Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 17 december 2014 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde ACS-staten
 Autonome handelspreferenties voor de Republiek Moldavië ***I
 Tariefbehandeling van goederen van oorsprong uit Ecuador ***I
 Gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2014
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014: Ontvangsten van boeten, rentebetalingen, terugbetalingen en terugstortingen – Betalingskredieten – Personeel van de Commissie, het Comité van de Regio's en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2014: Traditionele eigen middelen (TEM), btw- en bni-grondslagen
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie: Overstromingen in Italië - Aardbeving in Griekenland - IJsstormen in Slovenië - IJsstormen gevolgd door overstromingen in Kroatië
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2014: Overstromingen in Italië (Sardinië) in 2013 - Aardbeving in Griekenland – IJsstormen in Slovenië – IJsstormen gevolgd door overstromingen in Kroatië in 2014
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2014: Herziening van de ramingen van de traditionele eigen middelen en de btw- en bni-bijdragen
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie: Overstromingen in Servië, Kroatië en Bulgarije
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2014: Overstromingen in Servië, Kroatië en Bulgarije
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2014: Overschot van de uitvoering van de begroting 2013
 Eigen middelen van de Unie – aanpassing van de nationale bijdragen van de lidstaten *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie: door rampen getroffen regio’s
 Beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ten behoeve van de financiering van de Cypriotische Structuurfondsenprogramma's
 Nieuwe algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015
 Classificatie van ernstige inbreuken in het wegvervoer
 Verlenging van de interneveiligheidsstrategie voor de EU
 Erkenning van Palestina als staat
 EU-staalindustrie: bescherming van werknemers en industrieën
 Situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde ACS-staten
PDF 213kWORD 183k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 14 november 2014 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1528/2007 van de Raad tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst (C(2014)08355 – 2014/2954(DEA))
P8_TA(2014)0085B8-0346/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien Gedelegeerde Verordening van de Commissie (C(2014)08355),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 26 november 2014, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie internationale handel aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters, van 5 december 2014,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1528/2007 van de Raad van 20 december 2007 tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst(1), en met name artikel 2, lid 2, en artikel 24 bis, lid 6,

–  gezien Verordening (EU) nr. 527/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1528/2007 van de Raad, met betrekking tot het schrappen van sommige landen van de lijst van regio's of staten die onderhandelingen hebben afgesloten(2),

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie internationale handel,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 16 december 2014 verstreek,

A.  overwegende dat Kenia, in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 527/2013, met ingang van 1 oktober 2014 niet langer valt onder de markttoegangsregeling toegestaan in Verordening (EG) nr. 1528/2007;

B.  overwegende dat Kenia, de Europese Unie en haar lidstaten op 16 oktober 2014 de onderhandelingen hebben afgerond over een economische partnerschapsovereenkomst;

C.  overwegende dat de Commissie op 14 november 2014 een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld om Kenia opnieuw op te nemen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1528/2007;

D.  overwegende dat de Commissie heeft benadrukt dat een besluit om geen bezwaar aan te tekenen ervoor zou zorgen dat de mogelijke verlegging van het handelsverkeer van Kenia en het potentiële verlies van de uitvoer van het land naar de EU zouden worden beperkt, waardoor de negatieve gevolgen voor de tonijn-, tuinbouw- en snijbloemsectoren zouden worden ingeperkt;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

(1) PB L 348 van 31.12.2007, blz. 1.
(2) PB L 165 van 18.6.2013, blz. 59.


Autonome handelspreferenties voor de Republiek Moldavië ***I
PDF 209kWORD 182k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 55/2008 van de Raad tot invoering van autonome handelspreferenties voor de Republiek Moldavië (COM(2014)0542 – C8-0128/2014 – 2014/0250(COD))
P8_TA(2014)0086A8-0053/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0542),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 270, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0128/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 10 december 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0053/2014),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 17 december 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 55/2008 van de Raad tot invoering van autonome handelspreferenties voor de Republiek Moldavië

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1383/2014.)


Tariefbehandeling van goederen van oorsprong uit Ecuador ***I
PDF 206kWORD 181k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de tariefbehandeling van goederen van oorsprong uit Ecuador (COM(2014)0585 – C8-0172/2014 – 2014/0287(COD))
P8_TA(2014)0087A8-0056/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0585),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0172/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 10 december 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0056/2014),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 17 december 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de tariefbehandeling van goederen van oorsprong uit Ecuador

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 1384/2014.)


Gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2014
PDF 221kWORD 188k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, overeenkomstig punt 14 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2014)0328 – C8-0020/2014 – 2014/2037(BUD))
P8_TA(2014)0088A8-0068/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0328 – C8-0020/2014),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1) (MFK-verordening), en met name artikel 13 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(2), en met name punt 14 hiervan,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over betalingskredieten van het Parlement, de Raad en de Commissie, zoals overeengekomen in de gezamenlijke conclusies van 12 november 2013(3),

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, definitief vastgesteld op 20 november 2013,

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, goedgekeurd door de Commissie op 15 april 2014 (COM(2014)0329),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, vastgesteld door de Raad op 12 december 2014 (16740/2014 – C8-0289/2014),

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0068/2014),

A.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van het meerjarig financieel kader 2014-2020 met een enorme betalingsachterstand begonnen is, met onbetaalde rekeningen die voor het cohesiebeleid aan het einde van 2013 alleen al ongeveer 23,4 miljard EUR bedragen, en een niveau van uitstaande verplichtingen op dezelfde datum van 221,7 miljard EUR, d.w.z. 41 miljard EUR meer dan oorspronkelijk bij het overeenkomen van het meerjarig financieel kader 2007-2013 voorzien was; overwegende dat deze situatie onaanvaardbaar is en dringende maatregelen vereist, met gebruikmaking van de in de MFK-verordening opgenomen flexibiliteitsmechanismen, teneinde de uitvoering van het Uniebeleid en -programma's niet in gevaar te brengen, zoals unaniem in het meerjarig financieel kader besloten is, maar ook om de rentevorderingen voor achterstallige betalingen te beperken en de onnodige toename van de financiële risico's voor en de kwetsbaarheid van begunstigden van de EU-begroting te voorkomen;

B.  overwegende dat in het kader van de begrotingsbemiddeling voor 2014, het Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk hebben besloten om, in het licht van het belang van een ordelijk verloop van betalingen en om een abnormale verschuiving van de uitstaande verplichtingen naar de begroting van 2015 te voorkomen, een beroep te doen op de verschillende in de MFK-verordening opgenomen flexibiliteitsmechanismen, met inbegrip van de marge voor onvoorziene uitgaven;

C.  overwegende dat na alle andere financiële mogelijkheden te hebben onderzocht om te reageren op onvoorziene omstandigheden, de Commissie voorgesteld had om het volledige bedrag van de marge voor onvoorziene uitgaven ter beschikking te stellen teneinde de betalingskredieten in de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 boven het betalingsmaximum te kunnen aanvullen;

D.  overwegende dat de Raad het niet eens is met de interpretatie van het Parlement en de Commissie dat het bedrag van 350 miljoen EUR aan betalingskredieten dat in 2014 voor de speciale instrumenten van de MFK-verordening beschikbaar gesteld is, niet onder het betalingsmaximum behoort te vallen, en bijgevolg een marge van 711 miljoen EUR eerst moet worden opgebruikt voordat van de marge voor onvoorziene uitgaven gebruik kan worden gemaakt; overwegende dat dientengevolge nog niet besloten is of en in hoeverre het bedrag van 350 miljoen EUR moet worden verrekend met de marges van het MFK voor betalingskredieten voor het lopende begrotingsjaar of toekomstige begrotingsjaren;

E.  overwegende dat in het kader van de onderhandelingen over het begrotingspakket 2014-2015 overeengekomen is om van de marge voor onvoorziene uitgaven gebruik te maken voor een bedrag van 2 818,2 miljoen EUR plus 350 miljoen EUR, d.w.z. 3 168,2 miljoen EUR;

F.  overwegende dat deze beschikbaarstelling naar alle waarschijnlijkheid niet leidt tot het duurzaam wegwerken van de recente betalingsachterstanden en het groeiende aantal uitstaande verplichtingen, maar slechts de groeiende omvang van de naar het volgende jaar over te dragen openstaande rekeningen beperken kan, waarbij sinds 2010 ieder jaar een toename van meer dan 50% te signaleren is;

G.  overwegende dat toevalligerwijs de financiering van deze beschikbaarstelling bijna zonder kosten voor de nationale begrotingen kan plaatsvinden, vanwege andere onvoorziene aanvullende ontvangsten voor het jaar 2014;

H.  overwegende dat de beschikbaarstelling van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2014 niet gepaard gaat met verhoging van het betalingsmaximum (908 miljard EUR, uitgedrukt in prijzen van 2011) van het MFK 2014-2020, zoals duidelijk bepaald is in artikel 13, lid 4, van de MFK-verordening, aangezien zij verrekend wordt met de marges van toekomstige begrotingsjaren, zoals vastgesteld in artikel 13, lid 3, van de MFK-verordening;

1.  stemt in met de gebruikmaking van de marge van onvoorziene uitgaven voor 2014, zoals in de bijlage wordt beschreven;

2.  benadrukt dat het gebruik van dit instrument, zoals bedoeld in artikel 13 van de MFK-verordening, eens te meer aantoont dat de EU-begroting steeds flexibeler moet zijn;

3.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

4.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/435.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, 20.11.2013, P7_TA(2013)0472.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014: Ontvangsten van boeten, rentebetalingen, terugbetalingen en terugstortingen – Betalingskredieten – Personeel van de Commissie, het Comité van de Regio's en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
PDF 223kWORD 189k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie (16740/2014 – C8-0289/2014 – 2014/2036(BUD))
P8_TA(2014)0089A8-0069/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, definitief vastgesteld op 20 november 2013(2),

–  gezien de gezamenlijke verklaring betreffende de betalingskredieten van het Parlement, de Raad en de Commissie (gezamenlijke verklaring van 12 november 2013), opgenomen in de gezamenlijke conclusies van 12 november 2013(3), alsmede de verklaring van het Europees Parlement en de Commissie over betalingskredieten, opgenomen in dezelfde gezamenlijke conclusies,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(4) ("MFK-verordening"),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(5)("het IIA"),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, goedgekeurd door de Commissie op 28 mei 2014 (COM(2014)0329),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2014, goedgekeurd op 28 mei 2014 (COM(2014)0328),

–  gezien de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 goedgekeurde gezamenlijke conclusies,

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, vastgesteld door de Raad op 12 december 2014 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (16740/2014 – C8-0289/2014),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien de brief van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien de brief van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien de brief van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien de brief van de Commissie cultuur en onderwijs,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0069/2014),

A.  overwegende dat in het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 3/2014 op de algemene begroting 2014, zoals oorspronkelijk door de Commissie voorgesteld, wordt voorgesteld om de raming van de ontvangsten uit boeten en dwangsommen en van andere ontvangsten te verhogen met 1 568 miljoen EUR en de betalingskredieten te verhogen met 4 738 miljoen EUR voor de rubrieken 1a, 1b, 2 en 4 van het meerjarig financieel kader (MFK), met als doel te voorzien in betalingsbehoeften tot het einde van het jaar om verplichtingen in verband met vastleggingen uit het verleden en van het lopende jaar na te kunnen komen;

B.  overwegende dat bij het begin van de tenuitvoerlegging van het meerjarig financieel kader 2014-2020 sprake was van een enorme betalingsachterstand, met onbetaalde rekeningen die aan het einde van 2013 alleen al voor het cohesiebeleid ongeveer 23 400 miljard EUR bedroegen, en een niveau van uitstaande verplichtingen (RAL) aan het einde van 2013 van 221,7 miljard EUR, d.w.z. 41 000 miljoen EUR meer dan oorspronkelijk bij de vaststelling van het meerjarig financieel kader 2007-2013 voorzien was;

C.  overwegende dat van het totaal van OGB nr. 3/2014 slechts 99 miljoen EUR dient ter dekking van programma's in 2014-2020 in het kader van het cohesiebeleid en dat de rest bedoeld is voor de afsluiting van de programma's van 2007-2013 (3 296 miljoen EUR) en voor betalingen die nodig zijn uit hoofde van andere rubrieken (1 340 miljoen EUR);

D.  overwegende dat het Parlement, de Raad en de Commissie er zich door middel van de gezamenlijke verklaring van 12 november 2013 toe hebben verbonden erop toe te zien dat de Unie over de financiële middelen beschikt om te voldoen aan haar juridische verplichtingen in 2014, door een ordelijke afwikkeling van de betalingen te waarborgen en gebruik te maken van de verschillende flexibiliteitsmechanismen die zijn opgenomen in de MFK-verordening, onder meer in artikel 13 (marge voor onvoorziene uitgaven);

E.  overwegende dat een aantal delegaties in de Raad bedenkingen had inzake het gebruik van de marge voor onvoorziene uitgaven in OGB nr. 3/2014, een bezorgdheid die niet door het Parlement wordt gedeeld, maar juist wordt gezien als strijdig met de geest van de MFK-verordening en het IIA;

1.  neemt kennis van OGB nr. 3/2014, zoals voorgesteld door de Commissie;

2.  onderschrijft de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 goedgekeurde gezamenlijke conclusies met het oog op de verhoging van de betalingskredieten in de begroting voor 2014 op een aantal begrotingslijnen tot een niveau van 4 246 miljoen EUR, waarvan 3 168 miljoen EUR beschikbaar zal worden gesteld via de marge voor onvoorziene uitgaven voor 2014;

3.  is met name verheugd over de verhogingen van de betalingskredieten van de rubrieken 1a en 4, die in ruime mate in stand zijn gebleven in het uiteindelijke compromis zoals opgenomen in de gezamenlijke conclusies van 8 december 2014;

4.  is ingenomen met de verhoging van de betalingskredieten voor rubriek 1b, omdat vooral die rubriek wordt getroffen door de betalingstekorten in de begroting van de Unie in het algemeen; is echter van mening dat dit het absolute minimum is dat nodig is om de behoeften tot het einde van 2014 te dekken, en onvoldoende zal zijn om het sneeuwbaleffect van onbetaalde rekeningen sinds de begroting 2010 op te lossen; herinnert er met name aan dat het overgrote deel van de facturen van rubriek 1b traditioneel door de lidstaten worden ingediend tegen het einde van elk begrotingsjaar, om mogelijke annuleringen ten gevolge van de toepassing van de N+2- en de N+3-regels te voorkomen;

5.  steunt het voorstel voor gebruikmaking van de marge voor onvoorziene omstandigheden en benadrukt zijn uitlegging van artikel 3, lid 2, van de MFK-verordening dat betalingen in verband met de speciale instrumenten moeten worden toegewezen boven de maxima; is van mening dat een andere uitlegging van dat artikel ingaat tegen de basis voor politieke overeenstemming over het MKF 2014-2020, te weten de afspraak dat specifieke en maximale flexibiliteit toegepast moet worden om de Unie in staat te stellen aan haar verplichtingen te voldoen;

6.  herinnert eraan dat door de goedkeuring van OGB nr. 3/2014, OGB nr. 4/2014, OGB nr. 6/2014 en OGB nr. 8/2014 de behoefte aan bni-bijdragen van de lidstaten met in totaal 8 688 miljoen EUR zal dalen en dat daardoor volledige compensatie zal worden geboden voor de bijkomende betalingskredieten waarom is gevraagd in OGB nr. 3/2014, zoals overeengekomen in de gezamenlijke conclusies van 8 december 2014;

7.  keurt het standpunt van de Raad inzake de gewijzigde begroting nr. 3/2014 goed;

8.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 2/2014 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten van 20 november 2013, P7_TA(2013)0472.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(5) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(6) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2014: Traditionele eigen middelen (TEM), btw- en bni-grondslagen
PDF 313kWORD 187k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2014 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie (16741/2014 – C8-0290/2014 – 2014/2053(BUD))
P8_TA(2014)0090A8-0076/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, definitief vastgesteld op 20 november 2013(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2014, goedgekeurd door de Commissie op 9 juli 2014 (COM(2014)0461),

–  gezien nota van wijzigingen nr. 1 bij het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2014, die de Commissie op 16 oktober 2014 heeft ingediend,

–  gezien de gezamenlijke conclusies die het Europees Parlement en de Raad op 8 december 2014 hebben goedgekeurd,

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2014, vastgesteld door de Raad op 12 december 2014 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (16741/2014 – C8-0290/2014),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0076/2014),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 4/2014 betrekking heeft op een herziening van de raming van de traditionele eigen middelen (TEM, d.w.z. douanerechten en heffingen in de suikersector), de btw- en bni-grondslagen, de opname in de begroting van de relevante correcties aangaande het Verenigd Koninkrijk en de herziening van de ramingen van andere inkomsten uit boetes, die leiden tot een wijziging van de hoogte en verdeling van de eigenmiddelenbijdragen van de lidstaten aan de Uniebegroting;

B.  overwegende dat OGB nr. 4/2014 ook voorziet in een verlaging van de vastleggings- en betalingskredieten voor de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming met 248 460 EUR en een aantal aanpassingen van de nomenclatuur van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling aan de vastgestelde rechtsgrond;

C.  overwegende dat dit OGB van cruciaal belang is ter voorkoming van een tekort aan middelen dat zou kunnen leiden tot een tekortschietende uitvoering in 2014;

1.  neemt kennis van OGB nr. 4/2014, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1 bij OGB nr. 4/2014, dat betrekking heeft op een herziening van de raming van de traditionele eigen middelen (TEM, d.w.z. douanerechten en heffingen in de suikersector), op basis van de beste schattingen van de Commissie, en bepaalde andere ontwikkelingen, alsmede de verdere herziening van de ramingen van andere inkomsten uit een reeks boetes die definitief zijn geworden en dus in de begroting kunnen worden opgenomen;

2.  merkt op dat de daling van de TEM, die op ca. 646,1 miljoen EUR wordt geraamd, en van de eigen middelen "btw", met 192,4 miljoen EUR, wordt gecompenseerd door bovengenoemde boetes, die in totaal 2 433 miljoen EUR bedragen, waardoor de behoefte aan aanvullende bni-bijdragen automatisch met 1 594,5 miljoen EUR afneemt;

3.  merkt op dat OGB nr. 4/2014, met inbegrip van nota van wijzigingen nr. 1 daarbij, voorziet in een vermindering van de totale behoefte aan aanvullende eigen middelen, voornamelijk als gevolg van de opneming in de begroting van definitief geworden boetes en rente op te late betalingen, voor een totaalbedrag van 2 433 miljoen EUR;

4.  merkt op dat OGB nr. 4/2014 voorziet in een verlaging van zowel de vastleggings- als de betalingskredieten voor de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) met 248 460 EUR omdat de benoeming van de EDPS en de plaatsvervangend EDPS vertraging heeft opgelopen;

5.  onderschrijft de gezamenlijke conclusies die het Europees Parlement en de Raad op 8 december 2014 hebben goedgekeurd met het oog op de goedkeuring van OGB nr. 4/2014 zoals oorspronkelijk voorgesteld door de Commissie en gewijzigd bij haar nota van wijzigingen 1 van OGB nr. 4/2014, met de opname van de vastleggingskredieten uit OGB nr. 6/2014 voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de reserve voor de partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij, alsook de herschikking van 248 460 EUR aan beschikbare betalingskredieten van de begrotingslijn voor de EDPS naar de begrotingslijn voor humanitaire hulp (23 02 01);

6.  herinnert eraan dat door de goedkeuring van dit OGB de behoefte aan aanvullende eigen middelen voor de Uniebegroting met 2 433 miljoen EUR zal dalen en dat daardoor, in combinatie met de lagere bni-bijdragen van de lidstaten aan de Uniebegroting als gevolg van OGB nr. 3/2014, OGB nr. 6/2014 en OGB nr. 8/2014, volledige compensatie wordt geboden voor de bijkomende betalingskredieten waarom is gevraagd in OGB nr. 3/2014, zoals overeengekomen in de gezamenlijke conclusies van 8 december 2014;

7.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2014 goed;

8.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 3/2014 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie: Overstromingen in Italië - Aardbeving in Griekenland - IJsstormen in Slovenië - IJsstormen gevolgd door overstromingen in Kroatië
PDF 214kWORD 185k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, overeenkomstig punt 11 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (overstromingen in Italië, aardbevingen in Griekenland, ijsstormen in Slovenië en ijsstormen en overstromingen in Kroatië) (COM(2014)0565 – C8-0137/2014 – 2014/2072(BUD))
P8_TA(2014)0091A8-0073/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0565 – C8‑0137/2014),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 10 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11 hiervan,

–  gezien de door het Europees Parlement en de Raad op 8 december 2014 overeengekomen gezamenlijke conclusies,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0073/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/436.)

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2014: Overstromingen in Italië (Sardinië) in 2013 - Aardbeving in Griekenland – IJsstormen in Slovenië – IJsstormen gevolgd door overstromingen in Kroatië in 2014
PDF 311kWORD 184k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2014 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie (16742/2014 – C8-0291/2014 – 2014/2073(BUD))
P8_TA(2014)0092A8-0078/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, definitief vastgesteld op 20 november 2013(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2014, goedgekeurd door de Commissie op 8 september 2014 (COM(2014)0564),

–  gezien de door het Europees Parlement en de Raad op 8 december 2014 overeengekomen gezamenlijke conclusies,

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2014, vastgesteld door de Raad op 12 december 2014 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (16742/2014 – C8-0291/2014),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0078/2014),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 5/2014 betrekking heeft op de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU (SFEU) ter hoogte van EUR 46 998 528 aan vastleggings- en betalingskredieten in verband met de overstromingen in Italië (Sardinië) in november 2013, een aardbeving in Griekenland (Kefalonia), ijsstormen in Slovenië en dezelfde ijsstormen gevolgd door overstromingen in Kroatië, eind januari en begin februari 2014;

B.  overwegende dat OGB nr. 5/2014 tot doel heeft deze budgettaire aanpassing formeel op te nemen in de begroting 2014;

1.  neemt kennis van OGB nr. 5/2014, zoals ingediend door de Commissie;

2.  benadrukt dat de financiële steun uit hoofde van het SFEU voor de landen die door deze natuurrampen zijn getroffen dringend beschikbaar moet worden gesteld;

3.  onderstreept dat het tekort aan betalingskredieten voor 2014, dat de onderliggende reden vormde voor de presentatie van het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 3/2014 en het bijgaande voorstel van de Commissie om gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven, a priori de mogelijkheid om de middelen voor OGB nr. 5/2014 te vinden via herschikking uitsluit;

4.  onderschrijft de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 goedgekeurde gezamenlijke conclusies met het oog op de goedkeuring van de opname van een totaalbedrag van 47 miljoen EUR aan aanvullende vastleggingskredieten in de begroting 2014 en de verschuiving van de overeenkomstige betalingskredieten naar de begroting 2015;

5.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 5/2014 goed;

6.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 4/2014 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2014: Herziening van de ramingen van de traditionele eigen middelen en de btw- en bni-bijdragen
PDF 375kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2014 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie (16743/2014 – C8-0288/2014 – 2014/2162(BUD))
P8_TA(2014)0093A8-0074/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, definitief vastgesteld op 20 november 2013(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2014, goedgekeurd door de Commissie op 17 oktober 2014 (COM(2014)0649),

–  gezien nota van wijzigingen nr. 1/2014 op het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2014, goedgekeurd door de Commissie op 3 december 2014 (COM (2014)0730),

–  gezien de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 goedgekeurde gezamenlijke conclusies,

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2014, vastgesteld door de Raad op 12 december 2014 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (16743/2014 – C8-0288/2014),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0074/2014),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 6/2014 betrekking heeft op de herziening van de raming van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-bijdragen, een verlaging van de begrotingsmiddelen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en de reserve voor partnerschapsovereenkomsten voor duurzame visserij, alsmede een verhoging van de begrotingsmiddelen voor de Europese ombudsman;

B.  overwegende dat na de goedkeuring van nota van wijzigingen 1/2014 op OGB nr. 6/2014 het globale effect van dit OGB op de ontvangsten neerkomt op een vermindering van de behoefte aan eigen middelen met in totaal 4 095,5 miljoen EUR, bestaande uit een verlaging van de bni-bijdragen van de lidstaten met 4 515,5 miljoen EUR en een stijging van het bedrag aan traditionele eigen middelen met 420 miljoen EUR;

C.  overwegende dat OGB nr. 6/2014 tot doel heeft deze budgettaire aanpassingen formeel op te nemen in de begroting 2014;

1.  neemt kennis van OGB nr. 6/2014, zoals ingediend door de Commissie en zoals gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2014;

2.  merkt op dat de verlaging van de begrotingsmiddelen voor het EFMZV en de reserve voor partnerschapsovereenkomsten voor duurzame visserij in totaal 76,3 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 6,2 miljoen EUR aan betalingskredieten beloopt, met als voornaamste oorzaken dat de rechtsgrond voor het fonds later dan gepland is goedgekeurd en dat de beoordeling van de stand van de onderhandelingen over eerder genoemde visserijakkoorden is bijgesteld;

3.  juicht het voorstel toe om 6,2 miljoen EUR van de in paragraaf 2 bedoelde besparingen op de betalingskredieten tot het einde van het jaar te gebruiken als bijdrage in de financiering van eventuele humanitaire noodhulp;

4.  onderstreept dat het effect van OGB nr. 6/2014 globaal gezien neerkomt op een verlaging van de bni-bijdragen met 4 515,5 miljoen EUR en een stijging van de geraamde traditionele eigen middelen met 420 miljoen EUR;

5.  onderschrijft de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 goedgekeurde gezamenlijke conclusies met het oog op aanvaarding van OGB nr. 6/2014, zoals gewijzigd bij de nota van wijzigingen, waaronder een verschuiving van de uitgavenkant naar OGB nr. 3/2014 en OGB nr. 4/2014;

6.  wijst erop dat door de goedkeuring van OGB nr. 6/2014 de behoefte aan bni-bijdragen van de lidstaten met 4 515,5 miljoen EUR zal dalen en dat daardoor, in combinatie met de lagere bni-bijdragen van de lidstaten aan de begroting van de Unie als gevolg van OGB nr. 3/2014, OGB nr. 4/2014 en OGB nr. 8/2014, volledige compensatie wordt geboden voor de bijkomende betalingskredieten waarom is gevraagd in OGB nr. 3/2014, zoals overeengekomen in de gezamenlijke conclusies van 8 december 2014;

7.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2014 goed;

8.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 5/2014 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie: Overstromingen in Servië, Kroatië en Bulgarije
PDF 373kWORD 183k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, overeenkomstig punt 11 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (overstromingen in Servië, Kroatië en Bulgarije) (COM(2014)0648 – C8-0223/2014 – 2014/2161(BUD))
P8_TA(2014)0094A8-0075/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0648 – C8‑0223/2014),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 10 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11 hiervan,

–  gezien de door het bemiddelingscomité op 8 december 2014 goedgekeurde gezamenlijke conclusies,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0075/2014),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/437.)

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2014: Overstromingen in Servië, Kroatië en Bulgarije
PDF 215kWORD 184k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2014 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie (16744/2014 – C8-0292/2014 – 2014/2163(BUD))
P8_TA(2014)0095A8-0072/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, definitief vastgesteld op 20 november 2013(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2014, goedgekeurd door de Commissie op 17 oktober 2014 (COM(2014)0650),

–  gezien de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 overeengekomen gezamenlijke conclusies,

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2014, vastgesteld door de Raad op 12 december 2014 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (16744/2014 – C8-0292/2014),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0072/2014),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2014 betrekking heeft op de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU (SFEU) ter hoogte van 79 726 440 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten in verband met de overstromingen in Servië en Kroatië in mei 2014 en de overstromingen in Bulgarije in juni 2014;

B.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2014 tot doel heeft deze budgettaire aanpassing formeel op te nemen in de begroting 2014;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 7/2014, zoals ingediend door de Commissie;

2.  benadrukt dat de financiële steun uit hoofde van het SFEU voor de landen die door deze natuurramp zijn getroffen dringend beschikbaar moet worden gesteld;

3.  onderstreept dat het tekort aan betalingskredieten voor 2014, dat de onderliggende reden vormde voor de presentatie van OGB nr. 3/2014 en het bijgaande voorstel van de Commissie om gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven, a priori de mogelijkheid om de middelen voor OGB nr. 7/2014 te vinden via herschikking uitsluit;

4.  onderschrijft de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 goedgekeurde gezamenlijke conclusies met het oog op de goedkeuring van de opname van een totaalbedrag van 80 miljoen EUR aan aanvullende vastleggingskredieten in de begroting 2014 en de verschuiving van de overeenkomstige betalingskredieten naar de begroting 2015;

5.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2014 goed;

6.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 6/2014 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2014: Overschot van de uitvoering van de begroting 2013
PDF 217kWORD 187k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2014 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie (16745/2014 – C8-0293/2014 – 2014/2225(BUD))
P8_TA(2014)0096A8-0079/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, definitief vastgesteld op 20 november 2013(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2014, goedgekeurd door de Commissie op 15 april 2014 (COM(2014)0234),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2014, goedgekeurd door de Commissie op 27 november 2014 (COM(2014)0722),

–  gezien de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 overeengekomen gezamenlijke conclusies,

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2014, vastgesteld door de Raad op 12 december 2014 en toegezonden aan het Europees Parlement op dezelfde dag (16745/2014 – C8-0293/2014),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0079/2014),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 8/2014 door de Commissie is ingediend omdat het bemiddelingscomité geen overeenstemming wist te bereiken over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2014, dat wat betreft doelstelling en inhoud gelijk was aan OGB nr. 8/2014;

B.  overwegende dat OGB nr. 8/2014 dient om het overschot van het begrotingsjaar 2013, te weten 1 005 miljoen EUR, op te nemen op de begroting 2014;

C.  overwegende dat dit overschot hoofdzakelijk bestaat uit hogere inkomsten ten belope van 771 miljoen EUR, onderbestedingen van 276 miljoen EUR, en negatieve wisselkoersverschillen van 42 miljoen EUR;

D.  overwegende dat de hogere inkomsten voornamelijk afkomstig zijn van boetes en rente op te late betalingen (1 331 miljoen EUR), en dat het bedrag van de feitelijk geïnde eigen middelen ten opzichte van de begrote eigen middelen afneemt (- 226 miljoen EUR) en de inkomsten uit overschotten, saldi en aanpassingen eveneens dalen (- 360 miljoen EUR);

E.  overwegende dat aan de uitgavenzijde de niet-volledige besteding van kredieten voor 2013 (107 miljoen EUR) en voor 2012 (54 miljoen EUR) niet het resultaat was van een verminderde absorptiecapaciteit, maar dat in feite alle beschikbare indicatoren erop duiden dat er in de begroting van zowel 2012 als 2013 een tekort was aan betalingskredieten;

F.  overwegende dat overeenkomstig artikel 18 van het Financieel Reglement deze gewijzigde begroting enkel ten behoeve van het verschil tussen de voorlopige rekeningen en de ramingen in de begroting van het volgende begrotingsjaar wordt opgesteld en dat een zodanig overschot door middel van deze gewijzigde begroting in de begroting van de Unie wordt opgenomen;

1.  neemt kennis van het door de Commissie ingediende OGB nr. 8/2014 dat uitsluitend tot doel heeft het overschot van 2013, ter hoogte van 1 005 miljoen EUR, in de begroting op te nemen, overeenkomstig artikel 18 van het Financieel Reglement, alsmede van het standpunt van de Raad hierover;

2.  merkt op dat OGB nr. 8/2014 door de Commissie is ingediend omdat het bemiddelingscomité geen overeenstemming wist te bereiken over OGB nr. 2/2014, dat wat betreft doelstelling en inhoud gelijk was en dat door de Raad tijdens zijn lezing op 17 juli 2014 was goedgekeurd, maar waarop het Parlement op 22 oktober 2014 een amendement voorstelde om de politieke en procedurele koppeling van dit OGB met OGB's nr. 3, 4, 5, 6 en 7/2014 te handhaven;

3.  wijst erop dat het bemiddelingscomité er niet in slaagde overeenstemming te bereiken over OGB nr. 2/2014, omdat het Parlement en de Raad van mening verschilden over de uitstaande betalingsbehoeften met betrekking tot 2014 en over het pakket OGB's nr. 2 tot en met 7/2014, maar dat dit meningsverschil geen betrekking had op OGB nr. 2/2014 op zich;

4.  herinnert eraan dat de vaststelling van OGB nr. 8/2014 zal leiden tot een verlaging van de BNI-bijdrage van de lidstaten aan de begroting van de Unie met 1 005 miljoen EUR en derhalve hun bijdrage aan de financiering van OGB's nr. 3, 5 en 7/2014 deels zal compenseren;

5.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2014 goed;

6.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 7/2014 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 20.2.2014, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.


Eigen middelen van de Unie – aanpassing van de nationale bijdragen van de lidstaten *
PDF 227kWORD 190k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom, betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (COM(2014)0704 – C8-0250/2014 – 2014/0332(NLE))
P8_TA(2014)0097A8-0066/2014

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2014)0704),

–  gezien artikel 322, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0250/2014),

–  gezien de brief van de Commissie begrotingscontrole,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0066/2014),

A.  overwegende dat uit de laatste statistische herzieningen die de lidstaten zijn overeengekomen, is gebleken dat een aantal lidstaten over een aantal jaren minder bijdroeg aan de begroting van de Unie dan verschuldigd, terwijl andere te veel bijdroegen; overwegende dat deze afwijkingen het gevolg zijn van de grote statistische veranderingen die de lidstaten hebben meegedeeld;

B.  overwegende dat de thans geldende voorschriften, die met eenparigheid van stemmen in de Raad zijn overeengekomen, zouden hebben geleid tot een snelle correctie van de te weinig en te veel betaalde bedragen;

C.  overwegende dat de lidstaten in het verleden over het algemeen zonder significante vertraging hun op het bni en de btw gebaseerde bijdragen aan de EU-begroting integraal hebben betaald, ook in tijden van crisis en grote druk op hun begroting;

D.  overwegende dat sommige lidstaten, die in het verleden geprofiteerd hebben van onderschattingen van hun bni, te kennen hebben gegeven de extra verschuldigde bedragen niet binnen de wettelijke termijn te zullen betalen;

E.  overwegende dat de Raad de Commissie heeft verzocht een voorstel in te dienen om aan deze situatie tegemoet te komen door de betrokken regels te wijzigen en ermee in te stemmen de verschuldigde bedragen later en in termijnen te betalen;

F.  overwegende dat, gezien de lopende herziening van de regelgeving, zeven lidstaten besloten hebben hun respectieve bni- en btw-saldi op de eerste werkdag van december 2014 niet op de EU-rekening te boeken; overwegende dat de Commissie vervolgens de bedragen die aanvankelijk in OGB nr. 6/2014 waren opgenomen, heeft herzien om rekening te houden met de bedragen die op deze datum daadwerkelijk ter beschikking waren;

G.  overwegende dat dit gebeurt net nadat de instellingen een wetgevingsproces hebben afgerond, dat in 2011 van start is gegaan, voor de herziening van de wetgeving inzake de eigen middelen, en nog vóór dit nieuwe wetgevingspakket in werking is getreden;

H.  overwegende dat dit voorstel deel uitmaakt van het ruimere onderhandelingspakket over de gewijzigde begrotingen 2014 en de begroting 2015;

I.  overwegende dat, omwille van de transparantie, in het kader van de begrotingsprocedure jaarlijks een verslag over de berekeningen en de onderliggende gegevens voor de aanpassing van het btw- en bni-saldo bij het Parlement moet worden ingediend en dat het Parlement hiervoor de nodige tijd moet krijgen om dit te behandelen, en dat de lidstaten de datums en het bedrag van de aflossingen aan het Parlement moeten meedelen;

J.  overwegende dat Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 bijgevolg in die zin moet worden gewijzigd;

1.  benadrukt dat dit voorstel tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 zijn oorsprong vindt in de eenmalige gevolgen van de toepassing van deze verordening voor bepaalde lidstaten;

2.  betreurt dat de kwestie van het uitstel van de aanpassingen van de nationale bijdragen binnen de Raad voorrang had boven het zoeken naar een standpunt inzake de onderhandelingen over de begroting 2014 en 2015, dat pas werd vastgesteld op de laatste dag van de bemiddelingsperiode van 21 dagen waarin artikel 314 VWEU voorziet, en dat dit heeft bijgedragen tot het feit dat het bemiddelingscomité er niet is in geslaagd overeenstemming te bereiken;

3.  benadrukt dat de flexibiliteit en de urgentie, waar de Raad unaniem op aandringt voor het tijdstip waarop de lidstaten hun bijdrage aan de begroting van de Unie moeten betalen, worden verworpen in een aantal van zijn delegaties met betrekking tot de soepele uitvoering van het MFK 2014-2020, met name de tijdige uitvoering van betalingen aan begunstigden van de begroting van de Unie;

4.  is bezorgd over de voorgestelde grotere vrijheid van de lidstaten betreffende het tijdstip waarop ze hun extra bijdragen op grond van de bni-aanpassingen aan de begroting van de Unie moeten betalen; benadrukt dat dit een precedent schept dat gevolgen kan hebben voor de begrotingsmiddelen van de Commissie, het tijdstip van de betalingen aan de begunstigden van de begroting van de Unie en, uiteindelijk, de geloofwaardigheid van de begroting van de Unie;

5.  benadrukt dat dit voorstel het stelsel van eigen middelen nog ingewikkelder maakt en bedoeld is om regelgeving te wijzigen die binnenkort, met terugwerkende kracht, zal worden vervangen door reeds goedgekeurde regelgeving; wijst in dit verband op de cruciale rol van de groep op hoog niveau inzake de eigen middelen om voorstellen te doen om de tekortkomingen van het huidige systeem weg te werken;

6.  erkent evenwel dat de aanpassingen voor de op de btw en het bni gebaseerde eigen middelen voor 2014 uitzonderlijk hoog zijn, wat voor bepaalde lidstaten een zware financiële last kan vormen;

7.  benadrukt dat het voorstel van de Commissie deel uitmaakt van een ruimer onderhandelingspakket over onder meer de gewijzigde begrotingen 2014 en de begroting 2015, en ziet er daarom van af dit voorstel te verwerpen;

8.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

9.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

10.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

11.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

12.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2
Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000
Artikel 10 – lid 7 bis – alinea 2
De lidstaten mogen de eerste alinea uitsluitend toepassen als zij de Commissie vóór de eerste werkdag van december in kennis hebben gesteld van hun besluit en van de datum of datums van boeking op de in artikel 9, lid 1, van deze verordening bedoelde rekening van het bedrag van de aanpassingen.
De lidstaten mogen de eerste alinea uitsluitend toepassen als zij de Commissie vóór de eerste werkdag van december in kennis hebben gesteld van hun besluit en van de datum of datums van boeking op de in artikel 9, lid 1, van deze verordening bedoelde rekening van het bedrag van de aanpassingen. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van een dergelijk besluit, met inbegrip van de betrokken lidstaten, het aantal afbetalingstermijnen, het bedrag van elke periodieke betaling en de datum van boeking op de betrokken rekening.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 bis (nieuw)
Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000
Artikel 10 – lid 8

Lid 8 wordt vervangen door:
"8. De in de leden 4 tot en met 7 genoemde verrichtingen vormen wijzigingen van de ontvangsten van het begrotingsjaar waarin zij plaatsvinden."
"8. De in de leden 4 tot en met 7 genoemde verrichtingen vormen wijzigingen van de ontvangsten van het begrotingsjaar waarin zij plaatsvinden. De Commissie brengt aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de wijzigingen van de ontvangsten uit hoofde van dit artikel."

Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie: door rampen getroffen regio’s
PDF 212kWORD 185k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, overeenkomstig punt 11 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2014)0348 – C8-0021/2014 – 2014/2038(BUD))
P8_TA(2014)0098A8-0077/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0348 – C8‑0021/2014),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 10 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11 hiervan,

–  gezien de door het Parlement en de Raad op 8 december 2014 overeengekomen gezamenlijke conclusies,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0077/2014),

A.  overwegende dat overeenkomstig Verordening (EU) nr. 661/2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2012/2002 een bedrag van 50 000 000 EUR beschikbaar is gesteld voor de betaling van voorschotten, en is voorgesteld de betrokken kredieten in de algemene begroting van de Unie op te nemen,

1.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/422.)

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument ten behoeve van de financiering van de Cypriotische Structuurfondsenprogramma's
PDF 219kWORD 186k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument, overeenkomstig punt 12 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2014)0349 – C8-0022/2014 – 2014/2039(BUD))
P8_TA(2014)0099A8-0071/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0349 – C8-0022/2014),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), (MFK-verordening), en met name artikel 11 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(2), en met name punt 12 hiervan,

–  gezien het nieuwe ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, dat de Commissie op 28 november 2014 heeft goedgekeurd (COM(2014)0723),

–  gezien het standpunt inzake het nieuwe ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, vastgesteld door de Raad op 12 december 2014 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (16739/2014 – C8‑0287/2014),

–  gezien zijn standpunt van 17 december 2014(3) inzake het ontwerp van algemene begroting 2015,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0071/2014),

A.  overwegende dat het, na alle mogelijkheden voor een herschikking van vastleggingskredieten binnen subrubriek 1b te hebben onderzocht, nodig is middelen uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen ten behoeve van vastleggingskredieten;

B.  overwegende dat de Commissie voorgesteld heeft het flexibiliteitsinstrument te gebruiken om, bovenop de maxima van het MFK, de financiële middelen op de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 aan te vullen met 79,8 miljoen EUR aan vastleggingskredieten, ten behoeve van de toewijzing van aanvullende middelen aan de structuurfondsen voor Cyprus voor een totaalbedrag van 100 miljoen EUR voor 2015;

1.  wijst erop dat, ondanks de geringe verhoging van de vastleggingskredieten voor een beperkt aantal begrotingsposten, het plafond van subrubriek 1b voor 2015 geen passende financiering van belangrijke en urgente politieke prioriteiten van de Unie toelaat;

2.  gaat derhalve akkoord met het gebruik van het flexibiliteitsinstrument en wijzigt het voorstel van de Commissie, teneinde de aanvullende toewijzing voor de Cypriotische structuurfondsenprogramma's uit subrubriek 1b te financieren tot een bedrag van 83,26 miljoen EUR;

3.  herhaalt dat het gebruik van dit instrument, zoals bedoeld in artikel 11 van de MFK-verordening, eens te meer aantoont dat de EU-begroting absoluut flexibel moet zijn;

4.  herhaalt het standpunt dat het van oudsher verdedigt, namelijk dat, onverminderd de mogelijkheid om via het flexibiliteitsinstrument betalingskredieten voor specifieke begrotingslijnen beschikbaar te stellen zonder eerst middelen vast te leggen, de betalingen die voortvloeien uit eerder via het flexibiliteitsinstrument beschikbaar gestelde vastleggingskredieten alleen buiten de plafonds kunnen worden geboekt;

5.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

6.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/421.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0100.


Nieuwe algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015
PDF 465kWORD 223k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (16739/2014 – C8-0287/2014 – 2014/2224(BUD))
P8_TA(2014)0100A8-0067/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4) (IIA van 2 december 2013),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting voor 2015, afdeling III - Commissie(5),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2014 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2015(6),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, goedgekeurd door de Commissie op 24 juni 2014 (COM(2014)0300),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, vastgesteld door de Raad op 2 september 2014 en toegezonden aan het Europees Parlement op 12 september 2014 (12608/2014 – C8-0144/2014),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2014 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(7),

–  gezien het feit dat het bemiddelingscomité geen gemeenschappelijke tekst is overeengekomen binnen de termijn van 21 dagen als bedoeld in artikel 314, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het nieuwe ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, goedgekeurd door de Commissie op 27 november 2014 (COM(2014)0723) overeenkomstig artikel 314, lid 8, van het VWEU,

–  gezien de conclusies van de begrotingstrialoog van 8 december 2014,

–  gezien het standpunt over het nieuwe ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, dat de Raad op 12 december 2014 heeft vastgesteld (16739/2014 – C8-0287/2014) en op dezelfde dag heeft toegezonden aan het Parlement,

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0067/2014),

1.  brengt in herinnering dat het "ontwerppakket" als aangehecht in bijlage waarover na moeizame onderhandelingen overeenstemming is bereikt tussen het Parlement en de Raad tijdens de trialoog van 8 december 2014, uit drie onderdelen bestaat: ontwerpen van gewijzigde begroting 3-8/2014 voor een totaalbedrag van 49,8 miljoen EUR aan vastleggingskredieten plus 3 529,6 miljoen EUR vers geld aan betalingskredieten, de begroting van de Unie voor 2015, vastgesteld op 145 321,5 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 141 214 miljoen EUR aan betalingskredieten, en zes gezamenlijke en drie unilaterale verklaringen;

2.  benadrukt dat het nieuwe niveau van de extra betalingskredieten voor de begroting 2014 de Commissie weliswaar in staat stelt om in de meest urgente betalingsbehoeften in 2014 te voorzien, maar dat het niet voldoende zal zijn om het terugkerende sneeuwbaleffect van onbetaalde rekeningen in 2015 op te lossen; legt derhalve de nadruk op de gezamenlijke verklaring over een betalingsplan die bij het overeenkomstpakket over de begrotingen 2014 en 2015 is gevoegd;

3.  is er echter van overtuigd dat er in de komende jaren meer moet worden gedaan om het niveau van de onbetaalde rekeningen tot een houdbaar niveau terug te brengen, in het bijzonder met betrekking tot het cohesiebeleid; wijst in dit verband met klem op de gezamenlijke toezegging van de drie -instellingen van de Unie, neergelegd in de gezamenlijke verklaring over een betalingsplan die bij het overeenkomstpakket over de begrotingen 2014 en 2015 is gevoegd, dat alle mogelijke manieren om het niveau van die onbetaalde rekeningen te reduceren zullen worden overwogen;

4.  is ingenomen met de verhoging van de totale vastleggingskredieten met 244,2 miljoen EUR ten opzichte van het oorspronkelijke standpunt van de Raad van 2 september 2014; is ingenomen met het feit dat de 521,9 miljoen EUR die de Raad uit de vastleggingskredieten had gesnoeid, volledig terug zijn en dat er nog eens 170,7 miljoen EUR aan vastleggingen toegevoegd zijn, onder meer het volledige pakket proefprojecten en voorbereidende acties en de 95 miljoen EUR voor Horizon 2020, Cosme, Erasmus en humanitaire steun;

5.  betreurt echter dat de Raad opnieuw niet bereid was zijn politieke verklaringen hard te maken door voldoende begrotingsmiddelen beschikbaar te stellen voor de ondersteuning van werkgelegenheid en groei en voor de internationale verplichtingen van de Unie, zoals blijkt uit het feit dat hij er niet mee wilde instemmen om MFK-maxima voor de rubrieken 1a en 4 te verhogen; is blij dat de bij de onderhandelingen verkregen verhogingen beantwoorden aan de politieke prioriteiten van het Parlement; betreurt het in dit verband echter dat de Raad geen beleidsprioriteiten meer lijkt te hebben en alleen maar geïnteresseerd is in een zo groot mogelijke horizontale beperking van de uitgaven;

6.  juicht het toe dat er dankzij extra bestemmingsontvangsten in het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevolge de Nota van wijzigingen nr. 1/2015 van de Commissie een oplossing is gevonden voor de financiering van 273,6 miljoen EUR aan noodmaatregelen naar aanleiding van het Russische invoerverbod voor levensmiddelen zonder dat daarvoor van meet af aan de reserve voor crises in de landbouwsector wordt aangesproken;

7.  is ingenomen met het feit dat het totale niveau van de betalingskredieten voor 2015 1,6 % hoger ligt dan in de begroting 2014 en 1 217,1 miljoen EUR meer bedraagt dan in de eerste lezing van de Raad; is bijzonder verheugd dat de betalingsniveaus die in de rubrieken 1a en 4 zijn verkregen dankzij een herschikking van 448,5 miljoen EUR en de extra bestemmingsontvangsten van de eerste Nota van wijzigingen boven de oorspronkelijke ontwerpbegroting van 24 juni 2014 liggen;

8.  tekent daar echter bij aan dat de begrotingsonderhandelingen, en met name die over de betalingen, de afgelopen jaren steeds moeilijker zijn geworden, vooral vanwege de starre opstelling van de Raad; wijst er andermaal op dat de belangrijkste functie van de begrotingsprocedure gelegen moet zijn in het bereiken van overeenstemming over de beleidsprioriteiten voor begrotingsverplichtingen, terwijl de betalingen louter moeten worden gezien als een technische follow-up om aan deze verplichtingen te voldoen; herinnert de Raad aan de definitie van de soorten kredieten in artikel 10, lid 3, van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en de uitvoeringsvoorschriften daarbij, waarin staat dat betalingskredieten de betalingen dekken die voortvloeien uit de uitvoering van de juridische verbintenissen die in het begrotingsjaar of voorafgaande begrotingsjaren zijn aangegaan;

9.  is blij dat de Raad uiteindelijk heeft ingestemd met de beschikbaarstelling van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2014, zij het voor een lager bedrag dan wat nodig is; is voorts ingenomen met de algemene verhoging van de betalingen in de begroting 2014, op een aantal begrotingslijnen tot een niveau van 4,2 miljard EUR, waarvan 3 168,2 miljoen EUR beschikbaar zal worden gesteld via de marge voor onvoorziene uitgaven voor 2014, alsook met het feit dat de verhogingen die in OGB nr. 3/2014 waren voorgesteld voor de betalingskredieten van de rubrieken 1a en 4 in ruime mate in stand zijn gebleven in het uiteindelijke compromis; merkt op dat de verhogingen hoofdzakelijk voor rubriek 1b bestemd zijn, waar het probleem van de onbetaalde rekeningen aan het eind van het jaar momenteel het grootst is; herinnert eraan dat het Parlement al in zijn lezing van de begroting 2014 was ingegaan op de grotere behoefte aan betalingen (de uiteindelijke overeenkomst was 983 miljoen EUR lager dan het standpunt van het Parlement); verzoekt de Raad niet elk jaar weer te proberen om de Uniebegroting kunstmatig omlaag te brengen;

10.  keurt het echter af dat de Raad niet het volledige bedrag van de extra ontvangsten uit boetes wil gebruiken om resterende betalingsbehoeften te dekken; is van mening dat, zolang de betalingscrisis niet is opgelost, alle meevallers volledig moeten worden gebruikt om dit probleem aan te pakken; herinnert eraan dat het ontwerppakket bereikt is omdat het voldeed aan het verzoek van het Parlement om het probleem van de uitstaande betalingen te stabiliseren; benadrukt echter dat een echte oplossing van de uniale betalingscrisis een passende beperking van het aantal onbetaalde rekeningen vereist;

11.  betreurt dat het thema van het uitstellen van aanpassingen van de nationale bijdragen in de Raad voorrang had boven het vaststellen van een onderhandelingsstandpunt over de begrotingen voor 2014 en 2015, en dat dit standpunt pas werd vastgesteld op de laatste dag van de bemiddelingsperiode van 21 dagen waarin artikel 314 VWEU voorziet, wat ertoe heeft bijgedragen dat het Bemiddelingscomité er niet in slaagde om tot een akkoord te komen;

12.  herinnert eraan dat artikel 310 VWEU voorschrijft dat de ontvangsten en uitgaven op de Uniebegroting in evenwicht moeten zijn;

13.  hecht het grootste politieke belang aan de gezamenlijke verklaringen die tussen het Parlement, de Raad en de Commissie overeengekomen zijn, in het bijzonder die over het betalingsplan en het gebruik van speciale instrumenten; dringt erop aan dat het betalingsplan zo snel mogelijk wordt afgerond, en in elk geval voordat de Commissie de ontwerpbegroting voor 2016 goedkeurt; benadrukt eens temeer dat het Parlement met het MFK had ingestemd met dien verstande dat alle speciale instrumenten voor betalingen boven de maxima gefinancierd zouden worden en dat elke andere interpretatie automatisch tot heropening van de MFK-overeenkomst zou leiden;

14.  herhaalt het standpunt dat het Parlement al lang huldigt, namelijk dat de betalingen van speciale instrumenten boven de MFK-maxima moeten worden berekend, zoals dat ook bij de vastleggingen het geval is; betreurt dat het opnieuw niet mogelijk was om hierover een akkoord te bereiken met de Raad; benadrukt echter dat al het mogelijke moet worden gedaan om hierover zo spoedig mogelijk tot vaste afspraken te komen;

15.  bevestigt zijn standpunt dat een ingrijpende hervorming van het stelsel van eigen middelen noodzakelijk is om uit de huidige impasses in de begrotingsonderhandelingen te geraken en hecht derhalve het hoogste belang aan het werk van de door Mario Monti voorgezeten werkgroep op hoog niveau over de eigen middelen;

16.  betreurt het dat de Raad noch de Commissie bereid zijn de agentschappen van de Unie van de benodigde middelen te voorzien, met name op het gebied van personeel, om de taken die hun door de wetgevingsautoriteiten zijn opgedragen te kunnen vervullen, en benadrukt dat de huidige overeenkomst niet betekent dat het Parlement het eens is met het door de Commissie voorgestelde concept van "herindelingspool"; betreurt bovendien ten zeerste de bezuinigingen op het personeel van agentschappen die vooral met vergoedingen worden bekostigd en acht die ongerechtvaardigd omdat de betrokken posten niet uit de Uniebegroting gefinancierd worden;

17.  is verheugd over de verhoging van de kredieten voor de negen nieuwe rechters van het Hof van Justitie; herhaalt dat alle nodige maatregelen zullen worden genomen om de wetgevingsprocedure voor 1 oktober 2015 af te ronden, zodat het aantal rechters effectief kan worden verhoogd; verzoekt de Raad derhalve met klem onverwijld tot een overeenstemming te komen over de verdeling van de posten voor de nieuwe rechters; verlangt dat het Hof tijdig een volledig actuele evaluatie maakt van de extra financiële behoeften voor nieuwe rechters en hun personeel en die aan het Parlement voorlegt; wijst er andermaal op dat de behoefte aan extra personeel in verband met de benoeming van negen rechters op zorgvuldige wijze moet worden beoordeeld;

18.  is ingenomen met de tenuitvoerlegging van de eerste fase van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's; meent dat deze overeenkomst een goed voorbeeld is van hoe er tussen de instellingen synergieën tot stand kunnen worden gebracht, die de efficiëntie zullen verhogen en tot besparingen zullen leiden; verwacht dat de tweede fase van die overeenkomst tegen juli 2015 wordt afgerond;

19.  is ingenomen met de begrotingsneutrale verplaatsing van de "gezamenlijke administratieve kosten" voor personeel van de Commissie in delegaties van afdeling III (Commissie) naar afdeling X (EDEO) van de begroting; herhaalt dat deze verschuiving in de lijn ligt van de vereenvoudiging van het beheer van de administratieve uitgaven van de Uniedelegaties en geen verdere gevolgen zou moeten hebben voor de huishoudelijke kredieten van de Commissie, noch voor de arbeidsomstandigheden van personeel van de Commissie in delegaties; dringt erop aan dat deze overdracht wordt uitgevoerd in goede samenwerking tussen de EDEO en de Commissie;

20.  betreurt in het algemeen het onvermogen van de Raad om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen, vooral tijdens de 21 dagen durende bemiddelingsperiode en met betrekking tot de ontwerpen van gewijzigde begroting, en verzoekt de Raad en de Commissie aan het begin van 2015 gezamenlijk afspraken te maken over hoe de begrotingsprocedure kan worden verbeterd, teneinde te zorgen voor een soepeler verloop van de vaststelling van de begroting van de Unie voor 2016, die het begin moet zijn van een nieuwe structurele aanpak van de Uniebegroting waarin onnodige en steeds weer terugkerende conflicten zoveel mogelijk worden vermeden en gezorgd moet worden voor meer consensus tussen de gesprekspartners met betrekking tot de mate waarin unie-uitgaven bijdragen tot de door alle partijen nagestreefde groei en werkgelegenheid voor de unie;

21.  keurt het standpunt van de Raad inzake het nieuwe ontwerp van begroting voor 2015 en de aan deze resolutie gehechte gezamenlijke verklaringen zonder amendementen goed;

22.  verzoekt zijn Voorzitter te verklaren dat de begroting definitief is vastgesteld en te zorgen voor de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE

ONTWERPPAKKET

Begroting 2015 – Gezamenlijke conclusies

Dit pakket voorstellen heeft betrekking op de volgende punten:

1.  Begroting 2015

2.  Begroting 2014 - Ontwerpen van gewijzigde begroting nr. 3/2014 tot en met 8/2014

3.  Gezamenlijke verklaringen

SAMENVATTING

A.  Begroting 2015

Het ontwerppakket behelst het volgende:

—  de totale hoogte van de vastleggingskredieten in de begroting 2015 bedraagt 145 321,5 miljoen euro. In het totaal resteert er daardoor een marge onder de MFK-plafonds voor 2015 van 1 760,1 miljoen euro aan vastleggingskredieten;

—  de totale hoogte van de betalingskredieten in de begroting 2015 bedraagt 141 214,0 miljoen euro. Dit omvat een bedrag van 126,7 miljoen euro dat betrekking heeft op de beschikbaarstelling uit het Solidariteitsfonds van de EU in verband met de ontwerpen van gewijzigde begroting nr. 5/2014 en nr. 7/2014;

—  het flexibiliteitsinstrument voor 2015 wordt aangesproken voor een bedrag van 83,3 miljoen euro aan vastleggingskredieten;

—  de betalingskredieten van 2015 in verband met de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor aanvullende steun aan Cyprus in 2014 en 2015 worden door de Commissie geraamd op 11,3 miljoen EUR.

B.  Begroting 2014

Het ontwerppakket behelst het volgende:

—  de ontwerpen van gewijzigde begroting nr. 3/2014 tot en met 8/2014 worden aanvaard zoals voorgesteld door de Commissie, met de in punt 2 beschreven uitzonderingen;

—  de vastleggingskredieten in de begroting 2014 worden derhalve verhoogd met 49,8 miljoen EUR, als gevolg van de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (ten belope van 126,7 miljoen EUR) in verband met de ontwerpen van gewijzigde begroting nr. 5/2014 en nr. 7/2014; dit wordt ten dele gecompenseerd door de verlaging van de vastleggingskredieten met 76,9 miljoen EUR in de ontwerpen van gewijzigde begroting nr. 3/2014, nr. 4/2014 en nr. 6/2014 (die hoofdzakelijk betrekking hebben op de visserij);

—  de totale hoogte van de betalingskredieten in de begroting 2014 bedraagt bijgevolg 3 529,6 miljoen EUR;

—  uit de marge voor onvoorziene uitgaven voor 2014 wordt een bedrag van 2 818,2 miljoen EUR plus 350 miljoen EUR aan betalingskredieten beschikbaar gesteld, in overeenstemming met de gezamenlijke verklaring betreffende speciale instrumenten, zoals uiteengezet in punt 3.3 hierna.

1.  BEGROTING 2015

1.1.  "Afgesloten" lijnen

Tenzij verder in deze conclusies anders is vermeld, worden alle begrotingslijnen die niet zijn gewijzigd door de Raad of het Europees Parlement, en die waarvoor het Europees Parlement heeft ingestemd met de wijzigingsvoorstellen van de Raad (tijdens de lezing ervan in beide instellingen), bevestigd.

Voor de overige begrotingsposten hebben het Europees Parlement en de Raad overeenstemming bereikt over de conclusies in de hierna volgende punten 1.2 tot en met 1.7.

1.2.  Horizontale vraagstukken

a)  Gedecentraliseerde agentschappen

De bijdrage van de EU (vastleggings- en betalingskredieten) en het aantal posten voor alle gedecentraliseerde agentschappen wordt bepaald op de hoogte die de Commissie heeft voorgesteld in de nieuwe ontwerpbegroting (OB):

Verhoging van het aantal formatieplaatsen en de bijbehorende kredieten ten opzichte van de oorspronkelijke OB:

—  Europese Bankautoriteit (EBA): +9 ambten en +585 000 EUR;

—  Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA): +3 ambten en +195 000 EUR;

—  Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA): +4 ambten en +260 000 EUR;

—  Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO): +4 ambten en +260 000 EUR; en

—  Europese Politiedienst (Europol): +5 ambten, in combinatie met een verlaging met 600 000 EUR);

Voor Frontexis er een stijging van de beleidsuitgaven met 20 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en aan betalingskredieten voorzien.

b)  Uitvoerende agentschappen

De bijdrage van de EU (vastleggings- en betalingskredieten) en het aantal posten voor alle uitvoerende agentschappen wordt bepaald op de hoogte die de Commissie heeft voorgesteld in de nieuwe OB.

c)  Proefprojecten/Voorbereidende Acties

Een uitgebreid pakket van 59 proefprojecten/voorbereidende acties (PP/VA), zoals voorgesteld in de nieuwe OB, zowel voor vastleggings- als betalingskredieten. Wanneer voor een proefproject of een voorbereidende actie een bestaande rechtsgrond lijkt te bestaan, kan de Commissie voorstellen de kredieten over te schrijven naar de overeenkomstige rechtsgrond om de uitvoering van de actie te vergemakkelijken.

Dit pakket is volledig in overeenstemming met de maxima voor proefprojecten en voorbereidende acties waarin het Financieel Reglement voorziet.

d)  Gemeenschappelijke administratieve kosten van de EU-delegaties

Afgesproken is de "gemeenschappelijke administratieve kosten van delegaties van de EU" over te dragen van de afdeling Commissie naar de afdeling EDEO, zoals voorgesteld in de nieuwe ontwerpbegroting.

1.3.  Uitgaven per rubriek van het financieel kader - vastleggingskredieten

Met inachtneming van de bovenstaande conclusies betreffende de "afgesloten" begrotingslijnen, de agentschappen en de proefprojecten en voorbereidende acties, hebben het Europees Parlement en de Raad overeenstemming bereikt over het volgende:

a)  Subrubriek 1a

De vastleggingskredieten worden bepaald op de hoogte die de Commissie heeft voorgesteld in de nieuwe ontwerpbegroting om rekening te houden met de voorrang van de verbetering van de toegang tot financiering uit de EU-begroting, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's):

(× 1,000 EUR)

Begrotingslijn

Naam

Verhoging vastleggingskredieten

OB 2015

Nieuwe OB 2015

Verschil

02 02 02

Kleine en middelgrote ondernemingen meer toegang geven tot financiering in de vorm van eigen vermogen en schuld

162 791,7

174 791,7

12 000,0

04 03 02 03

Microfinanciering en sociaal ondernemerschap — bevordering van de toegang tot financiering voor ondernemers, met name voor wie die het verst van de arbeidsmarkt af staat, en sociale ondernemingen

24 957,0

26 457,0

1 500,0

08 02 02 02

De toegang tot risicofinanciering voor investeringen in onderzoek en innovatie verbeteren

337 534,7

342 534,7

5 000,0

Totaal

18 500,0

Bovendien zijn de volgende verhogingen van vastleggingskredieten ten opzichte van de nieuwe ontwerpbegroting aanvaard:

(× 1,000 EUR)

Begrotingslijn

Naam

Nieuwe OB 2015

Begroting 2015

Verschil

02 02 01

Ondernemerschap bevorderen en het concurrentievermogen en de toegang tot markten van ondernemingen in de Unie verbeteren

106 561,8

108 561,8

2 000,0

02 04 03 02

Veilige Europese samenlevingen bevorderen

148 235,9

153 235,9

5 000,0

08 02 01 01

Stimuleren van grensverleggend onderzoek in de Europese Onderzoeksraad

1 631 723,2

1 650 723,2

19 000,0

08 02 02 01

Leiderschap in nanotechnologie, geavanceerde materialen, lasers, biotechnologie en geavanceerde fabricage- en verwerkingsprocessen

498 592,7

503 592,7

5 000,0

08 02 03 05

Een hulpbronnenefficiënte en klimaatbestendige economie en een duurzame grondstoffenbevoorrading tot stand brengen

291 719,4

297 719,4

6 000,0

09 04 02 01

Leiderschap op het gebied van de informatie- en communicatietechnologie

819 154,4

824 154,4

5 000,0

09 04 03 02

Inclusieve, innovatieve en reflexieve Europese samenlevingen bevorderen

41 725,8

43 725,8

2 000,0

15 02 01 01

Bevordering van uitmuntendheid en samenwerking in de Europese onderwijs- en opleidingssector en het belang daarvan voor de arbeidsmarkt

1 336 476,0

1 348 476,0

12 000,0

15 02 01 02

Bevordering van uitmuntendheid en samenwerking op het gebied van de Europese jeugd en de participatie van jongeren aan het Europees democratisch leven

161 745,0

165 245,0

3 500,0

15 02 03

Ontwikkeling van de Europese dimensie van de sport

20 439,0

20 939,0

500,0

15 03 01 01

Marie Skłodowska-Curie-acties — Nieuwe vaardigheden, kennis en innovatie genereren, ontwikkelen en overdragen

734 668,4

737 668,4

3 000,0

Totaal

63 000,0

Bijgevolg, en rekening houdend met de proefprojecten, de voorbereidende acties en de overdracht van de gemeenschappelijke kosten van EU-delegaties naar de afdeling EDEO, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten 17 551,7 miljoen EUR, waardoor er een marge van 114,3 miljoen EUR onder het uitgavenplafond van subrubriek 1a ontstaat.

b)  Subrubriek 1b

De vastleggingskredieten worden bepaald op de hoogte die is voorgesteld in de nieuwe OB (proefprojecten onder subrubriek 1b).

Rekening houdend met de proefprojecten en voorbereidende acties, de beschikbaarstelling van 83,3 miljoen EUR van het flexibiliteitsinstrument voor aanvullende steun aan Cyprus, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten bepaald op 49 230,3 miljoen EUR.

c)  Rubriek 2

De vastleggingskredieten worden bepaald op de hoogte die de Commissie heeft voorgesteld in de nieuwe OB.

Op basis van de nieuwe elementen die zijn opgedoken sinds de indiening van de nota van wijzigingen nr. 1/2015, met name de informatie over het daadwerkelijke gebruik van de maatregelen die sinds augustus 2014 werden genomen om te reageren op het Russische verbod op de invoer van voedsel, het definitieve overschot van het ELGF voor 2014 en de geactualiseerde prognose van de financiële correcties die in 2015 zullen worden geïnd, kunnen de hierboven bedoelde noodmaatregelen (inclusief die voor de zuivelsector in de Baltische staten, waarvoor de Commissie op 26 november 2014 een pakket heeft aangenomen, en voor Finland zodra aan de voorwaarden is voldaan), worden gefinancierd binnen de gevraagde kredieten in NvW nr. 1/2015 zonder een beroep te doen op de reserve voor de landbouwcrisis, dankzij deze extra bestemmingsontvangsten.

Bijgevolg, en rekening houdend met de proefprojecten, de voorbereidende acties en de overdracht van de gemeenschappelijke kosten van de EU-delegaties naar de afdeling EDEO, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten bepaald op 58 808.6 miljoen EUR, waardoor er een marge van 790,4 miljoen EUR onder het uitgavenplafond van rubriek 2 ontstaat.

d)   Rubriek 3

De vastleggingskredieten worden bepaald op de hoogte die de Commissie heeft voorgesteld in de nieuwe ontwerpbegroting, met name in verband met de stijging van de operationele uitgaven van Frontex, die wordt gecompenseerd door een verlaging van post 18 02 01 01 (Steun voor grensbeheer en een gemeenschappelijk visumbeleid om legitiem reizen te vergemakkelijken).

Bijgevolg, en rekening houdend met de proefprojecten en de voorbereidende acties, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten bepaald op 2 146,7 miljoen EUR, waardoor er een marge van 99,3 miljoen EUR onder het uitgavenplafond van rubriek 3 ontstaat.

e)  Rubriek 4

De vastleggingskredieten worden bepaald op de hoogte die de Commissie heeft voorgesteld in de nieuwe OB, in het bijzonder wat betreft de overdracht van de gemeenschappelijke administratieve uitgaven van de delegaties naar de afdeling EDEO van de begroting.

Bovendien zijn de volgende verhogingen van vastleggingskredieten ten opzichte van de nieuwe ontwerpbegroting aanvaard:

(× 1,000 EUR)

Begrotingslijn

Naam

Nieuwe OB 2015

Begroting 2015

Verschil

21 03 01 04

Ondersteuning van het vredesproces en financiële bijstand aan Palestina en aan de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen (UNRWA)

264 500,0

286 500,0

22 000,0

23 02 01

Vertrekking van snelle, doeltreffende en op behoeften gebaseerde humanitaire hulp en voedselhulp

872 446,0

882 446,0

10 000,0

Totaal

32 000,0

De overdracht van de speciale vertegenwoordigers van de EU uit rubriek 4 naar rubriek 5 van de afdeling EDEO, zoals voorgesteld in de nieuwe OB, wordt echter niet aanvaard. Bijgevolg worden de vastleggings- en betalingskredieten van begrotingsonderdeel 19 03 01 07 (speciale vertegenwoordigers van de EU, rubriek 4) opnieuw bepaald op de hoogte voorgesteld in de oorspronkelijke ontwerpbegroting.

Bijgevolg, en rekening houdend met de proefprojecten, de voorbereidende acties en de overdracht van de gemeenschappelijke kosten van de EU-delegaties naar de afdeling EDEO, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten bepaald op 8 408,4 miljoen EUR, waardoor er een marge van 340,6 miljoen EUR onder het uitgavenplafond van rubriek 4 ontstaat.

f)   Rubriek 5

Het aantal ambten in de personeelsformaties van de instellingen en de vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de nieuwe ontwerpbegroting (OB):

—  daarin zijn meegenomen: de lezingen van het Europees Parlement en de Raad, voor hun eigen afdelingen in de begroting;

—  de lezing van het Europees Parlement voor het Hof van Justitie;

—  de lezing van het Europees Parlement voor de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, en en

—  voor de Europese Dienst voor extern optreden is de omvang van de kredieten die de Commissie heeft voorgesteld in de OB, verhoogd om rekening te houden met de begrotingsneutrale overdracht van kredieten betreffende de "gemeenschappelijke administratieve kosten van delegaties van de EU" van de Commissie naar de afdeling EDEO van de begroting. De overdracht van de speciale vertegenwoordigers van de EU uit rubriek 4 naar de afdeling EDEO in rubriek 5, zoals voorgesteld in de nieuwe OB, wordt echter niet aanvaard. Daarom zijn hiervoor geen kredieten opgenomen in de afdeling EDEO van de begroting.

Opgeteld leiden deze wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke OB tot:

—  een netto vermindering met 35 posten van de personeelsformatie, door een vermindering met 47 posten voor het Europees Parlement die gedeeltelijk wordt gecompenseerd door een stijging met 12 posten voor het Hof van Justitie;

—  een nettoverlaging van kredieten van 0,6 miljoen EUR door een verlaging van 1,4 miljoen EUR voor de Europese Rekenkamer, 1,4 miljoen EUR voor het Europees Economisch en Sociaal Comité en 0,4 miljoen EUR voor het Comité van de Regio’s, hetgeen deels gecompenseerd door een verhoging met 2,6 miljoen EUR voor het Hof van Justitie;

—  de verhoging van 71,5 miljoen EUR voor de EDEO weerspiegelt de begrotingsneutrale- overdracht van de "gemeenschappelijke administratieve kosten van delegaties van de EU" die volledig wordt gecompenseerd in de afdeling Commissie in subrubriek 1a (0,6 miljoen EUR), rubriek 2 (0,1 miljoen EUR), rubriek 4 (45,7 miljoen EUR) en rubriek 5 (25,2 miljoen EUR). Al deze overdrachten leiden tot een netto verhoging van de kredieten van rubriek 5 met 46,3 miljoen EUR.

Bovendien is in vergelijking met de nieuwe OB de volgende begrotingsneutrale overdracht van posten en de vastleggingskredieten van de Raad naar het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) overeengekomen om rekening te houden met de overheveling, per 1 januari 2015, van de vaststelling en het beheer van pensioenrechten van actieve en gepensioneerde personeelsleden van de Raad naar het PMO: een verhoging met 6 AST 7 posten van de personeelsformatie en een verhoging van de vastleggingskredieten met 504 000 EUR voor de Commissie (afdeling III) wordt volledig gecompenseerd door een verlaging met 6 AST 7 posten van de personeelsformatie alsook een vermindering van 504 000 EUR aan vastleggingskredieten in de Raad (Afdeling II).

Bijgevolg wordt, rekening houdend met proefprojecten, voorbereidende acties en de overdracht van de gemeenschappelijke kosten van EU-delegaties naar de afdeling EDEO, de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten bepaald op 8 660,5 miljoen EUR, waardoor een marge van 415,5 miljoen EUR onder het uitgavenplafond van rubriek 5 ontstaat.

1.4.  Betalingskredieten

Het totale niveau van betalingskredieten in de begroting van 2015 is bepaald op 141 214 040 563 miljoen EUR.

Dit omvat een bedrag van 126,7 miljoen EUR dat betrekking heeft op de beschikbaarstelling uit het Solidariteitsfonds van de EU in verband met de ontwerpen van gewijzigde begroting nrs. 5/2014 en 7/2014, alsmede een bedrag van 440 miljoen EUR dat betrekking heeft op de verschuiving van de betalingskredieten voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief uit de begroting 2014 naar de begroting 2015.

Bij de verdeling van de totale betalingskredieten in de begroting voor 2015 is rekening gehouden met de volgende stappen:

a)  de betalingskredieten voor niet-gesplitste uitgaven, zoals hierboven omschreven, met name in de rubrieken 2 en 5; en

b)  de betalingskredieten voor het pakket van proefprojecten en voorbereidende acties als hierboven beschreven, worden als volgt berekend: de betalingskredieten voor alle nieuwe proefprojecten en voorbereidende acties worden vastgesteld op 50 % van de overeenkomstige vastleggingen of op het door het Europees Parlement voorgestelde niveau, indien dit lager is; bij verlenging van bestaande proefprojecten en voorbereidende acties wordt het niveau van de betalingen het niveau dat in de OB is vastgesteld plus 50 % van de overeenkomstige nieuwe vastleggingen, of het door het Parlement voorgestelde niveau, indien dit lager is;

c)  de verlaging van 123,3 miljoen EUR aan betalingskredieten ten opzichte van de nieuwe OB wordt naar evenredigheid gespreid over alle begrotingsonderdelen met gesplitste kredieten die niet onder stap b) vallen, met uitzondering van de volgende begrotingslijnen, waarvoor het niveau van betalingskredieten is vastgesteld op het niveau van de nieuwe OB:

—  uitgaven voor subrubriek 1a (Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid))en rubriek 4 (Europa als wereldspeler);

—  begrotingsonderdelen 04 02 17, 04 02 60, 11 06 12, 13 03 16 en 13 03 60 voor de convergentiedoelstelling; en

—  internationale partnerschapsovereenkomsten inzake visserij.

Op basis van de resultaten van stap c) worden de volgende definitieve aanpassingen gemaakt:

—  een bedrag van 100 miljoen EUR wordt toegevoegd aan begrotingsonderdeel 13 04 02 (voltooiing van het Cohesiefonds (2007-2013)), gecompenseerd door:

—  een verlaging met 50 miljoen EUR op begrotingsonderdeel 13 03 18 (Voltooiing van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) - Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid); en

—  en vermindering van 50 miljoen euro gespreid over alle begrotingsonderdelen met gesplitste kredieten die niet onder stap b) vallen, voor uitgaven in subrubriek 1a (Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), met uitzondering van begrotingsonderdeel 23 02 (Humanitaire hulp, voedselhulp en paraatheid bij rampen), waarvoor de bedragen in de nieuwe OB zijn gehandhaafd.

1.5.  Begrotingstoelichting

Wat de begrotingstoelichting betreft, wordt de nieuwe OB goedgekeurd, met opneming van de amendementen van het Europees Parlement of van de Raad, met uitzondering van begrotingsonderdelen 04 03 01 03 en 19 03 01 06, met dien verstande dat deze amendementen niet kunnen leiden tot wijziging of uitbreiding van de reikwijdte van een bestaande rechtsgrond, of inbreuk kunnen maken op de administratieve autonomie van instellingen.

1.6.  Nieuwe begrotingsonderdelen

De begrotingsnomenclatuur die de Commissie heeft voorgesteld in de nieuwe OB, wordt niet gewijzigd.

1.7.  Reserves

Er is geen bedrag uitgetrokken voor de voorwaardelijke reserves in de afdeling Commissie.

2.  Begroting 2014

a)  De aanvullende vastleggingskredieten (126,7 miljoen EUR) voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, in de ontwerpen van gewijzigde begroting nrs. 5/2014 en nr. 7/2014 worden goedgekeurd. De desbetreffende betalingen worden verschoven naar de begroting 2015.

b)  OGB nr. 3/2014 wordt goedgekeurd zoals voorgesteld door de Commissie, met een vermindering van de betalingskredieten op de volgende wijze:

—  Plattelandsontwikkeling: 90 miljoen EUR voor de voltooiing van programma’s voor plattelandsontwikkeling 2007-2013 wordt niet aanvaard, rekening houdend met de lager dan verwachte verklaring over de betalingen die de lidstaten in november 2014 hebben ingediend. Bovendien is een verlaging met 20 miljoen EUR voor de nieuwe programma’s overeengekomen;

—  Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief er is een verlaging met 420 miljoen EUR overeengekomen. Een bedrag van 440 miljoen EUR aan betalingskredieten voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt evenwel toegevoegd aan de begroting voor 2015 (zie punt 1.4);

—  Een verdere vermindering van betalingskredieten van 648,1 miljoen EUR is overeengekomen, verdeeld over de begrotingsonderdelen die zijn aangevuld uit de marge voor onvoorziene uitgaven, met behoud van de gevraagde bedragen voor de begrotingsonderdelen 13 03 16 (EFRO Convergentie), 04 06 01 (FEAD), en 21 03 02 01 en 21 03 03 03 (Ondersteuning van Oekraïne).

Herschikking van betalingskredieten:

—  de door de Commissie voorgestelde herschikking in de "globale overschrijving" (DEC 31/2014) wordt aanvaard;

—  de door de Commissie voorgestelde herschikking van de afdeling Commissie in OGB nr. 6/2014 wordt aanvaard; de betalingskredieten die beschikbaar zijn voor herschikking van middelen uit het EFMZV (uitgaven voor administratieve ondersteuning) en de reserve voor internationale partnerschapsovereenkomsten inzake visserij (in totaal 6 150 900 EUR) worden ingezet voor humanitaire hulp (begrotingsonderdeel 23 02 01);

—  rekening houdend met de huidige stand van de uitvoering van de begroting en de vooruitzichten voor het einde van het jaar is een verdere herschikking ten belope van 30,4 miljoen EUR overeengekomen. Dit betreft de volgende begrotingsonderdelen:

—  Artikel 01 03 02 (Macrofinanciële bijstand): 5 miljoen EUR;

—  Artikel 04 03 02 (Progress): 10,0 miljoen EUR;

—  Artikel 12 02 01 (Interne markt): 1,2 miljoen EUR;

—  Artikel 17 03 51 (Volksgezondheid): 0,7 miljoen EUR;

—  Post 18 02 01 02 (Preventie en bestrijding van criminaliteit): 2,3 miljoen EUR;

—  Post 21 09 51 01 (DCI Azië): 2,5 miljoen EUR;

—  Artikel 33 02 02 (Bestrijding van discriminatie en bevordering van gelijkheid): 2,2 miljoen EUR; en

—  Artikelen 29 02 01 en 29 02 51 (Statistieken): 6,5 miljoen EUR.

In de onderstaande tabel zijn de daaruit voortvloeiende verhogingen en verlagingen van betalingskredieten in OGB nr. 3/2014 (met inbegrip van herschikking via de "globale overschrijving", OGB nr. 6/2014 en de laatste actualisering van de stand van uitvoering van de begroting) vermeld die zijn goedgekeurd op basis van het bovenstaande:

Begrotingsonderdelen

Naam

OGB nr. 3/2014

Aanvaard

01 03 02

Macrofinanciële bijstand

-28 960 000

01 04 51

Voltooiing van programma's voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo) (voor 2014)

12 000 000

02 02 02

Kleine en middelgrote ondernemingen meer toegang geven tot financiering in de vorm van eigen vermogen en schuld

4 540 126

02 05 01

Ontwikkeling en levering van mondiale satellietnavigatie-infrastructuur en -diensten (Galileo) tegen 2019

70 000 000

04 02 64

Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief

-420 000 000

04 03 02 01

Progress — Ondersteuning van de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, monitoring en evaluatie van het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de Unie en van de regelgeving inzake arbeidsomstandigheden

-2 950 000

04 03 02 03

Microfinanciering en sociaal ondernemerschap — verbetering van de toegang tot en de beschikbaarheid van financiering voor natuurlijke en rechtspersonen, met name voor wie het verst van de arbeidsmarkt af staat, en sociale ondernemingen

-7 114 776

04 06 01

Bevordering van sociale samenhang en verlichting van de ergste vormen van armoede in de Unie

99 000 000

05 02 10 02

Afzetbevordering — Rechtstreekse betalingen door de Unie

-308 029

05 04 60 01

Bevordering van de duurzame ontwikkeling van het platteland en van een territoriaal en ecologisch evenwichtigere, klimaatvriendelijkere en innovatievere landbouwsector van de Unie

-20 000 000

05 06 01

Internationale landbouwovereenkomsten

-3 784 411

05 08 77 06

Voorbereidende actie — Europese Observatiepost voor landbouwprijzen en marges

-612 329

05 08 77 09

Voorbereidende actie — Plantaardige en dierlijke genetische hulpbronnen in de Unie

-600 000

05 08 77 10

Proefproject - Agropol: Ontwikkeling van een Europese grensoverschrijdende modelregio voor de agro-industrie

-600 000

05 08 77 11

P roefproject — Agrobosbouw

-350 000

05 09 03 01

Een toereikend aanbod van veilige en hoogwaardige voedsel- en andere producten van biologische origine verzekeren

-1 666 954

07 02 77 03

Voorbereidende actie — Strategische milieueffectbeoordeling van de ontwikkeling van het Europese Noordpoolgebied

356 052

08 02 01 01

Stimuleren van grensverleggend onderzoek in de Europese Onderzoeksraad

24 970 695

08 02 02 02

De toegang tot risicofinanciering voor investeringen in onderzoek en innovatie verbeteren

4 540 126

08 02 51

Voltooiing van het voorgaande kaderprogramma voor onderzoek — zevende kaderprogramma — EG-acties onder contract (2007 tot 2013)

50 000 000

08 04 01

Bouw, inbedrijfstelling en exploitatie van de ITER-faciliteiten — Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER — Fusion for Energy (F4E)

-8 800 000

08 04 51

Voltooiing van Europese Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER — Fusion for Energy (F4E) (2007-2013)

-71 200 000

09 02 01

Vaststelling en tenuitvoerlegging van het Uniebeleid op het gebied van elektronische communicatie

-271 200

09 02 05

Maatregelen in verband met digitale inhoud alsmede de audiovisuele en andere mediasectoren

-592 000

09 02 77 03

Proefproject — Europees centrum voor pers- en mediavrijheid

-456 508

09 03 03

Interoperabiliteit, duurzame introductie, exploitatie en opwaardering van trans-Europese digitale-diensteninfrastructuren, alsmede coördinatie op Europees niveau bevorderen

-1 898 831

09 03 51 01

Afronding van het programma Safer Internet (2009-2013)

-450 000

09 04 03 02

Inclusieve, innovatieve en reflexieve Europese samenlevingen bevorderen

2 784 852

09 04 51

Voltooiing van het Zevende kaderprogramma (2007-2013)

105 000 000

11 01 04 01

Ondersteunende uitgaven voor maritieme zaken en visserij — Niet-operationele administratieve en technische bijstand

-774 900

11 01 06 01

Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen — Bijdrage van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV)

-809 000

11 03 01 (reserve)

Vaststelling van een governancekader voor visserijactiviteiten die vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van derde landen verrichten

-69 567 000

11 06 12

Afwikkeling van het Europees Visserijfonds (EVF) — Convergentiedoelstelling (2007 tot 2013)

69 540 126

12 02 01

Tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de interne markt

-1 170 000

12 02 77 03

Voorbereidende actie — Internemarktforum

-150 000

12 03 51

Voltooiing van eerdere activiteiten op het gebied van financiële diensten, financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen

-669 803

13 03 16

Voltooiing van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Convergentie

2 400 700 000

13 03 18

Voltooiing van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid

227 006 319

13 03 19

Voltooiing van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Europese territoriale samenwerking

179 334 992

13 03 77 09

Voorbereidende actie inzake een Atlantisch forum voor de Atlantische strategie van de Europese Unie

-433 000

13 05 63 02

Grensoverschrijdende samenwerking — Bijdrage uit rubriek 4

-12 338 481

14 02 01

Ondersteuning van de werking en de modernisering van de douane-unie

7 500 000

14 03 01

Verbetering van de werking van de belastingstelsels

2 500 000

15 02 01 01

Bevordering van uitmuntendheid en samenwerking in de Europese onderwijs- en opleidingssector en het belang daarvan voor de arbeidsmarkt

138 119 479

1 600 00015 03 01 01

Marie Skłodowska-Curie-acties — Nieuwe vaardigheden, kennis en innovatie genereren, ontwikkelen en overdragen

40 861 137

16 03 01 04Informatiecentra

16 03 01 03

Communicatie door de vertegenwoordigingen van de Commissie en in het kader van partnerschapsacties

1 000 000

16 03 02 03

Online en schriftelijke informatie en communicatie-instrumenten

2 900 000

17 02 01

Bescherming van de belangen en verbetering van de veiligheid en de voorlichting van consumenten

-1 449 000

17 03 10

Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding

-2 000 000

17 03 12 01

Bijdrage van de Unie aan het Europees Geneesmiddelenbureau

-7 602 918

18 02 01 01

Steun voor grensbeheer en een gemeenschappelijk visumbeleid om legitiem reizen te vergemakkelijken

-7 446 000

18 02 01 02

Voorkoming en bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en betere beheersing van veiligheidsgerelateerde risico’s en crises

-9 236 000

18 03 51

Voltooiing van operaties en programma's op het gebied van terugkeer, vluchtelingen en migratiestromen

19 431 000

19 02 01

Respons op crises en opkomende crises

50 765 835

19 05 51

Voltooiing van acties op het gebied van betrekkingen en samenwerking met geïndustrialiseerde derde landen (2007-2013)

3 600 000

20 02 01

Buitenlandse handelsbetrekkingen, met inbegrip van de toegang tot de markt van derde landen

1 181 809

20 02 03

Aid for trade — Multilaterale initiatieven

1 000 000

21 02 07

Voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw

6 000 000

21 02 40

Grondstoffenovereenkomsten

20 000

21 02 51 01

Samenwerking met derde landen op het gebied van migratie en asiel

4 000 000

21 02 51 02

Samenwerking met ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika

23 000 000

21 02 51 03

Samenwerking met ontwikkelingslanden in Azië, met inbegrip van Centraal-Azië en het Midden-Oosten

44 000 000

21 02 51 05

Niet-overheidsactoren in ontwikkeling

2 000 000

21 02 51 06

Milieu en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van energie

2 000 000

21 03 02 01

Oostelijk Partnerschap — Mensenrechten en mobiliteit

210 000 000

21 03 03 03

Steun aan andere op meerdere landen gerichte samenwerking in de nabuurschap

40 000 000

21 03 51

Voltooiing van acties op het gebied van het Europees nabuurschapsbeleid en de betrekkingen met Rusland (vóór 2014)

3 000 000

21 04 51

Voltooiing van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten(vóór 2014)

3 000 000

21 05 51

Voltooiing van acties op het gebied van mondiale bedreigingen voor de veiligheid” (vóór 2014)

2 000 000

21 09 51 01

Asia

-2 500 000

22 02 51

Voltooiing van eerdere pretoetredingssteun (vóór 2014)

45 000 000

23 02 01

Verstrekking van snelle, doeltreffende en op behoeften gebaseerde humanitaire hulp en voedselhulp

256 150 900

23 03 51

Voltooiing van programma’s en acties op het gebied van civiele bescherming binnen de Unie (vóór 2014)

-500 000

24 01 07

Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

-10 000

24 02 01

Voorkomen en bestrijden van fraude, corruptie en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad

942 750

24 04 01

Ondersteuning van wederzijdse bijstand in douanezaken en bevordering van veilige elektronische communicatiemiddelen waarmee lidstaten onregelmatigheden kunnen melden

680 612

26 01 09

Publicatiebureau

-22 000

26 01 23 01

Bureau voor infrastructuur en logistiek in Luxemburg

-13 000

26 02 01

Procedures voor de plaatsing en de bekendmaking van overheidsopdrachten voor leveringen, voor de uitvoering van werken en voor dienstverlening

-250 000

26 03 01 01

Interoperabiliteitsoplossingen voor Europese overheidsdiensten

10 000 000

29 02 01

Hoogwaardige statistische informatie verstrekken, nieuwe methoden voor de productie van Europese statistieken toepassen en het partnerschap binnen het Europees statistisch systeem versterken

-11 294 249

29 02 51

Voltooiing van de statistische programma's (van vóór 2013)

-9 872 560

32 02 52

Voltooiing van energieprojecten ter ondersteuning van het economisch herstel

65 000 000

33 02 01

Toezien op de bescherming van rechten en burgers meer zeggenschap geven

-2 000 000

33 02 02

Bestrijding van discriminatie en bevordering van gelijkheid

-5 177 700

34 02 01

De uitstoot van broeikasgassen in de Unie verminderen

6 000 000

34 02 04

Bijdrage aan multilaterale en internationale klimaatakkoorden

-74 969

34 02 51

Voltooiing van eerdere klimaatactieprogramma’s

2 903 358

XX 01 01 01 01

Salarissen en vergoedingen

-317 000

SEC 7 - 1 2 0 0

Salarissen en vergoedingen

-10 992

SEC 9 - 1 1 0 0

Salarissen en vergoedingen

-5 843

Totaal

3 529 620 715

De aanvullende betalingskredieten in het kader van OGB nr. 3/2014 bedragen 3 529,6 miljoen EUR, waarvan 2 818,2 miljoen EUR plus 350 miljoen EUR betrekking hebben op de aanwending van de marge voor onvoorziene uitgaven, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring betreffende speciale instrumenten, uiteengezet in punt 3.3.

c)  OGB nr. 4/2014, als gewijzigd bij de nota van wijzigingen, wordt goedgekeurd zoals voorgesteld door de Commissie, met opneming van de vastleggingskredieten van OGB nr. 6/2014 in verband met uitgaven voor administratieve ondersteuning voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de reserve voor de partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij in de afdeling van de Commissie). Het bedrag van 248 460 EUR van de beschikbare betalingskredieten dat in OBG nr. 4/2014 (Europees toezichthouder voor gegevensbescherming) is opgenomen, wordt ingezet voor humanitaire hulp (begrotingsonderdeel 23 02 01). Het verzoek om extra vastleggings- en betalingskredieten in verband met de Europese Ombudsman (afdeling VIII) in het OGB nr. 6 wordt ingetrokken, zoals aangegeven in de nota van wijzigingen op OGB nr. 6/2014.

d)  OGB nr. 6/2014, als gewijzigd bij de nota van wijzigingen, wordt goedgekeurd, zoals voorgesteld door de Commissie, met betrekking tot de eigen middelen.

e)  OGB nr. 8/2014 (= nieuw OGB nr. 2/2014) betreffende het overschot van 2013 wordt goedgekeurd, zoals voorgesteld door de Commissie.

3.  GEZAMENLIJKE VERKLARINGEN

3.1.  Gezamenlijke verklaring betreffende het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2014 (eigen middelen) en wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad

"Het Europees Parlement en de Raad hebben besloten het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2014, zoals gewijzigd door nota van wijzigingen nr. 1/2014, vast te stellen.

In het licht van het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad houdende toepassing van Besluit 2007/436 (EG, Euratom) betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, ingediend door de Commissie op 12 november 2014, heeft het Europees Parlement toegezegd tijdig advies over gewijzigde Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad te zullen geven zodat de verordening kan worden vastgesteld in de plenaire vergadering van het EP van december 2014 en de Raad de verordening kan vaststellen als onderdeel van het totale pakket."

3.2.  Gezamenlijke verklaring over de beschikbaarstelling van middelen uit de marge voor onvoorziene uitgaven

"In 2014 was er sprake van een ongekend hoog bedrag aan uitstaande betalingen voor de structuurfondsen en het Cohesiefonds aan het begin van het financiële kader, en is tegelijkertijd een aantal nieuwe programma’s aanzienlijk vervroegd. Gezien de unieke en uitzonderlijke situatie die niet kan worden ingepast binnen het maximum van de betalingen voor 2014, komen de drie instellingen overeen dat de marge voor onvoorziene uitgaven beschikbaar zal zijn voor het begrotingsjaar 2014, als laatste redmiddel.

De instellingen brengen in herinnering dat artikel 13 van de MFK-verordening is bepaald dat "de uit de marge voor onvoorziene uitgaven beschikbaar gestelde middelen volledig worden verrekend met de marges in een of meer rubrieken van het MFK voor het lopende begrotingsjaar of voor toekomstige begrotingsjaren."

De instellingen komen overeen alles in het werk te stellen om passende oplossingen te vinden, zodat het uitzonderlijk hoge niveau van uitstaande betalingen van de structuurfondsen en het Cohesiefonds voor de periode 2007-2013 niet tot na 2014 voortduurt en daarom zullen alle inspanningen worden gedaan om ervoor te zorgen dat de marge voor onvoorziene uitgaven niet wordt ingezet voor de financiering van nog betaalbaar te stellen bedragen die voortvloeien uit programma’s voor de structuurfondsen en het Cohesiefonds in de begrotingsjaren 2015-2020."

3.3.  Gemeenschappelijke verklaring betreffende bijzondere instrumenten

"De instellingen herinneren eraan dat de marge voor onvoorziene uitgaven een laatste redmiddel is en derhalve niet moet worden ingeschakeld als er nog financiële mogelijkheden zijn. In het kader van de algemene begroting 2014 bestaat onenigheid over de vraag of een bedrag van 350 miljoen EUR aan betalingskredieten voor andere bijzondere instrumenten nog beschikbaar is in de niet-toegewezen marge.

De instellingen zijn het erover eens dat het van groot belang is zo snel mogelijk in beginsel overeenstemming te vinden over de beschikbaarstelling van middelen van andere bijzondere instrumenten voor betalingen.

Aangezien het echter niet mogelijk was om tot een akkoord te komen in het kader van de onderhandelingen over het pakket voor de ontwerpen van gewijzigde begroting 2014 en de algemene begroting voor 2015, komen de instellingen overeen om, met als doel een tijdige vaststelling van dat pakket:

—  het bedrag van 350 miljoen EUR aan betalingskredieten toe te voegen aan de marge voor onvoorziene uitgaven;

—  te trachten snel tot een akkoord te komen over de vraag of, en in welke mate, middelen uit andere speciale instrumenten beschikbaar kunnen worden gesteld boven de maxima van het MFK voor betalingen teneinde te bepalen of en in welke mate het bedrag van 350 miljoen euro moet worden afgetrokken van de MFK-marges voor betalingen voor het lopende begrotingsjaar of voor toekomstige begrotingsjaren;

—  waar nodig bovenstaande vergezeld te doen gaan van de nodige wijzigingen van het besluit tot beschikbaarstelling van middelen uit de marge voor onvoorziene uitgaven voor het begrotingsjaar 2014, of van andere juridisch gezien noodzakelijke maatregelen die moeten zorgen voor de volledige inachtneming van de MFK-verordening en met name artikel 13, lid 3 ervan."

3.4.  Verklaring van de Commissie over de voorfinanciering van de operationele programma’s in 2014 en het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief

"In het kader van de tijdige en effectieve uitvoering van het meerjarig financieel kader 2014-2020, herbevestigt de Europese Commissie de voorfinanciering, in 2014, van operationele programma’s die in 2014 formeel zijn ingediend en die voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende rechtshandelingen.

Voorts bevestigt de Commissie dat het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een hoge politieke prioriteit blijft en dat de overschrijving van de betrokken betalingskredieten van 2014 naar 2015 niet zal leiden tot vertraging van de tenuitvoerlegging ervan."

3.5.  Gezamenlijke verklaring over de financiering van de noodmaatregelen als reactie op het Russische verbod op de invoer van levensmiddelen

"Naar aanleiding van het Russische verbod op de invoer van levensmiddelen is reeds in augustus en september 2014 een reeks urgente maatregelen genomen, en een verder pakket voor de zuivelsector in de Baltische staten is goedgekeurd op 26 november 2014. Zodra aan de vereiste objectieve criteria om in aanmerking te komen is voldaan, kan de Commissie een ander pakket voor de zuivelsector in Finland voorstellen.

In haar nota van wijzigingen (NvW) 1/2015 kondigde de Commissie haar voornemen aan om, indien nodig, deze maatregelen te financieren door middel van de reserve voor crises.

Sinds de indiening van de nota van wijzigingen nr. 1/2015 zijn de volgende drie nieuwe elementen naar voren gekomen, die de financiering mogelijk maken van deze noodmaatregelen zonder gebruikmaking van de crisisreserve:

—  volgens de verklaringen van de lidstaten over het daadwerkelijke gebruik van de maatregelen die in augustus en september zijn vastgesteld, zijn de kosten verlaagd van de oorspronkelijk geraamde 344 miljoen euro tot ongeveer 234 miljoen euro;

—  het definitieve overschot van het ELGF-begrotingsjaar 2014 is ongeveer 230 miljoen EUR meer dan werd verwacht in nota van wijzigingen nr. 1/2015, die nog gebaseerd was op schattingen;

—  de financiële correcties die in 2015 moeten worden ingevorderd zullen naar verwachting hoger zijn dan aanvankelijk werd verwacht in oktober van dit jaar.

Op basis van deze drie nieuwe elementen, kunnen de hierboven bedoelde noodmaatregelen (inclusief die voor de zuivelsector in de Baltische staten, en voor Finland, zodra aan de voorwaarden is voldaan) worden gefinancierd binnen de in de NvW 1/2015 gevraagde kredieten dankzij deze extra bestemmingsontvangsten, zonder dat een beroep hoeft te worden gedaan op de crisisreserve."

3.6.  Gemeenschappelijke verklaring betreffende betalingskredieten

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie herinneren aan hun gedeelde verantwoordelijkheid, zoals neergelegd in artikel 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), te weten dat "het Europees Parlement, de Raad en de Commissie erop toezien dat de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee de Unie haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen".

Het Europees Parlement en de Raad herinneren eraan dat, in het licht van de uitvoering, moet worden gezorgd voor een geordende ontwikkeling van de betalingen ten opzichte van de vastleggingskredieten om een abnormaal niveau van onbetaalde rekeningen aan het eind van het jaar te voorkomen.

Het Europees Parlement en de Raad zijn overeengekomen om het niveau van betalingskredieten voor 2015 vast te stellen op 141 214 040 563 EUR. Zij verzoeken de Commissie om op basis van de bepalingen van de ontwerp-MFK-verordening en het Financieel Reglement eventuele noodzakelijke maatregelen te nemen om de verplichtingen na te komen die voortvloeien uit het Verdrag en in het bijzonder, na bestudering van de mogelijkheden voor herschikking van de desbetreffende kredieten, met specifieke verwijzing naar een eventuele verwachte onderbesteding van kredieten (artikel 41, lid 2, van het Financieel Reglement), te verzoeken om aanvullende betalingskredieten in een gewijzigde begroting, indien de kredieten die op de begroting 2015 zijn opgenomen ontoereikend zijn om de uitgaven te dekken.

Het Europees Parlement en de Raad zullen zo spoedig mogelijk een standpunt ten aanzien van een ontwerp van gewijzigde begroting innemen om te voorkomen dat er een tekort aan betalingskredieten ontstaat. Het Europees Parlement en de Raad zullen overschrijvingen van betalingskredieten snel behandelen, ook die tussen rubrieken van het financieel kader, teneinde zo goed mogelijk gebruik te maken van de in de begroting opgenomen betalingskredieten en deze aan te passen aan de concrete uitvoering en behoeften.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zullen, gedurende het gehele jaar, actief toezien op de stand van uitvoering van de begroting voor 2015, met name onder subrubriek 1a (concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid) en 1b (Economische, sociale en territoriale samenhang) en plattelandsontwikkeling onder rubriek 2 (duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen). Dit toezicht zal plaatsvinden in de vorm van speciale interinstitutionele bijeenkomsten, overeenkomstig punt 36 van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord, om de uitvoering van de betalingen en de herziene ramingen te inventariseren.

Deze vergaderingen moeten in 2015 ten minste drie keer plaatsvinden (in het voorjaar op het moment van indiening van de ontwerpbegroting, in juli vóór de lezing door de Raad van de ontwerpbegroting 2016 en in oktober, vóór het begin van de bemiddeling) en wel op politiek niveau in aanwezigheid van leden van het Europees Parlement en van de Raad, en van de vicevoorzitter van de Commissie voor Begroting en Personeelszaken. De bijeenkomsten moeten gericht zijn op het bereiken van een gezamenlijke beoordeling van het vereiste niveau van de betalingsbehoeften, gebaseerd op een grondige analyse van bestaande rekeningen die wettelijk moeten worden gehonoreerd, en schattingen voor de rest van het jaar n en het jaar n + 1."

3.7.  Gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan

"De instellingen zijn het eens met de doelstelling, te weten het terugdringen van de waarde van onbetaalde rekeningen, met speciale aandacht voor het cohesiebeleid, aan het einde van het jaar tot het structurele niveau in de loop van het huidige MFK.

Om dit doel te bereiken:

—  stemt de Commissie ermee in om, samen met de gemeenschappelijke conclusies over de begroting 2015, de meest actuele prognose van het niveau van onbetaalde rekeningen eind 2014 te presenteren; de Commissie zal deze cijfers in maart 2015 actualiseren en alternatieve scenario's voorstellen wanneer er een algemeen beeld voorhanden zal zijn van de waarde van onbetaalde rekeningen eind 2014, voor de belangrijkste beleidsterreinen;

—  op basis daarvan zullen de drie instellingen naar overeenstemming zoeken over een maximale streefwaarde van onbetaalde rekeningen aan het einde van het jaar die als duurzaam beschouwd kan worden;

—  op basis hiervan en met inachtneming van de MFK-verordening, de overeengekomen financiële middelen van de programma’s en iedere andere bindende overeenkomst, zullen de drie instellingen vanaf 2015 een plan uitvoeren tot verlaging van de waarde van onbetaalde rekeningen in verband met de uitvoering van de programma’s voor de periode 2007-2013 tot het gezamenlijk overeengekomen niveau tegen de tijd van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader. Een dergelijk plan moet worden goedgekeurd door de drie instellingen, en wel vóór de indiening van het ontwerp van begroting 2016. Gelet op de uitzonderlijk hoge waarde van onbetaalde rekeningen, komen de drie instellingen overeen na te denken over mogelijke manieren om de waarde van die rekeningen te verlagen.

Elk jaar stelt de Commissie ermee in haar ontwerpbegroting vergezeld te doen gaan van een document met een evaluatie van de waarde van onbetaalde rekeningen en waarin wordt uitgelegd hoe de ontwerpbegroting zal leiden tot de daling van die waarde en in welke mate. In dit jaarlijkse document zal de balans worden opgemaakt van de vorderingen tot nu toe en zullen aanpassingen aan het plan in overeenstemming met de geactualiseerde cijfers worden voorgesteld."

3.8.  Verklaring van het Europees Parlement betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit de marge voor onvoorziene uitgaven als laatste redmiddel

"Het Europees Parlement betreurt dat de Raad het niet eens met is zijn uitlegging dat de 350 miljoen euro aan betalingskredieten die in 2014 zijn vrijgemaakt met betrekking tot de speciale instrumenten bedoeld in de MFK-verordening, moet worden verrekend buiten het maximum, waardoor er een marge van 711 miljoen EUR overblijft die moet worden opgebruikt alvorens er een beroep moet worden gedaan op de marge voor onvoorziene uitgaven.

Het Europees Parlement herinnert eraan dat, overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de MFK-verordening de een marge voor onvoorziene uitgaven een het laatste redmiddel is. Daarom moeten alle andere financiële mogelijkheden volledig worden benut alvorens er een beroep wordt gedaan op de marge voor onvoorziene uitgaven. In de context van het geschil tussen het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de berekening van de beschikbare marge onder het maximum voor de betalingen in 2014, was het niet mogelijk om een politiek akkoord te bereiken over de uitputting van een beschikbare marge van 350 miljoen EUR alvorens er een beroep wordt gedaan op de marge voor onvoorziene uitgaven.

Het Parlement herinnert eraan dat de MFK-verordening is gebaseerd op het beginsel van "specifieke en maximale flexibiliteit" om de Unie in staat te stellen haar juridische verplichtingen na te komen in overeenstemming met artikel 323 VWEU (overweging 4 van de MFK-verordening), en is van mening dat het belang van het beschikbaar stellen van extra kredieten om niet-afgewikkelde juridische verbintenissen na te komen door aanwending van de marge voor onvoorziene uitgaven, heel groot is. Het Parlement aanvaardt dus een beschikbaarstelling van middelen uit de marge voor onvoorziene uitgaven, in weerwil van haar uitlegging dat er 350 miljoen EUR beschikbaar blijft onder het maximum.

Het Europees Parlement verzoekt de Commissie tot overdracht van de ongebruikte marge van 350 miljoen EUR in haar technische aanpassing van 2015 van de globale marge voor de betalingen, bedoeld in artikel 6, lid 1, onder d), van de MFK-verordening."

3.9.  Verklaring van de Raad over de beschikbaarstelling van middelen uit de speciale instrumenten

"De Raad memoreert dat de speciale instrumenten alleen kunnen worden geactiveerd om daadwerkelijk onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.

Hij wijst erop dat de marge voor onvoorziene uitgaven niet mag leiden tot overschrijding van de totale maxima voor vastleggings- en betalingskredieten.

Wat betreft andere speciale instrumenten herinnert de Raad eraan dat artikel 3, lid 2, van de MFK-verordening bepaalt dat vastleggingskredieten op de begroting mogen worden opgenomen boven de maxima van de relevante rubrieken.

De Raad verzoekt de Commissie om, bij de berekening van de totale marge, te handelen in overeenstemming met de MFK-verordening en zonder te raken aan het akkoord tussen de drie instellingen over een gemeenschappelijke verklaring betreffende speciale instrumenten (3.3)."

(1) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(2) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0247.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0450.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0036.


Classificatie van ernstige inbreuken in het wegvervoer
PDF 221kWORD 189k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over het ontwerp van verordening van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de classificatie van ernstige inbreuken op de wetgeving van de Unie die tot verlies van de betrouwbaarheidsstatus van wegvervoerondernemers kunnen leiden, en tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad (D034120/02 – 2014/2859(RPS))
P8_TA(2014)0101B8-0325/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van verordening van de Commissie (D034120/02),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad(1), met name artikel 6, lid 2,

–  gezien Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG van de Raad(2), en met name artikel 9, lid 3,

–  gezien het advies dat het in artikel 18, lid 1 van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad bedoelde comité op maandag 30 juni 2014 heeft uitgebracht(3),

–  gezien artikel 5 bis, lid 3, onder b), van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(4),

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3 en lid 4, onder c), van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het doel van Verordening (EG) nr. 1071/2009 de totstandbrenging van een interne wegvervoersmarkt met eerlijke mededingingsvoorwaarden is, waarvoor de eenvormige toepassing van de gemeenschappelijke regels inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen- of personenvervoer over de weg vereist is;

B.  overwegende dat deze gemeenschappelijke regels zullen bijdragen tot het bereiken van een hoger niveau van vakbekwaamheid van wegvervoerondernemers, de rationalisering van de markt, een betere kwaliteit van de geleverde diensten waar zowel de wegvervoerondernemers, hun klanten als de gehele economie baat bij hebben, en een toename van de verkeersveiligheid;

C.  overwegende dat artikel 6 een niet-uitputtende lijst bevat van EU-voorschriften voor het bepalen van de betrouwbaarheidsstatus, waaronder: voorschriften over de rij- en werktijden van bestuurders; het gebruik van tachografen; het maximaal toegestane gewicht en de maximaal toegestane afmetingen van de voor internationaal vervoer gebruikte bedrijfsvoertuigen; vakbekwaamheid en opleiding van bestuurders; de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen; de toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg of, in voorkomend geval, tot de markt voor personenvervoer over de weg; de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg; de installatie en het gebruik van snelheidsbegrenzers; het rijbewijs; de toegang tot het beroep; en het vervoer van dieren;

D.  overwegende dat de Commissie op grond van artikel 6, lid 2 van Verordening (EG) nr. 1071/2009 een lijst moet opstellen van categorieën en soorten ernstige inbreuken op de communautaire wetgeving, met de ernst daarvan, die, als aanvulling op de schendingen die zijn vastgelegd in bijlage IV, kunnen leiden tot het verlies van de betrouwbaarheidsstatus;

E.  overwegende dat de lidstaten bij het stellen van prioriteiten voor controles uit hoofde van artikel 12, lid 1, rekening moeten houden met de informatie over deze inbreuken, met inbegrip van de informatie hierover van andere lidstaten;

F.  overwegende dat de Commissie op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1071/2009 bij het voorbereiden van deze maatregelen de categorieën en soorten inbreuken moet vastleggen die het meest voorkomen;

G.  overwegende dat te verwachten viel dat de door de Commissie te nemen maatregel, met inachtneming van de basiswetgevingshandeling, een volledige lijst zou behelzen van zowel geharmoniseerde inbreuken als een geharmoniseerde ernst van die inbreuken die kunnen leiden tot het verlies van de betrouwbaarheidsstatus van wegvervoerondernemers;

H.  overwegende dat de Commissie tijdens de voorbereiding van deze maatregelen de ernst van inbreuken moet bepalen aan de hand van het risico daarvan op dodelijke of ernstige verwondingen;

I.  overwegende dat op de lijst die de Commissie moet opstellen eventueel alleen de inbreuken kunnen worden vermeld waarbij er een risico bestaat op dodelijke of ernstige verwondingen, terwijl ernstige inbreuken op Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad(5) van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg aanzienlijke gevolgen hebben voor arbeids- en leefomstandigheden waaraan zeker een groot risico op dodelijke of ernstige verwondingen verbonden is;

J.  overwegende dat de lijst geen volledige opsomming is van ernstige inbreuken op Verordening (EG) nr. 1072/2009, aangezien in punt 10 van bijlage I bij het ontwerp van verordening van de Commissie illegale cabotage niet is opgenomen, wat echter, vanwege de negatieve gevolgen voor de bestuurders, duidelijk moet worden beschouwd als een ernstige inbreuk;

K.  overwegende dat andere regels in verband met illegale cabotage, bijv. de uitvoering van cabotage in een vorm die niet strookt met de nationale voorschriften van sociale aard die van toepassing zijn op het contract, moeten worden opgenomen op de lijst als ernstige inbreuken, gezien het risico daarvan op dodelijke of ernstige verwondingen;

L.  overwegende dat op de toegevoegde lijst van categorieën en soorten ernstige inbreuken en de ernst daarvan zeer gewone woorden worden gebruikt, zoals "in overeenstemming" of "geldig", wat de interpretatie door de bevoegde autoriteiten van de soorten en de mate van ernstige inbreuken verder bemoeilijkt;

M.  overwegende dat in de bestaande verordeningen al duidelijke bepalingen zijn opgenomen over de verantwoordelijkheid van vervoerders, bestuurders en het bedrijf dat belast is met het vervoer van gevaarlijke goederen;

N.  overwegende dat de aansprakelijkheid en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen die een rol spelen in het vervoer van gevaarlijke goederen ondermijnd kunnen worden, wat betreft de groepen inbreuken tegen Richtlijn 2008/68/EG, zoals vastgelegd in punt 9 van bijlage I bij de voorgestelde maatregel;

O.  overwegende dat de ontwerpmaatregel die is ingediend door de Commissie dan ook niet kan worden beschouwd als verenigbaar met het doel of de inhoud van de basiswetgevingshandeling;

1.  maakt bezwaar tegen de vaststelling van het ontwerp van verordening van de Commissie;

2.  is van mening dat het ontwerp van verordening van de Commissie niet verenigbaar is met het doel en de inhoud van Verordening (EG) nr. 1071/2009;

3.  verzoekt de Commissie het ontwerp van verordening in te trekken en aan het comité een nieuwe lijst voor te leggen van ernstige inbreuken op de wetgeving van de Unie die tot verlies van de betrouwbaarheidsstatus van wegvervoerondernemers kunnen leiden;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51.
(2) PB L 102 van 15.3.2006, blz. 35.
(3) PB L 370 van 31.12.1985, blz. 8.
(4) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(5) PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72.


Verlenging van de interneveiligheidsstrategie voor de EU
PDF 140kWORD 194k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over vernieuwing van de EU-strategie voor interne veiligheid (2014/2918(RSP))
P8_TA(2014)0102B8-0350/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6, 7 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 4, 16, 20, 67, 68, 70, 71, 72, 75, 82, 83, 84, 85, 86, 87 en 88 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 6, 7, 8, 10, lid 1, 11, 12, 21, 47 tot 50, 52 en 53 daarvan,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juni 2014 over het laatste verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie 2010-2014 (COM(2014)0365),

–  gezien het verslag van Europol voor 2014 over de stand van zaken en de tendensen in verband met het terrorisme in Europa (TE-SAT),

–  gezien de dreigingsevaluatie van Europol voor 2014 inzake door internet gefaciliteerde georganiseerde criminaliteit (Threat Assessment on Internet Facilitated Organised Crime (iOCTA)),

–  gezien de dreigingsevaluatie van Europol voor 2013 inzake zware en georganiseerde criminaliteit (Serious and Organised Crime Threat Assessment (SOCTA)),

–  gezien Advies 01/2014 van de Groep gegevensbescherming artikel 29 over de toepassing van noodzakelijkheids- en evenredigheidsconcepten en gegevensbescherming binnen de wethandhavingssector,

–  gezien de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 24 september 2014 over terroristische daden die een bedreiging vormen voor de internationale vrede en veiligheid (Resolutie 2178(2014)),

–  gezien zijn resolutie van 2 april 2014 over de tussentijdse herziening van het Programma van Stockholm(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en de gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers(2),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over het tweede verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie(4),

–  gezien de interneveiligheidsstrategie van de EU, zoals goedgekeurd door de Raad op 25 februari 2010,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over vernieuwing van de EU-strategie voor interne veiligheid (O-000089/2014 – B8-0044/2014 en O-000090/2014 – B8-0045/2014),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon de grondslag heeft gelegd voor de ontwikkeling van een EU-veiligheidsbeleid dat gedeeld wordt door de EU en haar lidstaten, gebaseerd is op de rechtsstaat, op eerbiediging van de grondrechten en op solidariteit, en op zowel Europees als nationaal niveau onder democratisch toezicht staat, terwijl het subsidiariteitsbeginsel geëerbiedigd wordt; dat het Europees Parlement sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon een volwaardige speler is op het vlak van het veiligheidsbeleid, waar het voor democratische controle moet zorgen, en dat het derhalve het recht heeft om actief deel te nemen aan de vaststelling van de prioriteiten op dit gebied en om met alle relevante spelers op EU- en nationaal niveau samen te werken om een omvattend, doelgericht en doeltreffend EU-veiligheidsbeleid tot stand te brengen;

B.  overwegende dat de veiligheidssituatie in Europa de afgelopen jaren drastisch is veranderd vanwege nieuwe conflicten en omwentelingen in de onmiddellijke nabijheid van de EU, de snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën en de toenemende radicalisering, die tot geweld en terrorisme leidt; dat veel van de huidige veiligheidsproblemen van grens- en sectoroverschrijdende aard zijn en het vermogen van de afzonderlijke lidstaten om ze op doeltreffende wijze het hoofd te bieden te boven gaan, en dus een gemeenschappelijke Europese aanpak vereisen;

C.  overwegende dat de EU en haar lidstaten samen verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de veiligheid en vrijheid van de Europese burgers; dat vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid doelstellingen zijn die parallel aan elkaar moeten worden nagestreefd en dat, om vrijheid en rechtvaardigheid te bereiken, veiligheidsmaatregelen daarom altijd empirisch moeten worden onderbouwd, overeenkomstig de beginselen van noodzakelijkheid, evenredigheid en eerbiediging van de grondrechten, en op basis van passende democratische controle en verantwoording;

D.  overwegende dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar de ondersteuning en bescherming van alle slachtoffers van misdrijven in de hele EU;

E.  overwegende dat de interneveiligheidsstrategie voor de periode 2010-2014 ten einde loopt en dat er een nieuwe interneveiligheidsstrategie voor de periode 2015-2019 wordt voorbereid;

1.  is ingenomen met de voorbereiding van een nieuwe interneveiligheidsstrategie voor de komende vier jaar; wijst erop dat er sinds de vaststelling van de huidige strategie nieuwe dreigingen zijn ontstaan, terwijl andere om een nieuwe beleidsrespons vragen; herhaalt voorts dat met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen is in het EU-recht; meent daarom dat de huidige interneveiligheidsstrategie grondig moet worden geëvalueerd, bijgewerkt en vernieuwd;

2.  is van mening dat een grondige analyse van de veiligheidsdreigingen waaraan het hoofd moet worden geboden, die door Europol moet worden verricht in nauwe samenwerking met de overige betrokken EU-organen en met de lidstaten, een van de essentiële voorwaarden voor een doeltreffende interneveiligheidsstrategie is;

3.  betreurt dat het in de mededeling van de Commissie ontbreekt aan een evaluatie van de bestaande instrumenten, met een bijbehorende beoordeling van de resterende lacunes; verzoekt tot de Commissie dringend om zo'n inventarisatie uit te voeren en haar inspanningen te concentreren op een goede tenuitvoerlegging en een beter gebruik van de bestaande wetten en instrumenten alvorens met voorstellen voor nieuwe wetten of instrumenten te komen; verzoekt de Raad meer bepaald om in samenwerking met de Commissie een omvattende evaluatie op te maken van de maatregelen die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op het gebied van de interne veiligheid zijn genomen, en daarbij gebruik te maken van de procedure waarin artikel 70 VWEU voorziet;

4.  wenst dat de nieuwe interneveiligheidsstrategie toekomstgericht en strategisch is en gemakkelijk kan worden aangepast aan de ontwikkelingen, doordat de aandacht niet alleen gericht is op bestaande, maar ook op nieuw ontstaande veiligheidsdreigingen, en doordat er een geïntegreerde, omvattende en holistische aanpak wordt gevolgd op prioritaire gebieden zoals cyberveiligheid, mensenhandel en terrorismebestrijding en met betrekking tot met elkaar samenhangende vraagstukken zoals georganiseerde misdaad, witwassen en corruptie;

5.  constateert met bezorgdheid dat steeds meer EU-onderdanen naar conflictgebieden afreizen om zich aan te sluiten bij terroristische organisaties en vervolgens terugkeren naar EU-grondgebied, waar zij voor nieuwe soorten bedreiging van de interne veiligheid zorgen; is voornemens deze verontrustende trend tegen te gaan met een multidimensionale aanpak die onder meer bestaat in i) het over de hele lijn aanpakken van de onderliggende factoren zoals radicalisering, intolerantie en discriminatie door politieke en godsdienstige tolerantie te stimuleren, sociale cohesie en integratie te ontwikkelen en re-integratie te vergemakkelijken, ii) het analyseren en neutraliseren van de factoren die aanzetten tot het plegen van door extremisme ingegeven terreurdaden en tot het afreizen naar conflictgebieden om zich aan te sluiten bij terroristische organisaties, iii) het voorkomen en indammen, binnen passende rechtskaders, van het ronselen voor en deelnemen aan conflicten, waaronder het effectieve afreizen van buitenlandse strijders naar conflictgebieden, iv) het doorbreken van de financiële steun aan terroristische organisaties en aan personen die zich daarbij willen aansluiten, en v) in voorkomend geval, het overgaan tot rechtsvervolging;

6.  wijst erop dat de veiligheidsdreigingen gevarieerder, internationaler, veelvuldiger en asymmetrischer zijn geworden en dus een nauwere samenwerking tussen landen en tussen instanties vereisen; dringt aan op een operationele samenwerking tussen de lidstaten die doeltreffender wordt dankzij het feit dat meer gebruik wordt gemaakt van bestaande, waardevolle instrumenten zoals gemeenschappelijke onderzoeksteams en doordat er een vlottere en doeltreffendere uitwisseling van relevante gegevens en informatie plaatsvindt, met passende waarborgen inzake gegevensbescherming en privacy; benadrukt in dit verband opnieuw het enorme belang van een spoedige vaststelling van de voorgestelde gegevensbeschermingsrichtlijn, zodat er een omvattend rechtskader wordt geboden voor het delen van gegevens op het gebied van de wetshandhaving; wijst erop dat er voor verdere verbetering van de operationele samenwerking tussen de lidstaten behoefte is aan meer maatregelen om het onderlinge vertrouwen te versterken; steunt derhalve de uitbreiding van Europese opleidings- en uitwisselingsprogramma's voor nationale beroepsbeoefenaars om een Europese rechtshandhavingscultuur nog meer te stimuleren;

7.  herinnert de Europese Raad aan zijn verplichting op grond van artikel 222 van het Verdrag betreffende de Europese Unie om regelmatig de dreigingen te evalueren waarmee de EU wordt geconfronteerd en verzoekt de Commissie concrete voorstellen te doen voor de beste wijze om deze verplichting na te komen en de huidige verbrokkelde en nauw gefocuste dreigings- en risicoanalyses op EU-niveau en op nationaal niveau bijeen te brengen;

8.  verlangt derhalve dat er gestreefd wordt naar een goed evenwicht tussen preventiebeleid en repressiemaatregelen, opdat vrijheid, veiligheid en recht behouden blijven; benadrukt voorts dat veiligheidsmaatregelen altijd moeten worden nagestreefd in overeenstemming met de beginselen van de rechtsstaat en de bescherming van alle grondrechten; verzoekt de Commissie om bij de ontwikkeling en uitvoering van de nieuwe interneveiligheidsstrategie terdege rekening te houden met de recente uitspraak van het Europees Hof van Justitie inzake de gegevensbewaringsrichtlijn, die inhoudt dat alle instrumenten in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van evenredigheid, noodzakelijkheid en wettigheid en passende garanties inzake verantwoording en gerechtelijk beroep moeten bieden;

9.  vindt het betreurenswaardig dat de interneveiligheidsstrategie nog steeds geen duidelijke "justitiële dimensie" heeft; wijst erop dat overeenkomstig het programma van Stockholm het wederzijds vertrouwen moet worden versterkt door geleidelijk een Europese rechtscultuur te ontwikkelen die stoelt op de diversiteit van rechtsstelsels en -tradities, door middel van Europese samenwerking en wetgeving op dit gebied en meer bepaald dankzij de ontwikkeling van justitiële samenwerking in strafzaken;

10.  wijst erop dat een correcte tenuitvoerlegging van de nieuwe interneveiligheidsstrategie van het grootste belang is, dat de taken op EU-niveau en die op nationaal niveau duidelijk moeten worden gescheiden, en dat zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen deel moeten uitmaken van dit monitoringproces; is daarom voornemens om in nauwe samenwerking met de nationale parlementen regelmatig te toetsen of de interneveiligheidsstrategie naar behoren ten uitvoer wordt gelegd;

11.  wijst nadrukkelijk op het belang van samenhang tussen de interne en externe aspecten van veiligheid; meent dat er meer synergie moet komen tussen de instrumenten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en die van justitie en binnenlandse zaken (JBZ), zoals informatie-uitwisseling en politiële en justitiële samenwerking met derde landen, met name door gebruik te maken van overeenkomsten inzake wederzijdse rechtshulp, wat volledig in overeenstemming is met de beginselen van de artikelen 2,3,6 en 21 van het VEU; benadrukt in dit verband dat alle betrokken spelers, waaronder de EU-coördinator voor terrorismebestrijding en de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel, nauw moeten samenwerken en de interne en externe aspecten moeten integreren;

12.  benadrukt dat er passende financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor de correcte tenuitvoerlegging van de maatregelen van het interneveiligheidsbeleid en dat er met name voor moet worden gezorgd dat EU-organen zoals Europol en Eurojust over voldoende middelen beschikken om de hun toevertrouwde taken te verrichten; beseft in dit verband dat onderzoek en innovatie een belangrijke rol kunnen spelen bij het ontwikkelen van instrumenten om terrorisme en zware en georganiseerde misdaad te helpen bestrijden;

13.  wijst erop dat de interneveiligheidsstrategie in de praktijk ook gevolgen heeft voor de vaststelling van de prioriteiten voor het optreden van Europese agentschappen en voor Europese financiering op JBZ-gebied, waarbij het Parlement medewetgever is; verzoekt de Raad daarom de bijdrage van het Parlement aan de nieuwe interneveiligheidsstrategie naar behoren in aanmerking te nemen alvorens de nieuwe strategie goed te keuren;

14.  is voornemens zijn standpunt over prioriteiten en acties op het gebied van interne veiligheid nader uit te werken, onder meer op basis van de verwachte mededeling van de Commissie over het nieuwe interneveiligheidsbeleid, en hierover een vruchtbare dialoog aan te gaan met de Raad en de Commissie, in de geest van het Verdrag van Lissabon;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0276.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0384.


Erkenning van Palestina als staat
PDF 132kWORD 187k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over de erkenning van Palestina als staat (2014/2964(RSP))
P8_TA(2014)0103RC-B8-0277/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over het vredesproces in het Midden-Oosten van 17 november 2014,

–  gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter over de aanslag op de synagoge in Har Nof op 18 november 2014 en over de terroristische aanslag in Jeruzalem op 5 november 2014, en gezien de verklaring van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de EU over de laatste ontwikkelingen in het Midden-Oosten van 10 november 2014,

–  gezien de aankondiging van de regering van Zweden over de erkenning van de staat Palestina van 30 oktober 2014, en gezien de eerdere erkenning van de staat Palestina door andere lidstaten voordat deze lid werden van de Europese Unie,

–  gezien de moties over de erkenning van de staat Palestina die zijn aangenomen door het Lagerhuis van het Verenigd Koninkrijk op 13 oktober 2014, door de Ierse Senaat op 22 oktober 2014, door het Spaanse Parlement op 18 november 2014, door de Franse Nationale Vergadering op 2 december 2014 en door het Portugese Parlement op 12 december 2014,

–  gezien het internationaal recht,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU herhaaldelijk haar steun heeft uitgesproken voor de tweestatenoplossing op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als de hoofdstad van beide staten, waarbij de veilige staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aaneengesloten en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, en dat zij heeft opgeroepen tot de hervatting van rechtstreekse vredesbesprekingen tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit;

B.  overwegende dat het tot stand brengen van een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen al meer dan een halve eeuw een centrale prioriteit is van de internationale gemeenschap, met inbegrip van de Europese Unie;

C.  overwegende dat de rechtstreekse vredesbesprekingen tussen de partijen momenteel vastzitten; overwegende dat de EU de partijen heeft opgeroepen om met hun handelen bij te dragen aan een sfeer van vertrouwen, die nodig is om zinvol te kunnen onderhandelen, om zich te onthouden van acties die de geloofwaardigheid van het proces kunnen ondermijnen en om opruiing te voorkomen;

D.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 22 november 2012 heeft benadrukt dat vreedzame en geweldloze middelen de enige manier zijn om tot een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen te komen, ertoe heeft opgeroepen tot het creëren van de omstandigheden die nodig zijn voor de hervatting van rechtstreekse vredesbesprekingen tussen beide partijen, in dit verband zijn steun heeft uitgesproken voor het Palestijnse verzoek voor toekenning van de status van "niet-lid/waarnemer van de VN", deze toekenning als een belangrijke stap heeft beschouwd om de Palestijnse eisen zichtbaarder, sterker en doeltreffender te maken, en er in dit verband bij de lidstaten van de EU en de internationale gemeenschap op heeft aangedrongen tot een overeenkomst in deze richting te komen;

E.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 29 november 2012 heeft besloten om Palestina de status van "niet-lid/waarnemer van de VN" toe te kennen;

F.  overwegende dat de erkenning van de staat Palestina onder de bevoegdheden van de lidstaten valt;

G.  overwegende dat de PLO in 1993 heeft toegezegd de staat Israël te zullen erkennen;

1.  steunt in principe de erkenning van Palestina als staat en de tweestatenoplossing, en is van mening dat deze parallel moeten lopen met de ontwikkeling van vredesbesprekingen, die bevorderd moeten worden;

2.  steunt de inspanningen van president Abbas en van de Palestijnse regering van nationale consensus; onderstreept eens te meer het belang van consolidering van de autoriteit van de Palestijnse consensusregering en van haar bestuur in de Gazastrook; dringt er bij alle Palestijnse groepen, met inbegrip van Hamas, op aan de toezeggingen van de PLO te accepteren en een eind te maken aan de onderlinge verdeeldheid; verzoekt de EU door te gaan met het toekennen van steun en bijstand voor de opbouw van de Palestijnse institutionele capaciteit;

3.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de stijgende spanningen en het toenemende geweld in de regio; veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen alle daden van terreur of geweld, en spreekt zijn medeleven uit met de families van de slachtoffers; waarschuwt voor de risico's van een verdere escalatie van het geweld bij heilige plaatsen, waardoor het Israëlisch-Palestijnse conflict kan omvormen tot een religieus conflict; roept de politieke leiders van alle partijen op via zichtbare acties bij te dragen aan de-escalatie van de situatie, en onderstreept dat geweldloosheid en eerbiediging van de mensenrechten en het humanitaire recht de enige manier zijn om tot een duurzame oplossing en een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen te komen; benadrukt dat elke gewelddadige actie het extremisme aan beiden zijden alleen maar kan aanwakkeren; roept alle partijen op zich te onthouden van handelingen die tot een verslechtering van de situatie zouden kunnen leiden als gevolg van opruiing, provocatie, buitensporig gebruik van geweld of vergelding;

4.  benadrukt verder dat niets moet worden ondernomen dat gedane verbintenissen inzake een via onderhandelingen tot stand te brengen oplossing in twijfel trekt; benadrukt dat de nederzettingen in strijd met het internationaal recht zijn; roept beide partijen op niets te doen dat de haalbaarheid van en de vooruitzichten op een tweestatenoplossing zou kunnen ondermijnen;

5.  herhaalt zijn krachtige steun voor de tweestatenoplossing op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als de hoofdstad van beide staten, waarbij de veilige staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aaneengesloten en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid op basis van het recht van zelfbeschikking en volledige eerbiediging van het internationaal recht;

6.  is ingenomen met het recente bezoek van de hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter aan Israël en Palestina, en met haar toezegging om zich proactief in te schakelen in een positief proces gericht op het doorbreken van de vicieuze cirkel van het conflict en op het scheppen van de voorwaarden voor werkelijke vooruitgang in het vredesproces; is van oordeel dat de Europese Unie haar verantwoordelijkheid moet nemen en een daadwerkelijk faciliterende rol in het vredesproces in het Midden-Oosten moet gaan spelen, mede met het oog op de noodzaak van hervatting van de vredesgesprekken, waaronder middels een gemeenschappelijke benadering en een alomvattende strategie voor een oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict; herhaalt dat een diplomatieke benadering onder auspiciën van het Midden-Oostenkwartet nodig is, en wijst nog een op het belang van het Arabische vredesinitiatief;

7.  verzoekt de hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter in dit verband te werken aan een gemeenschappelijk standpunt van de EU;

8.  onderstreept de noodzaak van een alomvattende vrede, waarmee een einde wordt gemaakt aan alle vorderingen en wordt voldaan aan de legitieme verlangens van beide partijen, waaronder die van de Israëli's inzake veiligheid en die van de Palestijnen inzake een eigen staat; benadrukt dat de enige mogelijke oplossing voor het conflict het naast elkaar bestaan van twee staten, Israël en Palestina, is;

9.  lanceert het initiatief "Parlementsleden voor vrede", dat erop gericht is Europese, Israëlische en Palestijnse parlementsleden van heel het politieke spectrum samen te brengen teneinde vorderingen met de vredesagenda te boeken en de diplomatieke inspanningen van de EU aan te vullen;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid / vicevoorzitter van de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de afgezant van het Midden-Oostenkwartet, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad.


EU-staalindustrie: bescherming van werknemers en industrieën
PDF 163kWORD 210k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over de situatie in de EU-staalindustrie: bescherming van werknemers en bedrijfstakken (2014/2976(RSP))
P8_TA(2014)0104RC-B8-0352/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, dat ten grondslag lag aan het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2011 getiteld "Het industriebeleid: het concurrentievermogen versterken" (COM(2011)0642),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 getiteld "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel – Actualisering van de mededeling over het industriebeleid" (COM(2012)0582),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2013, getiteld "Actieplan voor een concurrerende en duurzame staalindustrie in Europa" (COM(2013)0407),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over een actieplan voor een concurrerende en duurzame staalindustrie in Europa(1),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de staalindustrie en over de herstructurering, verplaatsing en sluiting van bedrijven in de EU,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over werkgelegenheids- en sociale aspecten van de Europa 2020-strategie(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende informatie voor en raadpleging van werknemers, anticipatie en beheer van herstructurering(3),

–  gezien de vraag aan de Commissie over de staalfabriek Acciai Speciali Terni (AST) in Italië (O-000087/2014),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

Algemene uitdagingen

A.  overwegende dat de Europese staalsector historisch van aanzienlijk belang is geweest voor de Europese integratie en de basis vormt voor de totstandbrenging van de industriële toegevoegde waarde in Europa;

B.  overwegende dat de staalindustrie een essentiële rol speelt in de economie en industrie van Europa en momenteel te lijden heeft onder een aanzienlijke daling van de vraag, met een aanhoudend verlies van banen en concurrentievermogen tot gevolg, wat niet veel goeds voorspelt voor het nodige herstel van de Europese economie;

C.  overwegende dat de EU een beleid dient te bevorderen dat erop gericht is de industriële productie in alle lidstaten te ontwikkelen, om zo de werkgelegenheid in de EU te vrijwaren, en ernaar moet streven dat haar indicatieve doelstelling van een stijging van 20 % van het door de industrie gegenereerde aandeel van het bbp tegen 2020 wordt verwezenlijkt;

D.  overwegende dat een van de doelstellingen van de EU erin bestaat de staalindustrie te ondersteunen, belemmeringen en bedreigingen voor het concurrentievermogen van deze industrie weg te nemen en ervoor te zorgen dat deze kan inspelen op veranderende omstandigheden op de Europese en niet-Europese markt;

E.  overwegende dat de staalindustrie de afgelopen jaren voor belangrijke uitdagingen heeft gestaan als gevolg van herstructureringen en fusies (met de bijbehorende kosten voor de samenleving), maar ook als gevolg van nieuwe eisen om aan de klimaatdoelstellingen van de EU te kunnen voldoen;

F.  overwegende dat een aantal grote staalproducenten vooral strategieën toepassen die toegespitst zijn op financieel rendement op de korte termijn, ten koste van innovatie, investeringen in O&O, werkgelegenheid en vernieuwing van vaardigheden;

G.  overwegende dat de staalindustrie te kampen heeft met een investeringscrisis die haar toekomst in gevaar brengt, terwijl tegelijkertijd wordt verwacht dat materialen van staal een essentiële rol spelen bij het bieden van duurzame industriële oplossingen voor urbanisatie, mobiliteit en demografische verandering;

H.  overwegende dat een kleine stijging van de vraag ertoe zal leiden dat Europa in plaats van een netto-exporteur een netto-importeur van staal wordt, met name van platstaal en producten met een hoge toegevoegde waarde;

I.  overwegende dat volgens de Commissie fabriekssluitingen tot het verlies geleid hebben van 60 000 banen sinds 2007, en de productie gedaald is van 210 miljoen ton in 2007 tot 166 miljoen ton in 2013(4);

Concurrentievermogen en handel

J.  overwegende dat het verenigen van de noodzaak van goede milieuprestaties met een groter internationaal concurrentievermogen, de aanpak van de koolstoflekkageproblematiek en de verbetering van de toegang tot grondstoffen, fundamentele uitdagingen blijven voor de staalsector, ook vanwege het feit dat verschillende concurrenten aan verschillende normen zijn gebonden;

K.  overwegende dat in een mondiale benadering van de staalindustrie ook met de energiekosten rekening moet worden gehouden, en dat de elektriciteitsprijzen voor industriële verbruikers een rechtstreekse weerslag hebben op het concurrentievermogen;

L.  overwegende dat energie-efficiëntie en hulpbronnenefficiëntie verdere kostenbesparingen en emissiereductie voor de industrie kunnen opleveren;

M.  overwegende dat de vraag uit de automobielsector beperkt blijft vanwege structurele overcapaciteit, terwijl andere sectoren zoals hernieuwbare energie en energie-infrastructuur de staalsector echte kansen bieden (bijvoorbeeld: een windturbine van 3mW = 500 auto's);

Sociale aspecten

N.  overwegende dat de hoge werkloosheidscijfers in de EU verband houden met de smaller wordende industriële en productiebasis, en overwegende dat de huidige crisis enorme sociale problemen veroorzaakt voor de getroffen werknemers en regio's;

O.  overwegende dat de staalindustrie in de EU een belangrijke werkgever is, die rechtstreeks werk biedt aan 350 000 mensen en onrechtstreeks nog eens aan miljoenen anderen in aanverwante bedrijfstakken, waaronder de toeleveringsketen voor recycling;

P.  overwegende dat werknemers en nationale en lokale autoriteiten zeer verontrust zijn over de situatie van bepaalde staalfabrieken in Europa;

Q.  overwegende dat bedrijven die herstructureren dit moeten doen volgens de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, omdat de ervaring leert dat sociaal en economisch duurzame herstructurering de nodige sociale dialoog vereist, met de bijzondere nadruk op het informeren en raadplegen van werknemers zoals omschreven in bovengenoemde resolutie van het Parlement van 15 januari 2013;

R.  overwegende dat het met het oog op de bescherming van de belangen van zowel staalbedrijven als hun werknemers van essentieel belang is uitgebreid overleg te plegen met de sociale partners op alle niveaus en de sociale dialoog op EU-niveau te versterken;

S.  overwegende dat talloze fabrieken, met een totale capaciteit van 20 miljoen ton, al langer dan drie jaar tijdelijk buiten bedrijf zijn; overwegende dat het personeelsbestand van veel fabrieken in Europa voornamelijk bestaat uit oudere, ervaren werknemers die bijna de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;

O&O/Technologie

T.  overwegende dat hightechbedrijven – waarvan de staalsector een voorbeeld is – model staan voor technologische knowhow die moet worden beschermd, en dat dus onverwijld actie moet worden ondernomen om te verhinderen dat ze naar derde landen worden verplaatst;

U.  overwegende dat O&O van strategische waarde is voor een industrie die een manier moet vinden om haar uitstoot, met name (maar niet uitsluitend) van CO2, te verlagen;

Uitdagingen

1.  benadrukt dat economisch herstel in Europa grotendeels afhangt van een sterke productiesector, waarin de staalindustrie een cruciale rol vervult, en dat de productie afhankelijk is van de binnenlandse vraag en groei;

2.  wijst er nogmaals op dat het belangrijk is dat de vakkennis en ervaring, opgebouwd in belangrijke industriële gebieden, bewaard blijven, omdat deze vakkennis en ervaring zorgen voor diversificatie, milieuwaarborgen en innovatieve producten;

3.  verzoekt de Commissie voort te maken met de voorbereiding van haar voor het eerste deel van 2015 aangekondigde stappenplan voor het industriebeleid, om de positie van de Europese industrie op de wereldmarkt te versterken en echt gelijke voorwaarden te waarborgen, hoge sociale en milieunormen in de EU te handhaven en te komen tot wederkerigheid ten aanzien van derde landen;

4.  is van mening dat een ambitieuze aanpak van herindustrialisatie in het kader van de tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie van het allergrootste belang is voor het verwezenlijken van een daadwerkelijk EU-industriebeleid en het stimuleren van het industriële concurrentievermogen van de EU op mondiaal niveau;

5.  verzoekt de Commissie zich te buigen over de mondiale strategische positie van de Europese staalindustrie, gezien het feit dat de staalproductie in een groot aantal landen als strategisch wordt beschouwd, en om een duidelijk stappenplan te ontwikkelen voor de initiatieven op de middellange en lange termijn die zij wil gaan voorstellen om de staalindustrie in Europa te ondersteunen; benadrukt dat bij een dergelijk stappenplan tijdig en uitgebreid overleg gepleegd moet worden met de sociale partners op alle niveaus; meent dat, gezien het aanhouden van de crisis, er verslag zou moeten worden uitgebracht over de uitvoering van het actieplan voor staal zodat kan worden voortgebouwd op de positieve resultaten van het afgelopen jaar en de dynamiek niet verloren gaat;

6.  verzoekt de Commissie met een instrument te komen waarmee de staalmarkt diepgaand kan worden geanalyseerd en nauwkeurige informatie kan worden verkregen over de vraag- en aanbodsituatie in Europa en wereldwijd, waarbij het onderscheid moet worden gemaakt tussen de structurele en de cyclische componenten van de ontwikkeling van deze markt; is van mening dat toezicht op de staalmarkt in aanzienlijke mate kan bijdragen aan de transparantie van de staal- en schrootmarkt en waardevolle gegevens kan opleveren als basis voor corrigerende en proactieve maatregelen, die onvermijdelijk zijn wegens het cyclische karakter van de staalindustrie; verzoekt de Commissie om deze marktanalyse-instrumenten te gebruiken om te anticiperen op de risico's en te onderzoeken hoe de sluiting van fabrieken het herstel van de sector beïnvloedt;

7.  verzoekt de Commissie op korte termijn een verslag in te dienen over de grote uitdagingen waarmee de staalindustrie in Europa te maken heeft, met inbegrip van de sociale, economische en milieuaspecten; herinnert er in dit verband aan dat de Commissie, na het verstrijken van de looptijd van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het recht heeft de economische en sociale gevolgen van de ontwikkelingen in de Europese staalindustrie aan te pakken; verzoekt de Commissie rekening te houden met positieve ervaringen, met name wat betreft het tripartiete strategisch overleg en het onderzoek;

8.  verzoekt dat de groep op hoog niveau voor de staalindustrie, gezien het feit dat er onlangs een nieuw college van commissarissen is verkozen, spoedig nieuw leven wordt ingeblazen, met de volledige deelname van het Parlement, en wenst dat er binnen dit kader een bijeenkomst wordt georganiseerd om belanghebbenden te informeren over de geboekte vorderingen bij de uitvoering van de veertig maatregelen uit het actieplan voor staal van de Commissie; vraagt de Commissie om, wanneer dat geboden en mogelijk is, bijeenkomsten van de groep op hoog niveau zodanig te organiseren, dat de resultaten van die bijeenkomsten kunnen worden meegenomen in de discussies binnen de Raad voor de mededinging; verzoekt de Commissie jaarlijkse themavergaderingen te organiseren met andere energie-intensieve bedrijfstakken over mededinging, handel, energie- of klimaatbeleid, aangezien sommige problemen van de staalsector ook van belang zijn voor andere energie-intensieve bedrijfstakken;

9.  acht het absoluut noodzakelijk dat de regionale en plaatselijke autoriteiten en de vakbonden uit de gebieden waar de staalfabrieken zijn gevestigd, nauw bij dit proces worden betrokken, om zo de samenwerking en de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen tussen de grootste belanghebbenden in de lidstaten te bevorderen;

10.  onderstreept dat om de Europese industrie duurzaam en winstgevend te kunnen maken, eerst moet worden gekeken hoe de investeringscrisis kan worden aangepakt, rekening houdende met het feit dat investeringen in de staalindustrie worden gekenmerkt door langetermijnrendement; dringt er derhalve bij de Commissie op aan te overwegen een aanzienlijk deel van haar investeringsplan toe te wijzen aan levensvatbare langetermijnprojecten op het gebied van infrastructuur, en aan innovatie bij grootschalige industriële projecten, waaronder koolstofarme en energie-efficiëntieprojecten, hetgeen ook een aanzienlijke stimulans aan de vraag naar staal in de EU kan geven;

11.  moedigt voorts het gebruik van andere innovatieve financiële instrumenten, zoals financieringsfaciliteiten met risicodeling, aan, die met voorrang toegang verlenen aan de in crisis verkerende staalindustrie; roept de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling op een langetermijnfinancieringskader voor staalprojecten te ontwerpen;

12.  wijst op het cruciale belang van steun voor de staalsector, met inbegrip van de strategische ontwikkeling van nieuwe belangrijke staalverwerkende sectoren, bijvoorbeeld in de energiesector (opwekking en distributie van hernieuwbare energie),de vervoersector en hulpbronnenefficiënte constructieprojecten, waarbij stimulansen worden gecreëerd voor efficiënte productieprocessen, de interne markt wordt versterkt en de ontwikkeling van vaardigheden wordt bevorderd;

13.  vraagt dat de levenscyclusbeoordelingsmethode wordt toegepast voor de evaluatie van de impact op het milieu en de vermindering van het gebruik van grondstoffen in alle stadia van de levenscyclus, waaronder de winning en conversie van grondstoffen, vervaardiging en verdeling en gebruik en/of consumptie, met als doel hergebruik en recycling van materialen en energieterugwinning te bevorderen en de hoeveelheid eindafval te verminderen;

14.  verzoekt de Commissie na te gaan of de toepassing van de mededingingsregels op de Europese staalmarkt tot oneerlijke oplossingen heeft geleid, met potentiële averechtse effecten op de efficiëntie; spoort de Commissie aan om, indien dit het geval blijkt te zijn, voor correctieve maatregelen te zorgen en dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen; benadrukt dat besluiten of maatregelen van de Commissie op het gebied van het mededingingsrecht geen bedreiging mogen vormen voor de economische levensvatbaarheid van afzonderlijke staalfabrieken, met name in de context van de toegenomen mondiale concurrentie; voegt hieraan toe dat de Commissie ook actie moet ondernemen om te vermijden dat belangrijke industriële infrastructuur en productiecapaciteit verloren gaan als gevolg van de verkoop van waardevolle activa ("asset stripping");

15.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de huidige staatssteunregeling voor energie-intensieve industrieën de interne markt niet verstoren, om zo een gelijk speelveld voor ondernemingen te waarborgen; is van oordeel dat energie-intensieve industrieën behoefte hebben aan een stabiel investeringskader om een hoog niveau van werkgelegenheid te kunnen waarborgen;

Handelsverkeer en concurrentievermogen

16.  spoort de Commissie aan om het industriebeleid naar een hoger plan te tillen door maatregelen te nemen waarmee het concurrentievermogen van de Europese industrie op een mondiale markt nieuw leven kan worden ingeblazen, en om een echt gelijk speelveld voor alle marktdeelnemers te waarborgen;

17.  verzoekt de Commissie om tijdig en doeltreffend staalinvoer op de EU-markt aan te pakken als sprake is van onrechtmatige subsidiëring en dumping, en, waar nodig, van het EU-instrumentarium voor handelsmaatregelen gebruik te maken overeenkomstig het bestaande EU-recht;

18.  verzoekt de Commissie zich te buigen over de haalbaarheid van fiscale aanpassingen aan de grens (betaling van emissierechten voor staal dat afkomstig is uit derde landen), met het oog op een gelijk speelveld ten aanzien van CO2-emmissies en op uitbanning van het verschijnsel van koolstoflekken;

19.  verzoekt de Commissie dringend om bij toekomstige handelsovereenkomsten te waarborgen dat de exportmogelijkheden en de toegang tot de markt voor Europees staal en op staal gebaseerde producten duidelijk worden verbeterd; beklemtoont dat eerlijke handel in staalproducten alleen mogelijk is wanneer elementaire arbeidsrechten en milieunormen worden geëerbiedigd, en wijst erop dat invoer tegen dumpingprijzen tot oneerlijke concurrentie leidt, met name voor de Europese producenten van roestvrij staal; wijst erop dat de handelsbeschermingsinstrumenten van de EU dringend aan modernisering toe zijn, en verzoekt de Commissie de lidstaten aan te sporen tot concrete actie om dit moderniseringsproces te bespoedigen, zodat eerlijke concurrentie kan worden gewaarborgd en de EU snelle en evenredige maatregelen kan nemen voor het bestrijden van oneerlijke handelspraktijken;

20.  meent dat de hierbij voorgestelde positieve maatregelen de staalindustrie in staat zouden stellen internationaal een betere concurrentiepositie te verwerven, door aan te tonen dat staalproducten uit de EU aan hogere sociale, economische en milieuvoorwaarden voldoen dan alle andere, en door de nadruk te leggen op de kwaliteit van staalproducenten uit de EU, waardoor tegelijkertijd de opinie van consumenten zou worden verbeterd;

21.  onderstreept dat de hoge Europese milieu- en klimaatbeschermingsnormen wereldwijde normen zouden kunnen worden, en dat dit eerlijke mededingingsvoorwaarden zou scheppen;

22.  wijst op de problemen waarmee de staalindustrie in veel lidstaten te maken heeft, die deels toe te schrijven zijn aan een aanzienlijke terugval in de mondiale vraag, gestegen energiekosten, en toenemende productieverplaatsing uit Europa naar elders; vraagt de Commissie daarom onverkort uitvoering te geven aan het stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa (COM(2011)0571) en de beleidsaanbevelingen van het Europees platform voor efficiënt hulpmiddelengebruik;

23.  is van oordeel dat de afvalwetgeving moet worden verbeterd om de werking van de Europese markt voor staal en schroot te ondersteunen, bijvoorbeeld door de richtlijn betreffende autowrakken te herzien; wijst opnieuw op het belang van een goed functionerende markt voor schroot, die in het licht van de strategie voor een Europese kringloopeconomie verder moet worden verbeterd en aangemoedigd met als doel buitensporige prijsstijgingen te verhinderen als gevolg van de aanwezigheid van niet-EU-bedrijven op de EU-markt; roept de Commissie er in dit verband toe op om de toepassing van uitvoerrechten op de EU-markt voor schroot te overwegen met als doel de milieudumping die zich gewoonlijk voordoet, te verhinderen;

Sociale aspecten

24.  benadrukt de noodzaak te investeren in de scholing en opleiding van werknemers en benadrukt dat het belangrijk is de Commissie de voortdurende ontwikkelingen nauwlettend in het oog houdt om het industriële erfgoed van Europa en de betrokken werknemers te vrijwaren;

25.  verzoekt de Commissie om stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de lidstaten niet tegen elkaar worden uitgespeeld wanneer een grote staalproducent met fabrieken in meerdere landen een herstructurering aankondigt; dringt voorts aan, gezien het belang van beleidscoördinatie om een duurzame, hulpbronnenefficiënte en concurrerende staalindustrie te waarborgen die kan inspelen op verandering in de omstandigheden op de Europese en wereldmarkt, op een pan-Europese oplossing voor het waarborgen en scheppen van degelijke banen en industriële activiteit in de Europese regio's;

26.  onderstreept de noodzaak voor de bedrijfstak, de sociale partners en lokale autoriteiten om vooruit te lopen op de scholing die nodig is in verband met een mogelijke herstart van tijdelijk buiten bedrijf gestelde fabrieken;

27.  is voorstander van de bevordering van een kennisoverdrachtprogramma dat oudere, ervaren werknemers in staat stelt hun kennis en vaardigheden over te dragen aan nieuwkomers in Europese staalfabrieken;

28.  beklemtoont dat Europese bedrijven in derde landen zich ook moeten houden aan de EU-normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en medezeggenschap van werknemers;

29.  benadrukt dat het betrekken van werknemers bij innovatie- en herstructureringsmaatregelen cruciaal is om tot economisch succes te komen, en verzoekt de Commissie daarom met de sociale partners een platform op te zetten om advies uit te brengen over het Europese actieplan voor staal, en om dit uit te voeren en te monitoren;

30.  roept de sociale partners bij staalfabrieken die in een kritieke economische situatie verkeren op, om collectieve werktijdvermindering als optie in overweging te nemen waardoor crisissituaties kunnen worden opgevangen en ontslagen en banenverlies kunnen worden voorkomen;

31.  verzoekt de Commissie de desbetreffende EU-fondsen – zoals het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) en het Europees Sociaal Fonds (ESF) – en beleidsinstrumenten te stroomlijnen om de sociale kosten van de aanpassing te verzachten en om ervoor te zorgen dat de nodige vaardigheden worden behouden en ontwikkeld met het oog op het toekomstige concurrentievermogen van de industrie;

32.  stelt voor dat de opbrengst van de verkoop van de gratis emissierechten van ondernemingen volledig moet worden geherinvesteerd in een koolstofarme economie (apparatuur, technologie, O&O, opleiding van werknemers);

33.  is van mening dat moet worden geanticipeerd op de grote veranderingen in de staalindustrie en andere industriële sectoren; is in dit verband van oordeel dat de lidstaten hun onderwijs- en scholingsbeleid meer moeten afstemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt om soortgelijke situaties het hoofd te kunnen bieden en de aantrekkelijkheid van de technische en wetenschappelijke studierichtingen te verhogen, om te verzekeren dat de staalindustrie over de nodige gespecialiseerde vakmensen beschikt om de innovatie door te voeren;

34.  wijst erop dat gekwalificeerde en bekwame mensen nodig zijn om de overgang naar een duurzamer productieproces en duurzamere producten in goede banen te leiden en pleit voor een Europese opleidings- en onderwijsstrategie; is tevreden over het project van vergroenende technische beroepsopleiding en -scholing voor de staalsector, waarbij staalbedrijven, onderzoeksinstellingen en de sociale partners gezamenlijk onderzoek hebben gedaan naar de vaardigheden die nodig zijn om ecologische duurzaamheid te bereiken; verzoekt de Commissie om in vervolg hierop haar steun te geven aan de realisering van de uitkomsten van dit project;

O&O/Technologie

35.  benadrukt het belang van de ontwikkeling en verspreiding van de beste beschikbare technieken (BBT) in de hele EU en is voorstander van, indien mogelijk, de vervanging van mineralen door ijzerschroot, van meer gebruik van elektrische boogovens en van vervanging van cokeskool door gas;

36.  pleit ervoor dat investeringen worden geleid naar technologie die ervoor zorgt dat de energie-input optimaal wordt benut, bijvoorbeeld door het gebruik van procesgassen en restwarmte voor stoom- en elektriciteitsopwekking te optimaliseren;

37.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij, hetzij door middel van wetgeving, hetzij via collectieve overeenkomsten, zorgen voor passende sociale bescherming, goede arbeidsomstandigheden, een behoorlijk loon en een doeltreffende bescherming tegen onrechtmatig ontslag;

38.  benadrukt dat er moet worden geïnvesteerd in onderzoek en innovatie omdat dit cruciale factoren zijn voor het aanzwengelen en vernieuwen van de economie in het algemeen, en van de staalindustrie in het bijzonder, aangezien deze wordt gekenmerkt door lange levenscycli en een enorm recyclingpotentieel; wijst in dit verband op de bestaande en nieuwe technologieën voor ijzerertsreductie op waterstofbasis, waarmee de koolstofdioxide-uitstoot aanzienlijk zou kunnen worden verlaagd of weggewerkt; roept op tot de invoering en promotie van een "made in Europe"-keurmerk voor eerlijke staalproducten;

39.  meent dat gezamenlijke research- en ontwikkelingsinspanningen ten goede zullen komen aan een koolstofarme en schadeloze staalproductie en dus bevorderlijk zijn voor een duurzamer en concurrerender industrie;

40.  onderstreept in dit verband het primaire belang van de programma's Horizon 2020 en SPIRE (Sustainable Process Industry through Resource and Energy Efficiency), alsook van de financiering door de Europese Investeringsbank en de toekomstige NER400-faciliteit van de meest riskante innovatie- en onderzoeksprogramma's;

41.  roept de Commissie op een ambitieus innovatiebeleid in te voeren, dat kansen schept voor hoogwaardige, energie-efficiënte en innovatieve producten en processen die ervoor zorgen dat de EU haar mannetje kan staan in de toenemende mondiale concurrentie; beklemtoont dat innovatie in nieuwe producten, zoals massastaalproducten, met inbegrip van platen van hoogwaardig en zeer resistent staal voor de productie van auto's en edelstaal met verschillende fysieke en chemische kenmerken, en nieuwe productieprocessen, met name waterstofmetallurgie en hersmeltingsmetallurgie, de sleutel vormen tot het versterken van het concurrentievermogen van de Europese staalindustrie ten opzichte van leveranciers in derde landen, en dat dit terrein specifieke steun verdient;

42.  herinnert eraan dat innovatie moet worden gestimuleerd niet alleen door aanmoediging van research en ontwikkeling en kennisoverdracht, maar ook van marktintroductie en innovatiecentra, via bevordering van publiek-private partnerschappen in strategische sectoren als de staalindustrie teneinde meer particulier kapitaal aan te trekken;

43.  pleit voor de financiering van industriële proefprojecten waarmee de CO2-uitstoot kan worden verlaagd met het oog op de spoedeisende overgang naar een duurzame, koolstofvrije economie die gebaseerd is op energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen en slimme infrastructuur, en waarmee de technologie voor staalproductie met een ultralage CO2-uitstoot (ULCOS) kan worden omgezet in een energie- en milieu-efficiënt instrument van het industriebeleid;

44.  meent dat mogelijkheden om het tij te keren - met name in de staalindustrie - in grote mate zullen afhangen van nieuwe technologieën, en benadrukt daarom de belangrijke rol die door de EU gefinancierde research- en innovatieprogramma's kunnen spelen bij het aanjagen van de Europese economie via Horizon 2020, en bij het verzekeren van concurrentiekracht voor de Europese staalindustrie en van een hoge kwaliteit voor de staalproductie; herinnert eraan dat research en innovatie belangrijk zijn als drijvende krachten achter economische groei en een concurrerende industrie;

45.  vraagt de Commissie zo spoedig mogelijk uitvoering te geven aan het SustSteel-initiatief, zoals voorgesteld in het actieplan voor staal; merkt op dat dit initiatief ten volle wordt onderschreven door het Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, alsmede de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0069.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0060.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0005.
(4) Werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "State of play on implementation of the Commission Communication Action Plan for a competitive and sustainable steel industry in Europe of 11 June 2013" (Stand van zaken van de uitvoering van het in de mededeling van de Commissie opgenomen actieplan voor een concurrerende en duurzame staalindustrie in Europa" (COM(2013)0407)’ (SWD(2014)0215),


Situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie
PDF 141kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2014 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie (2014/2907(RSP))
P8_TA(2014)0105B8-0362/2014

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van Genève van 1951 en de aanvullende protocollen hierbij,

–  gezien zijn resolutie van 9 oktober 2013 over maatregelen van de EU en de lidstaten om met de vluchtelingenstroom als gevolg van het conflict in Syrië om te gaan(1),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over migratiestromen over de Middellandse Zee, in het bijzonder in het licht van de tragische gebeurtenissen bij Lampedusa(2),

–  gezien de toespraak van de voorzitter van het Europees Parlement tijdens zijn bezoek aan Lampedusa op 2 en 3 oktober 2014 ter gelegenheid van de herdenking van de tragedie van 3 oktober 2013,

–  gezien de verslagen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over de bezoeken van haar delegaties naar Lampedusa in november 2011, naar Jordanië in februari 2013 om zich een idee te vormen van de situatie van vluchtelingen uit Syrië, en naar Bulgarije in januari 2014 om zich een idee te vormen van de situatie van asielzoekers en vluchtelingen, in het bijzonder uit Syrië,

–  gezien de debatten in zijn plenaire vergadering van 9 oktober 2013 over migratiestromen in het Middellandse Zeegebied, in het bijzonder in het licht van de tragische gebeurtenissen bij Lampedusa,

–  gezien de debatten die sinds het begin van de huidige zittingsperiode zijn gehouden: in zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 22 juli 2014 over de uitvoering van de mededeling over het werk van de Taskforce Middellandse Zeegebied; op 4 september 2014 over de activiteiten van Frontex in de Middellandse Zee en over de Task Force Middellandse Zeegebied; op 24 september 2014 over het 5e jaarlijkse verslag van de Commissie over immigratie en asiel (2013)(3) en over het jaarverslag van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) over de situatie van asielzoekers in de Europese Unie (2013),

–  gezien de mededeling van de Commissie over het werk van de Task Force Middellandse Zeegebied van 4 december 2013(4),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 22 mei 2014 over de uitvoering van de mededeling over het werk van de Task Force Middellandse Zeegebied(5),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 26-27 juni 2014, waarin de strategische richtsnoeren zijn omschreven voor de wetgevings- en operationele planning voor de komende jaren binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid(6),

–  gezien de politieke richtsnoeren voor de volgende Europese Commissie, die tijdens de plenaire zitting van 15 juli 2014 zijn gepresenteerd door voorzitter Juncker,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité/Comité van de Regio's van 11 september 2014(7),

–  gezien de toezeggingen die door de Commissaris voor Migratie, binnenlandse zaken en burgerschap, de heer Avramopoulos, zijn gedaan op de hoorzitting voor de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 30 september 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad over maatregelen om de migratiestromen beter te beheersen, van 10 oktober 2014,

–  gezien het verslag van april 2012 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa "Lives lost in the Mediterranean Sea",

–  gezien de jaarverslagen van de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechten van migranten, met name het verslag van april 2013 over het beheer van de buitengrenzen van de EU en de impact ervan op de mensenrechten van migranten, en het verslag van april 2014 over arbeidsuitbuiting van migranten,

–  gezien de toespraak van Zijne Heiligheid Paus Franciscus tijdens zijn bezoek aan het Europees Parlement op 25 november 2014,

–  gezien de vragen voor mondeling antwoord aan de Raad en de Commissie over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie (O-000078/2014 - B8 0037/2014 en O-000079/2014 - B8 0038/2014),

–  gelet op het debat over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie dat op 25 november 2014 in het Parlement is gehouden,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie in de eerste negen maanden van 2014 ten minste 3 072 personen zijn omgekomen in de Middellandse Zee(8), waarbij het er nogmaals op wijst dat al het mogelijke moet worden gedaan om het leven van mensen in nood te redden en dat de lidstaten hun internationale verplichtingen inzake redding op zee moeten nakomen;

B.  overwegende dat naar verluidt ongeveer 500 migranten zijn vermoord nadat de boot waarmee zij van Egypte naar de EU werden gebracht, blijkbaar was geramd en opzettelijk tot zinken gebracht door mensenhandelaars; overwegende dat smokkelaars en mensenhandelaars illegale migratie uitbuiten en dat deze netwerken een ernstig gevaar vormen voor het leven van migranten en een uitdaging voor de EU;

C.  overwegende dat de nieuwe patrouille-, reddings- en surveillance-operatie "Mare Nostrum", die door Italië is gelanceerd om de humanitaire reddingsacties in de Middellandse Zee te verbeteren, over een periode van 364 dagen 150 810 migranten(9) heeft gered; overwegende dat de Italiaanse regering heeft aangekondigd dat zij van plan is de 'Mare Nostrum'-operatie af te bouwen;

D.  overwegende dat de gezamenlijke operatie 'Triton', gecoördineerd door Frontex, op 1 november 2014 volledig operationeel is geworden en dat het onduidelijk is wat de toekomstige bijdragen zullen zijn van de lidstaten;

1.  erkent dat het belangrijk is om een holistische aanpak van migratie te ontwikkelen;

2.  wijst opnieuw op de noodzaak dat de EU de billijke verdeling van de verantwoordelijkheid en solidariteit moet vergroten ten behoeve van de lidstaten die het hoogste aantal vluchtelingen en asielzoekers, in absolute of proportionele zin, ontvangen (met inachtneming van artikel 80 VWEU); herinnert aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikelen 78 en 79 VWEU;

3.  betreurt het tragische verlies van mensenlevens op de Middellandse Zee; dringt er bij de Europese Unie en de lidstaten op aan al het mogelijke te doen om verder verlies van mensenlevens op zee te voorkomen; is zich bewust van de noodzaak om ervoor te zorgen dat de verplichtingen op het gebied van opsporing en redding daadwerkelijk worden nagekomen en dat deze dus op de middellange en lange termijn adequaat worden gefinancierd;

4.  acht het noodzakelijk zich te bezinnen over de versterking van het grensbeleid en grensbewaking en over de verbetering van de toekomstige rol van Frontex en EASO; verzoekt de lidstaten solidariteit en betrokkenheid te blijven tonen door voldoende bijdragen te leveren aan de begroting en operaties van deze agentschappen;

5.  wijst erop dat de lidstaten sterke strafrechtelijke sancties tegen mensenhandel en -smokkel, naar en binnen de EU, moeten instellen, ook tegen individuen of groepen die kwetsbare migranten in de EU uitbuiten, en uitgebreide voorlichtingscampagnes moeten opzetten om het bewustzijn te vergroten van het soort risico's waarmee degenen die hun leven in handen van smokkelaars leggen en degenen die het slachtoffer zijn van mensenhandel worden geconfronteerd;

6.  is van mening dat verdere mogelijkheden van legale migratie moeten worden onderzocht;

7.  is van mening dat toekomstige initiatieven in navolging van positieve voorbeelden van hervestiging onderzocht moeten worden, met inbegrip van het vrijwilligehervestigingsprogramma als vastgelegd in artikel 17 van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie; herinnert eraan dat de EU-financiering ondersteuning biedt aan lidstaten die bereid zijn om hervestigingsprogramma's uit te voeren;

8.  onderstreept de noodzaak om de algemene strategie inzake samenwerking met derde landen, met inbegrip van Afrika ten zuiden van de Sahara, Noord-Afrika en het Midden-Oosten te onderzoeken, wat betreft de humanitaire, financiële en politieke steun en in voorkomend geval op het gebied van de rechtshandhaving; wenst voorts verheldering over de rol van regionale bescherming, hervestiging en terugkeerbeleid, met inbegrip van migratiebeheerovereenkomsten tussen landen van herkomst en doorvoer, om de diepere oorzaken van migratie aan te pakken; benadrukt dat derde landen het internationaal recht moeten eerbiedigen met betrekking tot het redden van levens op zee en dat zij de bescherming van vluchtelingen en de eerbiediging van de grondrechten moeten waarborgen;

9.  dringt erop aan dat de mogelijkheid van een snelle behandeling, in samenwerking met derde landen van doorreis en herkomst, en van terugkeer voor degenen die niet in aanmerking komen voor asiel en bescherming in de EU, wordt onderzocht om ervoor te zorgen dat de middelen voor mensen die bescherming nodig hebben optimaal worden gebruikt; benadrukt de noodzaak om beleidsmaatregelen inzake vrijwillige terugkeer te stimuleren, met waarborging van de bescherming van de rechten voor alle migranten en van een veilige en legale toegang tot de EU asielstelsel;

10.  is van mening dat er een onderzoek moet worden uitgevoerd naar de wijze waarop gelden voor binnenlandse zaken, met inbegrip van noodfondsen, in dit verband worden besteed, met name voor maatregelen op het gebied van migratie en asiel, grenscontrole, de bestrijding van mensensmokkel en -handel, en terugkeer, alsook gelden met betrekking tot het buitenlands en ontwikkelingsbeleid van de EU;

11.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de manier waarop een doeltreffende uitvoering moet worden verzekerd van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel - met inbegrip, waar nodig en indien vereist, van de lancering van het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing, paraatheid en crisisbeheer (artikel 33 van Verordening (EU) nr. 604/2013) of het gebruik van inbreukprocedures, waar de EU-wetgeving niet adequaat is geïmplementeerd - en over de manier waarop effectieve gemeenschappelijke normen voor opvang, procedures en kwalificatie, ter bescherming van de meest kwetsbare groepen en bevordering van de maatschappelijke integratie van vluchtelingen, in de hele EU kunnen worden gegarandeerd;

12.  verzoekt zijn bevoegde commissie om de verschillende beleidsmaatregelen die hiermee gemoeid zijn onder de loep te nemen, met extra middelen bijvoorbeeld voor de organisatie van hoorzittingen en ad hoc-delegaties, om een reeks aanbevelingen te ontwikkelen en aan de plenaire vergadering te rapporteren in de vorm van een strategisch initiatiefverslag vóór het einde van 2015;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0414.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0448.
(3) COM(2014)0288 definitief.
(4) COM(2013)0869.
(5) SWD(2014)0173, Parts 1 and 2.
(6)Doc.EUCO 79/14.
(7) REX/414.
(8) Fatal Journeys: Tracking Lives Lost during Migration, IOM, 2014.
(9) http://www.marina.difesa.it/EN/operations/Pagine/MareNostrum.aspx

Juridische mededeling