Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2512(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0006/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2015 - 11.8
CRE 15/01/2015 - 11.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0013

Aangenomen teksten
PDF 128kWORD 186k
Donderdag 15 januari 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
De zaak van de twee Italiaanse "marò"
P8_TA(2015)0013RC-B8-0006/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2015 over de zaak van de twee Italiaanse mariniers (2015/2512(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de aanvullende protocollen bij dit verdrag,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in het bijzonder de artikelen 9, 10 en 14,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de zaak van de Italiaanse mariniers (marò) Massimiliano Latorre en Salvatore Girone,

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2012 over zeepiraterij(1),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-moon van 6 januari 2015, waarin hij de twee landen, Italië en India, verzoekt zich in te spannen om tot een redelijke en wederzijds aanvaardbare oplossing te komen,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de nacht van 15 februari 2012 het Italiaanse koopvaardijschip Enrica Lexie, onderweg van Singapore naar Djibouti, voor de kust van Kerala (India) op de vissersboot St Anthony stuitte;

B.  overwegende dat er zes Italiaanse mariniers (marò) aan boord van de Enrica Lexie waren om het schip te beschermen tegen mogelijke aanvallen van piraten; overwegende dat uit angst voor een piratenaanval waarschuwingsschoten naar de naderende boot werden afgevuurd en dat hierbij twee Indiase vissers, Valentine Jelastine en Ajesh Binki, noodlottigerwijze om het leven kwamen;

C.  overwegende dat agenten van het Indiase politiekorps op 19 februari 2012 aan boord van het schip gingen, de wapens van de mariniers in beslag namen en de twee mannen arresteerden die verantwoordelijk werden gesteld voor het openen van het vuur op de vissersboot;

D.  overwegende dat deze gebeurtenissen tot diplomatieke spanningen hebben geleid, gezien de juridische onduidelijkheid rond de zaak van de twee Italiaanse mariniers; overwegende dat de Indiase autoriteiten zelfs drie jaar na dato nog steeds niet met een aanklacht zijn gekomen;

E.  overwegende dat een van de mariniers, Massimiliano Latorre, India heeft verlaten om vier maanden thuis door te brengen na een cerebrale ischemie, waarvoor hij nog steeds medische zorg nodig heeft, en dat Salvatore Girone zich nog in de Italiaanse ambassade in India bevindt;

F.  overwegende dat beide partijen zich op het internationaal recht beroepen en dat Italië staande houdt dat het incident in de internationale wateren heeft plaatsgevonden en dat de mariniers in Italië of door een internationale rechtbank moeten worden berecht; overwegende dat India daarentegen volhoudt dat het bevoegd is om de mariniers te berechten aangezien het incident plaatsvond in kustwateren die onder Indiase jurisdictie vallen;

G.  overwegende dat de voormalige vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Catherine Ashton, in haar verklaring van 15 oktober 2014 over de aanpak van de Indiase autoriteiten de regering aanspoorde om tot een snelle en bevredigende oplossing te komen in overeenstemming met Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee en met het volkenrecht;

H.  overwegende dat de nieuwe hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, op 16 december 2014 haar teleurstelling uitte over het gebrek aan inschikkelijkheid in de reactie op het verzoek van Massimiliano Latorre om verlenging van zijn verblijf in Italië in verband met zijn medische behandeling;

I.  Overwegende dat op 14 januari 2015 het Hooggerechtshof van India een verlenging heeft verleend, teneinde sergeant Latorre om medische redenen langer in Italië te kunnen laten verblijven.

J.  overwegende dat de twee mariniers Europese burgers zijn en dat zij op 15 februari 2012 aan boord waren van een Italiaans koopvaardijschip voor de kust van de staat Kerala, waar ze hun taken uitvoerden in het kader van de internationale piraterijbestrijding, waaraan de EU veel gelegen is;

1.  geeft blijk van grote droefheid over de tragische dood van de twee Indiase vissers, en betuigt zijn medeleven;

2.  benadrukt dat de gevolgen van de gebeurtenissen op 15 februari 2012 desondanks strikt volgens de beginselen van de rechtsstaat moeten worden behandeld, waarbij de mensenrechten en wettelijke rechten van alle personen van wie wordt gesteld dat ze bij het incident betrokken waren, volledig in acht moeten worden genomen;

3.  vindt de detentie van de Italiaanse mariniers zonder aanklacht een zeer kwalijke zaak; benadrukt dat de mariniers naar hun land moeten terugkeren; onderstreept dat de aanzienlijke vertraging en de beperkingen van de bewegingsvrijheid van de mariniers onaanvaardbaar zijn en een ernstige schending van hun mensenrechten vormen;

4.  betreurt de manier waarop de zaak is behandeld en steunt de inspanningen van alle partijen om dringend te werken aan een redelijke en wederzijds aanvaardbare oplossing in het belang van alle families in India zowel als Italië en in het belang van beide landen;

5.  spreekt de hoop uit, gelet op het standpunt dat Italië als lidstaat ten aanzien van de gebeurtenissen in verband met het incident inneemt, dat de kwestie door de Italiaanse rechterlijke macht en/of door internationale arbitrage zal worden beslecht;

6.  spoort de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan al het nodige te doen voor de bescherming van de twee Italiaanse mariniers zodat de zaak snel en bevredigend kan worden afgewikkeld;

7.  herinnert de Commissie eraan dat de mensenrechtensituatie moet worden benadrukt in de betrekkingen met India, en dat zij moet nadenken over verdere maatregelen om een gunstige afloop van deze zaak mogelijk te maken;

8.  wijst erop dat de rechten en de veiligheid van EU-burgers in derde landen moeten worden gewaarborgd door de diplomatieke vertegenwoordiging van de EU, die actief moet optreden om de fundamentele mensenrechten van EU-burgers die in een derde land gevangen zitten te beschermen;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de president en de regering van India.

(1) PB C 261 E van 10.9.2013, blz. 34.

Juridische mededeling