procedures in verband met de Raad voor effectbeoordeling duidelijker te omschrijven in een nieuw voorstel voor herziene richtsnoeren;

10.  is van mening dat in het kader van deze nieuwe procedures op heldere, begrijpelijke en transparante wijze het proces van indiening, herziening en uiteindelijke goedkeuring van aan de Raad voor effectbeoordeling voorgelegde effectbeoordelingen moet worden vastgelegd;

11.  herhaalt zijn standpunt dat voorstellen niet door de Commissie moeten worden aangenomen tenzij deze vergezeld gaan van een advies afgegeven door de Raad voor effectbeoordeling;

12.  herinnert de Commissie er verder aan dat het Parlement heeft verzocht om een sterkere onafhankelijkheid van de Raad voor effectbeoordeling en dat het in het bijzonder wenst dat leden van deze raad niet onder politiek toezicht staan; vindt dat de Raad voor effectbeoordeling uitsluitend moet bestaan uit zeer gekwalificeerde mensen die in staat zijn om de economische, sociale en milieugevolgen in de analyse te beoordelen;

13.  kijkt uit naar een verduidelijking van de nieuwe Commissie over de wijze waarop zij zal reageren op hetgeen in deze resolutie naar voren is gebracht, en zal daar bij het bepalen van zijn standpunt over de recente mededeling van de Commissie over REFIT rekening mee houden, zonder afbreuk te doen aan het standpunt van het Parlement in dit verband;

Kmo-test

14.  herinnert eraan dat de Commissie in haar tussentijdse beoordeling van de Small Business Act van 2011 betreurde dat slechts acht lidstaten de kmo-test in hun nationale besluitvormingsprocedures hadden opgenomen; verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten de beginselen van de kmo-test in het kader van nationale procedures meer ingang te doen vinden, ter ondersteuning van het kmo-beleid;

15.  spreekt zijn voldoening uit over de duidelijke toezegging van de Commissie in die beoordeling dat zij de kmo-test meer gewicht zal geven; acht het echter teleurstellend dat de kmo-test, ondanks deze aankondiging, in de voorgestelde herziene richtsnoeren voor effectbeoordeling niet eens vermeld wordt;

16.  herinnert eraan dat de Commissie in de Small Business Act de toezegging heeft gedaan het "denk eerst klein"-principe toe te passen op haar beleidsvorming, en dat dit ook betrekking heeft op de kmo-test om de impact van op stapel staande wetgeving en administratieve initiatieven op kmo's te beoordelen; benadrukt dat het essentieel is dat erop wordt toegezien dat deze test goed wordt uitgevoerd, en is van mening dat er nog veel ruimte is voor verbetering;

17.  dringt erop aan de kmo-test, zoals vermeld in bijlage 8 bij de richtsnoeren, te handhaven om te voorkomen dat kmo's in vergelijking met grote bedrijven onevenredig belast of benadeeld worden door initiatieven van de Commissie;

18.  benadrukt dat de effectbeoordeling in zulke gevallen de mogelijkheid van alternatieve mechanismen en/of soepelere regelingen zou moeten bieden, zodat kmo's aan de voorwaarden van het initiatief kunnen voldoen (zoals voorzien in bijlage 8, punt 4); spreekt in dit verband zijn voldoening uit over de in de voorgestelde herziene richtsnoeren opgenomen beleidsoptie om micro-ondernemingen buiten het toepassingsgebied van wetgevingsvoorstellen te laten vallen; is in dit verband overigens van oordeel dat het niet de juiste aanpak is micro-ondernemingen stelselmatig van de kmo-test vrij te stellen en vindt daarom dat dit voor ieder voorstel afzonderlijk moet worden beoordeeld, waarbij het principe van de omgekeerde bewijslast moet worden gehanteerd, d.w.z. dat micro-ondernemingen buiten het toepassingsgebied van wetgevingsvoorstellen dienen te vallen, behalve als is aangetoond dat zij daarbinnen dienen te vallen; is het ermee eens dat de effectbeoordelingen voor kmo's aangepast en vereenvoudigd kunnen worden indien vaststaat dat daarmee de doelmatigheid van de wetgeving niet afneemt;

Toepassing en toezicht

19.  merkt op dat een definitieve wetgevingshandeling sterk kan verschillen van het door de Commissie aangenomen voorstel; is van mening dat het nuttig zou zijn als een samenvatting van de geschatte kosten en baten zou worden opgesteld voor aangenomen wetgevingshandelingen, waarin rekening wordt gehouden met de wijzigingen ten opzichte van de analyse in de effectbeoordeling ten gevolge van tijdens het wetgevingsproces aangebrachte wijzigingen; is van mening dat het toezicht op en de beoordeling van de gevolgen van een voorstel hierdoor zouden worden vereenvoudigd;

Oprichting van een adviesorgaan betere regelgeving

20.  waardeert de inspanningen en het eindverslag van de Groep op hoog niveau inzake administratieve lasten, waartoe de Commissie opdracht heeft gegeven; brengt het voornemen van de Commissie in herinnering, zoals opgenomen in haar laatste mededeling over REFIT (juni 2014), om een nieuwe groep op hoog niveau inzake betere regelgeving op te richten, bestaande uit vertegenwoordigers van belanghebbenden en nationale deskundigen;

21.  stelt voor dat de Commissie een dergelijk adviesorgaan op hoog niveau inzake betere regelgeving zo spoedig mogelijk opricht, en dat zij daarbij zowel belanghebbenden als nationale deskundigen betrekt; stelt voor dit orgaan een sterk en onafhankelijk adviserend mandaat te verlenen, ter aanvulling van de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de effectbeoordelingen; is van oordeel dat de deskundigheid die een dergelijk orgaan te bieden heeft, onder meer op het gebied van de subsidiariteit en proportionaliteit, een meerwaarde kan zijn in het kader van de procedure voor effectbeoordelingen en in het kader van andere initiatieven op het gebied van betere regelgeving; pleit ervoor dat het Parlement en de Raad betrokken worden bij de benoemingsprocedure van deskundigen; stelt voor om gebruik te maken van de beste praktijken en ervaringen van bestaande organen voor betere regelgeving (zoals die in Zweden, de Tsjechische Republiek, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland);

22.  verzoekt de Commissie een nieuw voorstel voor herziene richtsnoeren voor effectbeoordeling in te dienen, waarbij rekening wordt gehouden met de punten die in deze resolutie onder de aandacht zijn gebracht en met de nieuwe structuur van de Commissie, met name de rol van de nieuwe vicevoorzitter die verantwoordelijk is voor betere regelgeving;

Effectbeoordelingen in het Parlement

23.  dringt erop aan dat het Parlement en in het bijzonder de commissies de effectbeoordelingen van de Commissie systematisch en in een zo vroeg mogelijk stadium behandelen;

24.  herinnert aan zijn resolutie van 8 juni 2011 over het garanderen van onafhankelijke effectbeoordelingen, waarin werd gepleit voor een consistenter gebruik van effectbeoordelingen van het Parlement, een reeds beschikbaar instrument; herinnert eraan dat er een specifieke begrotingslijn evenals specifieke diensten bestaan voor het uitvoeren van effectbeoordelingen; is van mening dat een parlementaire effectbeoordeling vooral nodig is wanneer aanzienlijke wijzigingen werden aangebracht in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie;

Effectbeoordelingen in de Europese Raad

25.  verwacht dat de Raad zijn toezegging om de impact van zijn eigen inhoudelijke amendementen stelselmatig aan een beoordeling te onderwerpen gestand doet;

o
o   o

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 31.


25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind
PDF 166kWORD 213k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (2014/2919(RSP))
P8_TA(2014)0070B8-0285/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 te New-York werd aangenomen,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat op 13 december 2006 te New-York werd aangenomen,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Programma van Stockholm van 2009 en het bijbehorende actieplan voor de periode 2010-2014,

–  gezien Algemeen Commentaar nr. 14 (2013) van het VN-Comité voor de rechten van het kind, dat inhoudt dat het kind er recht op heeft dat zijn belang de eerste overweging vormt,

–  gezien de in februari 2011 aangenomen EU-agenda voor de rechten van het kind,

–  gezien de Europese consensus over ontwikkeling,

–  gezien de verklaring en het actieplan aangenomen op het forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, dat van 29 november tot 1 december 2011 werd gehouden in Busan,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2008 getiteld "Een bijzondere plaats voor kinderen in het externe optreden van de EU" (COM(2008)0055),

–  gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten,

–  gezien het actieplan van de VN getiteld "A World fit for Children",

–  gezien het strategisch kader en actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie,

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(2),

–  gezien de Europese strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (2012-2016), in het bijzonder de bepalingen over de financiering van de uitwerking van richtsnoeren voor kinderbeschermingssystemen en over de uitwisseling van beste praktijken,

–  gezien Aanbeveling 2013/112/EU van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken"(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU(4),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en het Beijing-actieplatform,

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie inzake het bestrijden van geweld tegen vrouwen(5) en zijn resolutie van 6 februari 2014 over de mededeling van de Commissie getiteld "Vrouwelijke genitale verminking uitbannen"(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 juni 2014 inzake preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 mei 2014 over een op rechten gebaseerde benadering van ontwikkelingssamenwerking, die alle mensenrechten omvat,

–  gezien artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin opnieuw is vastgelegd dat de EU toeziet "op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen",

–  gezien de mededeling van de Commissie van maandag 2 juni 2014 getiteld "Een waardig leven voor iedereen: van wensbeeld naar collectieve maatregelen" (COM(2014)0335),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 april 2005 getiteld "Samenhang in het ontwikkelingsbeleid" (COM(2005)0134) en de conclusies van de 3166e Raad Buitenlandse Zaken van 14 mei 2012 getiteld "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering",

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de facultatieve protocollen daarbij de norm zijn voor de bevordering en bescherming van de rechten van het kind en een omvattende reeks internationale rechtsnormen bevatten voor de bescherming en het welzijn van kinderen;

B.  overwegende dat alle EU-lidstaten het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind hebben geratificeerd en duidelijke wettelijke verplichtingen hebben met betrekking tot de bevordering, bescherming en eerbiediging van de rechten van elk kind in hun rechtsgebied;

C.  overwegende dat de bevordering van de rechten van het kind een expliciete doelstelling van het EU-beleid is en dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voorschrijft dat de belangen van het kind een essentiële overweging vormen bij alle handelingen van de EU;

D.  overwegende dat het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepalen dat kinderen het recht hebben hun mening te uiten en dat aan hun mening in hen betreffende aangelegenheden in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid passend belang wordt gehecht;

E.  overwegende dat de rechten van het kind - en met name het beginsel van het belang van het kind, het recht van het kind op leven, overleven en ontwikkeling, non-discriminatie en eerbiediging van zijn recht om zijn mening te uiten - alle EU-beleidsdomeinen betreffen;

F.  overwegende dat er vorderingen zijn gemaakt sinds het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind 25 jaar geleden werd vastgesteld, maar dat de rechten van kinderen in grote delen van de wereld, ook in EU-lidstaten, nog steeds worden geschonden als gevolg van geweld, misbruik, uitbuiting, armoede, sociale uitsluiting en discriminatie op grond van geloof, handicap, seksuele identiteit, leeftijd, etnische afkomst, migratie of verblijfsstatus;

G.  overwegende dat rechten pas waarde krijgen wanneer alle kinderen en hun families toegang hebben tot de rechter en tijdig gebruik kunnen maken van eerlijke en doeltreffende rechtsmiddelen;

H.  overwegende dat in 2012 zo'n 6,6 miljoen kinderen onder de 5 jaar overleden, in de meeste gevallen door vermijdbare oorzaken, en daarmee beroofd werden van hun fundamentele recht op overleving en ontwikkeling; dat 168 miljoen kinderen tussen 5 en 17 jaar kinderarbeid verrichten, wat een aantasting vormt van hun recht op bescherming tegen economische uitbuiting en van hun recht op leren en spelen; dat 11% van alle meisjes voor hun vijftiende trouwen, wat hun rechten op gezondheid, onderwijs en bescherming in het gedrang brengt; dat in Afrika bezuiden de Sahara nog steeds één op de tien kinderen voor zijn vijfde verjaardag overlijdt;

I.  overwegende dat onderwijs, en meer bepaald gratis lager onderwijs voor alle kinderen, een fundamenteel recht is waartoe de regeringen zich hebben verbonden krachtens het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989; dat de doelstelling voor 2015 luidt dat alle jongens en meisjes een volledige lagere school doorlopen; dat er in de ontwikkelingslanden weliswaar enige vooruitgang is geboekt, maar dat dit doel nog bij lange na niet bereikt is;

J.  overwegende dat alomvattende seksuele voorlichting een onlosmakelijk en belangrijk aspect vormt van de versterking van het recht van jongens en meisjes op welzijn en gezondheid, de bevordering van gelijkheid en de bestrijding van stereotypen;

K.  overwegende dat humanitaire crises nog steeds verwoestende gevolgen hebben voor kinderen, en dat in 2014 meer dan 59 miljoen kinderen rechtstreeks te lijden hadden onder crises, in de meeste gevallen in verband met conflicten; dat er momenteel naar schatting wereldwijd 250 000 kindsoldaten zijn, waarvan 40% meisjes;

L.  overwegende dat in 2012 bijna 95 000 kinderen en adolescenten van minder dan 20 jaar het slachtoffer werden van moord, dat bijna een miljard kinderen tussen 2 en 14 jaar onderworpen werden aan lijfstraffen, dat een op de drie jongeren tussen 13 en 15 jaar in aanraking kwam met pesterijen en dat circa 70 miljoen meisjes tussen 15 en 19 jaar het slachtoffer werden van een of andere vorm van fysiek geweld, en dat wereldwijd 120 miljoen meisjes op enig moment in hun leven gedwongen werden tot geslachtsverkeer of andere seksuele handelingen;

M.  overwegende dat kinderen de helft van de bevolking van ontwikkelingslanden uitmaken en dat er in de EU circa 100 miljoen kinderen wonen;

N.  overwegende dat volgens het meest recente verslag van het Kinderfonds van de Verenigde Naties (Unicef) over kinderarmoede in rijke landen, sinds 2008 in de rijkste landen 2,6 miljoen kinderen onder de armoedegrens zijn beland, waarmee het totale aantal in armoede levende kinderen in de ontwikkelde wereld op naar schatting 76,5 miljoen uitkomt; dat volgens diezelfde studie in 2013 7,5 miljoen jongeren in de EU als NEET's (jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding genieten) waren geclassificeerd;

O.  overwegende dat geweld tegen kinderen vele vormen aanneemt, zoals psychologisch, fysiek, seksueel, emotioneel en verbaal misbruik, verwaarlozing en ontbering, en dat dit geweld in vele verschillende contexten plaatsvindt, zoals thuis, op school, in de gezondheidszorg en de rechtspraak, op het werk, in gemeenschappen en op internet;

P.  overwegende dat de EU-agenda voor de rechten van het kind een duidelijk kader voor het optreden van de EU biedt en dat de uitvoering van die agenda geleid heeft tot vorderingen van betekenis op aan aantal belangrijke actie- en wetgevingsgebieden, zoals de invoering van hotlines voor vermiste kinderen, de bevordering van kindvriendelijke rechtspraak, de verbetering van de gegevensverzameling en de inachtneming van de rechten van kinderen in het externe optreden;

Q.  overwegende dat elk kind in de allereerste plaats een kind is wiens rechten moeten worden geëerbiedigd zonder discriminatie, ongeacht de etnische afkomst, de nationaliteit of de maatschappelijke, migratie- of verblijfsstatus van zijn ouders;

R.  overwegende dat meisjes en jongens zowel dezelfde als verschillende verwachtingen en vormen van socialisatie kennen, en dat de discriminatie waarmee meisjes en jongens te maken krijgen verschilt naargelang van de leeftijd;

S.  overwegende dat er weliswaar aanzienlijke vorderingen zijn gemaakt, in het bijzonder op het gebied van mensenhandel, seksuele uitbuiting en rechten van slachtoffers, en voor asielzoekende en niet-begeleide kinderen, maar dat er veel meer moet worden gedaan om te waarborgen dat de rechten van migrerende kinderen in de hele EU volledig worden geëerbiedigd; dat vele niet-begeleide kinderen verdwijnen en onderduiken na hun eerste aankomst in de EU en bijzonder kwetsbaar zijn voor misbruik;

T.  overwegende dat uitbuiting en seksuele exploitatie van kinderen op internet – zoals de proliferatie van materiaal in verband met seksuele uitbuiting van kinderen en cyberlokkerij – vanwege de internationale aard ervan nog steeds een groot probleem vormen voor de wethandhavingsautoriteiten, en dat het daarbij gaat om misdrijven als seksuele chantage, grooming, zelfgeproduceerd kinderpornografisch materiaal en live streaming, die bijzonder moeilijk te onderzoeken zijn vanwege de technologische innovaties waarmee de plegers, waaronder cyberlokkers, gemakkelijker en sneller toegang hebben tot materiaal;

U.  overwegende dat kinderen bijzonder getroffen worden door armoede en bezuinigingen op sociale voorzieningen en essentiële uitkeringen zoals gezinstoelagen, en dat die bezuinigingen in de EU sinds 2007 zijn toegenomen; overwegende dat het armoederisicopercentage voor kinderen in de EU, zelfs na de sociale overdrachten, bijzonder hoog blijft (20,3% in 2013);

V.  overwegende dat het kader voor wereldwijde ontwikkeling voor de periode na 2015 de kans zal bieden om te investeren in de rechten van alle kinderen, overal ter wereld, ongeacht hun geslacht, hun etnische afkomst, hun ras, hun handicap of hun economische of andere status;

1.  is van mening dat de rechten van het kind tot de kern van het EU-beleid behoren en dat het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind een gelegenheid biedt om de volledige tenuitvoerlegging ervan in het beleid en in de praktijk te waarborgen en aanvullende maatregelen te nemen om de eerbiediging van de rechten van alle kinderen van de wereld, en met name de meest kwetsbare, te garanderen;

2.  is ingenomen met de verbintenissen die de EU in het kader van het Programma van Stockholm is aangegaan om in haar interne en externe beleid de rechten van het kind daadwerkelijk te bevorderen en te beschermen en de inspanningen van de lidstaten op dit gebied te ondersteunen; verzoekt de Commissie een ambitieuze en omvattende strategie en een actieplan voor de komende vijf jaar inzake de rechten van kinderen voor te stellen, voortbouwend op en een stap verder gaand dan de EU-agenda voor de rechten van het kind;

3.  is ingenomen met de toezegging van de EU dat zij verder zal werken aan geïntegreerde EU-kinderbeschermingsrichtsnoeren, teneinde de verbrokkeling die het gevolg is van los van elkaar staande oplossingen voor specifieke kinderbeschermingsproblemen te reduceren en ervoor te zorgen dat alle kinderen in de hele EU daadwerkelijk beschermd worden tegen elke vorm van geweld;

4.  verzoekt de Commissie toe te zien op en verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van haar aanbeveling getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken" in de lidstaten en de toegang van kinderen tot diensten van hoge kwaliteit en hun participatie te waarborgen; verzoekt de lidstaten met een bovengemiddeld hoog kinderarmoedepeil nationale doelen vast te stellen en prioriteit toe te kennen aan investeringen die tot doel hebben de armoede en maatschappelijke uitsluiting onder kinderen en jongeren terug te dringen;

5.  verzoekt de EU en haar lidstaten om van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling de topprioriteit van hun intern beleid en van hun betrekkingen met derde landen te maken; benadrukt dat deze doelstellingen, en met name de uitroeiing van armoede, toegang tot onderwijs en gendergelijkheid, alleen kunnen worden verwezenlijkt door voor iedereen toegankelijke openbare diensten te ontwikkelen;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om in het Europees Semester, de jaarlijkse groeianalyse en een herziene Europa 2020-strategie expliciet de nadruk te leggen op kinderen en jeugd, opdat de aanbeveling van de Commissie "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken" beter ten uitvoer wordt gelegd;

7.  verzoekt de Commissie te zorgen voor meer coördinatie tussen haar verschillende diensten, opdat er daadwerkelijk sprake kan zijn van mainstreaming van de rechten van het kind in alle wetgevingsvoorstellen, beleidsmaatregelen en financiële besluiten van de EU en opdat wordt toegezien op de onverkorte naleving van het EU-acquis inzake kinderen en van de uit het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind voortvloeiende verplichtingen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het mandaat en de middelen van de coördinator voor de rechten van het kind in verhouding staan tot de toezegging van de EU dat zij die rechten stelselmatig en daadwerkelijk zal mainstreamen;

8.  verzoekt de Commissie de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader aan te grijpen om ervoor te zorgen dat de EU-middelen ten goede komen aan de meest kansarme en kwetsbare kinderen;

9.  verzoekt de lidstaten en de Commissie het kind expliciet als prioriteit te beschouwen bij het programmeren en uitvoeren van regionaal en cohesiebeleid, zoals de Europese strategie inzake handicaps, het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma en het gelijkheids- en non-discriminatiebeleid van de EU; wijst andermaal op het belang van bescherming en bevordering van gelijke toegang tot alle rechten voor Roma-kinderen;

10.  benadrukt dat alle beleidsmaatregelen op het gebied van de rechten van het kind een gendergelijkheidsperspectief moeten inhouden en verzoekt om specifieke maatregelen om de rechten van meisjes te versterken, onder meer op het gebied van onderwijs en gezondheid;

11.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat het beginsel van het belang van het kind geëerbiedigd wordt in alle wetgeving, in besluiten van regeringsvertegenwoordigers op alle niveaus en in alle rechterlijke beslissingen, en moedigt de lidstaten aan om beste praktijken uit te wisselen met het oog op een correctere toepassing van het beginsel van het belang van het kind in de hele EU;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat alle kinderen daadwerkelijk toegang hebben tot rechtsstelsels die zijn toegesneden op hun specifieke behoeften en rechten, als verdachte, dader, slachtoffer of partij in een rechtszaak;

13.  verzoekt de Commissie te onderzoeken welke gevolgen detentiebeleid en strafrechtelijke stelsels hebben voor kinderen; wijst erop dat in de hele EU de rechten van kinderen rechtstreeks in het geding komen wanneer zij met hun ouders in detentiecentra wonen; benadrukt dat naar schatting jaarlijks 800 000 kinderen in de EU van een gedetineerde ouder gescheiden worden, wat meervoudige gevolgen heeft voor de rechten van het kind;

14.  is van mening dat kinderen kwetsbaar zijn bij hun toegang tot goederen en diensten; verzoekt de zakenwereld en de belanghebbenden zich te onthouden van agressieve en misleidende reclame voor kinderen, zowel online als offline, door zich onder meer te houden aan bestaande gedragscodes en soortgelijke initiatieven; is van mening dat op kinderen gerichte reclame voor voedsel met een hoog vet-, zout- of suikergehalte verantwoord dient te zijn en rekening moet houden met het toenemende aantal gevallen van obesitas en diabetes onder kinderen;

15.  is van mening dat persoonsgegevens van kinderen op internet naar behoren beschermd moeten worden en dat kinderen op een toegankelijke en kindvriendelijke wijze moeten worden voorgelicht over de gevaren en de gevolgen van onlinegebruik van hun persoonsgegevens; benadrukt dat het aanmaken van onlineprofielen van kinderen verboden moet worden; is van mening dat alle kinderen het recht moeten hebben op een gezond en veilig milieu en op de mogelijkheid om te spelen;

16.  verzoekt de lidstaten Richtlijn 2011/36/EU inzake het voorkomen en bestrijden van mensenhandel ten uitvoer te leggen, aangezien de meeste slachtoffers van mensenhandel jonge meisjes en jongens zijn die het slachtoffer zijn van arbeids- en seksuele uitbuiting en andere vormen van misbruik; verzoekt de lidstaten en de EU ook om versterking van de politiële en justitiële samenwerking met het oog op het voorkomen en vervolgen van dergelijke misdrijven; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om het illegaal overbrengen van kinderen naar andere landen tegen te gaan, samen met derde landen te werken aan een oplossing voor het groeiende probleem van kindersmokkel en -handel, en mensenhandelaren te vervolgen en op gepast wijze te berechten;

17.  is van mening dat er maatregelen moeten worden genomen om cyberpesten tegen te gaan en dat kinderen, leraren en kinder- en jeugdorganisaties een actieve rol moeten spelen bij de bewustmaking omtrent dit thema;

18.  verzoekt de EU en de lidstaten te investeren in openbare diensten voor kinderen, zoals kinderopvang, onderwijs en gezondheidszorg, en met name in de uitbreiding van het openbare netwerk van kleuterscholen, crèches en openbare diensten van algemeen belang die vrijetijdsactiviteiten bieden voor kinderen;

19.  roept de lidstaten op om toe te zien op verplicht en gratis middelbaar onderwijs voor iedereen als randvoorwaarde voor de uitoefening van het recht op gelijke kansen, aangezien het lager onderwijs niet altijd garant staat voor de noodzakelijke basiskennis;

20.  verzoekt de lidstaten de rechten op het gebied van moederschap en vaderschap te beschermen of uit te breiden, met het oog op een gezonde en stabiele omgeving tijdens de eerste levensmaanden van kinderen;

21.  verzoekt de lidstaten Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie ten uitvoer te leggen en de wettelijke mogelijkheden, technische vaardigheden en financiële middelen van wetshandhavingsautoriteiten te versterken zodat er meer kan worden samengewerkt, onder meer met Interpol, teneinde netwerken van plegers van seksueel misbruik van kinderen doeltreffender te kunnen oprollen en daarbij de rechten en de veiligheid van de betrokken kinderen voorop te stellen;

22.  verzoekt om een effectieve, op partnerschap gebaseerde aanpak en informatie-uitwisseling tussen handhavingsagentschappen, gerechtelijke autoriteiten, de ICT-industrie, internetaanbieders, de bankensector en niet-gouvernementele organisaties, inclusief kinder- en jeugdorganisaties, om ervoor te zorgen dat kinderen en hun rechten op internet worden beschermd en dat kinderen wettelijk als kwetsbare personen worden beschouwd; verzoekt de Commissie het initiatief te nemen om alle lidstaten te vragen maatregelen te nemen om alle vormen van cyberlokken en -pesten te bestrijden;

23.  is van mening dat onbegeleide kinderen bijzonder kwetsbaar zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de resolutie van het Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU ten uitvoer te leggen; verzoekt de lidstaten het hele pakket van gemeenschappelijk Europees asielstelsel onverkort toe te passen om de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU te verbeteren; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om een einde te maken aan de detentie van migrerende kinderen in de hele EU; is ingenomen met het arrest van het Hof van Justitie in Zaak C-648/11 MA, BT, DA tegen Secretary of State for the Home Department, waarin wordt bevestigd dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag die in meer dan een lidstaat wordt ingediend door een niet-begeleide minderjarige, "de lidstaat is waar deze minderjarige zich bevindt nadat hij er een asielverzoek heeft ingediend"; wijst erop dat een niet-begeleide minderjarige bovenal een kind is dat mogelijk gevaar loopt, en dat de EU en de lidstaten niet het immigratiebeleid maar de bescherming van het kind als uitgangspunt moeten nemen wanneer zij met deze kinderen te maken hebben, waarmee zij het kernbeginsel van de belangen van het kind eerbiedigen;

24.  verzoekt alle lidstaten de normen die zijn vervat in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind na te leven voor kinderen die verstoken zijn van ouderlijke zorg, alsook die in de VN-richtsnoeren voor de alternatieve zorg voor kinderen; verzoekt de Commissie de structuurfondsen van de EU te gebruiken om de overgang van institutionele naar op gemeenschappen gebaseerde diensten te ondersteunen; verzoekt de Commissie om, gezien het aanzienlijke aantal gevallen waarin overheidsinstanties in bepaalde lidstaten tot gedwongen adoptie zonder ouderlijke toestemming zouden zijn overgegaan, specifieke maatregelen te treffen om te waarborgen dat bij adoptiepraktijken in de lidstaten het belang van het kind de eerste overweging vormt;

25.  verzoekt de lidstaten om gezinshereniging op welwillende en menselijke wijze en met spoed te faciliteren, overeenkomstig artikel 10 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

26.  benadrukt de noodzaak van een beter gecoördineerde aanpak bij het opsporen van vermiste kinderen in de EU; verzoekt de lidstaten de politiële en justitiële samenwerking in grensoverschrijdende gevallen waarbij vermiste kinderen betrokken zijn, op te voeren en hotlines te ontwikkelen voor het zoeken naar vermiste kinderen en het ondersteunen van slachtoffers van kindermisbruik; verzoekt de lidstaten een soepele toetreding van Marokko, Singapore, de Russische Federatie, Albanië, Andorra, de Seychellen, Gabon en Armenië tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen mogelijk te maken;

27.  verzoekt de Commissie om bij de herziening van Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid serieus nota te nemen van het belang van het kind, gezien de lacunes in de tenuitvoerlegging en handhaving van deze verordening in de lidstaten wat betreft ouderschaps- en voogdijrechten;

28.  veroordeelt elke vorm van geweld jegens kinderen, fysiek, seksueel en verbaal misbruik, gedwongen huwelijken, kinderarbeid, prostitutie, mensenhandel, marteling, eremoorden, vrouwelijke genitale verminking, het inzetten van kindsoldaten en het gebruiken van kinderen als menselijk schild, ontbering, verwaarlozing en ondervoeding; is van mening dat traditie, cultuur en religie nooit als excuus mogen worden gebruikt om geweld tegen kinderen te rechtvaardigen; verzoekt de lidstaten hun verplichtingen na te komen en elke vorm van geweld tegen kinderen te bestrijden, onder meer door middel van een formeel verbod op en bestraffing van lijfstraffen tegen kinderen; verzoekt de lidstaten hun samenwerking en dialoog met derde landen op te voeren, voor bewustwording te zorgen en zich ervoor in te zetten dat de rechten van het kind overal ter wereld worden geëerbiedigd;

29.  veroordeelt het inzetten van kinderen voor militaire of terroristische activiteiten of doeleinden; herinnert aan het belang van het bieden van psychologische steun en bijstand aan alle kinderen die blootgesteld zijn geweest aan gewelddadige gebeurtenissen of die het slachtoffer zijn van oorlogen; is ingenomen met het Children of Peace-initiatief van de EU en benadrukt hoe belangrijk het is te zorgen voor toegang tot onderwijs voor kinderen die getroffen zijn door conflicten; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) de VN-campagne "Children, not soldiers" te ondersteunen, die tot doel heeft uiterlijk 2016 een eind te maken aan het ronselen en inzetten van kinderen door nationale veiligheidsdiensten;

30.  verzoekt de VV/HV prioriteit toe te kennen aan de rechten van het kind in alle externe acties van de EU om zo te zorgen voor daadwerkelijke mainstreaming van de rechten van het kind, ook in de context van mensenrechtendialogen, handelsovereenkomsten, het toetredingsproces en het Europees Nabuurschapsbeleid, alsook in de betrekkingen met de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), met name conflictlanden; verzoekt de VV/HV jaarlijks verslag uit te brengen aan het Parlement over de resultaten die bereikt zijn ten aanzien van een extern EU-beleid waarin het kind een centrale plaats bekleedt;

31.  verzoekt de Commissie de rechten van het kind te integreren in de ontwikkelingssamenwerking en de humanitaire steun, zodat er voldoende middelen beschikbaar komen en het niveau van de bescherming van kinderen die getroffen zijn door noodsituaties en door de mens veroorzaakte rampen of natuurrampen, intern ontheemde kinderen en minderjarige vluchtelingen, wordt verhoogd; benadrukt dat het van groot belang is dat noodhulp, herstel en ontwikkeling aan elkaar gekoppeld worden, met name bij langdurige crises, en dat innovatie en nieuwe technologieën worden geïntegreerd in beleidsmaatregelen en programma's van de EU, opdat de rechten van het kind beter kunnen worden bevorderd in ontwikkelings- en noodsituaties;

32.  is verheugd dat de Nobelprijs voor de Vrede 2014 is toegekend aan Malala Yousafzay en Kailash Satyarthi voor hun inzet voor de bescherming van de rechten van het kind, en met name het recht van elk kind op onderwijs; acht het prijzenswaardig dat het Sacharovprijsnetwerk zich publiekelijk schaart achter initiatieven om het publiek meer bewust te maken van geweld tegen kinderen; is van mening dat in beide gevallen duidelijk blijk wordt gegeven van de belangrijke rol die het maatschappelijk middenveld en internationale organisaties spelen bij het bepleiten, bevorderen en beschermen van de rechten die zijn neergelegd in het VN-Verdrag inzake de bescherming van het kind;

33.  wijst nadrukkelijk op de belangrijke rol van de sociale partners en de plaatselijke overheden bij het promoten van de rechten van het kind, en verzoekt het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité actie te ondernemen en adviezen uit te brengen om te bewerkstelligen dat zij volledig worden ingeschakeld bij de bevordering van de rechten van het kind in alle EU-beleidsmaatregelen;

34.  verzoekt de EU-instellingen, de lidstaten, de plaatselijke overheden, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld hun krachten te bundelen en op alle niveaus samen te werken om de situatie van kinderen in de EU en elders in de wereld te verbeteren; verwelkomt en steunt het "Child Rights Manifesto", dat gezamenlijk is opgesteld door Unicef en 14 organisaties die de rechten van het kind promoten, en moedigt meer leden van het Europees Parlement en de nationale parlementen aan om het Handvest te ondertekenen en "Child Rights Champions" te worden;

35.  wil binnen het Europees Parlement een interfractiewerkgroep "Rechten en welzijn van het kind" oprichten, die zich baseert op het Handvest van de Rechten van het Kind, en die een vast orgaan gaat vormen dat verantwoordelijk is voor de bevordering van de rechten van het kind in alle beleidsvormen en werkzaamheden van het Europees Parlement in de context van zowel binnenlandse als buitenlandse zaken; steunt daarom het initiatief om "steunpunten" voor rechten van het kind op te zetten in elke parlementaire commissie om te zorgen voor mainstreaming van de rechten van het kind in elke beleidsmaatregel en elke aangenomen wetgevingstekst;

36.  acht het van belang dat de participatie van kinderen in zijn parlementaire werkzaamheden wordt vergroot, overeenkomstig de door de Interparlementaire Unie en Unicef vastgestelde praktijken; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de plaatselijke overheden te onderzoeken hoe kinderen en adolescenten meer bij het besluitvormingsproces kunnen worden betrokken; spoort aan tot het gebruik van nieuwe technologieën en innovatie bij het raadplegen van kinderen en jongeren en het vergroten van de participatie van kinderen;

37.  verzoekt alle lidstaten onverwijld alle facultatieve protocollen bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind te ratificeren;

38.  verzoekt de Commissie een de VV/HV te onderzoeken hoe de EU unilateraal zou kunnen toetreden tot het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

39.  dringt er bij de Verenigde Staten, Somalië en Zuid-Soedan op aan dat zij het Verdrag inzake de rechten van het kind ratificeren, met het oog op universele ratificatie;

40.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor Extern Optreden, het Comité van de Regio's, het Europees Sociaal en Economisch Comité, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van het VN-Comité voor de rechten van het kind en de uitvoerend directeur van Unicef.

(1) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(2) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(3) PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0387.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0126.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0105.


Digitale interne markt
PDF 154kWORD 203k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over ondersteuning van de consumentenrechten op de digitale interne markt (2014/2973(RSP))
P8_TA(2014)0071B8-0286/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, lid 3, en artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 9, 10, 12, 14, 16, 26, 36, 114, lid 3, en 169, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 7, 8, 11, 21, 38 en 52 daarvan,

–  gezien medebeslissingsprocedure 2013/0309 over een voorstel voor een verordening tot vaststelling van maatregelen inzake de Europese interne markt voor elektronische communicatie en om een connectief continent tot stand te brengen (COM(2013)0627),

–  gezien het werkdocument van de Commissie van 23 april 2013 getiteld "E-commerce Action Plan 2012-2015 – State of play 2013" (SWD(2013)0153),

–  gezien Internemarktscorebord 26 van de Commissie van 18 februari 2013,

–  gezien de verslagen van de Commissie van 2014 over het Scorebord voor de digitale agenda,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 januari 2012 met de titel "Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel en onlinediensten" (COM(2011)0942),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over een nieuwe agenda voor het Europese consumentenbeleid(1),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over de toepassing van Richtlijn 2005/29/EG over oneerlijke handelspraktijken(2),

–  gezien zijn resolutie van 10 december 2013 over het aanboren van het potentieel van cloud computing in Europa(3),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het voltooien van de digitale interne markt(4),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over het voltooien van de digitale interne markt(5),

–  gezien zijn resolutie van 22 mei 2012 over een strategie ter versterking van de rechten van kwetsbare consumenten(6),

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over "Een concurrerende digitale interne markt – e-overheid als speerpunt"(7),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over een nieuwe strategie voor het consumentenbeleid(8),

–  gezien de studie van zijn beleidsondersteunende afdeling A uit 2013 over de opbouw van een alomtegenwoordige digitale samenleving in de EU,

–  gezien de studie van zijn beleidsondersteunende afdeling A uit 2013 getiteld “De bijdrage van Entertainment x.0 aan het versnellen van de uitrol van breedband”,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 26 maart 2009 over de versterking van de veiligheid en van de fundamentele vrijheden op het internet(9),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(10),

–  gezien de studie van 2013 door zijn beleidsondersteunende afdeling A over de discriminatie van consumenten op de digitale interne markt,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 8 april 2014 in de gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12, waarin de richtlijn gegevensbewaring ongeldig werd verklaard,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de digitale interne markt tot de terreinen behoort waarop vooruitgang kan worden geboekt, en ondanks alle moeilijkheden kansen biedt op efficiëntiewinst die kan oplopen tot 260 miljard EUR per jaar, waarmee Europa wordt geholpen om zich van de crisis te herstellen;

B.  overwegende dat de voltooiing van de Europese digitale interne markt miljoenen banen zou opleveren waardoor het bbp van Europa tegen 2020 met 4 % zou kunnen stijgen;

C.  overwegende dat alleen al de app-economie zijn inkomsten in de periode 2013-2018 zal zien verdrievoudigen, en dat er in diezelfde periode 3 miljoen banen zullen worden gecreëerd;

D.  overwegende dat het Parlement heeft laten uitzoeken hoeveel het zou kosten wanneer Europa niet intervenieert op de digitale interne markt, wat aangeeft hoe belangrijk het is om digitale oplossingen te zien als een kans voor consumenten, burgers en het bedrijfsleven en niet als een dreiging;

E.  overwegende dat de Unie de massale invoering van cloud computing in Europa moet stimuleren, omdat het de groei van de Europese economie zal aanjagen; overwegende dat het onderzoek aantoont dat er aanzienlijke winst kan worden behaald wanneer cloud computing snel wordt ontwikkeld;

F.  overwegende dat de obstakels die de deelname van de consumenten aan de digitale interne markt belemmeren verband houden met discriminerende praktijken, zoals de beperking van bepaalde providers tot bepaalde landen of territoria, een simpel verbod om te verkopen, automatische rerouting, en ongerechtvaardigde diversificatie van de verkoopsvoorwaarden;

G.  overwegende dat veilige, efficiënte, concurrerende en innoverende mobiele betalings- en e-betalingsmethoden van cruciaal belang zijn, willen consumenten optimaal kunnen genieten van de voordelen van de interne markt;

H.  overwegende dat de bescherming van persoonsgegevens en van de persoonlijke levenssfeer, alsmede cyberveiligheid en de veiligheid van de elektronische verbindingen en netwerken van prioritair belang zijn in de digitale interne markt, omdat dit fundamentele voorwaarden zijn voor het functioneren ervan en om ervoor te zorgen dat het vertrouwen van de burgers en de consumenten niet wordt beschaamd;

I.  overwegende dat het voor de sociale en economische groei, het concurrentievermogen, de sociale inclusie en de interne markt belangrijk is dat over heel Europa een wijdverbreide, hogesnelheids-, en veilige snelle internettoegang en digitale diensten van openbaar belang beschikbaar zijn;

J.  overwegende dat onderzoek, ontwikkeling en innovatie in de digitale economie ertoe zullen bijdragen dat Europa op de middellange en langere termijn concurrerend zal blijven;

K.  overwegende dat een snelle toepassing van snelle breedbandnetwerken cruciaal is voor de groei van de Europese productiviteit en voor de opkomst van nieuwe en kleine ondernemingen die een leidende rol kunnen spelen in verschillende sectoren, zoals de gezondheidszorg, de productie en de dienstensector;

L.  overwegende dat de private sector het voortouw moet nemen bij het uitrollen en moderniseren van breedbandnetwerken, ondersteund door een regelgevingskader dat concurrentie en investeringen bevordert;

M.  overwegende dat de digitale interne markt een van de meest innovatieve sectoren van de economie is en daarom een belangrijke factor is voor het concurrentievermogen van de Europese economie en een bijdrage levert aan de economische groei door de ontwikkeling van elektronische handel, terwijl ook de administratieve en financiële regelnaleving door het bedrijfsleven erdoor wordt vergemakkelijkt en consumenten een ruimere keuze aan goederen en diensten wordt geboden;

N.  overwegende dat de digitale interne markt niet alleen economische voordelen biedt, maar ook in politiek, sociaal en cultureel opzicht een sterke weerslag heeft op het dagelijkse bestaan van EU-consumenten en -burgers;

O.  overwegende dat een concurrerende digitale interne markt het niet kan stellen zonder snelle breedband- en telecommunicatienetwerken met een hogere capaciteit in alle regio's van de EU, ook in afgelegen gebieden;

P.  overwegende dat de bestaande en gestaag breder wordende digitale kloof zonder meer een ongunstig effect heeft op de ontwikkeling van de digitale interne markt, waar het gaat om toegang tot het internet alsook om e-vaardigheden;

Q.  overwegende dat de bescherming van persoonsgegevens en van de persoonlijke levenssfeer, en de beveiliging van elektronische communicatie en netwerken van prioritair belang zijn in de digitale interne markt, omdat dit fundamentele voorwaarden zijn voor het functioneren ervan en om zich van het vertrouwen van de burgers en de consumenten te verzekeren;

R.  overwegende dat online markten, om te kunnen groeien en expanderen, zowel flexibel als consumentvriendelijk moeten zijn;

S.  overwegende dat e-handel een belangrijke aanvulling vormt op de offline handel en veel in beweging brengt waar het gaat om consumentenkeuze, mededinging en technologische innovatie en daardoor bijdraagt aan de overgang van de Europese Unie naar een kenniseconomie;

T.  overwegende dat ongebreidelde concurrentie en een egaal speelveld voor het bedrijfsleven, waardoor investeringen worden aangemoedigd, essentieel zijn voor deze sector van de economie omdat zij ervoor zorgen dat deze sector zich op lange termijn duurzaam kan ontwikkelen ten voordele van de eindgebruiker; overwegende dat een goed functionerende mededinging een goede aanjager is van doelgerichte investeringen en de consument tot voordeel kan strekken waar het gaat om keuze, prijs en kwaliteit;

U.  overwegende dat de digitale interne markt op sommige punten zwakke plekken vertoont door te grote marktconcentratie en dominante marktdeelnemers;

V.  overwegende dat problemen als marktversnippering en gebrek aan interoperabiliteit in de Europese Unie belemmerend werken op de snelle ontwikkeling van de digitale interne markt;

W.  overwegende dat de digitale interne markt over het geheel genomen hooggeschoolde en goed betaalde banen genereert, en daardoor een belangrijke bijdrage levert aan de schepping van duurzame en hoogwaardige werkgelegenheid;

X.  overwegende dat de Commissie antitrustpraktijken moet tegengaan die de pluraliteit van de media aantasten, zowel wat betreft aanbod van inhoud als eigendom, aangezien toegang tot informatie essentieel is voor een bloeiende democratie;

1.  vraagt de lidstaten en de Commissie om, door niet aflatende inspanningen gericht op de toepassing van de bestaande regels en de handhaving van die regels, in het kader van een overkoepelende strategie, alle bestaande belemmeringen op te ruimen die de ontwikkeling van de digitale interne markt in de weg staan, en tegelijkertijd erop toe te zien dat alle maatregelen op hun effect beoordeeld zijn, toekomstbestendig en geschikt zijn voor het digitale tijdperk; is van mening dat zulke inspanningen centraal moeten staan in de pogingen van de EU om economische groei en werkgelegenheid te genereren en haar concurrentievermogen en veerkracht binnen de mondiale economie te versterken;

2.  onderstreept dat elk wetgevingsvoorstel met betrekking tot de digitale interne markt in overeenstemming moet zijn met het EU-Handvest van de grondrechten, zodat de daarin verankerde rechten volledige bescherming genieten in het digitale domein;

3.  wijst in het bijzonder op het potentieel van de e-handel die de consument naar schatting meer dan 11,7 miljard euro zou kunnen besparen als zij bij hun online bestellingen uit het volledige aanbod van goederen en diensten in de EU konden kiezen;

4.  stelt vast dat, hoewel het de groei van e-handel toejuicht, in sommige lidstaten slechts een paar actoren een dominante positie hebben bij de rechtstreekse verkoop van fysieke goederen of als een op de markt gebaseerd platform voor anderen om fysieke goederen te verkopen; benadrukt dat er op Europees niveau toezicht moet worden uitgeoefend op misbruik van een dergelijke dominante positie in termen van beschikbaarheid van goederen en de kosten die in rekening worden gebracht bij het kmo voor het gebruik van dergelijke op de markt gebaseerde platforms en dat dit misbruik moet worden voorkomen;

5.  onderstreept dat de digitale kloof moet worden aangepakt en bestreden om het volle potentieel van de digitale interne markt te laten uitkomen en in de maatschappij van het digitale tijdperk de inclusie van alle burgers mogelijk te maken, ongeacht hun inkomen, sociale situatie, geografische locatie, gezondheidstoestand of leeftijd;

6.  wijst er met name op dat de obstakels moeten worden aangepakt waarmee consumenten en bedrijven nog steeds te maken hebben waar het gaat om e-handel, zoals online diensten, toegang tot digitale inhoud, fraudepreventie, websiteregistratie, verkooppromotie en etikettering;

7.  verzoekt de Commissie om toe te zien op de snelle totstandbrenging van de interne markt voor diensten en te zorgen voor de uitvoering en handhaving van regelgeving, zoals de richtlijn consumentenrechten, alternatieve geschillenbeslechting en online geschillenbeslechting, en daarbij de administratieve lasten terug te dringen;

8.  dringt aan op snelle goedkeuring van het nieuwe en gemoderniseerde gegevensbeschermingspakket met het oog op een juist evenwicht tussen een hoge mate van bescherming voor persoonsgegevens, veiligheid van gebruikers en zeggenschap over de eigen persoonsgegevens, en een stabiel, voorspelbaar wetgevingsklimaat waarin het bedrijfsleven kan gedijen binnen een sterkere interne markt ten voordele van de eindgebruiker, een egaal speelveld dat investeringen aanmoedigt en randvoorwaarden die de aantrekkelijkheid van de EU als vestigingsplaats voor bedrijven verhogen; vraagt de Commissie en de lidstaten de nodige middelen uit te trekken om cybercriminaliteit tegen te gaan door middel van wettelijke maatregelen en samenwerking bij de wethandhaving, op zowel nationaal als EU-niveau;

9.  onderstreept dat voor een egaal speelveld moet worden gezorgd voor bedrijven die zich op de digitale interne markt begeven, zodat zij kunnen concurreren; vraagt de Commissie daarom terdege de hand te houden aan de EU-mededingingsregels om te grote marktconcentratie en misbruik van machtsposities tegen te gaan, en de mededinging in het oog te houden waar het gaat om gebundelde inhoud en diensten;

10.  merkt op dat bedrijven op de digitale interne markt verzekerd moeten zijn van een gelijk speelveld om een dynamische digitale economie in de EU te garanderen; onderstreept dat een stevige handhaving van de EU-mededingingsregels op de digitale interne markt bepalend zal zijn voor de groei van de markt, de toegangs- en keuzemogelijkheden van de consument en het concurrentievermogen op lange termijn; acht het belangrijk dat consumenten online dezelfde bescherming geboden wordt als zij op hun traditionele markten genieten;

11.  dringt erop aan dat de Raad snel vooruitkomt en onderhandelingen met het Parlement aangaat over het voorstel voor een verordening tot vaststelling van maatregelen inzake de Europese interne markt voor elektronische communicatie en om een connectief continent tot stand te brengen, omdat dit concreet een einde zou maken aan roamingtarieven in de EU, meer rechtszekerheid inzake netneutraliteit zou scheppen en de consumentenbescherming op de digitale interne markt zou verbeteren; is van mening dat deze verordening een cruciale stap zou kunnen zijn in de richting van een Europese interne markt voor mobiele communicatie;

12.  is van oordeel dat de Commissie een wettelijk en rechtszeker kader tot stand moet brengen en moet waarborgen, dat gunstig is voor de creativiteit en innovatie van start-ups, micro-ondernemingen en kmo's;

13.  verzoekt de Commissie om met een initiatief te komen voor digitaal ondernemerschap, aangezien dit van cruciaal belang is voor het creëren van nieuwe werkgelegenheid en innovatieve ideeën, inclusief maatregelen om ervoor te zorgen dat nieuwe digitale ondernemers gemakkelijker toegang krijgen tot financiering (bijvoorbeeld door crowdsourcing) en ondernemers die failliet zijn gegaan een tweede kans te geven;

14.  benadrukt dat al het internetverkeer gelijk moet worden behandeld, zonder discriminatie, beperking of inmenging, ongeacht afzender, ontvanger, type, inhoud, apparatuur, dienst of toepassing;

15.  stelt vast dat de markt voor online zoeken van bijzonder belang is als men voor behoorlijke mededingingsvoorwaarden op de digitale interne markt wil zorgen, aangezien zoekmachines potentieel tot "gatekeepers" kunnen worden ontwikkeld en de secundaire exploitatie van vergaarde informatie voor commerciële doeleinden kan worden gebruikt; roept de Commissie daarom op vastbesloten de hand te houden aan de EU-mededingingsregels, uitgaande van de input van alle betrokken partijen en rekening houdende met de algehele structuur van de digitale interne markt, om tot oplossingen te komen die werkelijk baat opleveren voor consumenten, internetgebruikers en online-bedrijven; vraagt de Commissie voorts om voorstellen in overweging te nemen voor de ontvlechting van zoekmachines van andere commerciële diensten, als één van de mogelijke manieren om op langere termijn bovengenoemde doelstellingen te bereiken;

16.  dringt er verder bij de Commissie op aan op korte termijn mogelijke oplossingen te overwegen die gericht zijn op een afgewogen, eerlijke en open structuur voor het zoeken op internet;

17.  benadrukt dat bij de exploitatie van zoekmachines voor gebruikers, het zoekproces en de zoekresultaten neutraal moeten zijn om ervoor te zorgen dat het zoeken op internet non-discriminatoir blijft, dat er meer concurrentie is en meer keuzevrijheid voor gebruikers en consumenten bestaat en dat de diversiteit van de informatiebronnen wordt gehandhaafd; merkt derhalve op dat indexering, evaluatie, presentatie en klassering door zoekmachines neutraal en transparant moeten zijn; dringt er bij de Commissie op aan, misbruik door exploitanten van zoekmachines die onderling gekoppelde diensten op de markt aanbieden, te voorkomen;

18.  verneemt met voldoening dat er door de Commissie nader onderzoek zal worden gedaan naar de praktijken rond zoekmachines en de digitale markt in het algemeen;

19.  acht het belangrijk dat er een doelmatig en evenwichtig kader tot stand komt voor de bescherming van auteursrechten en intellectuele eigendom, dat is afgestemd op de realiteit van de digitale economie;

20.  moedigt aan tot snelle goedkeuring en uitvoering van internationale regelgeving die gehandicapte gebruikers gemakkelijker toegang moet geven tot digitale inhoud en tot gedrukt materiaal dankzij digitalisering daarvan;

21.  is verheugd over de sluiting van het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang voor visueel gehandicapten tot boekwerken, en spoort alle verdragsluitende partijen aan dit verdrag te ratificeren; beschouwt het verdrag van Marrakesh als flinke stap voorwaarts, maar meent dat er nog veel werk te doen is om ook voor mensen met enige andere handicap dan een verminderd zichtvermogen, de toegang tot inhoud volledig vrij te maken; hecht veel belang aan verdere verruiming van de toegankelijkheid over een breed scala aan onderwerpen, van auteursrecht en zoekmachines tot telecommunicatiebedrijven;

22.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de regelgevingskaders op EU- en nationaal niveau verder te ontwikkelen en te implementeren om een geïntegreerde, en veilige markt voor online en mobiele betalingen mogelijk te maken, waarbij de bescherming van de consumenten en consumentengegevens moet worden gewaarborgd; onderstreept in dit verband dat er behoefte is aan duidelijke en voorspelbare voorschriften die in wetgeving moeten worden verankerd;

23.  wijst erop dat cloud computing een machtig instrument kan worden met het oog op de ontwikkeling van de digitale interne markt en economische voordelen kan opleveren, met name voor kmo's, in de vorm van lagere kosten voor de IT-infrastructuur en anderszins; wijst er in dit verband op dat als cloud-diensten alleen worden verleend door een beperkt aantal grote providers, er een steeds grotere hoeveelheid informatie zal terechtkomen in de handen van die providers; wijst er verder op dat er aan cloud computing ook risico’s kleven voor de gebruikers, vooral waar het gaat om gevoelige gegevens; dringt aan op een adequate uitvoering van de Europese strategie om te garanderen dat cloud computing concurrerend en veilig is;

24.  dringt er bij de Commissie op aan het voortouw te nemen bij het bevorderen van internationale normen en specificaties voor cloud computing , waardoor er privacy-vriendelijke, betrouwbare, toegankelijke, in hoge mate interoperabele, veilige en energie-efficiënte cloud-diensten kunnen worden geleverd als integraal onderdeel van een toekomstig industriebeleid van de Unie; benadrukt dat betrouwbaarheid, beveiliging en gegevensbescherming noodzakelijk zijn voor consumentenvertrouwen en concurrentievermogen;

25.  onderstreept dat de online veiligheid op het internet moet worden verzekerd, met name voor kinderen, en dat kindermisbruik moet worden voorkomen door installering van middelen die illegale afbeeldingen van kindermisbruik op het internet kunnen ontdekken en verwijderen, en die kinderen en adolescenten de toegang tot leeftijdsbeperkte inhoud kunnen beletten;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0239.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0063.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0535.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0327.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0468.
(6) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 11.
(7) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 64.
(8) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 25.
(9) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 206.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.


Ondervoeding bij kinderen in ontwikkelingslanden
PDF 154kWORD 203k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over ondervoeding bij kinderen in ontwikkelingslanden (2014/2853(RSP))
P8_TA(2014)0072B8-0253/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 en in het bijzonder artikel 25, dat het recht op voeding erkent als onderdeel van het recht op een behoorlijke levensstandaard,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, en in het bijzonder artikel 11, dat "het recht [...] op een behoorlijke levensstandaard" erkent, "daarbij inbegrepen toereikende voeding" , evenals "het fundamentele recht [...] gevrijwaard te zijn van honger",

–  gezien het in 2008 aangenomen facultatief protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, dat het recht op voeding op internationaal niveau afdwingbaar maakt,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, in het bijzonder artikel 24, lid 2, onder c), en artikel 27, lid 3,

–  gezien de verklaring betreffende mondiale voedselzekerheid op de door de VN-organisatie voor voedsel en landbouw (FAO) in 1996 in Rome georganiseerde wereldvoedseltop,

–  gezien de richtsnoeren betreffende het recht op voedsel, die in 2004 door de FAO zijn aangenomen, en die staten een leidraad bieden met betrekking tot de vraag hoe aan de verplichtingen inzake het recht op voedsel moet worden voldaan,

–  gezien de millenniumontwikkelingsdoelstellingen, met name doelstelling 1 (uitbannen van extreme armoede en honger vóór 2015) en doelstelling 4 (vermindering van de kindersterfte),

–  gezien het Voedselbijstandsverdrag dat in 2012 werd aangenomen,

–  gezien het mondiale verslag en het syntheseverslag van de door de VN uitgevoerde Internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling , die werden gepubliceerd in 2009(1),

–  gezien het verslag van het Kinderfonds van de VN (UNICEF) van 2009 over voedseltekorten die kinderen wereldwijd treffen,

–  gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel getiteld "Agroecology and the Right to Food" , dat op 8 maart 2011 op de 16e zitting van de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties werd gepresenteerd,

–  gezien het feit dat de wereldtentoonstelling in Milaan in 2015 als thema heeft "Voedsel voor de planeet — Energie voor het leven",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 getiteld "Humanitaire voedselhulp" (COM(2010)0126),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 getiteld "Een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen" (COM(2010)0127),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 getiteld "De EU-aanpak inzake weerbaarheid: lessen uit de voedselzekerheidscrises" (COM(2012)0586),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 maart 2013 getiteld "Betere voeding voor moeders en kinderen in het kader van de buitenlandse hulp: een Europees beleidskader" (COM(2013)0141),

–  gezien zijn resolutie van 27 september 2011 betreffende een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen(2),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over "De EU-aanpak inzake weerbaarheid en het beperken van het risico op rampen in ontwikkelingslanden: lessen uit de voedselzekerheidscrises"(3),

–  gezien de vraag aan de Commissie over ondervoeding bij kinderen in ontwikkelingslanden (O-000083/2014 – B8‑0041/2014),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat nog altijd bijna een miljard mensen honger lijdt en dat ten minste 225 miljoen kinderen in de wereld onder de vijf jaar kampen met acute en chronische ondervoeding of met een groeiachterstand als gevolg van chronische ondervoeding bij moeders en kinderen, en dat daarvan naar schatting jaarlijks 2,6 miljoen kinderen in ontwikkelingslanden overlijden;

B.  overwegende dat volgens de wereldwijde index en kaarten inzake verborgen honger(4) naar schatting twee miljard mensen wereldwijd, oftewel een op de drie mensen in ontwikkelingslanden, lijden aan een chronisch gebrek aan essentiële vitaminen en mineralen (microvoedingsstoffen), een aandoening die bekend staat als "verborgen honger" en die een drastisch verhoogde kans op geboorteafwijkingen, infecties en ontwikkelingsstoornissen met zich meebrengt;

C.  overwegende dat ondervoeding volgens de WHO veruit de belangrijkste oorzaak is van kindersterfte en 35 % van de ziektelast bij kinderen jonger dan vijf jaar veroorzaakt;

D.  overwegende dat bijna 20 miljoen kinderen in zowel noodsituaties als niet-noodsituaties nog steeds in ernstige mate lijden aan acute ondervoeding en overwegende dat slechts 10 % van hen toegang heeft tot medische behandeling;

E.  overwegende dat de voedingstoestand bij kinderen van vijf jaar of jonger in grote mate afhankelijk is van de voedingstoestand van hun moeders tijdens de zwangerschap en de borstvoedingsperiode;

F.  overwegende dat ondervoeding tevens een oorzaak is van ziekte en verlies van productiviteit, en een belemmering vormt voor sociale en economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden;

G.  overwegende dat degenen die ondervoeding overleven vaak hun leven lang fysieke en cognitieve beperkingen houden waardoor hun leervermogen en hun integratie op de arbeidsmarkt worden beperkt en waardoor zij gevangen blijven in een patroon van ziekte en armoede dat zich van generatie op generatie herhaalt;

H.  overwegende dat als gevolg van het effect van de klimaatverandering op de landbouwproductie – en derhalve op voeding – het aantal ondervoede kinderen naar verwachting zal toenemen;

I.  overwegende dat massale armoede in stedelijke en plattelandsgebieden een belangrijke oorzaak is van honger in ontwikkelingslanden, een situatie die nog wordt verergerd door de trek naar de steden en die het gevolg is van het feit dat kleinschalige landbouw voor velen geen levensvatbare optie is;

J.  overwegende dat 25 jaar na vaststelling van het Verdrag inzake de rechten van het kind sommige landen die partij zijn bij het verdrag er nog steeds niet in zijn geslaagd een gunstige omgeving te creëren waarin de toegang van kinderen tot voldoende voedsel kan worden gewaarborgd;

K.  overwegende dat regeringen tijdens de wereldvoedseltop in 1996 het recht op voedsel opnieuw hebben bevestigd en zich ertoe hebben verbonden het aantal mensen dat honger lijdt en ondervoed is tot uiterlijk 2015 te halveren van 840 tot 420 miljoen; overwegende echter dat het aantal mensen, met name kinderen, dat honger lijdt en ondervoed is de afgelopen jaren is gestegen, hoofdzakelijk als gevolg van de voedselcrises in 2008 en 2011;

L.  overwegende dat verschillende internationale rechtsinstrumenten het recht op voedsel verbinden met andere mensenrechten, zoals het recht op leven, middelen van bestaan, gezondheid, eigendom, onderwijs en water;

M.  overwegende dat het recht van eenieder op voedsel en goede voeding van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen; overwegende dat voeding is gekoppeld aan de meeste, zo niet alle, millenniumontwikkelingsdoelstellingen, die op hun beurt onderling sterk verweven zijn;

N.  overwegende dat internationale organisaties bevestigen dat de voedselproductie toereikend is om de gehele wereldbevolking van voedsel te voorzien en dat ondervoeding van kinderen verband houdt met voedselonzekerheid en armoede in gezinnen, alsmede uitsluiting, inadequate zorg- en voedingspraktijken, een ongezonde gezinsomgeving en ontoereikende gezondheidszorg;

O.  overwegende dat het recht op voedsel en goede voeding van essentieel belang is om weerbare families en gemeenschappen te kunnen opbouwen die in staat zijn om na een noodsituatie weer snel overeind te komen, gezien de huidige toename van het aantal rampen en de omvang daarvan;

P.  overwegende dat een optimale voedingssituatie ontstaat wanneer kinderen toegang hebben tot betaalbare en gevarieerde voeding die rijk is aan nutriënten, alsook tot passende zorg voor moeders en kinderen, adequate gezondheidszorg en een gezonde omgeving met inbegrip van schoon drinkwater, sanitaire voorzieningen en goede hygiënepraktijken;

1.  wijst erop dat er talrijke oorzaken zijn van ondervoeding bij kinderen, en dat de meeste het gevolg van menselijk handelen en derhalve te voorkomen zijn, variërend van inefficiënte economische systemen, een ongelijke verdeling en/of een niet duurzaam gebruik van middelen, slecht bestuur, te grote afhankelijkheid van individuele oogsten en monocultuurpraktijken alsmede discriminatie van vrouwen en kinderen tot een slechte gezondheid als gevolg van gebrekkige gezondheidszorgstelsels in combinatie met een gebrek aan opleiding, met name voor moeders;

2.  benadrukt dat overheden de drie aspecten van het recht op voedsel en goede voeding moeten waarborgen: beschikbaarheid, dat wil zeggen dat een persoon in staat is het eigen voedsel rechtstreeks te verkrijgen uit landbouwgrond of andere natuurlijke hulpbronnen, dan wel dat er goed functionerende distributie-, verwerkings- en marktsystemen aanwezig zijn; toegankelijkheid, namelijk dat zowel de economische als de fysieke toegang tot voedsel gewaarborgd is; en geschiktheid, dat wil zeggen dat het voedsel veilig dient te zijn en dient te voldoen aan de voedingsbehoeften van iedere persoon, waarbij rekening wordt gehouden met leeftijd, leefomstandigheden, gezondheid, beroep, geslacht, cultuur en godsdienst;

3.  onderstreept dat, vanuit een levenscyclusperspectief, de meest cruciale periode om in de voedingsbehoeften van een kind te voorzien wordt gevormd door de eerste duizend levensdagen, met inbegrip van de zwangerschapsperiode, aangezien het kind gedurende deze periode verhoogde voedingsbehoeften heeft om de snelle groei en ontwikkeling te ondersteunen, gevoeliger is voor infecties, en voor voeding, zorg en sociale interactie volledig afhankelijk is van anderen;

4.  herhaalt nogmaals dat de aanpak van ondervoeding bij kinderen en moeders een geïntegreerde benadering vergt alsmede een gecoördineerd optreden in een aantal sectoren die van invloed zijn op ondervoeding, zoals gezondheid, onderwijs, landbouw, water, toegang tot energie en sanitaire voorzieningen, alsook een verantwoordelijke betrokkenheid van alle belanghebbenden, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan consistente ontwikkelingsstrategieën voor de lange termijn vast te stellen en zich in te spannen om ondervoeding ook in de context van noodsituaties en humanitaire interventies terug te dringen;

5.  dringt erop aan dat de EU met haar programma's voor ontwikkelingshulp meer steun geeft aan de – hoofdzakelijk – voor de plaatselijke consumptie bestemde productie van duurzame kleinschalige landbouw, eenmans- en middelgrote landbouwbedrijven, en investeert in participatieve, op nationaal niveau aangestuurde plannen die op lokaal niveau in samenwerking met de boeren en hun vertegenwoordigers en met lokale en regionale overheden en maatschappelijke organisaties worden uitgevoerd;

6.  prijst de verbeteringen die de afgelopen jaren zijn bewerkstelligd met betrekking tot de bestrijding van ondervoeding van kinderen, zoals blijkt uit de indicatoren inzake de vooruitgang bij de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstelling 1; is evenwel van mening dat het aantal kinderen dat sterft als gevolg van of lijdt aan ondervoeding nog steeds onaanvaardbaar hoog is en dat dit bijdraagt aan de instandhouding van de vicieuze cirkel van armoede en honger;

7.  benadrukt in dit verband dat de strijd tegen ondervoeding van kinderen en het verschaffen van universele toegang tot toereikende voedzame voeding een van de belangrijkste punten van de agenda voor de periode na 2015 ten behoeve van het uitroeien van honger moet blijven, en roept er met name toe op om vóór 2030 een einde te maken aan alle vormen van ondervoeding en om vóór 2025 de internationaal overeengekomen doelstellingen inzake groeistoornissen en acute ondervoeding bij kinderen onder de vijf jaar te behalen;

8.  is van mening dat het een vergissing is geweest om de middelen voor landbouw in het kader van het 10e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) ten opzichte van het 9e EOF te verlagen; doet derhalve een dringend beroep op de Raad om zich hierover te beraden en corrigerende maatregelen te nemen met het oog op het 11e EOF;

9.  benadrukt het belang van politieke wil bij de aanpak van ondervoeding; is ingenomen met het stappenplan " Scaling Up Nutrition " (SUN) ("voeding op een hoger plan") dat door het permanent voedingscomité van de VN (UNSCN) is ontwikkeld om de verbetering van voeding te versnellen, met name in landen die op dit gebied met grote problemen kampen, met de deelname van diverse belanghebbenden waaronder VN-agentschappen met een mandaat op het gebied van voeding; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de in SUN opgenomen beginselen toe te passen; dringt er bij de Commissie op aan de deelname aan het SUN-platform van maatschappelijke organisaties en basisorganisaties die in direct contact staan met kleine producenten en hun gezinnen, te bevorderen en deze organisaties van middelen te voorzien;

10.  is verheugd over de toezegging van de Europese Commissie om tussen 2014 en 2020 3,5 miljard EUR te investeren in de verbetering van voeding in een aantal van 's werelds armste landen, en dringt er bij de Commissie op aan meer toezeggingen te doen ten aanzien van specifieke op voeding gerichte interventies, teneinde haar doelstelling te verwezenlijken om het aantal kinderen onder de vijf jaar dat een ontwikkelingsachterstand heeft, tot 2025 met zeven miljoen te verminderen;

11.  benadrukt dat vrouwen een cruciale rol vervullen met betrekking tot de voeding van kinderen en de voedselzekerheid, namelijk door middel van borstvoeding, door de productie, aankoop en bereiding van voedsel en verstrekking ervan aan het gezin, door de zorg voor kinderen en zieken en door het waarborgen van goede hygiëne; wijst erop dat hoewel 60% van de mensen met chronische honger vrouwen en meisjes zijn, 60 tot 80 % van het voedsel in ontwikkelingslanden door vrouwen wordt geproduceerd;

12.  onderstreept dat vrouwen voor ongeveer 80 % verantwoordelijk zijn voor de landbewerking in Afrika, maar slechts 2 % van het land formeel in eigendom hebben; wijst er verder op dat uit recente programma's in India, Kenia, Honduras, Ghana, Nicaragua en Nepal is gebleken dat huishoudens onder vrouwelijke leiding over meer voedselzekerheid en betere gezondheidszorg beschikken en zich meer richten op onderwijs dan huishoudens onder mannelijke leiding;

13.  benadrukt dat er een sterke correlatie bestaat tussen het opleidingsniveau van de moeder en de voedingsstatus van haar gezin; dringt er dan ook op aan dat de genderbarrières bij onderwijs en alfabetisering geslecht worden zodat vrouwen betere toegang tot onderwijs krijgen;

14.  dringt er in dit verband op aan de genderdimensie en de bevordering van zelfredzaamheid van vrouwen op te nemen in alle beleidsmaatregelen die zijn gericht op de bestrijding van ondervoeding bij kinderen;

15.  benadrukt dat ondervoeding van zwangere vrouwen rampzalige gevolgen heeft voor zuigelingen en de toekomstige ontwikkeling van het kind op onomkeerbare wijze kan belemmeren; dringt er in dit verband op aan bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van de gezondheid en rechten van vrouwen, en voorlichting over voeding als integraal onderdeel op te nemen in de onderwijsprogramma's en leerplannen voor meisjes;

16.  bevestigt eens te meer dat alfabetisering een krachtig instrument is om armoede te bestrijden en economische ontwikkeling te stimuleren; benadrukt derhalve de noodzaak om onderwijs voor meisjes te ondersteunen, aangezien investeringen in meisjes ertoe leiden dat de kansen op een gezond en productief leven voor henzelf en hun toekomstige kinderen toenemen;

17.  benadrukt dat ondervoeding van kinderen hoofdzakelijk voorkomt in ontwikkelingslanden, niet alleen onder de rurale bevolking, maar ook in stedelijke gebieden; is bijgevolg van mening dat een van de belangrijkste manieren om honger onder kinderen uit te roeien bestaat uit beleidsmaatregelen en hervormingen voor de landbouw die kleine boeren in staat stellen op een doeltreffendere en duurzamere manier te produceren teneinde voldoende voedsel voor henzelf en hun families te waarborgen;

18.  benadrukt dat het onvermogen om ondervoeding van kinderen tijdig aan te pakken, zowel door middel van ontwikkelingssamenwerking als door middel van humanitaire interventies, een bedreiging kan vormen voor alle aspecten van de menselijke ontwikkeling, de nationale gezondheidszorguitgaven kan doen toenemen en de sociaaleconomische ontwikkeling van ontwikkelingslanden kan belemmeren, hetgeen voor deze landen zou kunnen leiden tot economische verliezen van naar schatting 2 à 8 % van hun bbp;

19.  herinnert eraan dat een tekort aan vitaminen en mineralen de oorzaak is van ongeveer 7 % van de mondiale ziektelast en ernstige gevolgen heeft voor de fysieke en cognitieve ontwikkeling van zuigelingen en jonge kinderen; onderstreept dat in de twintig landen die het hoogst scoren op de index inzake verborgen honger (waarvan 18 in Afrika bezuiden de Sahara en twee, namelijk India en Afghanistan, in Azië), groeistoornissen, bloedarmoede door ijzergebrek en een tekort aan vitamine A een hoge prevalentie hebben onder kinderen in de voorschoolse leeftijd;

20.  wijst erop dat ondervoeding van kinderen niet alleen voortvloeit uit een tekort aan voedsel en een gebrek aan infrastructuur, maar ook uit problemen met betrekking tot de voedseldistributie, ontoereikende toegang tot voedsel en een gebrek aan koopkracht, in het bijzonder gezien de hoge voedselprijzen die nog eens verder stijgen als gevolg van speculatie met grondstoffen; merkt op dat een gebrek aan koopkracht met name de armen in stedelijke gebieden treft, die niet in staat zijn hun eigen voedsel te produceren; acht het daarom belangrijk om kleine boeren en traditionele landbouwmethodes te beschermen;

21.  verzoekt de Commissie om de lidstaten die hebben deelgenomen aan Expo 2015 te betrekken bij de opzet van een gezamenlijk initiatief dat, met het thema "Voedsel voor de planeet - Energie voor het leven" als uitgangspunt, bindende toezeggingen en doelstellingen zal opleveren voor de bestrijding van honger en ondervoeding met strategieën variërend van landbouw tot samenwerking;

22.  erkent dat verbeteringen met betrekking tot de voeding van kinderen en moeders en voedselzekerheid in het algemeen een doeltreffend en gecoördineerd optreden vereisen met betrekking tot een aantal beleidsterreinen en sectoren, zoals doeltreffende en duurzame plattelandsontwikkeling, beleid inzake het gebruik van land en water, toereikende gezondheidszorg, schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen, adequate zorg voor moeders en kinderen, bescherming van het zeeleven en andere ecosystemen en biodiversiteit, beperking van de ontbossing en de klimaatverandering, aanpassing aan en beperking van het risico op rampen, duurzame productie en consumptie, duurzame en zekere toegang tot energie, handel, visserij, alsmede sociale inclusie en behoorlijk werk;

23.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan voeding, voedselveiligheid en duurzame landbouw in al hun ontwikkelingsbeleidsmaatregelen op te nemen, teneinde voeding te beschermen en te bevorderen en van lokaal tot mondiaal niveau een alomvattende benadering te waarborgen; verzoekt de Raad en de Commissie om, indien nodig, prioriteit te geven aan voeding als een kerndoel voor ontwikkeling in het kader van de instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking, met name het 11e EOF en het nieuwe financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking;

24.  benadrukt dat ontwikkelings- en noodprogramma's met het oog op een grotere doeltreffendheid nauw aan elkaar gekoppeld moeten zijn, teneinde te anticiperen op voedselcrises en deze te voorkomen, de veroorzaakte schade te beperken en herstel te vergemakkelijken;

25.  dringt er bij de regeringen van ontwikkelingslanden op aan een gunstig klimaat te creëren voor betere voeding voor kinderen door middel van een beter beleid, coördinatie tussen nationale plannen en strategieën inzake voeding en donorprogramma's, bestuur en verantwoordingsplicht ten aanzien van hun burgers; dringt aan op meer transparantie in de begrotingen van ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld door middel van budget tracking, zodat het aantal en de kwaliteit van projecten ter bestrijding van ondervoeding beter kunnen worden beoordeeld;

26.  onderstreept de noodzaak van betere en gecoördineerde gegevens over ondervoeding en tekorten aan microvoedingsstoffen om de interventieprogramma's beter te kunnen begeleiden en de betrokken landen doelgerichte en geïnformeerde ondersteuning te kunnen bieden;

27.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan financiële langetermijninvesteringen en middelen te mobiliseren voor voeding in samenwerking met actoren zoals agentschappen van de Verenigde Naties, de G8/G20, opkomende landen, internationale en niet-gouvernementele organisaties, academische instellingen, maatschappelijke organisaties en de private sector, en daarnaast voeding aan te merken als een prioriteit voor innovatieve financiering;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het permanent voedingscomité van de Verenigde Naties.

(1) http://www.unep.org/dewa/Assessments/Ecosystems/IAASTD/tabid/105853/Default.aspx
(2) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 75.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0578.
(4) Global Hidden Hunger Indices and Maps: An Advocacy Tool for Action.

Juridische mededeling