Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2219(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0039/2015

Ingediende teksten :

A8-0039/2015

Debatten :

PV 11/03/2015 - 14
CRE 11/03/2015 - 14

Stemmingen :

PV 12/03/2015 - 8.5
CRE 12/03/2015 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0075

Aangenomen teksten
PDF 205kWORD 240k
Donderdag 12 maart 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement
P8_TA(2015)0075A8-0039/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement (2014/2219(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (12094/14),

–  gezien de artikelen 21 en 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 2 december 2013 betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie (HV/VV) over politieke verantwoording,

–  gezien de toezeggingen die HV/VV Federica Mogherini tijdens de hoorzitting in de Commissie buitenlandse zaken op 6 oktober 2014 heeft gedaan,

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0039/2015),

Veranderingen in het politiek klimaat en de veiligheidssituatie

1.  wijst op de dramatische verslechtering van de veiligheidssituatie in de omgeving van de EU, met name in haar directe nabuurschap, waarbij de internationale rechtsorde en de stabiliteit en veiligheid van Europa meer dan ooit sinds het begin van het Europees integratieproces worden ondermijnd; wijst erop dat de politieke wereldorde een veranderingsproces doormaakt;

2.  is bezorgd over het feit dat de EU, mede door haar interne crisis, tot dusver niet in staat is gebleken haar volledige potentieel te benutten om gestalte te geven aan het internationale politieke en veiligheidsklimaat en dat een gebrek aan beleidscoördinatie en samenhang tussen de beleidsmaatregelen van de EU alsmede financiële beperkingen verder afbreuk doen aan de invloed van Europa in de wereld en zijn mogelijkheden om regionaal en wereldwijd de veiligheid te bevorderen door bij te dragen aan conflictpreventie en crisisbeheer;

3.  meent dat in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie prioriteit moet worden gegeven aan de volgende taken:

   bescherming van Europese waarden en belangen en handhaving van de politieke en rechtsorde in Europa om vrede en stabiliteit te herstellen en te waarborgen;
   versterking van de bijdrage van de EU aan de territoriale verdediging van haar lidstaten en de veiligheid van haar burgers door haar beter in staat te stellen zich te verdedigen tegen bedreigingen, waaronder terrorisme en wapen-, drugs- en mensenhandel;
   bevordering van de veiligheid, de democratisering, de rechtsstaat en de economische en sociale ontwikkeling in de nabuurschap van de EU;
   het op zich nemen van een voortrekkersrol bij de oplossing van conflicten, o.a. door het  en afdwingen van vrede in de context van het GVDB;
   versterking, in samenwerking met haar partners, van een op regels gebaseerde en pluralistische politieke, economische en financiële wereldorde, alsook van de eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten; en
   verbetering van de interne structuren en werkmethoden van de EU om de veerkracht van de Unie te  en haar in staat te stellen haar volledige potentieel als wereldspeler te ontplooien;

De EU als geloofwaardige speler

4.  is van mening dat een ambitieus en doeltreffend buitenlands beleid van de EU gebaseerd moet zijn op een gezamenlijke visie op de centrale Europese belangen, waarden en doelstellingen in de buitenlandse betrekkingen en op een gemeenschappelijke kijk op de bedreigingen waarmee de EU als geheel wordt geconfronteerd; is verheugd over de toezegging van de HV/VV om op basis van het door de Europese Raad in december 2013 verleende mandaat met prioriteit een proces van strategische reflectie over het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU op gang te brengen, waarbij tal van stakeholders dienen te worden betrokken, waaronder de lidstaten, de Europese instellingen en het Europese publiek; benadrukt dat dit reflectieproces moet uitmonden in een nieuwe Europese veiligheidsstrategie waarin rekening wordt gehouden met de recente geopolitieke veranderingen, om te kunnen reageren op de nieuwe dreigingen en uitdagingen;

5.  onderstreept dat de lidstaten zich er door hun ratificatie van het Verdrag betreffende de Europese Unie toe hebben verplicht om, overeenkomstig artikel 24, lid 3, VEU in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie te geven;

6.  hamert erop dat de politieke, economische, financiële en defensiemiddelen van de EU en haar lidstaten moeten worden versterkt en bijeengevoegd om de invloed van de EU in de wereld te maximaliseren, synergie te creëren en voor vrede en stabiliteit in Europa en zijn nabuurschap te zorgen; beklemtoont dat aanzienlijke kostenbesparingen kunnen worden gerealiseerd door betere samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van hun buitenlands en veiligheidsbeleid;

7.  benadrukt dat de door de EU en de lidstaten verleende externe financiële bijstand doeltreffender moet worden ingezet en dat de focus ervan moet worden verlegd in overeenstemming met de gezamenlijk vastgestelde strategische prioriteiten; roept de EU op meer maatregelen te treffen om de zichtbaarheid, de coherentie en de doeltreffendheid van de EU-bijstand te verhogen; is van oordeel dat alle onderdelen van de door de EU verleende bijstand, zij het ontwikkelingshulp, noodhulp of humanitaire hulp, moeten worden gecoördineerd en consistent moeten zijn; verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten te zorgen voor een effectief toezicht op de financiële steun, om te waarborgen dat doelen worden gehaald; wijst op de verslagen van de Europese Rekenkamer waaruit blijkt dat dit in het verleden problematisch was; benadrukt dat de financiële bijstand ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en ngo's in het veld moet worden verhoogd; dringt aan op snellere en minder bureaucratische procedures voor de goedkeuring van projecten;

8.  spoort de EU-instellingen en de lidstaten aan volledig gebruik te maken van het instrumentarium van het Verdrag van Lissabon om van een tot dusver vrijwel geheel reactieve benadering over te stappen op een proactief, coherent en strategisch Europees buitenlands en veiligheidsbeleid dat op gemeenschappelijke waarden gebaseerd is en in het teken staat van het gemeenschappelijk Europees belang;

9.  stelt zich op het standpunt dat de Raad en de Commissie met actieve medewerking van de lidstaten zorg moeten dragen voor de nodige samenhang en coherentie van:

   het interne en externe beleid van de EU, met inbegrip van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), het nabuurschaps-, handels- en ontwikkelingsbeleid alsook het beleid op het gebied van humanitaire hulp, justitie en binnenlandse zaken, energie, milieu, migratie enz.,
   beleidsmaatregelen van de EU en de lidstaten;

10.  is in dit verband ingenomen met de organisatorische indeling van de nieuwe Commissie in clusters, omdat dit de HV/VV in staat stelt om alle relevante beleidsmaatregelen van de Commissie met een externe dimensie te coördineren; steunt de HV/VV in haar voornemen haar functie van vicevoorzitter van de Commissie ten volle uit te oefenen; moedigt de HV/VV tegelijkertijd aan haar rol als voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken te gebruiken om in de Raad initiatieven te nemen tot proactieve beleidsmaatregelen die verder gaan dan de kleinste gemene deler, door gebruik te maken van het gehele instrumentarium van het GBVB en het extern beleid van de EU;

11.  herhaalt dat de interne structuren van de EDEO moeten worden hervormd om de dienst in staat te stellen de HV/VV in al haar functies te ondersteunen en haar in de gelegenheid te stellen werk te maken van de strategische planning en de coördinatie van politieke processen in de Raad en de Commissie; wijst met klem op de noodzaak om het hogere management van de EDEO te rationaliseren en de besluitvormingsprocessen sneller te maken en te stroomlijnen; pleit andermaal voor een sterkere integratie van de speciale vertegenwoordigers van de EU in de EDEO, onder meer door de overdracht van hun budget van de operationele begroting van het GBVB naar de begroting van de EDEO; verzoekt in dit verband dringend om een politieke en kostentechnische evaluatie van de rol die deze speciale vertegenwoordigers spelen;

12.  herhaalt zijn oproep om de samenwerking en coördinatie tussen de verschillende monitoring- en crisisresponscapaciteiten op EU-niveau te versterken; dringt er voorts op aan de bestaande structuren beter te organiseren om overbodige doublures te verminderen, onder meer door elkaar overlappende capaciteiten samen te voegen; is van mening dat de monitoringcentra van voldoende middelen moeten worden voorzien en dat ervoor moet worden gezorgd dat het talenprofiel van het personeel de talen omvat die in de meest relevante crisisgebieden worden gesproken, met name Russisch en Arabisch; pleit voor intensievere samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de monitoringcentra op EU-niveau en de overeenkomstige diensten in de lidstaten;

13.  dringt aan op de modernisering van het EU-delegatienetwerk om het beter af te stemmen op de behoeften van het buitenlands beleid van de EU in de 21e eeuw, o.a. door aanpassingen in de personeelssterkte en het deskundigheidsniveau; is bijvoorbeeld van mening dat elke delegatie in een conflictgebied, met name in landen waar een GVDB-missie aanwezig is, een deskundige op veiligheids- en defensiegebied moet omvatten; verzoekt de HV/VV de zeggenschap van het hoofd van de delegatie over alle personeelsleden, ongeacht hun institutionele achtergrond, te versterken en de administratieve begrotingen van de delegaties te vereenvoudigen door één financieringsbron te creëren; wenst dat de rapportagelijnen worden verduidelijkt; betreurt het dat het potentieel voor synergie en schaalvoordelen die kunnen worden gerealiseerd door de samenwerking tussen de ambassades van de lidstaten en de EU-delegaties te versterken, nog niet volledig is benut; wenst dat op alle niveaus de hand wordt gehouden aan het eerlijke evenwicht tussen gedetacheerd personeel uit de lidstaten en EU-ambtenaren, zoals vastgelegd in het Besluit van de Raad van 26 juli 2010 betreffende de oprichting van de EDEO, en merkt op dat dit evenwicht, met name in hogere functies zoals die van delegatiehoofd, momenteel niet wordt gehandhaafd;

14.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan flexibiliteit van de financiële regels van de EU, waardoor vaak vertraging ontstaat bij de uitbetaling van EU-middelen en het vermogen van de EU om op crises te reageren verder wordt ingeperkt; wijst op de noodzaak van snellere uitbetaling van financiële middelen, maar onderstreept tegelijk de noodzaak van doeltreffende controles om fraude en verduistering te voorkomen; vraagt de Commissie om in 2015 met een voorstel te komen voor een hervorming van de desbetreffende wetgeving, waarbij onder meer moet worden toegestaan dat de versnelde procedure voor bijstandsverlening, die momenteel voor humanitaire hulp geldt, ook voor crisisbeheer kan worden gebruikt en waarbij ervoor moet worden gezorgd dat uitgaven in reactie op crises in overeenstemming zijn met de strategische doelstellingen van de EU op lange termijn; is diep bezorgd over de kortingen op betalingen met betrekking tot de twee belangrijkste budgettaire bronnen voor crisisbeheer en conflictpreventie van de EU, te weten de begroting van het GBVB en het instrument dat bijdraagt aan stabiliteit en vrede (IcSP); is ervan overtuigd dat de huidige veiligheidssituatie in het oosten en zuiden van Europa om synergie-effecten en aanvullende middelen vraagt in plaats van substantiële bezuinigingen;

15.  wijst erop dat het optreden van de Unie meer zichtbaarheid moet krijgen zowel bij de strategische planning en in de multilaterale fora als op operationeel niveau middels de GBVB-missies en alle andere missies met een extern luik;

16.  herinnert eraan dat de EU op grond van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verplicht is ervoor te zorgen dat haar extern optreden zodanig wordt ontworpen en ten uitvoer gelegd dat de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht worden geconsolideerd en ondersteund, en dat dit een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de EU en haar lidstaten is; roept de HV/VV op regelmatig verslag te doen over de naleving van artikel 21 en te onderzoeken hoe de samenhang van het buitenlands beleid kan worden verbeterd, met name waar het de mensenrechten en het internationaal recht aangaat; benadrukt dat bij de toetsing van het externe beleid op naleving van artikel 21 een sterker geharmoniseerde en strengere aanpak moet worden gevolgd; onderstreept de noodzaak om partners te houden aan de verbintenissen met betrekking tot de mensenrechten die zij in overeenkomsten met de EU zijn aangegaan, en om, waar nodig, gebruik te maken van de voorwaardelijkheidsclausules betreffende de bescherming van de mensenrechten in deze overeenkomsten;

17.  merkt op dat de roep om internationale steun bij de bevordering van de democratie en waarneming bij verkiezingen is toegenomen; ziet dit als een terrein waarop de EU een doeltreffende rol kan spelen als het gaat om de bevordering van democratische processen; dringt derhalve aan op een consistente follow-up van de uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen en de verzoeken om steun bij de opbouw van capaciteiten ten behoeve van politieke partijen;

18.  onderstreept het essentiële belang van de gemeenschappelijke defensie die de NAVO ten behoeve van haar leden garandeert; dringt er bij de lidstaten op aan hun vermogen om tot de territoriale verdediging bij te dragen met spoed te vergroten, hiervoor meer middelen beschikbaar te stellen en de methode van het bundelen en delen serieus te nemen door nauwer samen te werken om synergie te creëren; beklemtoont dat alle lidstaten dezelfde mate van veiligheid moet worden geboden in overeenstemming met artikel 42, lid 7, VEU; benadrukt dat een geloofwaardig buitenlands beleid van de EU moet worden onderbouwd door adequate defensiecapaciteiten van de lidstaten en een doeltreffend gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); is van opvatting dat het GVDB een belangrijk onderdeel van de Europese defensie en veiligheid vormt en daartoe op tal van wijzen bijdraagt, o.a. door de totstandbrenging van een Europese technologische en industriële basis voor defensie (EDTIB) te bevorderen, de samenwerking bij de ontwikkeling van defensiecapaciteiten te stimuleren en rechtstreeks op te treden in crisisgebieden door middel van civiele missies en militaire operaties; beklemtoont daarom dat het GVDB in samenwerking met de NAVO verder moet worden verdiept; herhaalt dat de EU een partner van de NAVO is en dat de strategieën van beide organisaties elkaar moeten aanvullen; onderstreept de belangrijke rol van samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie tussen de EU en haar partners, waaronder de VN, de NAVO, de Afrikaanse Unie en de OVSE; is verheugd over de toezegging van de HV/VV om zich actief in te zetten op het gebied van defensie, onder meer door het voorzitterschap te bekleden van vergaderingen van de Raad Buitenlandse Zaken in de formatie met de ministers van Defensie;

19.  steunt de lopende herziening van de crisisbeheersingsstructuren binnen de EDEO; dringt er bij de VV/HV op aan de bestaande structuren veel efficiënter te maken zodat er sneller en adequater kan worden ingesprongen op zich voordoende crises, onder meer door het aantal parallelle structuren te verminderen; dringt er bij de VV/HV op aan het eigen karakter van civiele benaderingen ten aanzien van conflictpreventie en crisisbeheer te bewaren en te versterken;

20.  onderstreept dat de mogelijkheden van diverse bepalingen van het Verdrag van Lissabon, zoals artikel 44 VEU (toevertrouwen van een GVDB-missie aan een kleine groep lidstaten), artikel 41 VEU (inzake het startfonds), artikel 46 VEU (inzake permanente gestructureerde samenwerking), artikel 42, lid 7 VEU (de wederzijdsebijstandsclausule) en artikel 222 VWEU (de solidariteitsclausule), nog niet volledig worden benut; verzoekt de HV/VV deze instrumenten actief te promoten en de tenuitvoerlegging ervan te bevorderen, en spoort de lidstaten aan er gebruik van te maken;

21.  is verheugd dat er in december 2013 een Europese Raad over defensie is gehouden, en dringt aan op de uitvoering van de genomen besluiten; ziet uit naar het komende debat in juni 2015; dringt erop aan om tijdens deze topconferentie ambitieuze besluiten te nemen, in het bijzonder:

   het initiëren – op basis van de evaluatie van het strategisch kader van de EU – van een proces van strategische reflectie over de doelstellingen en prioriteiten op het gebied van veiligheid en defensie, waarbij de vereiste capaciteiten en de opties worden bepaald voor een versterking van de samenwerking op defensiegebied om beter te kunnen reageren op de bedreigingen waaraan de landen van de EU zijn blootgesteld;
   versterking van het Europees Defensieagentschap door het de noodzakelijke middelen en  impulsen te geven, zodat het zijn taken bij de coördinatie en bevordering van samenwerking op het gebied van bewapening ten volle kan uitoefenen;
   herziening van het Athenamechanisme met het oog op een verdere intensivering van de  financiering op het gebied van militaire GVDB-operaties, teneinde te voorkomen dat financiële overwegingen het vermogen van de EU om op crises te reageren beperken, de lidstaten aan te moedigen snel strijdkrachten te leveren voor GVDB-operaties, en te zorgen voor een eerlijkere verdeling van de lasten tussen de lidstaten;
   versterking van de Europese industriële en technologische defensiebasis, onder meer door het coördineren van de defensiebegrotingen, het harmoniseren van de vereisten, het terugdringen van inefficiënties en het bereiken van synergie;
   de aanpak van bestaande problemen bij de planning en uitvoering van militaire operaties, o.a. door de oprichting  een permanent operationeel militair hoofdkwartier in nauwe samenwerking met het reeds bestaande civiel plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC);
   vergroting van de effectiviteit en inzetbaarheid van de EU-gevechtstroepen, onder meer door de invoering van een modulaire benadering, de uitbreiding van de  financiering via het Athenamechanisme en het in voorkomend geval inzetten van de gevechtstroepen voor toekomstig crisisbeheer;

22.  is van mening dat uit de recente terroristische aanslagen in EU-landen blijkt dat het steeds moeilijker wordt om interne en externe veiligheid van elkaar te scheiden, en dringt er bij de lidstaten en de Europese instellingen op aan hun inspanningen op deze terreinen beter op elkaar af te stemmen; roept de lidstaten op hun inlichtingen op het gebied van veiligheid beter te delen door gebruik te maken van de bestaande coördinatiemogelijkheden op Europees niveau; dringt erop aan de samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding te versterken binnen de betrekkingen van de EU met landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, onder meer door middel van opleiding en capaciteitsopbouw in de veiligheidssector, het delen van informatie en het uitwisselen van beste praktijken; verzoekt de EU en haar lidstaten alles in het werk te stellen om de internationale samenwerking bij het voorkomen en bestrijden van terrorisme te versterken, en benadrukt de belangrijke rol die de VN daarin moet spelen;

23.  dringt erop aan de voor de verhoging van de cyberveiligheid noodzakelijke industriële en technische middelen te ontwikkelen, onder meer door een interne markt voor cyberveiligheidsproducten te bevorderen; benadrukt dat het thema cyberdefensie moet worden geïntegreerd in het extern optreden en het GVDB, en spreekt zich uit voor een nauwere coördinatie met de NAVO op het vlak van cyberdefensie, teneinde een cyberafschrikking op te bouwen met het oog op een efficiënte aanpak en bestrijding van aanvallen via de cyberruimte; dringt er bij de EU-lidstaten, de EDEO en de Commissie op aan de aandacht te richten op het versterken van de veerkracht van de relevante infrastructuur; is ingenomen met de cyberveiligheidsstrategie van de EU; onderstreept dat de capaciteit van de lidstaten op het gebied van cyberdefensie aanzienlijk moet worden uitgebreid; dringt er bij het Europees Defensieagentschap op aan de coördinatie tussen de lidstaten met betrekking tot cyberdefensie te versterken, en roept de lidstaten op het EDA van de nodige middelen te voorzien om dit doel te bereiken; dringt er bij de Commissie op aan de verordening inzake technologie voor tweeërlei gebruik te actualiseren, teneinde de uitvoer van systemen te voorkomen aan partijen die de veiligheid en kritieke infrastructuur van de EU willen ondermijnen, en de uitvoer van technologie voor grootschalige bewaking aan autoritaire regimes te voorkomen; wijst erop dat het van belang is een evenwicht in stand te houden tussen bescherming van de digitale vrijheid en veiligheid;

24.  pleit voor een herzien en samenhangend EU-migratiebeleid; wijst met klem op de noodzaak om de wortels van illegale migratie aan te pakken, via een sterkere samenwerking met de transito- en herkomstlanden van migratiestromen, met gebruikmaking van alle beleids- en bijstandsinstrumenten, met inbegrip van het ontwikkelings- en handelsbeleid, humanitaire hulp, conflictpreventie en crisisbeheer, in combinatie met de noodzakelijke versterking van de legale migratieroutes; herhaalt zijn oproep om de humanitaire steunverlening aan landen die vluchtelingen opvangen op te voeren en de regionale beschermingsprogramma's te versterken die in samenwerking met de UNHCR in de buurt van de herkomstregio's worden uitgevoerd; benadrukt dat aan de problematiek van het migratiebeheer een plaats moet worden toegekend in het gehele externe optreden van de EU en dat hieraan hoge prioriteit moet worden gegeven in de samenwerking van de EU met buurlanden in het oosten en het zuiden; benadrukt dat het verlies van mensenlevens aan de grenzen van de EU moet worden vermeden;

25.  wijst erop dat energie in toenemende mate wordt gebruikt als instrument in het buitenlands beleid, en herinnert eraan dat de Europese integratie op samenwerking op energiegebied berust; onderstreept het belang van de totstandbrenging van een Europese energie-unie die moet zorgen voor een grotere samenhang en coördinatie tussen het buitenlands en het energiebeleid; onderstreept dat energiezekerheid deel moet uitmaken van de alomvattende benadering van het externe optreden van de EU, en is van mening dat het energiebeleid in lijn moet zijn met de andere prioritaire beleidsgebieden van de Unie, waaronder het beleid met betrekking tot veiligheid, handel en ontwikkeling en het buitenlands en nabuurschapsbeleid, alsook het beleid ter verdediging van de mensenrechten; onderstreept in dit verband dat de afhankelijkheid van Rusland aanmerkelijk moet worden verminderd en gezocht moet worden naar alternatieve energiebronnen; dringt er bij de HV/VV en de Commissie op aan toe te zien op en zich te buigen over de zeggenschap van entiteiten van buiten de EU over infrastructuren, met name staatsbedrijven, nationale banken of staatsfondsen van derde landen, die de Europese energiemarkt binnendringen of een belemmering voor de diversificatie vormen, onder meer binnen de nucleaire sector; benadrukt dat ook energiebedrijven van buiten de EU zich moeten onderwerpen aan de mededingingsregels die van toepassing zijn op de Europese energiemarkt;

26.  is verheugd over de instelling van de functie van vicevoorzitter van de Energie-unie en over de mededeling van de Commissie over de Europese strategie voor energiezekerheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun samenwerking te intensiveren om de in die strategie vermelde acties voor de korte en de lange termijn ten uitvoer te leggen; hamert op de noodzaak om de samenhang tussen het buitenlands beleid van de EU en andere beleidsmaatregelen met een externe dimensie, zoals het energiebeleid, te versterken, en verwacht dat de nieuwe, op clusters gebaseerde organisatie van de Commissie op dit punt vruchten zal afwerpen; dringt aan op verdere maatregelen om de doelstellingen met betrekking tot energiezekerheid af te stemmen op andere doelstellingen van de EU; verzoekt de HV/VV strategische prioriteiten voor het externe energiebeleid te ontwikkelen die ingebed zijn in de algemene doelstellingen van het buitenlands beleid, en op het gebied van energiezekerheid systematischer gebruik te maken van de instrumenten van het buitenlands beleid;

27.  stelt zich op het standpunt dat een solidariteitsmechanisme in het leven moet worden geroepen om mogelijke verstoringen van de energievoorziening op te kunnen vangen; meent dat de verdere ontwikkeling van een onderling verbonden energie-infrastructuur noodzakelijk is en dat alle delen van het EU-grondgebied moeten worden aangesloten op een EU-breed energienet; benadrukt dat de inspanningen om de energievoorziening van de EU te diversifiëren moeten worden bespoedigd teneinde de energieonafhankelijkheid van de EU te vergroten; is van mening dat de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en van energie-efficiëntie een zeer gunstige invloed zal hebben op de geloofwaardigheid van het externe optreden van de EU; wijst erop dat een goed functionerende interne energiemarkt van fundamenteel belang is en dat het in het algemeen belang van de EU is om ervoor te zorgen dat de internationale energiemarkten stabiel en transparant zijn en werken volgens internationale regels; roept de Commissie op om een alomvattende strategie voor te stellen om de voorzieningszekerheid voor andere grondstoffen dan energie te vergroten;

28.  is verheugd over de bereidheid van HV/VV Federica Mogherini om samen te werken met het Parlement met het oog op een grotere verantwoordingsplicht van de HV/VV ten opzichte van de instelling; wijst nogmaals op de noodzaak van systematisch en proactief overleg met het Parlement, en met name met zijn Commissie buitenlandse zaken, voordat er strategieën op het gebied van het buitenlands beleid of GVDB-mandaten worden goedgekeurd; verzoekt de Raad de onderhandelingen met het Parlement over de vervanging van het Interinstitutioneel Akkoord van 2002 over de toegang van het Europees Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid af te ronden; zet zich in voor een intensivering van de samenwerking met de nationale parlementen, onder meer in het kader van de interparlementaire conferentie over het GBVB en het GVDB en in de COSAC, om beter toezicht te kunnen houden op de desbetreffende middelen;

Handhaving en versterking van de Europese politieke en rechtsorde

29.  onderstreept de noodzaak om de EU te consolideren en haar integratievermogen, dat een van de criteria van Kopenhagen vormt, te verhogen; bevestigt het toetredingsperspectief voor alle kandidaat-landen en andere potentiële kandidaten overeenkomstig de verklaring van Thessaloniki uit 2003, mits zij voldoen aan de criteria van Kopenhagen, en steunt de voortzetting van de toetredingsonderhandelingen; steunt in dit verband de aanpak van de Commissie, die erop gericht is in een vroeg stadium van het uitbreidingsproces werk te maken van fundamentele hervormingen op het gebied van de rechtsstaat, het openbaar bestuur en de economische governance; herhaalt dat elk land op zijn eigen merites wordt beoordeeld, en is van mening dat in gevallen waarin de EU oordeelt dat een kandidaat-land zich in bevredigende mate aan het EU-acquis heeft geconformeerd, de toetredingsonderhandelingen geopend dan wel voortgezet moeten worden, omdat dit essentieel is voor het behoud van de geloofwaardigheid van de EU als geheel; onderstreept het belang van samenwerking met de kandidaat-landen op het gebied van extern beleid en benadrukt hoe belangrijk het is dat zij hun beleid afstemmen op het GVDB;

30.  is van mening dat er een overkoepelende politieke strategie nodig is voor het herstel van de Europese politieke orde onder het internationaal recht, zoals die in de Slotakte van Helsinki van 1975 is verankerd en waaraan alle Europese staten, met inbegrip van Rusland, zich hebben verbonden; beklemtoont dat deze orde is gebaseerd op de eerbiediging van de mensenrechten, de rechten van minderheden en de fundamentele vrijheden, de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van de staten en de vreedzame oplossing van conflicten; beschouwt de ontwikkeling van een constructieve dialoog met Rusland en andere staten in de nabuurschap van de EU over samenwerking ter versterking van deze orde als een belangrijke basis voor vrede en stabiliteit in Europa, op voorwaarde dat Rusland het internationaal recht eerbiedigt en zijn verplichtingen ten aanzien van Georgië, Moldavië en Oekraïne nakomt, waaronder terugtrekking uit de Krim;

31.  is van opvatting dat een nieuwe benadering van de betrekkingen van de EU met haar oostelijke buren geboden is, die gebaseerd is op merites, differentiatie en het "meer voor meer-beginsel"; meent dat de ondersteuning van landen die een toenadering tot de EU wensen een centrale prioriteit van het buitenlands beleid van de Unie moet vormen en dat het, om de ambities van Rusland in zijn omgeving in bedwang te houden, van belang is om te investeren in de onafhankelijkheid, de soevereiniteit, de economische ontwikkeling en de verdere democratisering van deze landen; zet zich ervoor in de oostelijke Europese buurlanden van de EU een Europees perspectief te bieden, en herinnert eraan dat zij overeenkomstig artikel 49 VEU – net als elke andere Europese staat – kunnen verzoeken om toetreding tot de Europese Unie, mits zij zich aan de criteria van Kopenhagen en de democratische beginselen houden, de fundamentele vrijheden, de mensenrechten en de rechten van minderheden in acht nemen en de toepassing van rechtsstatelijke beginselen waarborgen;

32.  is verheugd over de ondertekening, de ratificatie door het Europees Parlement en de nationale parlementen van de betrokken landen en de voorlopige uitvoering van de associatieovereenkomsten, met inbegrip van diepgaande en uitgebreide vrijhandelsovereenkomsten, met Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne, wat een belangrijke stap betekent in hun toenadering tot de EU; is van mening dat het associatieproces door de betrokken landen moet worden aangegrepen om het democratisch bestuur te moderniseren, de rechtsstaat te versterken, het openbaar bestuur te hervormen en economische en structurele hervormingen door te voeren en daarmee op politiek. economisch, sociaal en milieugebied een belangrijkste stap in de richting van de EU te doen; dringt aan op een aanzienlijke verhoging van de politieke, financiële en technische bijstand van de EU voor deze hervormingen; houdt echter vast aan strikte conditionaliteit en aan de noodzaak om te waarborgen dat verantwoording wordt afgelegd over de uitgegeven middelen en dat de corruptie in aanmerkelijke mate wordt teruggedrongen; is ingenomen met het verloop en de uitslag van de parlementaire verkiezingen in Oekraïne en Moldavië die in oktober respectievelijk december 2014 zijn gehouden en aan de internationale normen inzake democratie voldeden;

33.  pleit voor nauwe samenwerking met de oostelijke Europese buurlanden die nog geen associatieovereenkomst met de EU hebben gesloten of de betrekkingen in verschillende kaders willen verdiepen en aanhalen, onder meer door de bilaterale samenwerking op gebieden van wederzijds belang te bevorderen; herinnert er evenwel aan dat EU-bijstand alleen doeltreffend kan zijn indien de partnerlanden, die aan hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht moeten voldoen, zich de Europese waarden voldoende eigen maken en deze eerbiedigen;

34.  dringt er bij Rusland op aan zijn verbintenissen en juridische verplichtingen na te komen, met inbegrip van die uit hoofde van het Handvest van de Verenigde Naties, het Handvest van Parijs, de Slotakte van Helsinki van de OVSE, het memorandum van Boedapest en de overeenkomst inzake vriendschap, samenwerking en partnerschap tussen Rusland en Oekraïne; spreekt er zijn scherpe veroordeling over uit dat Rusland het internationaal recht heeft geschonden met zijn rechtstreekse militaire agressie en hybride oorlog tegen Oekraïne, die geleid heeft tot duizenden militaire en burgerslachtoffers alsmede de illegale annexatie en bezetting van de Krim, en acties van soortelijke aard jegens Abchazië en Zuid-Ossetië, gebieden van Georgië; wijst op de alarmerende verslechtering wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten, de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid op de Krim; dringt bij Rusland aan op de-escalatie, terugtrekking van zijn troepen van Oekraïens grondgebied en herstel van de status quo voor de annexatie; is verheugd over het feit dat op 12 februari 2015 in Minsk getracht is een globale overeenkomst te bereiken, en roept op tot de onmiddellijke en volledige tenuitvoerlegging van deze overeenkomst; wijst de presidents- en parlementsverkiezingen in Donetsk en Luhansk op 2 november 2014 als onwettig van de hand;

35.  staat achter de sancties die door de EU zijn opgelegd naar aanleiding van de Russische agressie tegen Oekraïne en benadrukt dat die sancties stapsgewijs kunnen worden aangepast en teruggedraaid, hetgeen met name afhangt van de nakoming van de akkoorden van Minsk, maar ook aangescherpt kunnen worden als Rusland volhardt in de niet-nakoming van zijn internationale verplichtingen; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat zij op uniforme wijze ten uitvoer worden gelegd;

36.  benadrukt dat de EU en de lidstaten solidariteit moeten tonen en met één stem moeten spreken met Rusland; vraagt de kandidaat-landen om hun buitenlands beleid jegens Rusland af te stemmen op dat van de EU; verzoekt de HV/VV om als prioriteit een gemeenschappelijke EU-strategie inzake Rusland uit te werken die erop is gericht een toezegging van Rusland te verkrijgen met betrekking tot vrede en stabiliteit in Europa, inclusief de onvoorwaardelijke eerbiediging van de soevereiniteit en territoriale integriteit van zijn buurlanden; is ervan overtuigd dat goede betrekkingen tussen Rusland en de EU, gebaseerd op eerbiediging van het internationaal recht en andere internationale verplichtingen, in beider belang zijn en hoopt dat Rusland openstaat voor een dergelijke ontwikkeling door zich aan het internationaal recht te houden;

37.  onderstreept de noodzaak van een coherente Europese houding ten aanzien van de desinformatiecampagnes en propaganda-activiteiten die Rusland zowel binnen als buiten de EU uitvoert; roept de EDEO en de Commissie op een actieplan te presenteren met concrete maatregelen tegen de Russische propaganda; dringt aan op samenwerking met het NAVO-kenniscentrum voor strategische communicatie met betrekking tot deze kwestie;

38.  dringt er bij de EU-leiders en de lidstaten op aan dat zij zorg dragen voor de veiligheid en vrijheid van christenen en andere religieuze en etnische minderheden die in toenemende mate met discriminatie en vervolging te maken hebben en tussen twee vuren zitten; verzoekt de EDEO en de lidstaten erop toe te zien dat in toekomstige bilaterale overeenkomsten doeltreffende controlemechanismen worden opgenomen voor de bescherming van de mensenrechten van religieuze minderheden en de daadwerkelijke uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging;

Steun voor veiligheid en stabiliteit in de zuidelijke nabuurschap

39.  hamert op de noodzaak om het beleid van de EU ten aanzien van haar zuidelijke nabuurschap grondig te herzien, dat moet worden gekenmerkt door adequate begrotingsmiddelen en de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een alomvattende strategie in het kader waarvan de instrumenten en financiële middelen van de EU worden geconcentreerd op steun voor de opbouw van functionerende inclusieve staten die in staat zijn voor de veiligheid van hun burgers te zorgen, de democratie te bevorderen, religieus extremisme het hoofd te bieden, de mensenrechten te eerbiedigen, religieuze en etnische minderheden te beschermen en de rechtsstaat te versterken, wat een belangrijke voorwaarde is voor investeringen en economische ontwikkeling; wijst erop dat het potentieel van grensoverschrijdende handel in de regio nog niet is benut; dringt aan op nauwe samenwerking met de autoriteiten van de betreffende landen om migratiestromen te beheren en daarbij de mensenrechten en het internationaal recht te eerbiedigen;

40.  benadrukt dat de EU voorwaarden moet stellen aan de hulp en steun die zij biedt, aangezien hulpprogramma's en steun voor het maatschappelijk middenveld alleen kunnen worden voortgezet als er op het hoogste politieke niveau duidelijke voorwaarden worden gesteld;

41.  dringt erop aan dat de herziene benadering van de EU ten aanzien van haar zuidelijke buurlanden gebaseerd moet zijn op differentiatie en het "meer voor meer-beginsel", uit hoofde waarvan aanvullende EU-steun dient te worden verleend aan partnerregeringen die zich inzetten voor en concrete vorderingen maken met democratisering en eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, zoals in Tunesië, Jordanië en Marokko het geval is;

42.  betreurt de recente verslechtering van de betrekkingen tussen de EU en Turkije en roept op tot hernieuwde inspanningen om het partnerschap te versterken, teneinde gezamenlijke uitdagingen op veiligheids- en humanitair gebied in het zuidelijke Middellandse Zeegebied het hoofd te kunnen bieden; spoort Turkije voorts aan te werken aan hervormingen die gericht zijn op de volledige naleving van de normen op het gebied van de mensenrechten, waaronder persvrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat;

43.  spoort de leiders van de EU aan om in nauwe coördinatie met de VS en met deelneming van grote mogendheden (zoals Rusland en China) een strategie uit te werken om regionale actoren (waaronder Turkije, Irak, Israël, Jordanië, Egypte, de regeringen van de landen van de Samenwerkingsraad van de Golf, Iran, de Arabische Liga en de Koerdische strijdkrachten) te verenigen om een eind te maken aan oorlogen op afstand en de financiële ondersteuning van fundamentalisten en een oplossing te ontwikkelen die voor vrede en stabiliteit in de regio zorgt, in het bijzonder met het oog op het beëindigen van de oorlog in Syrië en Irak; onderstreept de noodzaak om de territoriale integriteit en nationale eenheid van Libië te handhaven en dringt er bij de HV/VV op aan impulsen te geven voor een grotere inzet van de regionale actoren voor bemiddeling en conflictoplossing, in nauwe coördinatie met de VN; is ingenomen met de voortzetting van de onderhandelingen van E3+3 met Iran en hoopt dat deze zullen leiden tot een voor beide kanten acceptabele overeenkomst die het uitsluitend vreedzame karakter van het Iraanse nucleaire programma garandeert en Iran het perspectief voor de lange termijn biedt dat het land weer volledig in de internationale gemeenschap wordt opgenomen; steunt de HV/VV en alle partijen die betrokken zijn bij het vredesproces in het Midden-Oosten in hun engagement om een omvattende, constructieve, voor beide partijen haalbare en duurzame oplossing te vinden voor het Midden-Oosten-conflict; onderstreept dat het gebrek aan vorderingen in de richting van een tweestatenoplossing op basis van de grenzen van 1967 enkel tot meer geweld en bloedvergieten leidt;

44.  is ingenomen met de uitspraak van de HV/VV dat er een kantoor zal worden geopend in Erbil in Iraaks Koerdistan, en spoort de HV/VV en de EDEO aan om een dergelijk kantoor zo spoedig mogelijk te openen; benadrukt dat dit de EU in staat zou stellen informatie ter plekke in te winnen, en dat het zou leiden tot een betere samenwerking met lokale spelers, een betere beoordeling en coördinatie van humanitaire en militaire acties en grotere zichtbaarheid van de EU in de regio;

45.  verzoekt om de benoeming van een speciaal adviseur die moet onderzoeken of het opportuun is een permanente diplomatieke EU-vertegenwoordiging in Iran te openen;

46.  stelt zich op het standpunt dat de criminele activiteiten en het barbaarse geweld van terroristische jihadistengroepen in en onder het vaandel van de zogenaamde Islamitische Staat (IS) een grote bedreiging vormen voor de bredere regio in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA-regio), voor Europa en potentieel ook voor vrede en stabiliteit op wereldniveau; steunt de wereldwijde coalitie tegen IS in haar inspanningen om IS met militaire middelen te bestrijden; is verheugd over de bijdragen die lidstaten van de EU in deze context leveren, en moedigt aan tot een nauwere, efficiënte wereldwijde samenwerking en dialoog om te komen tot een gezamenlijke beoordeling van de dreiging; dringt erop aan wereldwijd de regelgevingsdruk resoluut op te voeren om de jihadisten hun inkomsten uit olie te ontnemen en strenge mondiale sancties op te leggen voor financiële transacties ten gunste van IS; merkt in dit verband op dat de financiële middelen van de jihadistische groepen onder meer afkomstig zijn uit enkele Arabische landen en dat de EU moet eisen dat die landen coherenter optreden; acht het dringend noodzakelijk tegen te gaan dat jihadistische groeperingen het internet kunnen gebruiken voor rekrutering en propaganda; wijst op de noodzaak om zowel de internationale samenwerking als de samenwerking binnen de EU te versterken om te voorkomen dat extremisten naar Syrië en Irak reizen en zich daar aansluiten bij de jihadistische strijders, met inbegrip van investeringen in nationale programma's voor preventie en deradicalisering in de lidstaten; roept de lidstaten op manieren te zoeken om terugkerende Europese strijders voor de rechter te brengen binnen de grenzen van hun nationale strafrechtssysteem; herinnert aan de noodzaak van nauwere samenwerking en coördinatie tussen Turkije en de EU;

47.  dringt er bij de landen in die regio op aan zich in te blijven zetten voor de bestrijding van terrorisme en geen acties te ondernemen die tot onderlinge spanning, wrijving of crises kunnen leiden of nieuwe problemen in de strijd van de internationale gemeenschap tegen IS kunnen veroorzaken;

48.  veroordeelt het brute geweld van het Assadregime tegen Syrische burgers en vraagt de druk op te voeren om een echte politieke transitie in Syrië tot stand te brengen, onder meer door de steun aan de gematigde Syrische oppositie uit te breiden;

49.  beklemtoont dat het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van haar zuidelijke buurlanden op tal van vlakken ook een verbinding moet leggen met Afrika; is van mening dat Afrika, en met name het Sahelgebied, te maken heeft met een strategische dreiging, en pleit voor een adequate reactie van de EU hierop, o.a. in de vorm van maatregelen op het gebied van economische ontwikkeling, democratie, rechtsstaat, onderwijs en veiligheid; wijst op de gestaag toenemende criminele activiteiten van de terroristen van al-Qaida in de islamitische Maghreb (AQIM), Al-Mourabitoun ontstaan door het samengaan van de Beweging voor eenheid en jihad in West-Afrika (MUJAO) en de Gemaskerde Brigade van Mokhtar Belmokhtar, en Boko Haram; benadrukt dat de aanbevelingen van de Europese strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel in de praktijk moeten worden gebracht, en verzoekt de Commissie een evaluatie van deze strategie te verrichten;

50.  benadrukt het belang van Jordanië en Libanon als stabiele partners in het Midden-Oosten; herinnert eraan dat deze twee landen worden geconfronteerd met een groeiende stroom vluchtelingen, hetgeen enorme sociaaleconomische problemen met zich meebrengt; prijst de niet-aflatende hulp die de buurlanden verlenen aan de vluchtelingen uit Irak en Syrië; dringt er bij de leiders van de EU op aan de aanzet te geven tot wereldwijde inspanningen, ook door regionale mogendheden, om de humanitaire hulp voor burgerslachtoffers van het conflict in Syrië en Irak en van het IS-geweld drastisch te versterken, met name om vluchtelingen te ondersteunen en rechtstreekse financiële steun te verlenen aan landen in de regio die vluchtelingen opvangen, teneinde de maatschappelijke integratie te bevorderen en marginalisering te voorkomen;

51.  dringt er bij de EU op aan te waarborgen dat de samenwerking met derde landen op het gebied van terrorismebestrijding hand in hand gaat met de eerbiediging van de rechtsstaat en de universele mensenrechten;

Versterking van een op samenwerking en regels gebaseerde wereldorde

52.  beschouwt de VS als belangrijkste strategische partner van de EU en spreekt zich ervoor uit om op voet van gelijkheid het buitenlands beleid van de EU nauwer te coördineren met dat van de VS ter ondersteuning van het internationaal recht en een gemeenschappelijke aanpak van uitdagingen in de nabuurschap van de EU en op mondiaal niveau; onderstreept het strategische karakter van het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP), dat de trans-Atlantische partners de mogelijkheid biedt mondiale normen inzake arbeid, gezondheid, milieu en intellectuele eigendom vast te leggen en het wereldwijde bestuur te versterken; dringt in dit verband aan op grotere openheid en transparantie in de onderhandelingen en op de betrokkenheid van alle belanghebbenden in alle fasen van het proces; is van mening dat Latijns-Amerika voor de EU een belangrijke handelspartner is en dat er verschillende modaliteiten voor een driezijdige trans-Atlantische samenwerking dienen te worden ontwikkeld;

53.  onderstreept de noodzaak om met verschillende landen een strategische samenwerking en een strategisch partnerschap aan te gaan, op grond van een duidelijke agenda, en om de bestaande strategische partnerschappen te toetsen in het licht van de effecten van hun beleid;

54.  is ingenomen met de conclusies van de in september 2014 in Wales gehouden NAVO-top en roept ertoe op gevolg te geven aan die conclusies; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO moet worden versterkt en dat de planning en coördinatie tussen het Smart Defence-initiatief van de NAVO en het bundelen en delen van militaire capaciteiten van de EU nauwer moeten worden afgestemd, teneinde dubbel werk te voorkomen en optimaal gebruik te maken van de schaarse beschikbare middelen; onderstreept nogmaals de noodzaak het veiligheidsbeleid van EU-lidstaten die geen lid zijn van de NAVO te respecteren;

55.  onderstreept dat in overleg met de VS een EU-strategie moet worden ontwikkeld om de verantwoordelijkheid voor de vrede en de stabiliteit van de politieke en economische wereldorde te delen met Rusland, China, India en andere grote mogendheden; wijst erop dat het in het kader van deze strategie van grote betekenis is de betrekkingen met belangrijke landen in Azië en met regionale organisaties zoals ASEAN aan te halen;

56.  verzoekt de HV/VV het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van Azië te versterken, en in het bijzonder ten aanzien van China en India; spoort de HV/VV aan om ervoor te zorgen dat er jaarlijks een bilaterale top met China en India wordt gehouden en dat deze tastbare resultaten oplevert;

57.  benadrukt dat vrede en stabiliteit in de regio Azië-Stille Oceaan, en in het bijzonder in de Oost- en Zuid-Chinese Zee, van strategisch belang zijn voor de EU; dringt er bij alle betrokken partijen in de regio op aan om geschillen op vreedzame wijze op te lossen in overeenstemming met het internationaal recht, en met elkaar samen te werken bij de exploitatie van natuurlijke en mariene hulpbronnen; pleit ervoor om de ontwikkeling en uitvoering van het Europese beleid te baseren op de ondersteuning van strategieën voor actieve conflictpreventie en vreedzame conflictoplossing; is van mening dat de EU een groot belang heeft bij blijvende groei en welvaart in Oost-Azië; onderstreept de noodzaak om het economische partnerschap van de EU met de landen in Azië-Stille Oceaan op een inclusieve manier te versterken, om duurzame vrede, stabiliteit en welvaart te kunnen waarborgen; is verheugd dat de betrekkingen tussen de Volksrepubliek China en Taiwan de afgelopen zes jaar zijn verbeterd en roept alle partijen op tot verdere maatregelen om bij te dragen aan de vreedzame ontwikkeling daarvan;

58.  verzoekt de HV/VV en de EU-lidstaten een nieuwe en krachtige impuls te geven aan onderhandelingen over nucleaire ontwapening en wapenbeheersing; is verheugd over de komende herziening van het Non-proliferatieverdrag in VN-verband – een belangrijke stap in de richting van internationale vrede en veiligheid – en spoort de lidstaten aan een gecoördineerd en proactief standpunt in te nemen in de onderhandelingen; is ingenomen met de inwerkingtreding van het Wapenhandelsverdrag en roept ertoe op het doeltreffend en volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt om de instelling van een EU-autoriteit voor wapenhandel om de lidstaten bij te staan bij de interpretatie en de consequente en strikte naleving van de normen die zijn vastgesteld in het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake wapenuitvoer; benadrukt het belang van betere controle achteraf op het gebruik van geëxporteerde wapens;

59.  stelt dat de EU in het verleden in concrete gevallen succesvol heeft gestreden tegen de doodstraf, maar zich nog resoluter moet opstellen; verzoekt de instellingen en de lidstaten om hun inzet voor deze zaak en hun politieke wil te handhaven en te versterken, opdat de doodstraf overal ter wereld definitief wordt afgeschaft;

60.  wijst opnieuw op de noodzaak tot hervorming van de VN-Veiligheidsraad, zodat deze de huidige mondiale situatie beter weerspiegeld; dringt er bij de HV/VV op aan dit tot een prioriteit te maken en de aanzet te geven tot een Europees debat over de hervorming van de VN-Veiligheidsraad; onderstreept in dit verband dat de EU een volwaardig lid van de VN moet worden;

61.  onderstreept nogmaals dat de EU een toonaangevende rol moet vervullen bij het bevorderen van de universele ondertekening en ratificatie van het Statuut van Rome, en het Internationaal Strafhof verder moet versterken en ondersteunen;

62.  herinnert eraan dat de EU zich intensief inzet voor de bestrijding van straffeloosheid en de bevordering van het Statuut van Rome waarbij het Internationaal Strafhof (ICC) is opgericht; is ingenomen met de recente ratificatie van het Statuut van Rome door Palestina;

63.  pleit voor de uitwerking van een coherente strategie voor klimaatveiligheid op EU-niveau om in te spelen op de strategische en politieke gevolgen van de klimaatverandering, zodat de EU zich kan voorbereiden en kan reageren op geopolitieke instabiliteit als gevolg van klimaatverandering, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar de samenwerking met ontwikkelingslanden en met landen die het hardst getroffen worden door de gevolgen van de klimaatverandering; erkent het belang van de aanstaande klimaattop in Parijs; roept de EDEO op prioriteit toe te kennen aan diplomatieke activiteiten ten aanzien van klimaatdoelstellingen om steun te krijgen voor een sterke en brede overeenkomst; roept op tot een debat over een toekomstgerichte strategie om door klimaatverandering veroorzaakte migratie te kunnen aanpakken;

64.  roept de EU en haar lidstaten op om op een positieve en gecoördineerde manier bij te dragen aan de totstandkoming van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, en wijst op de belangrijke taak van de HV/VV om ervoor te zorgen dat de EU een leidende rol speelt in de onderhandelingen; benadrukt dat in het nieuwe kader de structurele oorzaken van armoede, ongelijkheid en geweld moeten worden aangepakt, door doeltreffende, inclusieve en democratische instellingen, goed bestuur en de rechtsstaat te versterken;

o
o   o

65.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de NAVO, de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de NAVO, de fungerend voorzitter van de OVSE, de voorzitter van de Parlementaire Assemblee van de OVSE, de voorzitter van het Comité van ministers van de Raad van Europa en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

Juridische mededeling