Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/3017(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0012/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2015 - 11.7
CRE 15/01/2015 - 11.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0012

Aangenomen teksten
PDF 165kWORD 214k
Donderdag 15 januari 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Situatie in Egypte
P8_TA(2015)0012RC-B8-0012/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2015 over de situatie in Egypte (2014/3017(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, in het bijzonder die van 6 februari 2014 over de situatie in Egypte(1) en die van 17 juli 2014 over de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering in Egypte(2),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Egypte van augustus 2013 en februari 2014,

–  gezien de recente verklaringen van de Europese Dienst voor extern optreden over Egypte, waaronder die van 21 september 2014 over de bomaanslag op het Egyptische ministerie van Buitenlandse Zaken en van 3 december 2014 over gerechtelijke uitspraken in Egypte,

–  gezien de verklaringen van 23 juni 2014 van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki‑Moon, en de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Navi Pillav, over de oplegging van gevangenisstraffen aan diverse journalisten en de bevestiging van de doodvonnissen tegen diverse leden en aanhangers van de Moslimbroederschap, gezien de verklaring van VN-secretaris-generaal Ban Ki-Moon van 25 oktober 2014 over terroristische aanslagen in de Sinaï,

–  gezien de associatieovereenkomst EU-Egypte van 2001, die in 2004 in werking is getreden en geschraagd is door het actieplan van 2007, en gezien het voortgangsverslag van de Commissie van 20 maart 2013 over de tenuitvoerlegging ervan; gezien het Europees nabuurschapsbeleid en het meest recente voortgangsverslag over Egypte van maart 2014,

–  gezien de grondwet van Egypte die is aangenomen bij referendum op 14-15 januari 2014, en in het bijzonder de artikelen 65, 70, 73, 75 en 155 ervan,

–  gezien de Egyptische wet nr. 107 van 24 november 2013 betreffende het recht op samenscholingen, optochten en vreedzame betogingen,

–  gezien het presidentieel wetsbesluit nr. 136 van 2014, waarbij alle 'openbare en vitale installaties' voor twee jaar onder militaire rechtsmacht werden gebracht,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(3),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld(4),

–  gezien het speciale verslag van de Europese Rekenkamer van 2013 over de samenwerking van de EU met Egypte op het gebied van goed bestuur,

–  gezien de slotverklaring van 22 juli 2014 van de EU-verkiezingsobservatiemissie voor de presidentsverkiezingen in Egypte,

–  gezien de toespraak van Egyptisch president Abdel Fattah al-Sisi van 1 januari 2015 over moslimfundamentalisme en zijn toespraak van 6 januari 2015 over de noodzaak van vreedzame en constructieve betrekkingen tussen moslims en christenen in Egypte,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake online en offline vrijheid van meningsuiting, de EU-richtsnoeren inzake bevordering en bescherming van alle mensenrechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's), en de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Egypte partij is,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering onmisbare pijlers zijn van een democratische en pluralistische samenleving; overwegende dat de vrijheid van pers en media een essentieel onderdeel van een democratie en een open samenleving vormt; overwegende dat de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting en vergadering, in de in 2014 aangenomen Egyptische grondwet zijn verankerd;

B.  overwegende dat Egypte van oudsher een strategische partner van de Europese Unie is, die de doelstelling van het bouwen aan stabiliteit, vrede en voorspoed in het Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten onderschrijft; overwegende dat Egypte sinds de revolutie van 2011 met enkele moeilijke politieke situaties te kampen heeft gehad en dat het Egyptische volk de steun en hulp van de internationale gemeenschap nodig heeft om de economische, politieke en veiligheidsuitdagingen van het land het hoofd te bieden;

C.  overwegende dat de Egyptische overheid sinds de militaire machtsovername in juni 2013 een grootschalige campagne heeft gevoerd van willekeurige detentie, pesterijen, intimidatie en censuur tegen critici van de regering, uitsluitend omdat ze hun recht op vrijheid van vergadering en vereniging en hun recht op vrije meningsuiting uitoefenden, onder wie journalisten, studenten en mensenrechtenactivisten, en tegen politieke tegenstanders, onder wie leden van de Moslimbroederschap; overwegende dat uit verslagen blijkt dat sinds juli 2013 meer dan 40 000 personen zijn vastgezet na nooit eerder geziene golven van massa-arrestaties en dat sinds juli 2013 naar schatting 1 400 betogers zijn gedood als gevolg van het gebruik van excessief en willekeurig geweld door de veiligheidstroepen; overwegende dat de vrijheid van vereniging, de vrijheid van vergadering en de vrijheid van meningsuiting sinds juli 2013 punten van bijzondere zorg zijn gebleven; overwegende dat Egypte door het Freedom House in het Freedom in the World-verslag over 2014 is ingeschaald als "niet vrij";

D.  overwegende dat duizenden demonstranten en gewetensgevangenen in Egypte zijn vastgezet sinds het Egyptische leger in juli 2013 de macht overnam; overwegende dat arrestaties en gevallen van willekeurige detentie ook na de verkiezing van president al-Sisi in mei 2014 hebben plaatsgevonden; overwegende dat een rechtbank Alaa Abdel Fattah, een prominente activist die een leidende rol speelde in de revolutie van 2011, en anderen op 11 juni 2014 tot vijftien jaar gevangenisstraf heeft veroordeeld wegens schending van wet nr. 107 van 2013 betreffende het recht op samenscholingen, optochten en vreedzame betogingen (Demonstratiewet); overwegende dat andere prominente activisten, onder wie Mohamed Adel, Ahmed Douma en Ahmed Maher, evenals vooraanstaande vrouwenrechtenverdedigers, zoals Yara Sallam en Sana Seif, nog altijd gevangen zitten; overwegende dat de rechtbank van Caïro voor urgente aangelegenheden op 28 april 2014 toestemming heeft gegeven voor een verbod op de jeugdbeweging "6 april";

E.  overwegende dat een Egyptische rechtbank in de provincie Baheira in de Nijl-delta op 10 januari 2015 Karim al‑Banna, een 21-jarige student, tot drie jaar cel heeft veroordeeld voor de vermelding op Facebook dat hij een atheïst is en voor het beledigen van de islam;

F.  overwegende dat de Egyptische autoriteiten door de invoering van repressieve wetgeving de vrijheid van meningsuiting en vergadering aan banden hebben gelegd, hetgeen het de regering makkelijker maakt haar critici het zwijgen op te leggen en protesten neer te slaan;

G.  overwegende dat de regering van president al-Sisi tijdens de afwezigheid van het parlement een aantal repressieve wetten heeft doorgevoerd, zoals presidentieel wetsbesluit nr. 136 van 2014 op grond waarvan alle openbare gebouwen zijn aangemerkt als militaire installaties, wat er in eerste instantie toe heeft geleid dat alle in openbare gebouwen gepleegde misdrijven kunnen worden berecht door militaire rechtbanken en met terugwerkende kracht; overwegende dat de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volkeren, bij de uitlegging van het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren (waarbij Egypte als land partij is), heeft verklaard dat militaire rechtbanken onder geen enkel beding rechterlijke bevoegdheid mogen hebben over burgers;

H.  overwegende dat in de universele periodieke doorlichting van de VN 300 aanbevelingen werden gedaan, met inbegrip van het vrijlaten van iedereen die gearresteerd werd voor het uitoefenen van de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat zeven in Egypte gevestigde mensenrechtengroeperingen uit vrees voor vervolging niet hebben deelgenomen aan de VN‑doorlichting van hun land;

I.  overwegende dat de vrijheid van pers in Egypte nog steeds enorm onder druk staat en dat journalisten nog steeds worden vastgehouden op basis van ongegronde beschuldigingen; overwegende dat in 2014 een aantal journalisten is vervolgd op beschuldiging van het bedreigen van de nationale eenheid en de maatschappelijke vrede, het verspreiden van valse nieuwsberichten en samenwerking met de Moslimbroederschap; overwegende dat het Hof van Cassatie, de hoogste rechtbank van Egypte, heeft bepaald dat de rechtszaken tegen de journalisten Mohammed Fahmy, Peter Greste en Baher Mohamed van Al-Jazeera procedurele gebreken vertoonden; overwegende dat er echter een nieuw proces tegen de drie journalisten wordt opgestart en dat de aanklachten tegen hen wegens "het vervalsen van nieuws" en "betrokkenheid bij de Moslimbroederschap" niet zijn ingetrokken; overwegende dat drie andere journalisten -Sue Turton, Dominic Kane en Rena Netjes- bij verstek zijn veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf; overwegende dat de Egyptische journalisten Mahmoud Abdel Nabi, Mahmoud Abu Zeid, Samhi Mustafa, Ahmed Gamal, Ahmed Fouad en Abdel Rahman Shaheen zijn veroordeeld voor het louter uitvoeren van hun legitieme activiteiten; overwegende dat de Egyptische media extreem gepolariseerd zijn, waarbij zij zijn onderverdeeld in pro- en anti-Morsigroepen, hetgeen de polarisering van de Egyptische samenleving versterkt;

J.  overwegende dat een Egyptische strafrechter op 2 december 2014 voorwaardelijke doodstraffen heeft uitgesproken tegen 188 verdachten tijdens de derde dergelijke massaveroordeling in 2014; overwegende dat deze massaprocessen voornamelijk gericht waren tegen leden van de Moslimbroederschap, de grootste oppositiebeweging van Egypte, die in december 2013 door de autoriteiten tot terroristische groepering werd uitgeroepen; overwegende dat deze veroordelingen de meest recente zijn van een reeks vervolgingen en processen die vol met procedurele onregelmatigheden en in strijd met internationale mensenrechtenwetgeving zijn; overwegende dat niemand verantwoordelijk werd gesteld voor het gebruik van buitensporig geweld in augustus 2013, toen veiligheidstroepen kampen op het Raba'a al-Adawiya-plein binnenvielen en volgens een onafhankelijke Egyptische onderzoekscommissie 607 pro-Morsidemonstranten doodden.

K.  overwegende dat de meeste doodvonnissen die zijn uitgesproken in massaprocessen in maart en april 2014 tegen leden van de Moslimbroederschap en vermeende aanhangers van de verdreven president Morsi zijn omgezet in levenslange hechtenis, maar niet allemaal;

L.  overwegende dat 167 leden van het Lager- en het Hogerhuis van het in 2011 verkozen parlement momenteel worden vastgehouden;

M.  overwegende dat voormalig president Mubarak, zijn voormalig minister van Binnenlandse Zaken, Habib al-Adly, en zes andere medestanders op 29 november 2014 werden vrijgelaten nadat de aanklachten wegens moord en corruptie werden ingetrokken op basis van een technische fout; overwegende dat het Egyptische Hof van Cassatie op 13 januari 2015 de veroordelingen van voormalig president Hosni Mubarak en zijn twee zoons wegens verduistering nietig heeft verklaard en heeft bepaald dat het proces over moet omdat er procedurefouten zijn gemaakt;

N.  overwegende dat deze recente rechtspraktijken ernstige twijfels oproepen over de onafhankelijkheid van het rechtssysteem en over het vermogen ervan om de verantwoordingsplicht te waarborgen; overwegende dat met name de uitspraken waarmee de doodstraf wordt opgelegd de vooruitzichten op stabiliteit op lange termijn in Egypte dreigen te ondermijnen;

O.  overwegende dat Egypte wordt geconfronteerd met aanzienlijke economische uitdagingen, met inbegrip van het wegtrekken van buitenlands kapitaal, de toenemende inflatie, werkloosheid en een aanzwellende overheidsschuld, en veiligheidskwesties die onderdeel zijn van de globale terrorismedreiging; overwegende dat de veiligheidssituatie in de Sinaï kritiek is en dat honderden militairen werden gedood door jihadistische groepen die in het gebied actief zijn; overwegende dat minstens 33 soldaten omkwamen bij een terroristische aanval op 24 oktober 2014; overwegende dat terreurdaden in deze regio schering en inslag zijn; overwegende dat de staat een bevel tot uitzetting van duizenden inwoners van Rafah heeft uitgevaardigd en een 500 meter brede bufferzone langs de grens met de Gazastrook heeft aangelegd, en overwegende dat sinds 24 oktober 2014 op het schiereiland een noodtoestand van kracht is; overwegende dat criminele netwerken nog steeds actief zijn op (mensen)smokkelroutes in en naar de Sinaï;

P.  overwegende dat in artikel 75 van de Egyptische grondwet wordt gesteld dat alle burgers het recht hebben om op democratische wijze niet-gouvernementele verenigingen en stichtingen op te richten; overwegende dat er nieuwe wetsvoorstellen in de pijplijn zitten die verdere beperkingen opleggen aan binnen- en buitenlandse ngo's, die zich vooral zorgen maken over een nieuw wetsvoorstel dat erop is gericht te voorkomen dat terroristen en andere gewapende groeperingen geld en materiaal ontvangen, maar waardoor ook ngo's verstoken zouden blijven van buitenlandse financiële steun, waar zij vaak afhankelijk van zijn; overwegende dat een presidentieel wetsbesluit van 21 september 2014 tot wijziging van het wetboek van strafrecht ernstige gevolgen heeft, zoals levenslange gevangenisstraffen, voor ngo's die buitenlandse financiële steun ontvangen voor het vaag geformuleerde doel "beschadiging van het nationaal belang";

Q.  neemt kennis van de toespraak die president al-Sisi heeft gehouden op de Universiteit van Caïro over de noodzaak van modernisering en hervormingen in het islamitisch gedachtegoed;

R.  overwegende dat geweld tegen vrouwen naar verluid toeneemt, ondanks de goedkeuring van een nieuwe wet inzake seksuele intimidatie, wat volgens Egyptische ngo's op het gebied van vrouwenrechten nog altijd wordt toegepast; overwegende dat Egyptische vrouwelijke activisten zich in een bijzonder kwetsbare positie bevinden en in verband met hun vreedzame activiteiten vaak het slachtoffer worden van geweld, seksueel misbruik en andere vormen van vernederende behandeling; overwegende dat vrouwelijke genitale verminking wijdverspreid blijft ondanks een wet van 2008 die deze praktijk strafbaar stelt, en dat geen enkele persoon die dit op meisjes heeft uitgevoerd met succes is vervolgd;

S.  overwegende dat in de afgelopen maanden het aantal arrestaties van homoseksuele mannen enorm is toegenomen; overwegende dat er in heel Egypte een aantal politie-invallen is geweest op vermoedelijke ontmoetingsplaatsen van homoseksuelen; overwegende dat de LGBT-gemeenschap vervolgd en publiekelijk vernederd wordt; overwegende dat het Egyptische initiatief voor persoonlijke rechten schat dat er in de afgelopen 18 maanden minstens 150 mensen zijn gearresteerd op verdenking van losbandigheid; overwegende dat een Egyptische rechtbank op 12 januari 2015 26 mannen heeft vrijgesproken, die een maand eerder waren gearresteerd bij een inval in een badhuis in Caïro en werden beschuldigd van "het aanzetten tot losbandigheid";

T.  overwegende dat de presidentsverkiezingen van 2014 hebben plaatsgevonden tegen een achtergrond van een ernstige beperking van de vrijheid van meningsuiting en dat alle vormen van protest en kritiek, ook van de zijde van mensenrechtenorganisaties, werden gesmoord; overwegende dat officieel is aangekondigd dat op 21 maart en 25 april 2015 parlementsverkiezingen zullen worden gehouden;

U.  overwegende dat de oliesector in Egypte van oudsher de meeste buitenlandse investeringen aantrekt, en overwegende dat olie de belangrijkste grondstof is die Egypte uitvoert; overwegende dat Egypte gratis olieleveranties heeft gekregen van de golfstaten om de nieuwe regering te steunen; overwegende dat de regering een afgekondigd plan heeft aangenomen om vanaf juli 2014 binnen vijf jaar energiesubsidies op te heffen, en overwegende dat zij van plan is in april 2015 een plan aan te nemen voor de distributie van brandstof via intelligente kaarten teneinde de oliesmokkel naar buurlanden te controleren en de exacte behoefte aan brandstof te weten te komen;

V.  overwegende dat Egypte sinds de revolutie van januari 2011 meerdere keren onderhandelingen met het IMF heeft aangeknoopt met het oog op de toekenning van een lening van 4,8 miljard USD, maar dat de onderhandelingen na 30 juni 2013 zijn stopgezet; overwegende dat de contacten sindsdien weer zijn aangehaald en dat IMF-deskundigen in november 2014 Egypte hebben bezocht om overeenkomstig artikel IV raadplegingen uit te voeren (waarbij de IMF-deskundigen de financiële en economische toestand van een land beoordelen);

W.  overwegende dat stimulansen centraal moeten staan bij de hulp van de EU aan Egypte, overeenkomstig het 'voor wat hoort wat'- beginsel van het Europese nabuurschapsbeleid, en dat deze hulp afhankelijk moet worden gesteld van de vorderingen bij de hervorming van de democratische instellingen en op het gebied van de rechtsstaat en de mensenrechten;

X.  overwegende dat de EU van oudsher de belangrijkste handelspartner van Egypte is en in 2013 goed was voor 22,9 % van het handelsvolume van Egypte en de belangrijkste import- en exportpartner van het land is; overwegende dat de Europese Commissie op voorspraak van de Taskforce EU-Egypte aan Egypte bijkomende financiële steun heeft toegezegd voor een totaalbedrag van bijna 800 miljoen EUR; overwegende dat dit bedrag bestaat uit 303 miljoen EUR aan subsidies (90 miljoen EUR aan middelen uit het Spring-programma, 50 miljoen EUR als giftcomponent afkomstig van de microfinanciële bijstandsoperatie, en de rest van de investeringsfaciliteit voor het nabuurschapsbeleid) en 450 miljoen EUR aan leningen (macrofinanciële bijstand); overwegende dat de EU deze financiële steun echter uitsluitend zal verstrekken als aan de noodzakelijke politieke en democratische voorwaarden wordt voldaan en de democratische transitie wordt voortgezet en geïntensiveerd, waarbij de mensen- en vrouwenrechten volledig worden gerespecteerd;

Y.  overwegende dat de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de heer Lambrinidis, op 16 juni 2014 Caïro heeft bezocht en heeft gesproken met de president, de Sjoera-raad en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld; overwegende dat tijdens die besprekingen de nadruk lag op de voorbereidingen voor de nieuwe ngo-wet en het belang dat de EU eraan hecht dat aan het maatschappelijk middenveld in Egypte een belangrijke rol wordt toebedeeld;

1.  benadrukt het belang dat de Europese Unie hecht aan haar samenwerking met Egypte als belangrijk buur- en partnerland; onderstreept de belangrijke rol van Egypte voor de stabiliteit in de regio; verklaart zich nadrukkelijk solidair met het Egyptische volk en zegt toe Egypte te blijven steunen bij de versterking van zijn democratische instellingen, het eerbiedigen beschermen van de mensenrechten en het bevorderen van sociale rechtvaardigheid en veiligheid; roept regering van Egypte op om als belangrijke speler in het zuidelijke Middellandse Zeegebied aan haar internationale verplichtingen te voldoen;

2.  wijst de Egyptische regering erop dat het welslagen van Egypte en zijn bevolking op lange termijn staat of valt met de bescherming van de universele rechten van de mens en het creëren en bestendigen van democratische en transparante instellingen die zich ook inzetten voor de bescherming van de fundamentele rechten van de burgers; roept daarom de Egyptische autoriteiten op de beginselen van de internationale verdragen onverkort in praktijk te brengen;

3.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat er in Egypte nog altijd sprake is van beperkingen van de grondrechten, met name de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, politiek pluralisme en de beginselen van de rechtsstaat; roept op tot onmiddellijke beëindiging van alle uitingen van geweld, opruiing, haatzaaiende taal, pesterijen, intimidatie en censuur jegens politieke tegenstanders, demonstranten, journalisten, bloggers, studenten, vakbondsleden, vrouwenrechtenactivisten, actoren uit het maatschappelijk middenveld en minderheden door overheidsinstanties, veiligheidstroepen en ‑diensten en andere groeperingen in Egypte; veroordeelt het gebruik van buitensporig geweld tegen betogers;

4.  is verheugd over het feit dat Yasser Ali, de voormalige woordvoerder van de afgezette president Morsi, en prominent figuur in de Moslimbroederschap is vrijgelaten en vrijgesproken van de aanklachten; pleit voor de spoedige vrijlating van alle politieke gevangenen.

5.  vraagt de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gewetensgevangenen, alle personen die worden vastgehouden voor het vreedzaam uitoefenen van hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, en alle personen die worden vastgehouden wegens hun vermeende lidmaatschap van de Moslimbroederschap; vraagt de Egyptische autoriteiten het recht op een eerlijk proces, overeenkomstig internationale normen, te waarborgen; dringt er bij de bevoegde Egyptische autoriteiten op aan concrete maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de bepalingen van de nieuwe grondwet inzake fundamentele rechten en vrijheden, inclusief de vrijheid van meningsuiting en vergadering, volledig ten uitvoer worden gelegd;

6.  benadrukt dat eerbiediging van de persvrijheid, de vrijheid van informatie en de vrijheid van opinie (online en offline) en politieke pluriformiteit van fundamenteel belang zijn voor de democratie; vraagt de Egyptische autoriteiten ervoor te zorgen dat deze vrijheden zonder willekeurige beperkingen en censuur in het land kunnen worden uitgeoefend en vraagt de autoriteiten de vrijheid van personen nadat zij van hun recht op vrije meningsuiting gebruik hebben gemaakt te garanderen; is van oordeel dat alle journalisten verslag moeten kunnen uitbrengen over de situatie in Egypte zonder bang te hoeven zijn voor vervolging, gevangenschap, intimidatie of beperking van hun vrijheid van mening of meningsuiting;

7.  dringt er bij de Egyptische autoriteiten op aan onmiddellijk een onpartijdig en onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar alle meldingen van buitensporig geweld, mishandeling en andere mensenrechtenschendingen, waaronder seksueel misbruik, door ordehandhavingstroepen tijdens betogingen, de verantwoordelijken te straffen, ervoor te zorgen dat de slachtoffers rechtsmiddelen kunnen inzetten, en een onafhankelijk mechanisme in te stellen voor de controle op en het onderzoek naar het gedrag van veiligheidstroepen; roept Egypte op het Statuut van Rome te ratificeren en zich aan te sluiten bij het Internationaal Strafhof;

8.  verzoekt de Egyptische autoriteiten om de doodvonnissen te herroepen die zijn uitgesproken zonder dat de verdachten een eerlijk proces hebben gehad en zonder dat hun rechten zijn geëerbiedigd, en verzoekt tevens om intrekking van de repressieve wetten die in strijd met de grondwet zijn en die de fundamentele mensenrechten en vrijheden ernstig beperken, in het bijzonder presidentieel wetsbesluit nr. 136 van 2014; verzoekt de autoriteiten om alle veroordelingen van burgers door militaire rechtbanken die sinds juli 2013 zijn uitgesproken nietig te verklaren; verzoekt om de vrijlating van de 167 leden van het in 2011 verkozen parlement die momenteel worden vastgehouden; verzoekt de autoriteiten om onverwijld een officieel moratorium op executies in te stellen, als een eerste stap in de richting van de afschaffing ervan;

9.  vraagt de Egyptische autoriteiten de demonstratiewet van november 2013 te in te trekken en een echte dialoog aan te gaan met organisaties van het maatschappelijk middenveld en juridische deskundigen om wetgeving over het recht op vereniging en vergadering vast te stellen in overeenstemming met internationale normen, en het recht van vereniging te waarborgen, met inbegrip van het recht om financiering te ontvangen en te verstrekken, zoals in artikel 75 van de Egyptische grondwet is vastgelegd; verzoekt de bevoegde autoriteiten het wetsontwerp inzake ngo's dat door het ministerie van Maatschappelijke Solidariteit is ingediend, te herzien, benadrukt dat de nieuwe wet in overeenstemming moet zijn met de Egyptische grondwet en met alle internationale verdragen waarbij Egypte partij is;

10.  herinnert de Egyptische regering aan haar verantwoordelijkheid om te zorgen voor de beveiliging en veiligheid van alle burgers, ongeacht hun politieke standpunten, hun lidmaatschap van een politieke partij of hun politieke overtuiging; benadrukt dat allen de opbouw van een werkelijk pluralistische maatschappij, waarin de verscheidenheid aan meningen en levensstijlen wordt gerespecteerd, kan zorgen voor stabiliteit en veiligheid op lange termijn in Egypte en verzoekt de Egyptische autoriteiten zich in te zetten voor een dialoog en voor geweldloosheid, alsook voor een inclusief bestuur;

11.  betuigt zijn instemming met en steun aan de stappen die de Egyptische regering heeft genomen ter bevordering van de eerbiediging van de rechten en vrijheden van geloofsgemeenschappen; herinnert aan de in artikel 235 van de Egyptische grondwet opgenomen bepaling volgens welke het nieuw verkozen parlement gedurende zijn eerste mandaat een wet moet uitvaardigen waarin de bouw en de renovatie van kerken zo wordt geregeld dat is gewaarborgd dat Christenen hun geloof in vrijheid kunnen belijden; verwelkomt het feit dat de Egyptische president Abdel Fattah al-Sisi als eerste president een mis bijwoonde in een kerk te Caïro, op koptische kerstavond, en is van mening dat dit een belangrijk symbolisch signaal doet uitgaan ter versterking van de eenheid binnen de Egyptische samenleving;

12.  benadrukt dat Egypte internationaal een belangrijke rol speelt en hoopt dat het land zich actief zal blijven inzetten voor het starten van echte vredesonderhandelingen die zullen leiden tot beëindiging van het Israëlisch-Palestijnse conflict, en een constructieve bijdrage zal blijven leveren aan het streven naar stabiliteit in het Middellandse Zeegebied, momenteel met name in Libië en in het Midden-Oosten; vraagt om de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle ontvoerde Egyptische burgers die momenteel in Libië worden vastgehouden, waaronder de 20 Egyptische kopten die op 3 januari 2015 zijn ontvoerd; herhaalt dat de EU bereid is met Egypte als partner in de regio te werken om deze ernstige dreigingen aan te pakken;

13.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit van de recente terroristische aanvallen op het Sinaï-schiereiland en van alle andere terreurdaden tegen Egypte; betuigt zijn oprechte medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers; benadrukt dat de EU en de internationale gemeenschap pal moeten staan en met Egypte moeten samenwerken in zijn strijd tegen het terrorisme; roept de Egyptische autoriteiten op hun uiterste best te doen om de criminele netwerken die nog steeds actief zijn op (mensen)smokkelroutes in en naar de Sinaï, een halt toe te roepen;

14.  herinnert de Egyptische autoriteiten aan hun nationale en internationale juridische verplichtingen en verzoekt hun prioriteit toe te kennen aan de bescherming en bevordering van de mensenrechten, en er door middel van een onafhankelijke en onpartijdige rechtsbedeling voor te zorgen dat schendingen van de mensenrechten niet ongestraft blijven;

15.  stelt vast dat de daling van de olieprijzen rechtstreeks zal leiden tot een verlaging van de energiesubsidies, die de grootste uitdaging vormden waarmee de postrevolutionaire regimes sinds de revolutie van 25 januari te maken hadden; is bezorgd dat deze daling enorme gevolgen zal hebben voor veel plannen van de regering, waarvan de belangrijkste is de inspanningen om een veilige marge van buitenlandse valuta te behouden;

16.  dringt er bij de Egyptische regering op aan de nationale strategieën voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en de uitbanning van alle vormen van discriminatie volledig ten uitvoer te leggen, waarbij wordt gewaarborgd dat groepen die de rechten van vrouwen verdedigen, alsook andere maatschappelijke organisaties, daadwerkelijk worden geraadpleegd en betrokken bij het gehele proces;

17.  spreekt zijn verontwaardiging uit over de toenemende onderdrukking van de LGBT-gemeenschap in Egypte; dringt er bij de Egyptische autoriteiten op aan om LGBT'ers niet langer op basis van de "losbandigheidswet" te straffen voor het uiten van hun seksuele geaardheid en het uitoefenen van hun recht op vergadering, en om alle LGBT'ers vrij te laten die op grond van die wet zijn gearresteerd en gevangengenomen;

18.  vraagt de Egyptische autoriteiten volledig mee te werken met de mensenrechtenmechanismen van de VN, onder meer door de verzoeken van verscheidene speciale rapporteurs om het land te mogen bezoeken, goed te keuren, en de belofte van Egypte na te komen om een regionaal bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN te laten openen;

19.  wijst er nogmaals op dat de presidentsverkiezingen van 2014 volgens de EU-waarnemersmissie niet voldeden aan de internationale normen en dat ook de eerbiediging te wensen over liet van de fundamentele rechten vervat in de kersverse grondwet, aangezien er met name sprake was van inperking van de vrijheid van meningsuiting en vergadering, en de regels voor campagnefinanciering en het recht om zich kandidaat te stellen of te stemmen ontoereikend waren; vraagt de Egyptische autoriteiten bij de voorbereidingen voor de parlementsverkiezingen, die voor 21 maart en 25 april 2015 zijn aangekondigd, deze tekortkomingen van de presidentsverkiezingen aan te pakken;

20.  verzoekt om een gemeenschappelijke strategie van de lidstaten ten aanzien van Egypte; dringt er nogmaals bij de Raad, de VV/HV en de Commissie op aan in hun bilaterale betrekkingen met en bij hun financiële steun aan Egypte actief op te treden met inachtneming van zowel het conditionaliteitsbeginsel ("meer voor meer") als de grote economische uitdagingen waar het land voor staat; pleit in dit verband opnieuw voor duidelijke en gezamenlijk overeengekomen criteria; herhaalt zijn belofte om het Egyptische volk te ondersteunen bij het proces voor de uitvoering van democratische en economische hervormingen;

21.  spoort de vertegenwoordigers van de EU-delegatie en de ambassades van de EU-lidstaten in Caïro ertoe aan om aanwezig te zijn bij politiek gevoelige rechtszaken van Egyptische en buitenlandse journalisten, bloggers, vakbondsvertegenwoordigers en maatschappelijke activisten in het land;

22.  vraagt de VV/HV opnieuw om verduidelijking van de specifieke maatregelen die werden genomen naar aanleiding van het besluit van de Raad Buitenlandse Zaken om de EU-steun aan Egypte te herzien, tevens rekening houdend met het verslag van de Rekenkamer van 2013; verzoekt in het bijzonder om opheldering over de status van: i) het geplande programma voor de hervorming van het strafrecht; ii) de EU-programma's voor begrotingssteun; iii) het programma ter bevordering van de handel en de binnenlandse markt; en iv) de deelname van Egypte aan regionale EU-programma's als Euromed Police en Euromed Justice; verzoekt de Commissie toe te lichten welke waarborgen de programma's gefinancierd in het kader van de investeringsfaciliteit voor het nabuurschapsbeleid bevatten in verband met risico's op corruptie, en met economische en financiële entiteiten die in handen zijn van het leger;

23.  verzoekt om een verbod voor alle EU-lidstaten op de uitvoer naar Egypte van technologieën voor verkrijging van toegang en bewaking die kunnen worden gebruikt om burgers te bespioneren en onderdrukken; verzoekt om een verbod, in overeenstemming met het Akkoord van Wassenaar, op de uitvoer van beveiligingsapparatuur of militaire hulp die kan worden ingezet voor de onderdrukking van vreedzaam protest of tegen de strategische en veiligheidsbelangen van de EU;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, en de president van de Arabische Republiek Egypte en zijn interim-regering.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0100.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0007.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0274.

Juridische mededeling