Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/0285(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0128/2015

Ingediende teksten :

A8-0128/2015

Debatten :

PV 27/04/2015 - 18
CRE 27/04/2015 - 18
PV 22/06/2016 - 19
CRE 22/06/2016 - 19

Stemmingen :

PV 28/04/2015 - 7.8
CRE 28/04/2015 - 7.8
Stemverklaringen
PV 23/06/2016 - 8.8
CRE 23/06/2016 - 8.8

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0104
P8_TA(2016)0287

Aangenomen teksten
PDF 525kWORD 221k
Dinsdag 28 april 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
P8_TA(2015)0104A8-0128/2015

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 28 april 2015 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (COM(2014)0614 – C8-0174/2014 – 2014/0285(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)   In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee16 van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van beviste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.
(1)   In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee16 van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van beviste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, op basis van de relevante ecologische en economische factoren.
__________________
__________________
16 PB L 179 van 23.6.1998, blz. 3
16 OJ L 179 van 23.6.1998, blz. 3.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)   Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad stelt de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid ( " GVB " ) vast in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.
(4)   Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad stelt de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid ( " GVB " ) vast in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit sociaaleconomisch en ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, op basis van een evenwichtige toepassing op het visserijbeheer van het voorzorgsbeginsel en van een ecosysteemgerichte benadering.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Het bij deze verordening vastgestelde meersoortenbeheersplan vereist dat er meer rekening wordt gehouden met de verschillende ecologische rollen en functies van de tot dit plan behorende soorten. Aangezien er een grote mate van interactie is tussen de verschillende soorten, kunnen vangsten niet voor alle soorten tegelijkertijd op duurzame wijze op maximumniveau worden gebracht en moet worden besloten welke soorten prioriteit krijgen.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  De Raad en het Europees Parlement dienen rekening te houden met de meest recente aanbevelingen en verslagen van de ICES betreffende de maximale duurzame opbrengst, om te waarborgen dat de verordening zo actueel mogelijk is.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 quater (nieuw)
(7 quater)  Overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad1a (hierna de kaderrichtlijn mariene strategie, KMS) zijn gegevens over de verspreiding van natuurlijke grootte en leeftijd in commerciële visbestanden belangrijke indicatoren voor het doel om een goede ecologische status van het mariene milieu te bereiken.
_________________________
1a Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)   Het is passend een meersoortenvisserijplan vast te stellen dat rekening houdt met de dynamische relaties tussen de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden en ook aandacht heeft voor de soorten die de bijvangst van de visserij op die bestanden uitmaken, namelijk de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden in de Oostzee. Doel van dit plan moet zijn, voor de betrokken bestanden de maximale duurzame opbrengst te bereiken en te handhaven.
(8)   Het uiteindelijke doel is een meersoortenvisserijplan vast te stellen dat rekening houdt met de dynamische relaties tussen de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden en ook aandacht heeft voor de soorten die de bijvangst van de visserij op die bestanden uitmaken, namelijk de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden in de Oostzee. Doel van dit plan moet zijn het herstel, de realisatie en de handhaving van populaties van de betrokken visbestanden boven een niveau dat voor de betrokken bestanden de duurzame opbrengst kan opleveren, met zo weinig mogelijk impact op andere soorten, bijvoorbeeld zeevogels, en op het ruimere mariene milieu, in overeenstemming met artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)   De exploitatie van de kabeljauwbestanden en de pelagische bestanden mag de duurzaamheid van de bij die visserijen als bijvangst optredende bestanden, namelijk de Oostzeebestanden van schol, griet, bot en tarbot, niet in het gedrang brengen. Het plan dient er daarom ook op gericht te zijn de instandhouding van deze bijvangstbestanden op een biomassaniveau dat hoger is dan het met het voorzorgsbeginsel overeenstemmende niveau, te waarborgen.
(9)   De exploitatie van de kabeljauwbestanden en de pelagische bestanden mag de duurzaamheid van de bij die visserijen als bijvangst optredende bestanden, namelijk de Oostzeebestanden van schol, griet, bot en tarbot, niet in het gedrang brengen. Het plan dient er daarom ook op gericht te zijn de instandhouding te waarborgen van deze bijvangstbestanden op een biomassaniveau dat hoger is dan het niveau dat overeenstemt met de op het voorzorgsbeginsel en het ecosysteem gebaseerde benadering van visserijbeheer en dat voor de betrokken bestanden de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Met Verordening (EU) Nr. 1380/2013 wordt voorts beoogd om teruggooi geleidelijk uit te bannen met gebruikmaking van het beste wetenschappelijke advies, door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. Deze doelstelling kan worden bereikt door het selectieproces voor vistuig en visserijpraktijken te verbeteren.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaalt dat de visserijmogelijkheden worden vastgesteld in overeenstemming met de in de meerjarenplannen opgenomen streefwaarden.
(11)  Artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaalt dat de visserijmogelijkheden worden vastgesteld in overeenstemming met de in de meerjarenplannen opgenomen streefwaarden. Bij vaststelling van de te bereiken niveaus voor de sterfte door visserij en biomassa moet rekening worden gehouden met het meest actuele wetenschappelijke advies.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)   Die streefwaarden dienen derhalve te worden vastgesteld en uitgedrukt als visserijsterftecoëfficiënten, zulks op basis van wetenschappelijk advies19.
(12)   Die streefwaarden dienen derhalve te worden vastgesteld en uitgedrukt als visserijsterftecoëfficiënten, zulks op basis van wetenschappelijk advies19, die ervoor zorgen dat de populaties van geëxploiteerde soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. De maximale duurzame opbrengst dient de bovengrens te zijn voor de exploitatie.
__________________
__________________
19 Technische diensten van ICES, september 2014 http://www.ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2014/Special%20Requests/EU_Fmsy_range_for_Baltic_cod_and_pelagic_stocks.pdf
19 Technische diensten van ICES, september 2014 http://www.ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2014/Special%20Requests/EU_Fmsy_range_for_Baltic_cod_and_pelagic_stocks.pdf
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)   Er moeten instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld zodat extra voorzorgen kunnen worden genomen wanneer de omvang van een bestand een bepaald kritiek niveau bereikt dat een ernstig risico inhoudt. Die instandhoudingsreferentiepunten moeten worden vastgesteld op het niveau van de minimale paaibiomassa die de reproductiecapaciteit van het bestand onaangetast laat. Wanneer de bestandsomvang tot onder de minimale paaibiomassa daalt, moeten herstelmaatregelen worden overwogen.
(13)   Er moeten instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld zodat extra voorzorgen kunnen worden genomen wanneer de omvang van een bestand een bepaald kritiek niveau bereikt dat een ernstig risico inhoudt. Die instandhoudingsreferentiepunten moeten worden vastgesteld op het biomassaniveau overeenstemmend met de maximale duurzame opbrengst (BMSY) van een bestand. Er moeten herstelmaatregelen worden overwogen om te voorkomen dat de bestandsomvang tot onder dat niveau daalt.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)   In het geval van de als bijvangst gevangen bestanden dienen, bij ontstentenis van wetenschappelijk advies over het minimale paaibiomassaniveau, specifieke instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld wanneer een bestand luidens wetenschappelijk advies gevaar loopt.
(14)   In het geval van de als bijvangst gevangen bestanden dienen, bij ontstentenis van wetenschappelijk advies over het minimale paaibiomassaniveau, specifieke instandhoudingsmaatregelen te worden vastgesteld wanneer andere indicatoren het mogelijk maken een wetenschappelijk advies te formuleren dat aangeeft dat een bestand gevaar loopt. De wetenschappelijke gegevens over het minimale paaibiomassaniveau van de bijvangst moeten snel ter beschikking worden gesteld opdat de nodige maatregelen kunnen worden getroffen.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)   Teneinde de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting na te leven, dient het plan te voorzien in andere beheersmaatregelen zoals beschreven in artikel 15, lid 4, onder a) tot en met c), van die verordening. Dergelijke maatregelen moeten worden vastgesteld middels een gedelegeerde handeling.
(16)   Teneinde de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting na te leven, dient het plan te voorzien in andere beheersmaatregelen zoals beschreven in artikel 15, lid 4, onder a) tot en met c), van die verordening. Dergelijke maatregelen moeten worden vastgesteld middels een gedelegeerde handeling na overleg met de betrokken adviesraden.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  De Commissie moet het advies van de betrokken adviesraden in acht nemen, wanneer zij gedelegeerde handelingen vaststelt om de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsplicht na te leven om te voorzien in andere beheersmaatregelen zoals vastgesteld in artikel 15, lid 4, onder a) tot en met c), van die verordening.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)   Het plan dient voorts te voorzien in de aanneming, middels gedelegeerde handelingen, van bepaalde begeleidende technische maatregelen die moeten bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van het plan, met name inzake de bescherming van jonge of paaiende vis. In afwachting van de herziening van Verordening (EG) nr. 2187/200520 van de Raad moet ook de mogelijkheid worden opengelaten dat dergelijke maatregelen, indien zulks nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van het plan, afwijken van sommige niet-essentiële elementen van die verordening.
(17)   Het plan dient voorts te voorzien in de aanneming, na overleg met de betrokken adviesraden en middels gedelegeerde handelingen, van bepaalde begeleidende technische maatregelen die moeten bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van het plan, met name inzake de bescherming van jonge of paaiende vis. In afwachting van de herziening van Verordening (EG) nr. 2187/200520 van de Raad moet ook de mogelijkheid worden opengelaten dat dergelijke maatregelen, indien zulks nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van het plan, afwijken van sommige niet-essentiële elementen van die verordening.
__________________
__________________
20 Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1).
20 Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1).
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  De Commissie moet het advies van de betrokken adviesraden in acht nemen, wanneer zij bepaalde begeleidende technische maatregelen neemt die moeten bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van het plan.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)   Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet, de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig, op gepaste wijze en gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
(18)   Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet, de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau en op het niveau van gespecialiseerde instanties van de lidstaten en de Unie, in samenwerking met het Europees Parlement. Er moeten intensieve debatten worden gevoerd met de betrokken belanghebbenden voordat een voorstel voor een specifieke maatregel wordt afgerond. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig, op gepaste wijze en gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)  De Commissie moet het advies van de betrokken adviesraden in acht nemen, wanneer zij gedelegeerde handelingen vaststelt die het toepassingsgebied van deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet, de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 ter (nieuw)
(18 ter)  Bij de tenuitvoerlegging van het bij deze verordening vastgestelde plan moet voorrang worden verleend aan de toepassing van het principe van regionalisering zoals bepaald in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)   Wanneer de Commissie gemachtigd is om gedelegeerde handelingen met betrekking tot bepaalde in het plan vervatte instandhoudingsmaatregelen vast te stellen, dienen de lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserijen in de Oostzee overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de mogelijkheid te hebben om gemeenschappelijke aanbevelingen met betrekking tot deze maatregelen in te dienen, zodat deze goed op de specifieke kenmerken van de Oostzee en haar visserijen worden afgestemd. Voor de indiening van die aanbevelingen moet een uiterste termijn worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij artikel 18, lid 1, van genoemde verordening.
(19)   Wanneer de Commissie gemachtigd is om gedelegeerde handelingen met betrekking tot bepaalde in het plan vervatte instandhoudingsmaatregelen vast te stellen, dienen de lidstaten en de adviesraden met een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserijen in de Oostzee overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de mogelijkheid te hebben om gemeenschappelijke aanbevelingen met betrekking tot deze maatregelen in te dienen, zodat deze goed op de specifieke kenmerken van de Oostzee en haar visserijen worden afgestemd. Voor de indiening van die aanbevelingen moet een uiterste termijn worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij artikel 18, lid 1, van genoemde verordening.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  Om de doeltreffendheid en de vernieuwende aspecten van het plan te verbeteren, moet ernaar worden gestreefd een resultaatgerichte en een bottom-upbenadering op te nemen in de gemeenschappelijke aanbevelingen en daaropvolgende gedelegeerde handelingen.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  De Commissie moet het advies van de betrokken adviesraden in acht nemen, wanneer zij gedelegeerde handelingen met betrekking tot bepaalde in het plan vervatte instandhoudingsmaatregelen vaststelt.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Er moeten regels worden vastgesteld om te waarborgen dat er in het geval van tijdelijke stillegging van visserijactiviteiten financiële steun kan worden verleend krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad1a.
___________
1a Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)   Wat de tijdhorizon betreft: de maximale duurzame opbrengst zal voor de betrokken bestanden naar verwachting tegen 2015 worden bereikt en moet van dan af worden gehandhaafd.
(25)   Wat de tijdhorizon betreft: de betrokken bestanden moeten indien mogelijk tegen 2015 de streefwaarde hebben bereikt. Een latere datum voor het halen ervan kan alleen worden toegestaan indien het verwezenlijken van deze doelstellingen in 2015 de sociale en economische duurzaamheid van de betrokken vissersvloten ernstig in gevaar zou brengen. Na 2015 moeten die niveaus zo spoedig mogelijk en hoe dan ook uiterlijk in 2020 worden gehaald. De streefwaarde moet vanaf die momenten worden gehandhaafd.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Bij ontstentenis van een visserijinspanningsregeling moeten de specifieke regels inzake het speciale visdocument en de vervanging van vaartuigen of motoren die in de Golf van Riga van toepassing zijn, worden geschrapt. Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.
Schrappen
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2
2.  Het plan is ook van toepassing op schol, bot, tarbot en griet i n de ICES-deelgebieden 22-32 die bij de visserij op de betrokken bestanden wordt gevangen.
2.  Deze verordening schrijft tevens voor dat de maatregelen voor bijvangsten van schol, bot, tarbot en griet in de ICES-deelgebieden 22-32 moeten worden toegepast bij de visserij op de in lid 1 bedoelde bestanden.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 - letter b en c
(b)   "kom": een groot, verankerd, aan staken vastgemaakt of soms drijvend net dat open is aan het oppervlak en is uitgerust met verschillende soorten voorzieningen om vis te verzamelen en vast te houden, en dat doorgaans is verdeeld in kamers die onderaan met netwerk zijn afgesloten;
b)   "kom, fuik en weer": een verankerd, aan staken vastgemaakt of soms drijvend net dat is uitgerust met verschillende soorten voorzieningen om vis te verzamelen en vast te houden, en dat doorgaans is verdeeld in kamers die onderaan met netwerk zijn afgesloten;
c)   " korven en kubben " : voor de vangst van schaaldieren of vissen bestemde kleine, afzonderlijk of in rijen op de zeebodem geplaatste vallen in de vorm van uit verschillende materialen vervaardigde kooien of manden; zij zijn middels touwen (boeirepen) verbonden met op het zeeoppervlak drijvende boeien die de positie aangeven, en zijn voorzien van één of meer openingen of gaten waarlangs de dieren binnenkomen;
c)   "korven en kubben": voor de vangst van schaaldieren of vissen bestemde, afzonderlijk of in rijen op de zeebodem geplaatste vallen in de vorm van uit verschillende materialen vervaardigde kooien of manden; zij zijn middels touwen (boeirepen) verbonden met op het zeeoppervlak drijvende boeien die de positie aangeven, en zijn voorzien van één of meer openingen of gaten waarlangs de dieren binnenkomen;
Amendementen 63, 28 en 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 3
1.  Het plan beoogt een bijdrage te leveren aan de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name:
1.  Het plan verzekert de realisering van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en de in kaderrichtlijn mariene strategie (KMS) 2008/56/EG genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name:
(a)   het bereiken en handhaven van de maximale duurzame opbrengst voor de betrokken bestanden, en
(a)   het brengen en behouden van de betrokken bestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en
(b)  het waarborgen van de instandhouding van de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel.
(b)  het waarborgen van de instandhouding van de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden boven de voor een maximale duurzame opbrengst vereiste niveaus.
2.   Het plan beoogt een bijdrage te leveren aan de implementatie van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de betrokken bestanden en voor schol.
2.   Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi, met gebruikmaking van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de implementatie van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de betrokken bestanden en voor schol.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Coherentie met de milieuwetgeving van de Unie
1.  Met het plan wordt een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer toegepast.
2.  Om ervoor te zorgen dat de negatieve effecten van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt en dat aantasting van het mariene milieu door visserijactiviteiten wordt voorkomen, is het plan coherent met en draagt het bij tot het halen van de doelstellingen van de kaderrichtlijn mariene strategie, om tegen 2020 een goede milieutoestand te bereiken. Met name wordt er met het plan naar gestreefd:
(a)  ervoor te zorgen dat is voldaan aan de voorwaarden die beschreven staan in beschrijvend element 3 in Annex I bij die richtlijn;
(b)  bij te dragen tot de voldoening van de beschrijvende elementen 1, 4 en 6 in bijlage I bij die richtlijn, in verhouding tot de rol die visserij voor de vervulling ervan speelt
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.   De visserijsterfte voor de betrokken bestanden bereikt tegen 2015 de streefwaarde en wordt van dan af gehandhaafd binnen de volgende bandbreedtes:
1.   Bij de streefwaarde voor de visserijsterfte voor de betrokken bestanden wordt rekening gehouden met het meest recente wetenschappelijke advies en deze streefwaarde wordt bereikt indien mogelijk tegen 2015 en geleidelijk toenemend uiterlijk in 2020 en wordt daarna gehandhaafd. De visserijsterfte voor de betrokken bestanden wordt binnen de volgende bandbreedtes vastgesteld:
Bestand
Streefwaarde (bandbreedte) voor de visserijsterfte

Bestand
Streefwaarde (bandbreedte) voor de visserijsterfte

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
0.23-0.29

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
0.41-0.51

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

Haring in het centrale deel van de Oostzee
0.23-0.29

Haring in het centrale deel van de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

Haring in de Golf van Riga
0.32-0.39

Haring in de Golf van Riga
tussen 0 en de FMSY

Haring in de Botnische Zee
0.13-0.17

Haring in de Botnische Zee
tussen 0 en de FMSY

Haring in de Botnische Baai
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Baai
tussen 0 en de FMSY

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
0.25-0.31

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

Sprot in de Oostzee
0.26-0.32

Sprot in de Oostzee
tussen 0 en de FMSY

De waarden voor de FMSY (visserijsterfte die consistent is met het halen van de maximale duurzame opbrengst) moeten worden overgenomen uit het meest recente, betrouwbare wetenschappelijke advies dat beschikbaar is, en voor F (visserijsterfte) moet worden gestreefd naar 0,8 maal de FMSY.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De vangstmogelijkheden worden zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat zij de in de tabel in lid 1 weergegeven F‑MSY-waarden overschrijden, minder dan 5 % bedraagt.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Tijdelijke stopzetting van de visserijactiviteiten in de zin van art. 33 van Verordening (EU) nr. 508/2014, gewaarborgd met financiële steun op grond van die verordening, is in het kader van deze verordening toegestaan.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.   De instandhoudingsreferentiepunten, uitgedrukt als minimumniveau van de paaibiomassa waarbij de reproductiecapaciteit onaangetast blijft, bedraagt voor de betrokken bestanden:
1.   De instandhoudingsreferentiepunten die zijn afgestemd op volledig behoud van de reproductiecapaciteit, bedragen voor de betrokken bestanden:
Bestand
Minimumniveau van de paaibiomassa (in ton)

Bestand
Minimumniveau van de paaibiomassa (in ton)

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
36 400

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
36 400 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
88 200

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
88 200 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in het centrale deel van de Oostzee
600 000

Haring in het centrale deel van de Oostzee
600 000 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in de Golf van Riga
Niet gedefinieerd

Haring in de Golf van Riga
Niet gedefinieerd voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in de Botnische Zee
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Zee
Niet gedefinieerd voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in de Botnische Baai
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Baai
Niet gedefinieerd voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
110 000

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
110 000 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Sprot in de Oostzee
570 000

Sprot in de Oostzee
570 000 voor 2015, en de BMSY voor de resterende jaren

Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  Wanneer de paaibiomassa van enig betrokken bestand in een bepaald jaar lager is dan het in lid 1 vastgestelde minimumniveau voor die paaibiomassa, worden passende herstelmaatregelen vastgesteld om een snelle terugkeer van het betrokken bestand naar het voorzorgsniveau te waarborgen. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, lid 2, van deze verordening en in overeenstemming met artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, de visserijmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat lager is dan datgene wat resulteert in de in artikel 4, lid 1, genoemde streefbandbreedtes voor de visserijsterfte. Deze herstelmaatregelen kunnen, indien passend, ook de indiening van wetsvoorstellen door de Commissie alsook overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 door de Commissie vastgestelde noodmaatregelen omvatten.
2.  Wanneer de paaibiomassa van enig betrokken bestand in een bepaald jaar lager is dan het in lid 1 vastgestelde minimumniveau voor die paaibiomassa, worden passende herstelmaatregelen vastgesteld om te waarborgen dat het betrokken bestand zo snel mogelijk boven een niveau wordt teruggebracht dat de maximale duurzame opbrengst (MSY) kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, lid 2, van deze verordening en in overeenstemming met artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, de visserijmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat lager is dan datgene wat resulteert in de in artikel 4, lid 1, van deze verordening genoemde streefbandbreedtes voor de visserijsterfte. Deze herstelmaatregelen kunnen, indien passend, ook de indiening van wetsvoorstellen door de Commissie alsook overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 door de Commissie vastgestelde noodmaatregelen omvatten.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Wanneer de biomassa van enig betrokken bestand in een bepaald jaar daalt tot onder het in onderstaande tabel aangegeven niveau, worden passende maatregelen getroffen om de gerichte visserij op het betrokken bestand stop te zetten:
Bestand
Grenswaarde voor het biomassa-niveau (in ton)

Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee
26 000

Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee
63 000

Haring in het centrale deel van de Oostzee
430 000

Haring in de Golf van Riga
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Zee
Niet gedefinieerd

Haring in de Botnische Baai
Niet gedefinieerd

Haring in het westelijke deel van de Oostzee
90 000

Sprot in de Oostzee
410 000

Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 6
Artikel 6
Artikel 6
Maatregelen bij bedreigingen voor schol, bot, tarbot en griet
Technische instandhoudingsmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet
1.   Wanneer luidens wetenschappelijk advies de instandhouding van enig schol-, bot-, tarbot- of grietbestand in de Oostzee wordt bedreigd, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake specifieke instandhoudingsmaatregelen voor het bedreigde bestand, en zulks met betrekking tot:
1.   Wanneer luidens wetenschappelijk advies maatregelen nodig zijn om te waarborgen dat het schol-, bot-, tarbot- of grietbestand in de Oostzee overeenkomstig het voorzorgsbeginsel wordt beheerd, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake specifieke instandhoudingsmaatregelen voor bijvangsten van schol, bot, tarbot en griet, met betrekking tot de volgende technische maatregelen:
(c)  (a) aanpassing van de visserijcapaciteit en de visserijinspanning;
(a)   aanpassing van de visserijcapaciteit en de visserijinspanning;
(d)(b) technische maatregelen, met inbegrip van
(1)   de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig;
(b)   de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig;
(2)   het gebruik van het vistuig, met name de onderwatertijd en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet;
(c)  het gebruik van het vistuig, met name de onderwatertijd en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet;
(3)   een verbod op of beperking van de visserij in specifieke gebieden;
(d)  een verbod op of beperking van de visserij in specifieke gebieden;
(4)   een verbod op of beperking van de visserij gedurende specifieke perioden;
(e)  een verbod op of beperking van de visserij gedurende specifieke perioden;
(5)   de minimale instandhoudingsreferentiegrootte.
(f)  de minimale instandhoudingsreferentiegrootte;
(g)  andere kenmerken gerelateerd aan selectiviteit.
2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3, lid 1, onder b), genoemde doelstelling te bereiken en worden gebaseerd op wetenschappelijk advies.
2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3, lid 1, onder b), genoemde doelstelling, alsmede coherentie met de milieuwetgeving van de Unie overeenkomstig artikel 3 bis te bereiken en worden gebaseerd op het beste beschikbare wetenschappelijke advies.
3.   De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen met betrekking tot specifieke instandhoudingsmaatregelen als bedoeld in lid 1.
3.   De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen met betrekking tot specifieke instandhoudingsmaatregelen als bedoeld in lid 1.
3 bis.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen raadpleegt de Commissie het Europees Parlement en de relevante adviesraden.
3 ter.  De Commissie analyseert in overleg met de lidstaten in kwestie de impact van de in lid 1 genoemde gedelegeerde handelingen een jaar na de goedkeuring ervan, en vervolgens ieder jaar. Als uit deze analyse blijkt dat een gedelegeerde handeling niet geschikt is om de bestaande situatie aan te pakken, kunnen de lidstaten in kwestie een gemeenschappelijke aanbeveling overeenkomstig artikel 18, lid 1; van Verordening (EU) Nr. 1380/2013 indienen.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 geldt de aanlandingsverplichting voor de betrokken bestanden en voor schol niet wanneer de visserij daarop plaatsvindt met het volgende vistuig: kommen, korven en kubben.
In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 geldt de aanlandingsverplichting niet voor kabeljauw wanneer de visserij daarop plaatsvindt met het volgende vistuig: kommen, korven en kubben, en fuiken en weren.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3 genoemde doelstellingen, en met name de bescherming van jonge of paaiende vis, te bereiken.
2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3 genoemde doelstellingen, en met name de bescherming van jonge of paaiende vis, alsmede coherentie met de milieuwetgeving van de Unie overeenkomstig artikel 3 bis, te bereiken, en ervoor te zorgen dat de negatieve effecten van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – letter a
a)   de in de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 2187/2005 bedoelde en in de bijlagen II en III van die verordening vervatte bepalingen inzake doelsoorten en maaswijdten;
a)   de in de bijlagen II, III en IV bij Verordening (EG) nr. 2187/2005 vervatte en in de artikelen 3, 4 en 14, lid 1, daarvan bedoelde bepalingen inzake doelsoorten, maaswijdten en minimuminstandhoudingsreferentie–groottes;
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – letter f
f)  het verbod op de trawlvisserij in de Golf van Riga overeenkomstig artikel 22 van die verordening.
Schrappen
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Bovendien streeft de Commissie ernaar rekening te houden met de recentste wetenschappelijke studies, waaronder degene die afkomstig zijn van de ICES, voordat zij technische maatregelen goedkeurt.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  Tijdens het paaien van de kabeljauw is pelagische visserij met staande visnetten met een maaswijdte van minder dan 110 mm en gesleept vistuig met een maaswijdte van 120 mm verboden.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk VI bis (nieuw)
HOOFDSTUK VI bis
SPECIFIEKE MAATREGELEN
Artikel 9 bis
Specifieke maatregelen
1.  Alle visserij is van 1 mei tot en met 31 oktober verboden binnen de gebieden die worden ingesloten door de punten met de volgende geografische coördinaten, gemeten volgens het WGS84-coördinatenstelsel, achtereenvolgens door middel van loxodromen met elkaar te verbinden:
(a)  Gebied 1:
—  55° 45′ NB, 15° 30′ OL
—  55° 45′ NB, 16° 30′ OL
—  55° 00′ NB, 16° 30′ OL
—  55° 00′ NB, 16° 00′ OL
—  55° 15′ NB, 16° 00′ OL
—  55° 15′ NB, 15° 30′ OL
—  55° 45′ NB, 15° 30′ OL
(b)  Gebied 2:
—  55° 00′ NB, 19° 14′ OL
—  54° 48′ NB, 19° 20′ OL
—  54° 45′ NB, 19° 19′ OL
—  54° 45′ NB, 18° 55′ OL
—  55° 00′ NB, 19° 14′ OL
(c)  Gebied 3:
—  56° 13′ NB, 18° 27′ OL
—  56° 13′ NB, 19° 31′ OL
—  55° 59′ NB, 19° 13′ OL
—  56° 03′ NB, 19° 06′ OL
—  56° 00′ NB, 18° 51′ OL
—  55° 47′ NB, 18° 57′ OL
—  55° 30′ NB, 18° 34′ OL
—  56° 13′ NB, 18° 27′ OL
2.  Alle EU-vaartuigen met een lengte over alles van 3 m of meer die in de Oostzee vistuig voor de kabeljauwvisserij aan boord hebben of gebruiken in overeenstemming met artikel 2187 van Verordening (EG) nr. 2187/2005, beschikken over een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee.
3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen tot wijziging van dit artikel vast te stellen indien zulks nodig is om de in artikel 3 genoemde doelstellingen te bereiken, met name de bescherming van jonge of paaiende vis.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 10
Artikel 10
Artikel 10
Regionale samenwerking
Regionale samenwerking
1.   Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in het kader van dit hoofdstuk genomen maatregelen.
1.   Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in artikel 6, 8 en 9 van deze verordening genoemde maatregelen.
2.   De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen binnen de volgende termijnen:
2.   De betrokken lidstaten kunnen, na raadpleging van de regionale adviesraden, in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 4, van deze verordening genoemde gemeenschappelijke aanbevelingen de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening indienen, en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14, maar uiterlijk op 1 september voor maatregelen die betrekking hebben op de lidstaten. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zich bij een van de onder het plan vallende bestanden een plotse verandering van de situatie voordoet, indien de aanbevolen maatregelen noodzakelijk of gerechtvaardigd worden geacht op basis van wetenschappelijk advies.
(a)  voor de in artikel 6, lid 1, vervatte maatregelen en met betrekking tot een gegeven kalenderjaar, uiterlijk op 1 september van het vorige jaar;
(b)  voor de in artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, vervatte maatregelen, de eerste keer niet later dan zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens zes maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14.
2 bis.  De betrokken adviesraden kunnen eveneens aanbevelingen indienen binnen de in lid 2 vermelde termijnen.
2 ter.  Iedere afwijking door de Commissie van de gemeenschappelijke aanbevelingen wordt aan het Europees Parlement en aan de Raad voorgelegd en is controleerbaar.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 12
Artikel 12
Artikel 12
Voorafgaande kennisgevingen
Voorafgaande kennisgevingen
1.   In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt de in dat artikel vervatte verplichting tot voorafgaande kennisgeving voor kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer die ten minste 300 kg kabeljauw of twee ton vis uit pelagische bestanden aan boord hebben.
1.   In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt de in dat artikel vervatte verplichting tot voorafgaande kennisgeving voor:
(a)  met betrekking tot vissersvaartuigen die vissen op kabeljauw, kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer die ten minste 300 kg kabeljauw aan boord hebben;
.
(b)  met betrekking tot vissersvaartuigen die vissen op haring en/of sprot, kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer die ten minste twee ton vis uit pelagische bestanden aan boord hebben;
2.   In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedraagt de in dat artikel vermelde termijn voor voorafgaande kennisgeving ten minste een uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven.
2.   In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedraagt de in dat artikel vermelde termijn voor voorafgaande kennisgeving ten minste een uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven. De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaten kunnen per geval toestemming verlenen voor een vroegere binnenkomst in de haven, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de vereiste voorwaarden voor de passende controlemaatregelen.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – letter b
b)   5 ton vis uit pelagische bestanden.
b)   2 ton vis uit pelagische bestanden.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 14
Evaluatie van het plan
Evaluatie van het plan
De Commissie zorgt ervoor dat de effecten van dit plan op de onder deze verordening vallende bestanden en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, zes jaar na de inwerkingtreding van het plan en vervolgens om de zes jaar worden geëvalueerd, met name om rekening te houden met veranderingen in de wetenschappelijke adviezen. De Commissie deelt de resultaten van deze evaluaties mee aan het Europees Parlement en de Raad.
Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens om de vijf jaar beoordeelt de Commissie de effecten van dit meerjarenplan op de onder deze verordening vallende bestanden en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de vooruitgang die gerealiseerd is inzake het brengen en behouden van de visbestanden boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. De Commissie deelt de resultaten van deze evaluatie mee aan het Europees Parlement en de Raad en kan indien nodig, rekening houdend met het recentste wetenschappelijk advies, aanpassingen in het meerjarenplan voorstellen of wijzigingen in de gedelegeerde handelingen initiëren.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk IX bis (nieuw)
HOOFDSTUK IX bis
STEUN UIT HET EUROPEES FONDS VOOR MARITIEME ZAKEN EN VISSERIJ
Artikel 14 bis
Steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij
Voor de toepassing van letter (c) van artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 508/2014 wordt het meerjarenplan waarin in deze verordening is voorzien, beschouwd als meerjarenplan in de zin van de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2
2.   De in de artikelen 6, 8 en 9 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
2.   De in de artikelen 6, 8 en 9 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar na 1 september 2015. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 16
De artikelen 20 en 21 van Verordening (EG) nr. 2187/2005 worden geschrapt.
Verordening (EG) nr. 2187/2005 wordt als volgt gewijzigd:
1.  In artikel 13 wordt lid 3 geschrapt.
2.  In bijlage IV wordt in de kolom met het opschrift "minimumlengte" de maat "38 cm" betreffende de minimuminstandhoudingsreferentie–grootte voor kabeljauw vervangen door "35 cm".

(1) De zaak werd terugverwezen naar de Commissie uit hoofde van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0128/2015).

Juridische mededeling