Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2223(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0126/2015

Ingediende teksten :

A8-0126/2015

Debatten :

PV 27/04/2015 - 24
CRE 27/04/2015 - 24

Stemmingen :

PV 28/04/2015 - 7.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0109

Aangenomen teksten
PDF 292kWORD 107k
Dinsdag 28 april 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Een nieuwe EU-bosstrategie
P8_TA(2015)0109A8-0126/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2015 over "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector" (2014/2223(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's getiteld "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector" (COM(2013)0659),

–  gezien de bij die mededeling gevoegde werkdocumenten van de diensten van de Commissie SWD(2013)0342 en SWD(2013)0343,

–  gezien de conclusies van de Raad Landbouw en visserij van 19 mei 2014 betreffende de nieuwe EU-bosstrategie,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 januari 2014 getiteld "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector",

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 juli 2014 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's getiteld "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector",

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2006 over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van de Europese Unie(1),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 over een algemeen milieuactieprogramma voor de Unie voor de periode tot 2020 – "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet",

–  gezien de Europa 2020-strategie, waaronder de initiatieven Innovatie-Unie en Efficiënt gebruik van hulpbronnen,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020" (COM(2011)0244),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0126/2015),

A.  overwegende dat de Europese Unie niet de bevoegdheid heeft om een gemeenschappelijk bosbouwbeleid uit te stippelen, maar dat bepaalde beleidslijnen van de Unie gevolgen kunnen hebben voor het nationale bosbouwbeleid, terwijl het de lidstaten zijn die de beslissingen over de beleidsmaatregelen ten aanzien van bosbouw en bossen nemen;

B.  overwegende dat er ongeacht de onmiskenbare bevoegdheid van de lidstaten in de bosbouwsector mogelijke voordelen voor de bosbouwsector te bespeuren vallen bij een betere coördinatie en positionering van deze belangrijke economische sector die fungeert als banenmotor op Europees niveau, met name in de landelijke gebieden, alsmede bescherming van de ecosystemen en het creëren van milieuvoordelen voor iedereen, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de lidstaten;

C.  overwegende dat hout een hernieuwbare hulpbron is die vaak onderbenut blijft in Europa en dat slim en duurzaam gebruik van deze grondstof moet worden gewaarborgd, onder meer door het verder ontwikkelen en uitwisselen van knowhow;

D.  overwegende dat bossen unieke flora, fauna en schimmels bevatten;

E.  overwegende dat de omvang en de aard van bossen sterk uiteenlopen en dat het grondgebied van sommige lidstaten voor meer dan de helft uit bossen bestaat; overwegende dat duurzaam geëxploiteerde bossen van zeer grote betekenis zijn voor de lokale, regionale Europese en internationale toegevoegde waarde, de werkgelegenheid op het platteland helpen behouden en bijdragen aan een op de bio-economie gebaseerde samenleving, in het bijzonder in structureel achtergestelde regio's, en tegelijkertijd een essentiële bijdrage leveren aan de bescherming van zowel het milieu als het klimaat en aan de biodiversiteit;

F.  overwegende dat biomassa uit bossen een zeer belangrijke bron van hernieuwbare energie is; overwegende dat de Europese bossen momenteel ongeveer 10 % van de koolstofemissies van de EU vastleggen en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan het beheersen van de klimaatverandering;

G.  overwegende dat de burgers van de Unie door de verstedelijking van de maatschappij over weinig affiniteit met bossen en weinig kennis over bosbouw of de invloed daarvan op welvaart, werkgelegenheid, klimaat, milieu, de menselijke gezondheid en de totale waardeketen en het verband met de ecosystemen in bredere zin beschikken;

H.  overwegende dat er door steeds meer EU-beleid steeds hogere eisen worden gesteld aan de bossen; overwegende dat die eisen zorgvuldig op elkaar moeten worden afgestemd, en dat de vraag naar nieuwe vormen van houtgebruik in de bio-economie en naar bio-energie gepaard moet gaan met een efficiënt gebruik van hulpbronnen, het gebruik van nieuwe technologieën en respect voor de grenzen aan duurzame voorziening;

I.  overwegende dat de Europese bosbouw gekenmerkt wordt door duurzaam beheer en langetermijnplanning en dat het beginsel van duurzaamheid op elk niveau, van plaatselijk tot wereldwijd, nog sterker moet worden benadrukt, teneinde werkgelegenheid te scheppen, de biodiversiteit te beschermen, de klimaatverandering af te zwakken en woestijnvorming tegen te gaan;

J.  overwegende dat de rol die bossen in economisch, sociaal en milieuopzicht vervullen, met inbegrip van bescherming en valorisatie van het culturele en natuurlijke erfgoed en bevordering van duurzaam (milieu)toerisme, onder de aandacht moet worden gebracht;

K.  overwegende dat door de groei van de wereldbevolking de vraag naar energie steeds verder toeneemt en bossen derhalve een belangrijkere rol dienen te spelen in de toekomstige energiemix van de EU;

Algemene opmerkingen – rol van bossen, bosbouw en houtsector in economisch en maatschappelijk opzicht

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie inzake een nieuwe EU-bosstrategie en de hierbij gevoegde werkdocumenten, en wijst er met nadruk op dat een EU-strategie inzake bossen het accent moet leggen op het waarborgen van het duurzame beheer van bossen en hun multifunctionele rol in economisch, sociaal en milieu-opzicht, en betere coördinatie en communicatie moet waarborgen van EU-beleid dat rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met bosbouw; wijst er in deze context op dat de steeds talrijkere Europese beleidsinitiatieven op het gebied van economie en werkgelegenheid, energievoorziening, milieu- en klimaatbescherming een grotere bijdrage van de bosbouwsector noodzakelijk maken;

2.  onderstreept dat de waarde van bosecosysteemdiensten systematischer moet worden bepaald en in aanmerking moet worden genomen in de besluitvorming in de publieke en particuliere sector;

3.  wijst erop dat bergbossen, die lawines en modderstromen tegenhouden en als natuurlijke bescherming tegen overstromingen fungeren, hun beschermende functie voor mens en natuur alleen in volle omvang kunnen uitoefenen als ze gezond en stabiel zijn; onderstreept dat met name in dit verband grensoverschrijdende communicatie onontbeerlijk is;

4.  onderstreept in dit verband dat alle pogingen om de bosbouw op EU-niveau te regelen moeten worden tegengehouden, dat het lokale en regionale karakter van de sector en de bevoegdheden van de lidstaten geëerbiedigd moeten worden, en daarbij tegelijkertijd moet worden gestreefd naar coherentie van de respectieve bevoegdheden van de Europese Unie en de lidstaten;

5.  benadrukt dat de bossen in de EU gekenmerkt worden door grote diversiteit, waaronder uiteenlopende vormen van eigendom, omvang, aard en problemen;

6.  onderstreept dat de Europese bosstrategie rekening moet houden met het feit dat het grondgebied van sommige lidstaten voor meer dan de helft met bos is bedekt, dat duurzaam beheerde bossen van zeer grote betekenis zijn voor de lokale en regionale toegevoegde waarde en het behoud van werkgelegenheid op het platteland, en tegelijkertijd in belangrijke mate bijdragen tot de bescherming van het milieu;

7.  wijst in dit verband op de bijzonder waardevolle functie van stabiele gemengde bossen met gebiedsspecifieke, inheemse boomsoorten, op hun essentiële ecosysteemfuncties en op hun bijdrage aan de biodiversiteit;

8.  verzoekt de lidstaten boseigenaren te ondersteunen bij hun inspanningen om gebiedsspecifieke, inheemse gemengde bossen in stand te houden en aan te planten;

9.  betreurt het dat de arbeidsomstandigheden van werknemers in de bosbouwsector bij de voorgestelde strategie niet als uitgangspunt worden genomen en verzoekt de Commissie om rekening te houden met een slimme organisatie van het werk, de hoge eisen die aan de gebruikte technologie worden gesteld en kwalitatief hoogstaand werk;

10.  merkt op dat de bosbouwsector momenteel werk biedt aan meer dan 3 miljoen Europese burgers en benadrukt dat de bossector alleen met geschoolde werknemers op de lange termijn concurrerend kan zijn;

11.  is van mening dat de Europese bosstrategie de nodige voorwaarden moet scheppen opdat de EU kan beschikken over opleidingsfaciliteiten en werknemers die zich volledig bewust zijn van de huidige uitdagingen en bedreigingen voor de bossector, alsmede van de veiligheidsregels die inherent zijn aan bosbeheer;

12.  benadrukt dat er behoefte is aan een uitgebreide en holistische gezamenlijke strategie en is ingenomen met de erkenning van de rol die bossen en de houtsector in de EU in economisch, maatschappelijk en milieuopzicht spelen en van de voordelen daarvan;

13.  is van mening dat deze erkenning een solide basis vormt voor steun aan de Europese bosbouwsector, onder meer bij de preventie en beheersing van bosrampen, een beter gebruik van hulpbronnen, de verbetering van het concurrentievermogen, het scheppen van banen, het stimuleren van de houtsector en het behoud van ecologische functies;

14.  vestigt de aandacht op de belangrijke rol die de bio-economie speelt in de verwezenlijking van de nieuwe prioriteiten van de Commissie, namelijk groei, werkgelegenheid en investeringen;

15.  erkent dat er voor de EU een rol is weggelegd bij het ondersteunen van nationale beleidsmaatregelen voor een actief, multifunctioneel en duurzaam bosbeheer, met inbegrip van het beheer van verschillende soorten bos, en bij het opvoeren van de samenwerking om grensoverschrijdende bedreigingen zoals bosbranden, klimaatverandering en invasieve niet-inheemse soorten aan te pakken;

16.  acht het noodzakelijk dat er in de strategie meer aandacht wordt besteed aan het probleem van boomziekten, zoals de eikenziekte die kurkeikenplantages in Portugal, Frankrijk en Spanje decimeert en ook schade toebrengt aan speciale beschermingszones en biosfeerreservaten;

17.  benadrukt dat de voorspelde groei van de vraag naar hout zowel een kans als een bedreiging kan zijn voor de bossen en alle bosgerelateerde sectoren, met name omdat de bossen ten gevolge van de klimaatverandering naar verwachting steeds vaker en zwaarder geteisterd zullen worden door droogte, brand, stormen en plagen; wijst in dit verband op de noodzaak om de bossen te beschermen tegen deze toenemende bedreigingen en om hun productieve en beschermende functies met elkaar in overeenstemming te brengen;

18.  is ingenomen met maatregelen om het bosareaal te vergroten, met name met inheemse soorten, in gebieden die niet geschikt zijn voor de voedselproductie en in het bijzonder in de buurt van stedelijke gebieden, om nadelige warmte-effecten te beperken, de verontreiniging te verminderen en de verbinding tussen mens en bos te verbeteren;

19.  schaart zich uitdrukkelijk achter het streven van de Commissie om de werkgelegenheid en het genereren van rijkdom in de bosbouwsector in Europa duurzaam te bevorderen;

20.  benadrukt de belangrijke rol die de duurzame productie en het gebruik van hout en andere van de houtsector afkomstige materialen zoals kurk en houtproducten, bijvoorbeeld textielvezels, speelt voor de ontwikkeling van duurzame economische modellen en het scheppen van groene banen;

21.  roept de Commissie ertoe op om de problemen bij de bevoorrading stroomafwaarts in de toeleveringsketen te analyseren die samenhangen met de stijgende vraag in derde landen, met name naar rondhout, en om deze sector te steunen;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor prikkels te zorgen waardoor het groeiende aantal vrouwelijke boseigenaren extra advies en ondersteuning voor actief en duurzaam beheer van hun bossen ontvangt;

23.  benadrukt dat ongeveer 60 % van de bossen in de EU privé-eigendom is, in handen van ongeveer 16 miljoen particuliere eigenaren, en onderstreept in dit verband de betekenis van eigendom en eigendomsrechten en steunt alle maatregelen die belangengroeperingen in staat stellen deel te nemen aan een dialoog over het ontwikkelen en uitvoeren van duurzaam bosbeheer en de uitwisseling van informatie te verbeteren;

24.  wijst erop dat boseigenaren een essentiële rol spelen op het platteland en toont zich in dit verband tevreden over de erkenning die de bosbouw en de boslandbouw in de programma's voor plattelandsontwikkeling in het kader van het GLB 2014-2020 krijgen;

25.  is van oordeel dat de implementatie van de EU-bosstrategie erbij gebaat zou zijn indien zij ondersteund wordt door een goede coördinatie met de beschikbare EU-financiering, waaronder uit het ELFPO;

26.  moedigt de lidstaten en regio's ertoe aan gebruik te maken van de in het kader van hun respectieve programma's voor plattelandsontwikkeling beschikbare middelen om duurzaam bosbeheer te steunen en boslandbouw te stimuleren, en collectieve milieugoederen te verstrekken, zoals zuurstofproductie, koolstofopslag en bescherming van gewassen tegen klimaateffecten, maar ook het stimuleren van lokale economieën en het creëren van groene banen;

27.  erkent dat verbetering van vervoer en logistiek voor het bosbeheer en de houtwinning noodzakelijk is; roept de lidstaten daarom op om duurzame logistieke en houtkapsystemen te ontwikkelen die het klimaat minder belasten, waaronder het gebruik van vrachtwagens en schepen die worden aangedreven met duurzame biobrandstoffen, alsmede meer gebruik van spoorwegen; moedigt met het oog daarop de inzet van de structuurfondsen en de programma's voor plattelandsontwikkeling van de EU aan;

28.  erkent de maatschappelijke rol van bossen wat betreft de fysieke en mentale gezondheid van de burgers en merkt op dat de door bossen geleverde collectieve goederen een grote milieu- en recreatiewaarde hebben en bijdragen aan de levenskwaliteit, in het bijzonder in de vorm van zuurstofvoorziening, koolstofopslag, zuivering van de lucht, opslag en zuivering van water, het tegengaan van erosie en bescherming tegen lawines, en een plaats voor buitenactiviteiten bieden;

29.  dringt aan op openbaar vervoer tussen stedelijke gebieden en bossen zodat bossen en bosgebieden beter toegankelijk worden;

30.  vestigt de aandacht op andere met het bos verband houdende activiteiten, bijvoorbeeld het oogsten van andere bosproducten dan hout, zoals paddenstoelen of bosvruchten, of het laten grazen van vee en de bijenhouderij;

31.  roept de Commissie op economische activiteiten te stimuleren die als bron van grondstoffen kunnen dienen voor de farmaceutische, cosmetische en voedselindustrie en als een alternatief kunnen worden ingezet om de werkloosheid en ontvolking van het platteland aan te pakken, en om de producten van deze activiteiten te bevorderen als heilzaam zijnde voor de menselijke gezondheid;

Efficiënt gebruik van hulpbronnen – hout als duurzame grondstof (duurzaam beheer van bossen)

32.  onderstreept dat het gebruik van hout en andere producten uit houtoogst als hernieuwbare en klimaatvriendelijke grondstoffen enerzijds, en duurzaam beheer van bossen anderzijds een belangrijke rol kunnen spelen bij het bereiken van de sociaaleconomische doelstellingen van de Europese Unie, zoals alternatieve energiebronnen, afzwakking van het klimaateffect en aanpassing daaraan alsmede tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; merkt op dat het in strijd is met deze doelstellingen als bossen niet actief worden beheerd;

33.  benadrukt dat wetenschappelijk onderzoek uitwijst dat het CO2- absorptievermogen van beheerde bossen groter is dan dat van niet-beheerde bossen en onderstreept het belang van duurzaam bosbeheer bij het maximaliseren van het potentieel voor koolstofopslag van de Europese bossen;

34.  is van mening dat bossen niet alleen mogen worden beschouwd als koolstofreservoirs;

35.  onderstreept dat moet worden gekeken naar de mogelijkheid om door middel van efficiënt gebruik en hergebruik van hout en houtmaterialen een bijdrage te leveren aan de vermindering van het tekort op de handelsbalans van de Unie, de verhoging van de zelfvoorzieningsgraad van de EU op het gebied van hout, de vergroting van het concurrentievermogen van de bosbouwsector, het terugdringen van niet-duurzaam bosbeheer, de bescherming van het milieu en de vermindering van de ontbossing in derde landen;

36.  ondersteunt uitdrukkelijk het hulpbronefficiënte gebruik van hout als hernieuwbare, multi-inzetbare maar beperkt beschikbare grondstof en spreekt zich uit tegen een wettelijk bindende prioritering bij het gebruik van hout, daar deze niet alleen de energiemarkt en de ontwikkeling van nieuwe en innoverende vormen van het gebruik van biomassa beperkingen oplegt, maar in veel afgelegen regio's en plattelandsgebieden ook alleen al uit infrastructureel oogpunt niet uitvoerbaar is;

37.  is voorstander van een open en op de markt gerichte aanpak met vrijheid voor alle marktdeelnemers door voorrang te verlenen aan lokaal geproduceerd hout om de koolstofvoetafdruk ten gevolge van intercontinentaal transport te minimaliseren en duurzame lokale productie te stimuleren;

38.  is van mening dat gezien het feit dat een aantal van de grootste biomassabronnen van de Unie zich in de meest dunbevolkte en afgelegen regio's bevinden, in de strategie ten volle rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van dergelijke regio's;

39.  erkent de waarde van hout voor energiedoeleinden, als een manier om energieschaarste te bestrijden, bij te dragen aan de doelstellingen voor hernieuwbare energie van het klimaat- en energiekader 2030 en nieuwe kansen voor bedrijven te creëren;

40.  is van mening dat de nieuwe bosstrategie de mogelijkheid moet bieden tot nauwere samenwerking bij het vraagstuk van de structurering van de bosbouwsector en de groepering van de actoren teneinde de bosbouwhulpbronnen beter te kunnen gebruiken;

41.  is van oordeel dat duurzaam bosbeheer moet uitgaan van algemeen erkende en aanvaarde beginselen en instrumenten, zoals criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer, die altijd op de gehele sector moeten zijn gericht ongeacht het eindgebruik van hout;

42.  ondersteunt het voornemen van de Commissie om samen met de lidstaten en de belanghebbenden een ambitieuze, objectieve en operationele reeks criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer te ontwikkelen, wijst erop dat deze criteria moeten aansluiten bij de vereisten van Forest Europe (de ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa)(2), die een pan-Europese grondslag vormen voor uniforme verslaglegging over duurzaam bosbeheer en een basis voor certificering van duurzaamheid, rekening houdend met de diversiteit van de bostypen in Europa;

43.  erkent dat er door de toenemende vraag naar uit bossen afkomstig materiaal, hoofdzakelijk als gevolg van de ontwikkeling van hernieuwbare energie op basis van biomassa, behoefte is aan nieuwe maatregelen om de beschikbaarheid van hout te vergroten en tegelijkertijd een duurzaam bosbeheer te garanderen;

44.  wijst op de aanzienlijke vooruitgang die bereikt is in de onderhandelingen in het kader van Forest Europe over een "Europees bossenverdrag"(3) als bindend raamwerk voor duurzaam bosbeheer en voor een beter evenwicht tussen de belangen in het bosbeleid en roept de lidstaten en de Commissie op alles in het werk te stellen om de onderhandelingen voort te zetten en tot een positief einde te brengen;

45.  is van mening dat plannen voor bosbeheer of vergelijkbare instrumenten belangrijke strategische instrumenten kunnen zijn voor de uitvoering van concrete maatregelen op het niveau van individuele bedrijven, voor langetermijnplanning en voor de uitvoering van een duurzaam bosbeheer in de Europese bossen; benadrukt evenwel dat de uitvoering van de in deze plannen vervatte concrete maatregelen op het niveau van de bosbouwbedrijvigheid onder de nationale regelingen moet blijven vallen;

46.  verzoekt de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel de tenuitvoerlegging van de bosbeheerplannen te monitoren en te bevorderen zonder onnodige administratieve lasten te creëren;

47.  is voorstander van een duidelijke scheiding tussen plannen voor bosbeheer en de beheersplannen in het kader van Natura 2000;

48.  wijst erop dat plannen voor bosbeheer enkel een voorwaarde vormen voor het verkrijgen van EU-middelen voor plattelandsontwikkeling voor begunstigde ondernemingen vanaf een bepaalde grootte en dat bossen onder de drempelgrootte hiervan zijn vrijgesteld; merkt voorts op dat soortgelijke instrumenten eveneens kunnen worden goedgekeurd;

49.  verzoekt de lidstaten om deze flexibiliteit bij de toepassing van de wetgeving ten volle te benutten, met name in het belang van kleinere marktdeelnemers;

50.  roept de Commissie en de lidstaten op stimulansen te ontwikkelen voor en steun te verlenen aan nieuwe bedrijfsmodellen, zoals productiecoöperaties, die kleine particuliere boseigenaren ertoe aanzetten om hun bos actief en duurzaam te beheren;

51.  is van oordeel dat het voor een correcte tenuitvoerlegging van de strategie van essentieel belang is om een specifiek actieplan voor de lange termijn te hebben waarin de nadruk ligt op het belang van mobilisatie en duurzaam gebruik van hout uit bossen, met als doel het creëren van toegevoegde waarde en banen, terwijl er middelen beschikbaar worden gesteld om particuliere bosbouwondernemingen te versterken en georganiseerde groepen van boseigenaren te ondersteunen;

52.  onderstreept dat een doeltreffend beheer van hulpbronnen ondersteunende programma's moet omvatten voor de bebossing van gronden die niet geschikt zijn voor landbouw en voor het creëren van groenstroken;

Onderzoek en ontwikkeling – opleiding en bijscholing

53.  is van mening dat er voorrang moet worden verleend aan de praktische toepassing van onderzoek, daar de hele sector profiteert van nieuwe ideeën en de houtsector een groot groeipotentieel heeft; is tevens van mening dat verdere investeringen in innovatie in de sector kunnen leiden tot nieuwe productieniches en efficiëntere processen die zorgen voor een slimmer gebruik van de beschikbare middelen en voor een zo gering mogelijke negatieve impact op de bosbestanden;

54.  roept de Commissie op de Europese programma's voor onderzoek en ontwikkeling (Horizon 2020) en het programma voor het concurrentievermogen van het midden- en kleinbedrijf (COSME) te toetsen op bosbouw- en houtverwerkingsaspecten en zo nodig nieuwe instrumenten voor de houtsector te ontwikkelen alsmede doelgericht onderzoek naar kostenefficiënte oplossingen voor nieuwe, innoverende houtproducten te stimuleren om de ontwikkeling van een duurzame, op houtproducten gebaseerde bio-economie te steunen;

55.  is ingenomen met de uitwisseling tussen de lidstaten van optimale methoden en bestaande kennis inzake bossen, en roept de lidstaten en de Commissie op om uitwisseling tussen industrie, wetenschappers en producenten te steunen;

56.  benadrukt hoe belangrijk steun voor de EU-kaderprogramma's voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie is voor het bewerkstelligen van slimme en duurzame groei en het ontwikkelen van producten met hogere toegevoegde waarde, schonere technologie en een grote mate van technologische geavanceerdheid, met name op het vlak van geraffineerde biobrandstoffen en industrieel bouwen met hout, maar ook in de automobiel- en textielindustrie;

57.  herinnert eraan dat de bio-economie volgens de Commissie in 2009 naar schatting meer dan 2 biljoen euro waard was en goed was voor 20 miljoen banen, d.w.z. 9% van de totale werkgelegenheid in de EU;

58.  merkt op dat elke in het kader van Horizon 2020 in bio-economisch onderzoek en innovatie geïnvesteerde euro rond de 10 euro aan toegevoegde waarde zal genereren; benadrukt dat bossen een cruciale rol spelen in de bio-economie en dat dat ook in de toekomst zo zal blijven;

59.  is van oordeel dat het vervangen van op olie gebaseerde of warmte-intensieve grondstoffen door hout en producten uit houtoogst moet worden gestimuleerd, overeenkomstig de vooruitgang op het gebied van onderzoek en technologie, en een positieve bijdrage kan leveren aan de verdere beperking van de klimaatverandering en aan het scheppen van banen;

60.  benadrukt dat er een kostenanalyse moet worden gemaakt van alle EU-wetgeving die gevolgen heeft voor de waardeketens van de houtsector, teneinde alle onnodige en omslachtige bureaucratische procedures te schrappen en een gunstig kader te scheppen om het concurrentievermogen op lange termijn van de sector op duurzame wijze te versterken, en dat moet worden vastgehouden aan het beginsel dat wetgevingsvoorstellen die gevolgen hebben voor de bosbouwsector en de waardeketens van de houtsector, aan een grondige effectbeoordeling moeten worden onderworpen;

61.  is van oordeel dat vergroting van de kennis over bossen voor het onderzoek van zeer groot belang is en dat betrouwbare gegevens onontbeerlijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de bosstrategie;

62.  stelt vast dat er middelen voor het verzamelen van informatie en voor monitoring beschikbaar zijn via het Copernicus-programma en andere ruimte-initiatieven op Europees niveau, en beveelt aan meer gebruik te maken van deze middelen en instrumenten;

63.  wijst erop dat de nationale bosinventarisaties een uitgebreide monitoring voor de bestandsopname van de bossen vormen en aansluiten bij het regionale aspect en het streven naar minder bureaucratie en minder kosten;

64.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om een Europese bosinformatiesysteem tot stand te brengen op basis van nationale gegevens en met initiatieven die de beschikbare gegevens beter vergelijkbaar maken, en wenst in dat verband een grondigere analyse van de gegevens over de economie en de werkgelegenheid in de bosbouw en de houtsector;

65.  acht het met name raadzaam aan om gegevensreeksen voor de langere termijn samen te stellen om het begrip van trends in de bosbouw en de aanpassing ervan aan de klimaatverandering te bevorderen;

66.  is van oordeel dat bekwame en goed opgeleide arbeidskrachten van essentieel belang zijn voor een geslaagde uitvoering van duurzaam bosbeheer en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan maatregelen te ontwikkelen en – waar mogelijk – reeds aanwezige instrumenten, zoals het programma voor het platteland (ELFPO), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de Europese opleidingsprogramma's (ET2020) te benutten om generatievernieuwing te ondersteunen en het gebrek aan bekwame arbeidskrachten in de bosbouw te verhelpen;

67.  dringt er bij de Commissie op aan om het opzetten van informatiecampagnes voor de sector te ondersteunen met als doel de bewustwording te vergroten van de kansen die de sector biedt om werkloosheid en ontvolking aan te pakken, en de sector tevens aantrekkelijker te maken voor jongeren;

68.  is van mening dat er programma's voor opleiding en bijscholing moeten worden ontwikkeld, met name ook voor nieuwkomers en jonge bosbouwers alsook voor de huidige werknemers in de bouwsector teneinde hen bewuster te maken van de mogelijkheden die het gebruik van hout biedt, om ervoor te zorgen dat de overdracht van kennis over bosbeheer en de verwerkende industrie gewaarborgd blijft;

69.  erkent dat duurzaam beheer tijdens de gehele levensduur van bosbouwproducten een aanzienlijke bijdrage kan leveren tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de groene economie, met name als het gaat om de doelstellingen die verband houden met het beleid voor de beperking van de klimaatverandering en een efficiënt gebruik van hulpbronnen;

70.  is van oordeel dat de lidstaten duurzaam gebruik van houtproducten in de bouwsector moeten bevorderen, onder andere bij het bouwen van beter betaalbare woningen waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzaam geproduceerde grondstoffen;

71.  wijst op de betekenis van traditionele, hoogwaardige gebruiksvormen die nog steeds een enorm groeipotentieel hebben, zoals het gebruik van hout als bouw- en verpakkingsmateriaal;

72.  merkt op dat de huidige technologische ontwikkelingen de bouw van hoogwaardige woningen waarbij hoofdzakelijk hout wordt gebruikt mogelijk maken en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan het terugdringen van de CO2-uitstoot in de bouwsector;

73.  wijst erop dat de voorschriften voor het gebruik van hout in de bouwnijverheid in de diverse lidstaten uiteenlopen; dringt bijgevolg aan op de goedkeuring van EU-regels om een groter gebruik van hout in de bouw te bevorderen;

74.  roept de lidstaten op initiatieven te ontwikkelen om de overdracht van kennis en technologie te bevorderen en bestaande EU-programma's ter ondersteuning van onderzoek en innovatie in de bosbouw- en de houtsector ten volle te benutten;

75.  wijst op de aanzienlijke lacunes in het wetenschappelijk en technologisch onderzoek in verband met de aanpassing van de bosbouwsector aan de klimaatverandering, met inbegrip van onderzoek naar de impact van het groeiende aantal plagen en ziekten die een ernstige bedreiging vormen voor de bossen en de houtsectoren in Europa;

76.  roept de Commissie en de lidstaten op meer besef te wekken van de economische, maatschappelijke en ecologische rol van de Europese bossen en de houtsector, evenals van het belang van de duurzame, op hout gebaseerde bio-economie en van hout als essentiële hernieuwbare grondstof in de EU;

77.  acht het van groot belang om wetenschappelijk onderzoek naar het rationele gebruik van biomassa en de ontwikkeling van snel groeiende energiegewassen aan te moedigen en een model te creëren met economische prikkels voor het gebruik van biomassa-afval;

Wereldwijde uitdagingen – milieubescherming en klimaatverandering

78.  benadrukt dat duurzaam bosbeheer een positieve invloed heeft op de biodiversiteit, de gevolgen van de klimaatverandering kan afzwakken en het risico van bosbranden, ongedierteplagen en ziekten kan verminderen;

79.  benadrukt dat de Unie is overeengekomen dat tegen 2020 het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosysteemdiensten, inclusief bestuiving, tot staan moeten zijn gebracht, dat de ecosystemen en de diensten die zij leveren, moeten worden behouden en dat ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen moet zijn hersteld; voegt hieraan toe dat de Unie voorts is overeengekomen dat het bosbeheer duurzaam moet zijn, dat de bossen, de daarin aanwezige biodiversiteit en de door bossen geleverde diensten beschermd en, waar mogelijk, verbeterd moeten worden en dat de weerbaarheid van bossen tegen klimaatverandering, branden, stormen, plagen en ziekten moet worden verbeterd; onderstreept daarnaast dat er dus behoefte bestaat aan de ontwikkeling en uitvoering van een vernieuwde EU-strategie voor de bossen, waarin de diverse exploitatievormen en voordelen van bossen aan de orde komen en die bijdraagt aan een meer strategische benadering van de bescherming en verbetering van de bossen, onder meer door duurzaam bosbeheer(4);

80.  dat ook andere thema's verder moeten worden uitgewerkt, zoals het probleem van de overbevolking van herbivoren, de gezondheid van bossen en het bevorderen van een duurzame houtproductie, het thema van de genetische bosbouwhulpbronnen, maatregelen om bosbranden te voorkomen en te bestrijden en bodemerosie te vermijden, en herstel van de vegetatie;

81.  erkent dat bosbouw met een korte omlooptijd kan voorzien in duurzame hout-biomassa en in het nodige gebiedsonderhoud, waardoor het risico van bodemerosie en van aardverschuivingen op braakliggende of uit de productie genomen grond afneemt;

82.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om Aichi-doelstelling 5 te halen, volgens welke het tempo waarmee alle natuurlijke habitats, met inbegrip van bossen, verloren gaan tegen 2020 ten minste gehalveerd en waar mogelijk tot bijna nul gereduceerd moet worden, en de aantasting en versnippering aanzienlijk beperkt moeten worden;

83.  dringt er bij de lidstaten op aan hun bosbouwbeleid zodanig te ontwerpen dat daarin ten volle rekening wordt gehouden met het belang van bossen voor het beschermen van de biodiversiteit, het voorkomen van bodemerosie, de koolstofopslag en luchtzuivering en de handhaving van de waterkringloop;

84.  wijst erop dat de bio-economie het kernelement van slimme en groene groei in Europa moet gaan vormen om de doelstellingen van de kerninitiatieven "Innovatie-Unie" en "Een Europa dat zijn hulpbronnen efficiënt gebruikt" in het kader van de Europa 2020-strategie te bereiken, en dat hout als grondstof een belangrijke rol speelt bij het dichterbij brengen van een biogebaseerde economie;

85.  benadrukt dat er dringend duidelijkheid moet komen over de broeikasgasemissies van de verschillende toepassingen van bosbiomassa voor energie en dat moet worden vastgesteld welke toepassingen de grootste reductie binnen een beleidsrelevant tijdsbestek kunnen opleveren;

86.  acht het belangrijk dat de toepassing van het concept van een bio-economie wordt bevorderd, met inachtneming van de grenzen van duurzame levering van grondstoffen, met het oog op grotere economische levensvatbaarheid van de houtsector door middel van innovatie en technologie-overdracht;

87.  dringt erop aan dat meer steun wordt verleend aan uiteenlopende bosproducten, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de verschillende eisen die aan bosproducten worden gesteld met elkaar in evenwicht worden gebracht en worden afgezet tegen het potentieel van duurzame levering en de overige ecosysteemfuncties en -diensten die bossen leveren;

88.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het tempo van de wereldwijde ontbossing, met name in ontwikkelingslanden, en vaak als gevolg van illegale houtkap;

89.  steunt mechanismen die de wereldwijde ontwikkeling van de bosbouw in de richting van een duurzamer gebruik stimuleren, en wijst daarbij met name op de EU-verordening over hout(5), bedoeld ter bestrijding van illegale houtkap en het op de Europese markt brengen van uit derde landen ingevoerd illegaal gekapt hout, en op het vergunningssysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (FLEGT)(6) en op de daarmee samenhangende vrijwillige partnerschapsovereenkomsten;

90.  verzoekt de Commissie de langverwachte evaluatie van de werking en doeltreffendheid van de Europese verordening over hout te publiceren en onderstreept dat een nieuwe verordening in verhouding moet zijn en erop gericht onnodige kosten en rapportagevereisten voor de Europese boseigenaren en bosbouwers te vermijden zonder dat het doel van de verordening in het gedrang komt;

91.   is in het licht van de uitdagingen die de opwarming van de aarde en de klimaatverandering met zich brengen van oordeel dat alleen gezonde, biologisch diverse en robuuste ecosystemen en soortenpopulaties veerkrachtig zijn;

92.  wijst op de mogelijkheden van de Natura 2000-gebieden, waar dankzij de daar aanwezige bijzondere natuurlijke hulpbronnen producten en diensten van hoge milieu- en culturele kwaliteit kunnen worden geproduceerd;

93.  onderstreept het belang van gezonde bosecosystemen die een leefgebied vormen voor planten en dieren, maar benadrukt dat goedbedoelde wetgeving zoals de EU-habitatrichtlijn de besluitvorming over landinrichting beïnvloedt en evenredig moet worden toegepast;

94.  erkent de rol van bossen bij de ontwikkeling van daarmee verband houdende sectoren en wijst in dat opzicht op het belang van ondersteuning voor telers van honingdragende bomen, hetgeen weer het bestuivingsproces ondersteunt;

95.  is van mening dat bepaalde problemen betrekking hebben op de bosbouwsector op mondiaal niveau, zoals illegale houtkap, en verzoekt de Commissie daarom in de relevante internationale organisaties meer steun aan de bosbouwsector te verlenen;

96.  stelt vast dat de vraag naar biomassa, met name hout, toeneemt en spreekt dan ook zijn voldoening uit over de inspanningen van de Commissie en de lidstaten om ontwikkelingslanden te steunen bij hun maatregelen ter verbetering van hun bosbouwbeleid en bosregelgeving, met name in het kader van REDD+(7) (bestrijding van factoren die ontbossing en bosdegradatie in de hand werken);

97.  verzoekt de Commissie om een actieplan inzake ontbossing en bosdegradatie uit te werken teneinde de in de mededeling van de Commissie over ontbossing vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken, zoals het zevende milieuactieprogramma voorschrijft; acht het belangrijk dat niet alleen wordt voorzien in het behoud en beheer van de bestaande bossen, maar ook in de herbebossing van ontboste gebieden;

98.  is van mening dat er ook een aparte verwijzing moet worden opgenomen naar de noodzaak van grootschalige herbebossing van herhaaldelijk door bosbranden getroffen gebieden;

Uitvoering – verslaglegging

99.  herinnert eraan dat de uitvoering van de EU-bosstrategie een meerjarig gecoördineerd proces dient te zijn waarin rekening dient te worden gehouden met de standpunten van het Parlement en dat een efficiënte, coherente en met weinig bureaucratie gepaard gaande uitvoering van de strategie wenselijk is;

100.  betreurt het dat het uitvoeringsproces al gedeeltelijk is begonnen voordat het Parlement zijn standpunt heeft vastgesteld en is van oordeel dat dit niet strookt met de doelstelling van een betere coördinatie van de beleidsmaatregelen voor bossen zoals de Commissie in de tekst van haar strategie stelt;

101.  is van mening dat de nieuwe strategie banden moet creëren tussen de financieringsstrategieën en -plannen van de Europese Unie en die van de lidstaten en dat moet worden gezorgd voor meer samenhang in de planning, financiering en uitvoering van sectoroverschrijdende activiteiten;

102.  dringt aan op een inclusieve, gestructureerde en evenwichtige uitvoering van de strategie;

103.  is dan ook van mening dat het mandaat van het Permanent Comité voor de bosbouw moet worden versterkt en beter gefinancierd, zodat de Commissie de vakkennis uit de lidstaten ten volle kan benutten bij de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie op het niveau van de EU; verzoekt de Commissie daarom het Permanent Comité voor de bosbouw vroegtijdig te raadplegen voordat een initiatief wordt genomen of een tekstvoorstel wordt gedaan met gevolgen voor het bosbeheer en de houtsector;

104.  benadrukt de belangrijke rol van de Groep voor dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk en dringt erop aan dat deze naar behoren bij de uitvoering van de strategie wordt betrokken;

105.  is van mening dat het horizontale karakter van de bosbouwproblematiek interne samenwerking vereist tussen de verschillende diensten van de Commissie als er maatregelen worden overwogen die gevolgen kunnen hebben voor de specifieke kenmerken van het duurzame beheer van de bossen en de aanverwante sectoren; verzoekt DG Milieu, DG Klimaat, DG Agri, DG Energie en DG Onderzoek en innovatie alsmede andere DG's derhalve om op strategisch niveau samen te werken teneinde voor een doeltreffende uitvoering van de strategie te zorgen via betere coördinatie en communicatie;

106.  is van mening dat er gezien de prioriteiten van de Commissie inzake groei, werkgelegenheid en investeringen ook bij de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie voorrang moet worden verleend aan bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid van de bosbouwsector, steun aan plattelands- en stedelijke gebieden, uitbreiding van de kennis, bescherming van bossen en behoud van hun ecosystemen, bevordering van coördinatie en communicatie, en vergroting van het duurzame gebruik van hout en andere bosproducten;

107.  roept de Commissie op in aanvulling op de strategie met een robuust actieplan met specifieke maatregelen te komen en het Parlement jaarlijks verslag te doen van de bereikte vooruitgang bij de uitvoering van de concrete acties van de strategie;

108.  spreekt zich uit voor een bijeenkomst van een "uitgebreide" commissie AGRI – ENVI – ITRE, om een evenwichtige discussie over de vooruitgang bij de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie mogelijk te maken;

o
o   o

109.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 413.
(2) Forest Europe – ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa, internationaal onderhandelingscomité voor de sluiting van een juridisch bindende overeenkomst over de bossen in Europa: http://www.foresteurope.org/
(3) Zie http://www.forestnegotiations.org/
(4) Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet".
(5) Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen;
(6) Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (FLEGT = Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw)
(7) Reductie van broeikasgasemissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie: http://unfccc.int/methods/redd/items/7377.php

Juridische mededeling