Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2075(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0101/2015

Ingediende teksten :

A8-0101/2015

Debatten :

PV 28/04/2015 - 16
CRE 28/04/2015 - 16

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0118

Aangenomen teksten
PDF 895kWORD 437k
Woensdag 29 april 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europese Commissie en uitvoerende agentschappen
P8_TA(2015)0118A8-0101/2015
Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Resolutie

1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285), SWD(2014)0286),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2014 getiteld "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2013" (COM(2014)0342),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten (COM(2014)0383) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0200, SWD(2014)0201),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verschillende besluiten en aanbevelingen van de Ombudsman over de Commissie, samen met de uitvoering door de instellingen van haar aanbevelingen, in het belang van de burgers;

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05303/2015 – C8-0053/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 29 april 2015 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de kwijting van de Commissie voor het begrotingsjaar 2013(7);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0119.


2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2013(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2009/336/EG van de Commissie van 20 april 2009 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van onderwijs, audiovisuele media en cultuur, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(10),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU van de Commissie van 18 december 2013 tot oprichting van het "Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur" en tot intrekking van Besluit 2009/336/EG(11),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 408 van 15.11.2014, blz. 39.
(4) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 67.
(5) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 101 van 21.4.2009, blz. 26.
(11) PB L 343 van 19.12.2013, blz. 46.


3.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) voor het begrotingsjaar 2013(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285), SWD(2014)0286),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2004/20/EG van de Commissie van 23 december 2003 tot oprichting van een uitvoerend agentschap, genaamd het "Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie", voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van energie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(10),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/771/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen en tot intrekking van de Besluiten 2004/20/EG en 2007/372/EG(11),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (het voormalige Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie), de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 408 van 15.11.2014, blz .6.
(4) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 74.
(5) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 5 van 9.1.2004, blz. 85.
(11) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 73.


4.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten) voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten) voor het begrotingsjaar 2013(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten) voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2004/858/EG van de Commissie van 15 december 2004 tot oprichting van een uitvoerend agentschap, genaamd het "Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma", voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van de volksgezondheid overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(10),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van een Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding en tot intrekking van Besluit 2004/858/EG(11),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2014/927/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU teneinde het „Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding” om te vormen tot het „Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding”(12)

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding (het voormalige Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten), de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 408 van 15.11.2014, blz. 5.
(4) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 83.
(5) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 369 van 16.12.2004, blz. 73.
(11) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 69.
(12) PB L 363 van 18.12.2014, blz. 183.


5.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285, SWD(2014)0286),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(7), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2008/37/EG van de Commissie van 14 december 2007 tot oprichting, ingevolge Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad, van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het beheer van het communautair specifiek programma Ideeën op het gebied van grensverleggend onderzoek(9),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/779/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en tot intrekking van Besluit 2008/37/EG(10),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 240.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(8) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(9) PB L 9 van 12.1.2008, blz. 15.
(10) PB L 346 van 20.12.2013, blz.58.


6.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2013(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2008/46/EG van de Commissie van 14 december 2007 tot oprichting, ingevolge Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad, van het Uitvoerend Agentschap Onderzoek voor het beheer van bepaalde gebieden van de communautaire specifieke programma’s Mensen, Capaciteiten en Samenwerking inzake onderzoek(10),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/778/EU van de Commissie van 13 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek en tot intrekking van Besluit 2008/46/EG(11),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 408 van 15.11.2014, blz. 40.
(4) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 351.
(5) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 11 van 15.1.2008, blz. 9.
(11) PB L 346 van 20.12.2013, blz. 54.


7.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) voor het begrotingsjaar 2013(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2007/60/EG van de Commissie van 26 oktober 2006 tot oprichting van het uitvoerend agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk krachtens Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(10),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/801/EU van de Commissie van 23 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken en tot intrekking van Besluit 2007/60/EG, als gewijzigd bij Besluit 2008/593/EG(11),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (het voormalige Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk), de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 408 van 15.11.2014, blz. 41.
(4) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 358.
(5) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 32 van 6.2.2007, blz. 88.
(11) PB L 352 van 24.12.2013, blz. 65.


8.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014) 510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014) 607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014) 285, SWD(2014) 286),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2014 met als titel „Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2013” (COM(2014) 342),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten (COM(2014) 383) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014) 200, SWD(2014) 201),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014) 615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014) 293),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2013, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05303/2015 – C8-0053/2015),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(7), en met name artikel 14, leden 2 en 3,

–  gezien artikel 93 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.


9.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Rekenkamer voor de twintigste maal op rij geen positieve betrouwbaarheidsverklaring heeft kunnen afgeven met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen, wat de legitimiteit van de uitgaven en het beleid van de Unie dreigt aan te tasten;

B.  overwegende dat met name in een situatie waarin de middelen beperkt zijn, de Commissie het goede voorbeeld moet geven door de Europese meerwaarde van haar uitgaven aan te tonen en door ervoor te zorgen dat de middelen waarvoor zij volledig of gedeeltelijk verantwoordelijk is, besteed worden in overeenstemming met de toepasselijke financiële regels en verordeningen;

C.  overwegende dat de Commissie de eindverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de begroting van de Unie en dat de lidstaten loyaal moeten samenwerken met de Commissie om ervoor te zorgen dat de middelen overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden besteed; overwegende dat lidstaten, met name in geval van gedeeld beheer van de middelen, een speciale verantwoordelijkheid hebben wat betreft de uitvoering van de begroting van de Unie;

D.  overwegende dat het in het kader van gedeeld beheer van middelen van cruciaal belang is dat de door de lidstaten verstrekte gegevens over zowel de ontvangsten als de uitgaven eerlijk en juist zijn; overwegende dat het van cruciaal belang is dat de lidstaten hun eigen verantwoordelijkheid voor het beheer van EU-middelen onder gedeeld beheer onderkennen;

E.  overwegende dat de in artikel 318 VWEU bedoelde interinstitutionele dialoog moet worden aangegrepen om binnen de Commissie een nieuwe prestatiecultuur te stimuleren;

Gedeeld en gedecentraliseerd beheer: tekortkomingen in het beheer van de Commissie en de lidstaten

Voorbehouden op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling

1.  kan geen politieke waarborg geven dat de controleprocedures binnen de Commissie en de lidstaten de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling, en wijst in dit verband op de volgende voorbehouden, afgegeven door de directeur-generaal van DG AGRI in het jaarlijkse activiteitenverslag van 31 maart 2014:

   ABB 02 - Marktmaatregelen: Risicobedrag van 198,3 miljoen EUR; 7 steunregelingen in 9 lidstaten, met 11 aspecten onder voorbehoud: Polen 77,6 miljoen EUR, Spanje 54 miljoen EUR, Frankrijk 32,4 miljoen EUR, Nederland 16,4 miljoen EUR, VK 8,5 miljoen EUR, Italië 5 miljoen EUR, Tsjechische Republiek 2 miljoen EUR, Oostenrijk 1,9 miljoen EUR, Zweden 0,5 miljoen EUR;
   ABB 03 - Rechtstreekse betalingen: Risicobedrag van 652 miljoen EUR; 20 betaalorganen in 6 lidstaten: Spanje (15 van 17 betaalorganen) 153 miljoen EUR, Frankrijk 203,4 miljoen EUR, VK PRA Engeland 118 miljoen EUR, Griekenland 117,8 miljoen EUR, Hongarije 36,6 miljoen EUR, Portugal 28 miljoen EUR;
   ABB 04 - Uitgaven voor regionale ontwikkeling: Risicobedrag van 599 miljoen EUR; 31 betaalorganen in 19 lidstaten: België, Bulgarije (56,8 miljoen EUR), Cyprus, Duitsland (Bayern, Brandenburg), Denemarken, Spanje (Andalusië, Asturias, Castilla la Mancha, Castilla y León, FOGGA Galicië, Madrid), Finland, Frankrijk (ODARC, ASP (70,3 miljoen EUR)), VK (SGRPID Schotland, RPA Engeland), Griekenland, Ierland, Italië (AGEA (52,6 miljoen EUR), AGREA Emilia-Romagna, OPR Lombardije, OPPAB Bolzano, ARCEA Calabrië), Luxemburg, Nederland, Polen (56,7 miljoen EUR), Portugal (51,7 miljoen EUR), Roemenië (138,9 miljoen EUR) en Zweden;
   ABB 05: Risicobedrag van 2,6 miljoen - IPARD-uitgaven voor Turkije;

Voorbehouden op het gebied van regionaal beleid

2.  kan geen politieke waarborg geven dat de controleprocedures binnen de Commissie en de lidstaten de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen op het gebied van het regionaal beleid, en wijst in dit verband op de volgende voorbehouden, afgegeven door de directeur-generaal van DG REGIO in zijn jaarlijkse activiteitenverslag van 31 maart 2014; wijst erop dat met betrekking tot 73 van de 322 programma's voorbehouden zijn gemaakt omdat het beheers- en controlesysteem slechts ten dele betrouwbaar was (tegenover 85 van de 317 programma's in 2012); wijst erop dat de tussentijdse betalingen aan de programma's van 2007-2013 in verband waarmee voorbehouden zijn gemaakt 6 035,5 miljoen EUR bedragen; wijst erop dat de Commissie het risicobedrag in 2013 raamde op 440,2 miljoen EUR;

3.  erkent dat hoewel deze voorbehouden duiden op tekortkomingen in de controlesystemen van de lidstaten, ze ook een doeltreffend middel zijn dat de Commissie gebruikt om ervoor te zorgen dat de lidstaten sneller in actie komen om op te treden tegen deze tekortkomingen en derhalve de begroting van de Europese Unie te beschermen;

Voorbehouden op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken

4.  kan geen politieke waarborg geven dat de controleprocedures binnen de Commissie en de lidstaten de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, en wijst in dit verband op de volgende voorbehouden, afgegeven door de directeur-generaal van DG EMPL in het jaarlijkse activiteitenverslag van 31 maart 2014; wijst erop dat het jaarlijkse activiteitenverslag een voorbehoud bevat met betrekking tot de betalingen voor de programmeringsperiode 2007-2013, waarbij het risicobedrag 123,2 miljoen EUR bedraagt; wijst erop dat dit voorbehoud 36 van de 118 operationele programma's (OP's) van het Europees Sociaal Fonds (ESF) betreft (tegenover 27 van de 117 OP's in 2012);

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

Rekeningen en wettigheid en regelmatigheid van ontvangsten – goedkeurende oordelen

5.  is ingenomen met het feit dat de jaarrekeningen van de Unie voor het begrotingsjaar 2013 in alle materiële opzichten een getrouw beeld geven van de situatie van de Unie per 31 december 2013, en stelt met tevredenheid vast dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen betreffende het per 31 december 2013 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

Voorbehouden op het gebied van bijdragen op basis van bruto nationaal inkomen (BNI)

6.  maakt een voorbehoud met betrekking tot de wijze waarop de BNI-bijdragen van de lidstaten worden berekend vanwege tekortkomingen(1) bij de verificatie van gegevens door de Commissie(2); wijst erop dat de Rekenkamer concludeert dat de verificatie van BNI-gegevens door de Commissie onvoldoende gestructureerd en gericht was;

Wettigheid en regelmatigheid van vastleggingen – goedkeurend oordeel

7.  constateert met voldoening dat de onderliggende vastleggingen bij de rekeningen betreffende het per 31 december 2013 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

Wettigheid en regelmatigheid van betalingen – afkeurend oordeel

8.  acht het onaanvaardbaar dat de betalingen voor het twintigste jaar achtereen fouten van materieel belang vertonen;

9.  heeft begrepen dat het afkeurende oordeel van de Rekenkamer is gebaseerd op de waarneming dat toezicht- en controlesystemen slechts ten dele effectief zijn en dat betalingen bijgevolg een meest waarschijnlijk foutenpercentage vertonen van 4,7%;

10.  herinnert eraan dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor betalingen in het begrotingsjaar 2012 werd geraamd op 4,8%, in 2011 op 3,9%, in 2010 op 3,7 %, in 2009 op 3,3%, in 2008 op 5,2 % en in 2007 op 6,9% met een gemiddeld niveau rond 4,6% over de periode waarop het vorige meerjarig financieel kader (MFK) 2007-2013 van toepassing is; merkt op dat in de jaarverslagen van de Rekenkamer in 2013 derhalve een stabilisatie van het foutenpercentage valt waar te nemen op het niveau van het gemiddelde van het MFK 2007-2013, dat niettemin sinds 2009 een gestaag stijgende en negatieve trend laat zien;

11.  wijst erop dat de terreinen met gedeeld beheer volgens het jaarverslag van de Rekenkamer voor 2013 een geschat foutenpercentage hebben van 5,2 %; merkt op dat het geschatte foutenpercentage voor alle andere (grotendeels direct door de Commissie beheerde) beleidsuitgaven 3,7% is; onderstreept dat beide foutenpercentages boven de materialiteitsdrempel van 2% liggen; benadrukt dat de terreinen met gedeeld beheer een foutenpercentage hebben dat beduidend hoger ligt dan dat voor alle andere beleidsuitgaven;

12.  merkt op dat de directeur-generaal van DG REGIO in het jaarlijkse activiteitenverslag van dat DG van 31 maart 2014 voorbehouden heeft gemaakt voor 73 van de 322 programma's voor 2013 omdat het beheers- en controlesysteem slechts ten dele betrouwbaar was, wat ten opzichte van 2012 een kleiner percentage is (85 van de 317 operationele programma's); wijst erop dat het geraamde risicodragende bedrag 1 135,3 miljoen EUR is en dat deze voorbehouden en het bijbehorende bedrag van toepassing zijn op de twee programmeringsperioden 2007-2013 en 2000-2006;

13.  neemt er nota van dat de directeur-generaal van DG RTD in het jaarlijkse activiteitenverslag van dat DG van 31 maart 2014 een voorbehoud heeft afgegeven voor het zevende kaderprogramma voor onderzoek (FP7) en dat de geschatte impact in 2013 tussen 105,5 miljoen en 109,5 miljoen EUR ligt;

14.  merkt op dat de directeur-generaal van DG MARE in het jaarlijkse activiteitenverslag van dat DG van 31 maart 2014 een voorbehoud heeft afgegeven met betrekking tot het Europees Visserijfonds en dat het risicodragende bedrag in 2013 10,77 miljoen EUR is;

15.  vestigt de aandacht op de noodzaak van constante verbetering van de beheers- en controlesystemen in de lidstaten voor het waarborgen van beter financieel beheer van de EU-fondsen en van een lager foutenpercentage in de respectieve beleidssectoren in de loop van de programmeringsperiode 2014-2020;

Financiële correcties en terugvorderingen

16.  merkt op dat de als uitgevoerd opgegeven financiële correcties in 2013 daalden van 3,7 miljard EUR in 2012 tot 2,5 miljard EUR in 2013 en herinnert eraan dat de omvangrijke financiële correctie in 2012 vooral verband hield met de correctie van 1,8 miljard EUR in Spanje om de uitgaven van de structuurfondsen in de periode 2000-2006 te corrigeren; merkt op dat de Commissie in 2013 financiële correcties en terugvorderingen uitvoerde voor een bedrag van 3 362 miljoen EUR, ofwel 2,3% van de betalingen uit de EU-begroting;

17.  merkt op dat de cumulatie van financiële correcties die worden uitgevoerd op het moment van betaling van de vereffeningen van de programma's kunstmatig is wanneer deze correcties niet van belang zijn, aangezien deze pas zichtbaar worden een aantal jaar nadat ze zijn uitgevoerd; verzoekt de Commissie te onderzoeken of de verandering van methode in 2012, waarbij de overstap van bevestigde correcties naar uitgevoerde correcties is gemaakt, de meest geschikte methode is om de werkelijkheid van de beheers- en controlesystemen in een bepaald begrotingsjaar te laten weerspiegelen;

18.  wijst erop dat de daaruit volgende daling met 34% van de in 2013 uitgevoerde financiële correcties (van 3,7 miljard EUR tot 2,5 miljard EUR) deels werd gecompenseerd door een stijging met 27% van de in 2013 uitgevoerde terugvorderingen (van 0,7 miljard EUR tot 0,9 miljard EUR);

19.  betreurt dat fouten pas enkele jaren nadat ze zich hebben voorgedaan kunnen worden gecorrigeerd, vanwege het wettelijke kader voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de complexiteit van de betrokken procedures en het aantal controlelagen op vele terreinen;

20.  wijst erop dat het gemiddelde bedrag van de in de periode 2009-2013 uitgevoerde financiële correcties 2,7 miljard EUR bedroeg, ofwel 2,1% van het gemiddelde bedrag van de betalingen van de Uniebegroting in die periode; wijst erop dat bovengenoemde trend volgens de Commissie verklaard kan worden door de afsluiting van de programmeringsperiode 2000-2006(3); wijst er name op dat voor het cohesiebeleid viervijfde van de uitgevoerde correcties in de periode 2007-2013 betrekking had op operationele programma's van eerdere periodes(4); herinnert eraan dat de lidstaten het recht hebben om vastgestelde niet-subsidiabele uitgaven te vervangen door wettige en regelmatige uitgaven, overeenkomstig het juridisch kader voor de structuurfondsen;

21.  wijst erop dat het de taak van de Commissie en de lidstaten is om corrigerende maatregelen ter bescherming van de EU-begroting te nemen in geval van niet doeltreffende controlesystemen of onregelmatige uitgaven; wijst erop dat de Commissie en de lidstaten dergelijke maatregelen toepassen en merkt op dat als die corrigerende maatregelen niet waren toegepast op de door de Rekenkamer gecontroleerde betalingen in 2013, het totale geschatte foutenpercentage 6,3% zou zijn geweest, in plaats van 4,7%; benadrukt dat de Rekenkamer constateerde dat de autoriteiten voor een deel van de transacties die fouten vertoonden, met name op terreinen met gedeeld beheer, voldoende informatie tot hun beschikking hadden om de fouten te kunnen vaststellen en corrigeren; vraagt derhalve dat de Rekenkamer in haar toekomstige jaarverslagen een schatting maakt van het foutenniveau als alle corrigerende maatregelen zouden zijn genomen;

22.  betreurt voorts dat deze maatregelen slechts een beperkt effect hebben op de Uniebegroting, omdat meer dan 40% van de in 2013 uitgevoerde financiële correcties niet wordt beschouwd als bestemminsgontvangsten(5) maar gebruikt kan worden door dezelfde lidstaat die de veroorzaker was van deze correcties in het cohesiebeleid, waardoor het preventieve effect van financiële correcties wordt verzwakt;

23.  merkt op dat ongeveer 28% van de in 2013 uitgevoerde financiële correcties een nettoverlaging van de EU-financiering voor het betrokken programma en de betrokken lidstaat inzake het cohesiebeleid inhield;

24.  merkt met bezorgdheid op dat bovengenoemde mededeling van de Commissie van 29 september 2014 niet noodzakelijkerwijs betrouwbare informatie biedt over inhoudingen, terugvorderingen en lopende terugvorderingen van structuurfondsen door de lidstaten, aangezien de Commissie voor een voorzichtige benadering heeft gekozen, in verband met lacunes in de nationale cijfers, zodat de bovenstaande bedragen niet overschat zijn(6);

25.  vraagt de Commissie en de lidstaten om deugdelijke procedures in te voeren om de timing, de herkomst en de bedragen van corrigerende maatregelen te bevestigen en om informatie te verstrekken waarmee zoveel mogelijk verband kan worden gelegd tussen het jaar waarin de betaling is verricht, het jaar waarin de betrokken fout is opgespoord en het jaar waarin terugvorderingen of financiële correcties zijn bekendgemaakt in de toelichtingen bij de rekeningen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de totale procedure; acht het tevens van wezenlijk belang dat volledige informatie wordt verstrekt over de terugvorderingen en de financiële correcties en dat volledige transparantie bestaat inzake de gegevens over de annulering van middelen en de inbreukprocedures met betrekking tot het desbetreffende jaar;

Syntheseverslag en jaarlijkse activiteitenverslagen

26.  stelt vast dat de directeuren-generaal van de Commissie in totaal 17 gekwantificeerde punten van voorbehoud maakten met betrekking tot de uitgaven; wijst erop dat het lagere aantal gekwantificeerde punten van voorbehoud in 2013 (21 in 2012) niet leidde tot vermindering van de reikwijdte van het risicobedrag, en dat het maximale totale risicodragende bedrag dat de Commissie in haar syntheseverslag(7) aankondigde lager is dan 4 170 miljoen EUR, ofwel 2,8% van alle uitbetaalde uitgaven;

27.  verzoekt de Commissie nader uiteen te zetten hoe het risicobedrag wordt berekend(8) door de geschatte impact van de corrigerende maatregelen op dit bedrag verder uit te leggen, en in haar syntheseverslag een werkelijke "betrouwbaarheidsverklaring" af te geven op basis van de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directeuren-generaal;

28.  herinnert eraan dat de gecumuleerde bedragen die de Commissie gebruikt betrekking hebben op corrigerende maatregelen die de Commissie en de lidstaten (financiële correcties en terugvorderingen) meerdere jaren na de uitbetalingen van de middelen (met name in de periodes 1004-1999 en 2000-2006) hebben genomen, en wijst erop dat de Rekenkamer en de Commissie al deze tijd geen nauwkeurige foutenpercentages hebben opgegeven;

Druk op de begroting

29.  is bezorgd over het feit dat vanwege het onaanvaardbare standpunt van de Raad tijdens de onderhandelingen over de jaarlijkse EU-begroting en ondanks het hoge niveau van de betalingen uit de rekeningen blijkt dat de niet-afgewikkelde vastleggingen (in rubriek 1b, voornamelijk regionaal beleid, wordt het niveau van niet-afgewikkelde vastleggingen eind 2013 geraamd op 23,4 miljard EUR na 5 miljard EUR eind 2010, 11 miljard EUR eind 2011 en 16 miljard EUR eind 2012) en andere verplichtingen in 2013 bleven toenemen; wijst erop dat ze aan het einde van het jaar waren gestegen tot 322 miljard EUR(9) en dat dit bedrag in 2014 waarschijnlijk nog zal stijgen;

30.  herinnert eraan dat het geraamde bedrag van de RAL eind 2013 322 miljard euro beliep en dat in de loop van 2014 een verhoging hiervan werd verwacht; is van mening dat deze situatie feitelijk in strijd is met het beginsel van goed financieel beheer van artikel 310 VWEU en dat daarmee de wettigheid van de EU-begroting wordt ondergraven;

31.  benadrukt dat deze niet-afgewikkelde financiële verplichtingen zeer zorgwekkend zijn omdat de betalingsplafonds voor de eerste keer een aantal jaren grotendeels stabiel zullen blijven in reële termen(10);

32.  wijst erop dat de financiële middelen in tijden van crisis schaars zijn; merkt echter op dat voor grote delen van de begroting het maximale uitgavenniveau binnen de rubrieken van het meerjarig financieel kader (MFK) is opgedeeld in jaarlijkse toewijzingen per lidstaat; stelt vast dat absorptie van de middelen vaak de belangrijkste beleidsdoelstelling van de lidstaten wordt ("use it or lose it")(11); roept de Commissie en de lidstaten daarom op aan te sturen op een verschuiving van een bestedings- naar een resultaatcultuur, waarbij de behaalde resultaten op basis van de beginselen van efficiëntie en doeltreffendheid het belangrijkst zijn;

33.  wijst erop dat eind 2013 de brutovoorfinanciering 79,4 miljard EUR beliep, en benadrukt dat lange periodes van voorfinanciering kunnen leiden tot een verhoogd risico op fouten of verlies; benadrukt dat dit risico vooral groot is voor rubriek 4 van de begroting (De EU als mondiale partner); overwegende dat voor een normale activiteit een periode van vier jaar verstrijkt tussen de vastlegging en de boeking door de Commissie van de betreffende definitieve uitgaven;

34.  verzoekt de Commissie met klem een kasstroomraming voor de lange termijn met een prognose van de toekomstige betalingsbehoeften op te stellen en te publiceren om te waarborgen dat de noodzakelijke betalingen kunnen worden gedaan uit de goedgekeurde jaarlijkse begrotingen; vraagt de Commissie waar nodig wijzigingen te presenteren van de bestaande voorschriften indien de jaarlijkse begrotingen niet kunnen voorzien in voldoende kredieten om de noodzakelijke betalingen te kunnen doen;

35.  onderstreept nogmaals de noodzaak om langetermijnoplossingen te vinden waarmee de Commissie haar begroting weer onder controle kan krijgen; wijst erop dat met name grotere nadruk moet worden gelegd op verantwoordelijkheid en de oplossingen meer gericht moeten zijn op prestaties en resultaatgerichte bestedingen; benadrukt dat het Parlement met het oog hierop een grotere rol moet spelen bij het beoordelen van de uitgaven en prestaties;

Financiële instrumenten

36.  stelt vast dat eind 2013, 940 financieringsinstrumenten (FI’s) opgericht waren in het kader van 176 operationele programma's (OP) van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF) in 25 lidstaten; is met name bezorgd dat slechts 47% van de 14,3 miljard EUR (6,7 miljard EUR) die aan de FI's was verstrekt ook daadwerkelijk was uitbetaald aan de eindbegunstigden, ook al houdt dit percentage een stijging in ten opzichte van de 4,7 miljard EUR die eind 2012 was uitbetaald; stelt vast dat het gemiddelde uitbetalingspercentage van 47% eind 2013 een zekere variatie tussen fondsen en lidstaten verhult; wijst erop dat de gemiddelde uitbetaling alle 900 fondsen dekt: de in 2008 opgerichte fondsen en de in 2013 nieuw opgerichte fondsen waarvoor de uitvoering nog maar net van start gegaan was; is van mening dat hoewel sommige fondsen ondermaats presteren, er andere zijn die al 100% absorptie hebben bereikt en nu roterende middelen opnieuw investeren;

37.  stelt vast dat 14 FI's in de lidstaten zijn opgericht in het kader van het fonds voor plattelandsontwikkeling; merkt op dat tot eind 2013 uit de begroting van de Unie 443,77 miljoen EUR is uitbetaald aan banken in Roemenië, Bulgarije, Griekenland, Italië en Litouwen; is verontrust dat van dit bedrag nog geen euro bij de eindbegunstigden is terechtgekomen; merkt op dat voor zes financiële FI's die zijn opgezet in het kader van het Europees Visserijfonds 72,37 miljoen EUR is uitbetaald aan banken in Griekenland, Roemenië, Bulgarije, Estland, Letland en Nederland; wijst erop dat alleen in Letland de beschikbare bedragen volledig zijn uitbetaald aan de eindbegunstigden, terwijl dit in Roemenië slechts 28% was, in Bulgarije 77%, in Estland 91% en in Nederland en Griekenland 0%(12);

38.  betreurt bovendien dat deze instrumenten complex zijn en dat het moeilijk is de bedragen die met deze instrumenten worden verstrekt correct te verantwoorden, wat de openbare controle nog lastiger maakt; vraagt de Commissie te streven naar maar transparantie en geregeld verslag uit te brengen van de hefboomeffecten, de verliezen en de risico's, zoals investeringszeepbellen; dringt er bij de Commissie op aan een volledig overzicht te geven van het aantal projecten dat is gefinancierd met elk van de FI's en van de bereikte resultaten, duidelijk aan te geven welke bedragen van de Uniebegroting zijn gebruikt om deze FI-projecten te medefinancieren en een alomvattende kosten-batenanalyse te presenteren van het instrument van FI's vergeleken met directere vormen van projectfinanciering;

39.  is ingenomen met het feit dat de uitvoering van de financiële instrumenten tijdens de jaarlijkse evaluatievergaderingen systematisch op de agenda wordt gezet en dat er dan tekortkomingen worden geanalyseerd en corrigerende maatregelen worden voorgesteld; stelt met voldoening vast dat voor de volgende periode 2014-2020 tekortkomingen op dat gebied gecorrigeerd zijn (d.w.z. dat betalingen alleen aan de financiële instrumenten die de fondsen beheren worden overgedragen wanneer de feitelijke uitbetaling aan de eindontvangers een bepaald percentage heeft bereikt);

40.  beveelt aan dat de Commissie, met het oog op de druk op de begroting voor betalingen en het feit dat artikel 140, lid 7, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (het Financieel Reglement) vereist dat buitensporige saldi op financiële instrumenten voorkomen moeten worden, waarborgt dat bijdragen van de Uniebegroting aan deze instrumenten aansluiten bij reële kasstroombehoeften;

41.  is met name ernstig bezorgd over een aantal bevindingen van de Rekenkamer inzake de doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen (blending) ter ondersteuning van het externe beleid van de Unie(13);

42.  wijst erop dat de opzet van de regionale investeringsfaciliteiten goed was, maar dat de potentiële voordelen van blending niet volledig gerealiseerd waren als gevolg van tekortkomingen in het beheer door de Commissie; verzoekt de Commissie alleen middelen uit te betalen indien de begunstigde deze ook echt nodig heeft, en haar controle op de uitvoering van de subsidies van de Unie te verbeteren;

Verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten bij gedeeld beheer

43.  benadrukt het feit dat krachtens artikel 317 VWEU de Commissie de eindverantwoordelijke is voor de uitvoering van de begroting van de Unie; wijst erop dat, wanneer de Commissie de begroting uitvoert op basis van gedeeld beheer, uitvoeringstaken worden gedelegeerd aan de lidstaten overeenkomstig artikel 59 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, waarbij zij hun politieke en financiële verantwoordelijkheid nemen; herhaalt derhalve dat de lidstaten strikt moeten handelen in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer en hun eigen verantwoordelijk wat betreft het beheren van EU-middelen niet moeten ondermijnen;

44.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2014 getiteld "Over de goedkeuring van de aanbevelingen van de Interinstitutionele Werkgroep voor de vaststelling en het gebruik van nationale verklaringen" (COM(2014)0688); merkt op dat de indiening van verklaringen vrijwillig en is dan ook ingenomen met het feit dat vier lidstaten, namelijk Denemarken, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hebben besloten dergelijke verklaring in te dienen; betreurt echter dat deze verklaringen uiteenlopen wat betreft vorm, reikwijdte, omvang en verslagperiode, waardoor ze weinig nut hebben;

45.  wijst erop dat volgens meerdere verklaringen van de Rekenkamer de door de vier hierboven genoemde lidstaten opgestelde nationale beheersverklaringen van zeer beperkte waarde zijn in het auditproces van de Rekenkamer en niet als een betrouwbare informatiebron voor de afgifte van betrouwbaarheidsverklaringen kan worden beschouwd;

46.  betreurt voorts, in verband met de voornoemde mededeling van de Commissie van 28 oktober 2014 dat bij de verbetering van het financieel beheer geen echte vooruitgang is geboekt, wat kan leiden tot een aanhoudend verlies van Uniemiddelen door verkeerde beslissingen op politiek of beheersniveau; roept op tot de invoering van een sanctiestelsel voor gevallen waarin lidstaten onjuiste programmainformatie en verklaringen verstrekken;

47.  vraagt de Commissie en de Raad derhalve ook om concrete en zinvolle stappen te zetten om de noodzakelijke vooruitgang in goed financieel beheer mogelijk te maken, met inbegrip van het toegenomen gebruik van het instrument van nationale verklaringen die in de praktijk niet veel extra inspanningen vereisen (naar verluidt minder dan 1 fte op jaarbasis per lidstaat), terwijl het van groot belang is dat de lidstaten politieke verantwoordelijkheid nemen voor het gebruik van Europese middelen door middel van een openbaar document; vraagt de Commissie en de lidstaten om niet alleen de nationale verklaringen te publiceren, maar ook de jaarlijkse samenvattingen en beheersverklaringen om meer inzicht te geven in het financieel beheer en het financieel beheer werkelijk te verbeteren; dringt er bij de Commissie op aan om een aanbeveling te doen aan het Parlement en de Raad om het gebruik van nationale verklaringen te bevorderen in overeenstemming met de aanbevelingen van de interinstitutionele werkgroep over het instellen en het gebruik van nationale verklaringen;

48.  acht het van essentieel belang dat het gebruik van de structuurfondsen gepaard gaat met volledige transparantie via de publicatie van de boekhoudbescheiden van toegewezen projecten;

Betrouwbaarheid van door de lidstaten verstrekte gegevens

49.  merkt op dat de geringe betrouwbaarheid van de eerstelijnscontroles bij gedeeld beheer die de lidstaten verrichten, de geloofwaardigheid ondermijnt van de jaarlijkse activiteitenverslagen die de diensten van de Commissie opstellen alsook van het syntheseverslag dat de Commissie goedkeurt, aangezien deze voor een deel gebaseerd zijn op de controles die de nationale autoriteiten verrichten; verzoekt de Commissie opnieuw de gegevens van de lidstaten te evalueren en zo nodig te corrigeren, zodat betrouwbare en objectieve jaarlijkse activiteitenverslagen opgesteld kunnen worden;

50.  verzoekt de directeuren-generaal in hun jaarlijkse activiteitenverslagen gedetailleerd verslag uit brengen van de foutenpercentages die door de lidstaten zijn gemeld en van de eventuele correcties die de Commissie heeft uitgevoerd op het niveau van de operationele programma's;

Slechtst presterende lidstaten

51.  is ingenomen met het overzicht van de auditresultaten van de Rekenkamer in het kader van fondsen in gedeeld beheer op het gebied van landbouw en cohesie 2009-2013 dat gegeven is in het jaarverslag 2013 van de Rekenkamer, waarmee voor een deel tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van het Parlement in zijn kwijtingsresolutie 2012 om informatie per land te verstrekken op het gebied van gedeeld beheer;

52.  wijst erop dat volgens de cijfers die de Rekenkamer heeft verstrekt inzake de hoogtes en percentages van de risicobedragen bij de Europese fondsen voor regionale ontwikkeling, het Europees sociaal fonds en de cohesiefondsen, de hoogste foutenpercentages voorkomen in Slowakije, het VK en Spanje (brongegevens opgenomen in de jaarlijkse activiteitenverslagen 2013 van DG Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie en DG Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling);

53.  wijst erop dat volgens de cijfers die de Rekenkamer heeft verstrekt inzake de hoogtes en percentages van de risicobedragen bij het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor regionale ontwikkeling, de hoogste foutenpercentages voorkomen in Roemenië, Bulgarije en Portugal (brongegevens opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag 2013 van DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling);

54.  verzoekt de Rekenkamer haar eigen methode van landenspecifieke rapportage te ontwikkelen, niet alleen rekening houdend met de risicobedragen, maar ook met de beheers- en controlesystemen van de lidstaten en de correctiemaatregelen genomen door de Commissie en de lidstaten, teneinde de ontwikkeling van het beheer in de slechtst presterende lidstaten grondig te kunnen evalueren en de beste suggesties voor verbetering te kunnen doen;

55.  herinnert eraan dat EU-middelen ernstige schade ondervinden van corruptie; is verontrust over de gegevens waaruit blijkt dat sommige lidstaten in bijzondere mate met dit verschijnsel te kampen hebben en herinnert in dit verband aan de Aanbeveling van de Commissie van 29 mei 2013voor een aanbeveling van de Raad over het nationale hervormingsprogramma 2013 van Italië en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Italië voor 2012-2017(14); pleit voor een spoedige goedkeuring van de richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt,

Belangenconflicten

56.  betreurt dat in sommige lidstaten de wetgeving betreffende belangenconflicten van parlementsleden, regeringsleden en leden van lokale raden vaag en ontoereikend is; vraagt de Commissie om de huidige situatie zorgvuldig te onderzoeken en indien nodig aanbevelingen te doen of zelfs juridisch bindende oplossingen voor te stellen; is van mening dat hetzelfde geldt voor de kandidaat-leden en de leden van de Commissie;

Ontvangsten: Eigen middelen bni

57.  stelt vast dat de Rekenkamer bij haar controle (zie het jaarverslag voor 2013, paragraaf 2.27) geen substantieel foutenpercentage heeft geconstateerd in de berekening door de Commissie van de bijdragen van de lidstaten en de betaling hiervan, waarvan de meeste gebaseerd waren op geraamde bni-gegevens voor 2013;

58.  vraagt de Commissie erop toe te zien dat de gegevens van Eurostat en de lidstaten volledig overeenkomen aangezien de bni-indicator de belangrijkste benchmark is voor zowel de ontvangsten als de uitgaven van de EU;

59.  herinnert aan de kritiek van de Rekenkamer in haar jaarverslag over 2012 op de gebrekkige doeltreffendheid van de verificatie door de Commissie van de bni-gegevens (zie het jaarverslag voor 2012, paragraaf 2.41); benadrukt dat het langdurige gebruik van algemene punten van voorbehoud en de buitensporig lange duur van de verificatiecyclus van bni-gegevens voor de eigen middelen kunnen leiden tot onzekerheid over de begroting, zoals bleek uit de discussies tussen de lidstaten over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 op de algemene begroting 2014(15);

60.  betreurt dat sommige lidstaten, ondanks dat zij op de hoogte waren van de in het voorjaar van 2014 doorgevoerde veranderingen in de statistische methode van berekening van de bni-bijdrage, niet voorzagen dat hun bijdrage aan de begroting zou stijgen;

61.  betreurt dat de Commissie weliswaar sinds het voorjaar van 2013 wist dat de veranderingen in de statistische methode van berekening van de bni-bijdrages zouden leiden tot flinke stijgingen van de bijdrages van sommige lidstaten, maar dat zij dit dossier toch als een puur technisch dossier wilde behandelen(16);

62.  herinnert eraan dat de Rekenkamer in haar advies nr. 7/2014(17) concludeerde dat het voorstel van de Commissie om in uitzonderlijke omstandigheden uitstel te verlenen voor de betaling van de saldi en aanpassingen van btw en bni de complexiteit van het stelsel van eigen middelen en de begrotingsonzekerheid van de lidstaten kan versterken;

63.  wijst er met name op dat het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (COM(2014)0704) enkel betrekking heeft op de verlenging van de termijn voor de terbeschikkingstelling van de middelen door lidstaten indien het gaat om aanzienlijke bedragen als gevolg van positieve saldi en aanpassingen van btw en bni, en merkt op dat waar de lidstaten grote negatieve saldi en aanpassingen van btw en bni hebben, de Commissie verplicht kan zijn bijkomende ontvangsten te innen door middel van een gewijzigde begroting;

64.  betreurt dat de Raad, ondanks het feit dat de Commissie een algehele hervorming van het stelsel van eigen middelen heeft voorgesteld dat goed ontvangen is door het Parlement(18) en erop gericht was het stelsel van eigen middelen billijker, begrijpelijker, transparanter en doeltreffender te maken en de nationale bijdragen te verlagen, er niet in geslaagd is om tot nu toe enige vooruitgang te boeken met de hervorming van het stelsel van eigen middelen op basis van die wetgevingsvoorstellen;

Te nemen maatregelen

65.  verzoekt de Commissie:

   de duur van de verificatiecyclus van de bni-gegevens gebruikt voor de eigen middelen te beperken tot maximaal vier jaar, zo nodig door inbreukprocedures te starten en/of strikte termijnen vast te leggen voor het intrekken van de voorbehouden;
   het gebruik van algemene punten van voorbehoud te beperken tot uitzonderlijke gevallen waarin aanzienlijk risico bestaat dat de financiële belangen van de EU niet worden beschermd: dat wil zeggen wanneer een lidstaat tijdens de verificatiecyclus of met onregelmatige tussenpozen een ingrijpende herziening uitvoert;
   een actieplan op te stellen om de tekortkomingen te herstellen die de Rekenkamer heeft vastgesteld in haar Speciale verslag nr. 11/2013 en dit uiterlijk eind juni 2015 voor te leggen aan het Parlement en de Rekenkamer;
   een gedetailleerd actieplan vast te stellen en nauwlettend te volgen, waarbij dit plan duidelijke doelstellingen bevat voor het aanpakken van de problemen met de compilatie van de nationale rekeningen van Griekenland;
   het voornoemde Commissievoorstel COM(2014)0704 te wijzigen zodat de Commissie bevoegd is tot het uitstellen van betaling van de bedragen die volgen uit "negatieve" saldi en aanpassingen;

66.  wijst op de tekortkomingen die de Rekenkamer in het speciale verslag 2/2014 getiteld "Worden de preferentiële handelsregelingen naar behoren beheerd?" heeft vastgesteld in de controlestrategie en het risicobeheer in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk en die kunnen leiden tot potentiële verliezen voor de EU-begroting; wijst erop dat deze tekortkomingen werden bevestigd door het bedrag aan mogelijk gederfde ontvangsten in deze drie lidstaten; wijst erop dat door extrapolatie van de in de steekproef van 2009 vastgestelde fouten de Rekenkamer tot een geraamd bedrag aan douanerechten in deze lidstaten komt van 655 miljoen EUR die dreigen te verjaren; Dit stemt overeen met ongeveer 6% van het brutobedrag aan douanerechten bij invoer in de vijf geselecteerde lidstaten dat jaar, bestaande uit 167 miljoen EUR voor Duitsland, 176 miljoen EUR voor Frankrijk en 312 miljoen EUR voor het Verenigd Koninkrijk;

Landbouw

Landbouw Landbouw: uitdagingen op het het gebied van demografie en de structuur van begunstigden

67.  wijst erop dat demografische veranderingen een grotere invloed hebben op het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) dan op enig ander beleidsterrein van de Unie, omdat bijna eenderde van de 12 miljoen landbouwers in de Unie, die ruim 45% van de EU-begroting delen, ouder is dan 65%, terwijl slechts 6% jonger is dan 35 jaar(19); is derhalve verheugd over de in het kader van de hervorming van het GLB gestarte programma's voor steun aan jonge landbouwers;

68.  betreurt dat de maatregelen die de Commissie op het gebied van het landbouwbeleid heeft genomen tot nu toe ontoereikend waren om de demografische onbalans te herstellen en roept de Commissie op de landbouwsteun van de begroting in het licht hiervan opnieuw te onderzoeken;

69.  benadrukt dat slechts 2% van de landbouwers in de Unie 31% van de rechtstreekse GLB-betalingen ontvangt; wijst erop dat het GLB met name op kleine landbouwers gericht moet worden en is van mening dat de huidige praktijk de politieke acceptatie van het GLB verder ondermijnt;

70.  herinnert eraan dat het Parlement en de Raad (20) een verlaging van de betalingen boven de 150 000 EUR en een mogelijke plafonnering van rechtstreekse betalingen hebben ingesteld om het GLB billijker te maken; vraagt derhalve dat de Rekenkamer de efficiëntie en doeltreffendheid van deze maatregel controleert in haar volgende jaarverslagen;

71.  wijst erop dat de Tsjechische Republiek, gevolgd door Slowakije, Hongarije, Duitsland en Bulgarije, de meest onevenwichtige landbouwsector heeft(21); roept de Commissie en de lidstaten op de structuur van hun begunstigden beter in evenwicht te brengen en verzoekt de directeur-generaal van DG AGRI aan zijn jaarlijkse activiteitenverslag indicatieve cijfers toe te voegen van de verdeling van de rechtstreekse GLB-betalingen aan producenten per lidstaat en categorie begunstigden;

Landbouw: foutenpercentage in de eerste pijler

72.  betreurt dat de betalingen van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in 2013 materiële fouten vertonen, waarbij het meest waarschijnlijke foutenpercentage door de Rekenkamer wordt geschat op 3,6% (3,8% in 2012)(22) en dat één van de vijf op het punt van onderliggende betalingen onderzochte systemen doeltreffend werd bevonden, twee gedeeltelijk doeltreffend en twee niet doeltreffend;

73.  benadrukt dat bij 33 van de 101 door de Rekenkamer geconstateerde kwantificeerbare fouten de nationale autoriteiten over voldoende informatie beschikten om de fouten in ieder geval deels te kunnen voorkomen, opsporen en corrigeren en dat, indien al deze informatie op de juiste wijze gebruikt was, het meest waarschijnlijke foutenpercentage op dit terrein 1,1 procentpunt lager zou zijn geweest, ofwel relatief dichtbij de materialiteitsdrempel van 2%; wijst erop dat de lidstaten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen;

Randvoorwaarden (cross-compliance)

74.  wijst erop dat de controle van de Rekenkamer ook betrekking had op de verplichtingen inzake randvoorwaarden en dat gevallen waar niet aan de randvoorwaarden was voldaan, behandeld zijn als fouten, mits kon worden vastgesteld dat de overtreding was begaan in het jaar waarin de landbouwer de subsidie had aangevraagd; wijst erop dat de Rekenkamer de tekortkomingen op het vlak van de randvoorwaarden opneemt in haar berekening van het foutenpercentage, terwijl volgens de Commissie de randvoorwaarden geen betrekking hebben op het in aanmerking komen voor betalingen, maar enkel tot administratieve sancties leiden;

75.  merkt op dat de Commissie in haar antwoord aan de Rekenkamer stelt dat het rechtskader voor de programmeringsperiode 2014-2020 is vereenvoudigd, en verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2015 verslag uit te brengen over de werking van deze vereenvoudigingsmaatregelen in de praktijk en te melden welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden met betrekking tot de resterende complexe regels en subsidiabiliteitsvoorwaarden;

Foutenpercentage bij marktmaatregelen

76.  is bezorgd over het feit dat het foutenpercentage met betrekking tot landbouwmarktmaatregelen 7,44% bedraagt, zoals berekend door de Commissie; betreurt het feit dat dit het op een na hoogste foutenpercentage op een beleidsterrein is in 2013;

77.  benadrukt dat de punten van voorbehoud die de directeur-generaal van DG AGRI heeft opgenomen in jaarlijkse activiteitenverslag van dat DG een bevestiging vormen van de alarmerende situatie bij de marktmaatregelen, aangezien het gaat om zeven steunregelingen in negen lidstaten, met name in de sectoren groente en fruit, de herstructurering van wijngaarden, investeringen in de wijnsector, uitvoerrestituties voor pluimvee en de schoolmelkregeling;

78.  vestigt de aandacht op het feit dat veel kleinere programma's, zoals de schoolfruit- en schoolmelkregelingen, niet gebruikersvriendelijk zijn, ten dele vanwege de bureaucratie die daarmee gepaard gaat, en dat die programma's daardoor niet optimaal worden benut en uitgevoerd;

79.  betreurt de aanzienlijke tekortkomingen in de controleprocedures die worden toegepast bij de erkenning van producentengroeperingen(23) voor groente en fruit in Polen, Oostenrijk, Nederland en het VK, zoals genoemd door de Rekenkamer in haar jaarverslag voor 2013 en bevestigd door de directeur-generaal van DG AGRI, die in zijn jaarlijkse activiteitenverslag 2013 een voorbehoud heeft opgenomen op basis van de schatting dat 25% van de totale uitgaven in het kader van de maatregel, ofwel 102,7 miljoen EUR, risico loopt;

80.  betreurt in het bijzonder de tekortkomingen die de Commissie heeft vastgesteld bij de maatregel "herstructurering van wijngaarden in Spanje", die aanleiding was voor het voorbehoud van de directeur-generaal van DG AGRI, op basis van een gecorrigeerd foutenpercentage van 33% en een risicobedrag van 54 miljoen EUR, en bij de maatregel "uitvoer van pluimvee in Frankrijk", op basis van een gecorrigeerd foutenpercentage van 69,6% en een risicobedrag van 29,3 miljoen EUR;

Betrouwbaarheid van gegevens van de lidstaten inzake rechtstreekse betalingen

81.  verwelkomt het feit dat, aangezien de door de lidstaten meegedeelde foutenpercentages in hun inspectiestatistieken niet alle componenten van het restfoutenpercentage bestrijken en niet altijd betrouwbaar zijn, DG AGRI een afzonderlijke beoordeling verrichte voor ieder betaalorgaan, op basis van alle beschikbare informatie, met inbegrip van de controlebevindingen van de Rekenkamer;

82.  wijst nogmaals op de opmerkingen van de Rekenkamer(24) dat uit de resultaten van deze nieuwe aanpak blijkt dat slechts beperkte zekerheid kan worden ontleend aan de inspectiestatistieken van de lidstaten, de verklaringen van de directeuren van betaalorganen en de werkzaamheden van de certificerende instanties;

83.  wijst erop dat bijna alle betaalorganen voor de rechtstreekse betalingen erkend waren en gecertificeerd waren door certificerende instanties, en dat 79 van de 82 betrouwbaarheidsverklaringen van de betaalorganen in 2013 een goedkeurend oordeel ontvingen van de certificerende instanties, waarmee de juistheid werd bevestigd van de door de directeuren van de betaalorganen gepresenteerde betrouwbaarheidsverklaringen, maar dat de Commissie desondanks de meegedeelde foutenpercentages van 42 van de 68 betaalorganen met een restfoutenpercentage boven de 2% naar boven moest bijstellen;

84.  wijst erop dat de 5 betaalorganen met het hoogste foutenpercentage de volgende waren:

1.  Verenigd Koninkrijk, RPA

5,66% (meegedeeld door lidstaat (LS): 0,67%)

2.  Griekenland, OKEPE

5,17% (meegedeeld door LS: 0,83%)

2.  Spanje, AVGA

4,71% (meegedeeld door LS: 1,93%)

4.  Portugal, IFAP

4,37% (meegedeeld door LS: 0,82%)

5.  Roemenië, PIAA

4,27% (meegedeeld door LS: 1,77%)

85.  betreurt dat het huidige wetgevingskader niet voorziet in sancties wegens onjuiste of valse informatie(25) van de betaalorganen;

86.  dringt erop aan dat EU-ambtenaren meer toezicht en controle uitoefenen op de nationale betaalorganen in de relevante lidstaten en voor nauwe coördinatie tussen deze organen zorgen, om de tekortkomingen waarmee zij te kampen hebben te verhelpen, vooral in het geval van betaalorganen die de afgelopen drie jaar continu slecht gepresteerd hebben, teneinde het betalingsbeheer efficiënter te maken;

GBCS en LPIS

87.  is het met de Commissie en de Rekenkamer eens dat het geïntegreerde beheers- en controlesysteem (GBCS) over het geheel genomen een cruciale rol speelt bij het voorkomen en verminderen van fouten in declaraties van landbouwers en wijst erop dat een goede werking van dit systeem ervoor had moeten zorgen dat de rechtstreekse landbouwbetalingen geen materiële fouten vertonen;

88.  betreurt dat hardnekkige gebreken bij het uitsluiten van niet-subsidiabele percelen uit het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) en bij de administratieve afhandeling van declaraties van landbouwers in significante mate bijdragen tot het percentage materiële fouten dat blijft bestaan in de ELGF-betalingen;

89.  wijst opnieuw op de horizontale dimensie van de tekortkomingen van het LPIS; wijst erop dat de Rekenkamer sinds 2007 het GBCS heeft gecontroleerd bij 38 betaalorganen in alle 28 lidstaten, en betreurt ten zeerste dat slechts zeven van de controlesystemen als doeltreffend werden beoordeeld, 22 als gedeeltelijk doeltreffend en negen als ondoeltreffend; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat het financieel risico voor de begroting wordt gedekt door netto financiële correcties;

Procedures om terugvordering van onverschuldigde betalingen te verzekeren

90.  is bezorgd dat de Rekenkamer heeft geconstateerd(26) dat door onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen met betrekking tot aanvraagjaar 2008 of eerder in Ierland met een aanzienlijke vertraging waren gemeld aan debiteuren en dat er met betrekking tot die schulden een aantal jaren geen procedures tot invordering of tenuitvoerlegging werden ingesteld;

91.  merkt op dat tot eind 2012 van de 6,7 miljoen EUR aan schulden die betrekking hebben op die aanvraagjaren in totaal 2,3 miljoen EUR voor rekening kwam van de Unie op grond van de 50/50-regel, ondanks de door de Rekenkamer vastgestelde vertraging bij de aanvraagprocedure, en vreest dat deze middelen definitief verloren zijn voor de EU-begroting;

92.  is ook bezorgd over de bevindingen van de Rekenkamer inzake het feit dat de Italiaanse autoriteiten niet bijhielden of schulden te wijten waren aan onregelmatigheden of administratieve fouten, hetgeen ervoor kan zorgen dat er bedragen ten onrechte ten laste van de EU-begroting komen; verzoekt de Commissie voor het einde van het jaar aan de hand van een gedetailleerde analyse verslag uit te brengen over deze situatie;

93.  wijst erop dat volgens de gegevens in het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG AGRI(27) de slechtst presterende lidstaten wat betreft de terugvordering van onverschuldigde betalingen zijn: Bulgarije, met een invorderingspercentage van 4%, Griekenland met 21%, Frankrijk met 25%, Slovenië met 25%, Slowakije met 27% en Hongarije met 33%; is bezorgd over de deels alarmerend lage terugvorderingspercentages op bepaalde terreinen en vraagt de Commissie om een verslag over de oorzaken en de mogelijkheden om deze situatie te verbeteren;

Procedure ter goedkeuring van de rekeningen

94.  wijst erop dat de Commissie in 2013 vier conformiteitsbeschikkingen trof, die leidden tot financiële correcties ad 1 116,8 miljoen EUR (861,9 miljoen EUR voor het ELGF en 236,2 miljoen EUR voor het Elfpo) wat neerkomt op 2% van de EU-begroting voor landbouw en plattelandsontwikkeling in 2013 (1,4% in de periode 2008-2012);

95.  wijst erop dat dit bedrag niet mag worden vergeleken met het meest waarschijnlijke foutenpercentage van de Rekenkamer, omdat de conformiteitscontroles van de Commissie systeemgericht zijn, de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen niet controleren, uitgaven bestrijken met betrekking tot verschillende begrotingsjaren, leidden tot financiële correcties die voor 65% forfaitair waren en het daarom niet mogelijk maken een jaarlijks foutenpercentage te berekenen(28);

96.  benadrukt dat de stijging van het gemiddelde niveau van de financiële correcties in 2013 ten opzichte van de periode 2008-2012 volgens de bevindingen van de Rekenkamer(29) vooral te verklaren is door de vermindering van het aantal openstaande controledossiers van 553 eind 2012 tot 516 eind 2013 en dat de afhandeling en sluiting van deze dossiers, die betrekking hadden op begrotingsjaren vóór 2010, leidde tot financiële correcties in 2013 ten belope van 881 miljoen euro (79% van het totaal);

97.  is bezorgd dat de onafhankelijkheid van het bemiddelingsorgaan dat betrokken kan zijn bij de conformiteitsgoedkeuringsprocedure niet wordt gegarandeerd door de momenteel geldende bepalingen(30);

Plattelandsontwikkeling, milieu, visserij en gezondheid

98.  betreurt dat de betalingen op de beleidsterreinen plattelandsontwikkeling, milieu, visserij en gezondheid in 2013 fouten van materieel belang vertonen, dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage 6,7% bedroeg (7,9% in 2012) en dat zeven van de 13 gecontroleerde toezicht- en controlesystemen voor verrichte betalingen in de lidstaten beoordeeld werden als gedeeltelijk doeltreffend en zes als niet doeltreffend;

99.  is het eens met de mening van de Rekenkamer dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage verlaagd zou zijn tot 2% indien de nationale autoriteiten alle beschikbare informatie gebruikt zouden hebben om fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren; wijst erop dat de lidstaten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen;

100.  betreurt het feit dat het door de Rekenkamer berekende gemiddelde foutenpercentage voor plattelandsontwikkeling in de afgelopen drie jaar 8,2% bedroeg, en 7,9% in 2013(31); acht het bijzonder betreurenswaardig dat dit het hoogste foutenpercentage op een beleidsterrein is in 2013;

101.  wijst erop dat de door de Rekenkamer geconstateerde fouten zich vooral voordeden omdat de begunstigden zich niet hielden aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, de aanbestedingsregels niet correct waren toegepast en de agromilieuverbintennissen niet werden nagekomen;

102.  is bezorgd over het feit de Rekenkamer constateerde dat een achtste van het foutenpercentage op het gebied van plattelandsontwikkeling het gevolg was van vermoedelijk opzettelijke overtreding door particuliere begunstigden en betreurt het feit dat de specifieke maatregel voor plattelandsontwikkeling "Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten" het grootste aandeel had in het foutenpercentage voor particuliere investeringen(32), op grond waarvan de Rekenkamer ernstige bedenkingen had op het punt van "de efficiency en doeltreffendheid van de maatregel voor het bereiken van de beleidsdoelstellingen";

103.  is het eens met de mening van de Rekenkamer(33) dat de fouten deels werden veroorzaakt door de complexiteit van de regels en de grote verscheidenheid van de steunregelingen in het kader van de programma's van 2007-2013: 46 maatregelen in totaal voor plattelandsontwikkeling, elk met eigen regels en voorwaarden;

104.  stelt vast dat de Commissie steeds vaker betalingen opschort of onderbreekt, hetgeen waarborgt dat corrigerende maatregelen stelselmatig worden toegepast wanneer er tekortkomingen worden vastgesteld;

105.  verwelkomt de herziene benadering van de Commissie om bij de berekening van het restfoutenpercentage rekening te houden met alle relevante controles en informatie, om het door de lidstaten gemelde foutenpercentage te kunnen bijstellen;

106.  betreurt de gebrekkige betrouwbaarheid van de gegevens die de lidstaten doorgeven inzake de resultaten van hun controles; merkt op dat de certificerende instanties een verklaring met voorbehoud hebben afgegeven met een foutenpercentage boven de 2% voor slechts negen van de(34) betaalorganen, terwijl de Commissie een verklaring met voorbehoud afgaf voor 31 organen in 24 lidstaten(35);

107.  betreurt het gebrek aan kwalitatief hoogwaardige corrigerende maatregelen in sommige lidstaten en het ontbreken van een systematische aanpak om de oorzaken van de fouten in alle lidstaten weg te nemen; benadrukt dat het ontbreekt aan preventieve maatregelen om de breed aanwezige problemen op Unieniveau aan te pakken;

108.  constateert dat de onvolledige tenuitvoerlegging ter hoogte van 4 300 000 EUR in hoofdstuk 17 04 (veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid, dierwelzijn en gezondheid van planten) in belangrijke mate te wijten is aan onderbesteding van een bedrag van 900 000 EUR met betrekking tot bestemmingsontvangsten voor de verschillende programma's, die in 2014 ook nog gebruikt kunnen worden, en een bedrag van 2 000 000 EUR met betrekking tot het fonds voor noodmaatregelen; merkt op dat van dit laatste bedrag 50%, oftewel 1 000 000 EUR, is overgedragen naar 2014 (voor de aanpak van blauwtong in Duitsland) en in datzelfde jaar ten uitvoer is gelegd;

Verzoeken aan de Commissie, de lidstaten en de Rekenkamer met betrekking tot landbouw en plattelandsontwikkeling

109.  vraagt de Rekenkamer afzonderlijke foutenpercentages te berekenen voor marktmaatregelen en rechtstreekse betalingen in de eerste pijler van het GLB;

110.  beveelt de Commissie aan actief toezicht te houden op de toepassing van corrigerende maatregelen met betrekking tot de gebreken in het controlesysteem voor EU-steun voor de erkenning van producentengroeperingen voor groente en fruit in Polen, en in de operationele programma's voor producentenorganisaties in Oostenrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk;

111.  dringt er bij de Commissie op aan de meerwaarde van de Unie op het gebied van landbouwmarktmaatregelen vast te stellen en daarbij rekening te houden met het risico op mogelijke verliezen voor de EU-begroting, en verzoekt de Commissie te overwegen de maatregelen te bevriezen indien het risico te groot is; verzoekt de Commissie in het verslag over de follow-up van de kwijting 2013 van de Commissie de acties toe te lichten die het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) heeft genomen naar aanleiding van het controlebezoek voor uitvoerrestituties voor pluimvee in Frankrijk;

112.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen inzake het opleggen van sancties voor valse of onjuiste informatie van betaalorganen, onder meer met betrekking tot de volgende drie aspecten: de inspectiestatistieken, de verklaringen van de betaalorganen en de werkzaamheden van de certificerende instanties; verzoekt de Commissie de bevoegdheid te verlenen om de erkenning van betaalorganen in te trekken in ernstige gevallen van onjuiste weergave van de feiten;

113.  dringt er bij de directeur-generaal van DG AGRI op aan de werkelijke meerwaarde te overwegen van het jaar op jaar verlengen van voorbehouden vanwege tekortkomingen met het LPIS, terwijl die tekortkomingen een duidelijke horizontale dimensie hebben;

114.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat ten volle gebruik wordt gemaakt van het GBCS, en in het bijzonder te waarborgen dat de subsidiabiliteit en omvang van de landbouwpercelen juist worden beoordeeld en geregistreerd door de lidstaten, en dat de lidstaten onmiddellijk corrigerende maatregelen treffen indien blijkt dat het GBCS systematische fouten bevat;

115.  vraagt de Commissie om een toelichting van de feiten inzake Ierland en Italië, gemeld door de Rekenkamer in paragraaf 3.24 en 3.25 van haar Jaarverslag voor 2013, wat betreft onregelmatigheden bij de terugvordering van onverschuldigde betalingen, de nodige corrigerende maatregelen te nemen en daarvan uiterlijk in juni 2015 verslag uit te brengen aan het Parlement;

116.  dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te nemen om het aantal openstaande controledossiers inzake procedures ter goedkeuring van de rekeningen verder te verlagen, zodat alle vóór 2012 verrichte controles eind 2015 zijn afgesloten;

117.  vraagt met name om het mandaat van de leden van het bemiddelingsorgaan dat betrokken is bij de procedure ter goedkeuring van de rekeningen te beperken tot een eerste termijn van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met maximaal een jaar; vraagt verder om mogelijke belangenconflicten te voorkomen bij de behandeling van die dossiers en erop toe te zien dat lidstaten die direct betrokken zijn bij de financiële correcties niet vertegenwoordigd zijn in het bemiddelingsorgaan;

118.  vraagt de Commissie in detail verslag uit te brengen aan het Parlement over de uitvoering van de plafonnering van rechtstreekse GLB-betalingen per lidstaat;

119.  pleit ervoor dat het GLB minder bureaucratisch wordt gemaakt, waardoor de foutenpercentages kleiner worden; is dan ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om vereenvoudiging en subsidiariteit de komende vijf jaar een van de topprioriteiten te maken; dringt erop dan dat stelselmatig wanpresterende betaalorganen in extreme gevallen hun accreditatie wordt afgenomen;

120.  verzoekt de Commissie tijdig met een gedetailleerd plan te komen om de administratieve rompslomp in het GLB de komende vijf jaar met 25% te verminderen;

121.  verzoekt de Rekenkamer het beleidsterrein plattelandsontwikkeling als afzonderlijk hoofdstuk in haar jaarverslag te behandelen of in ieder geval aparte foutenpercentages te berekenen voor het beleidsterrein plattelandsontwikkeling, het beleidsterrein visserij en het LIFE+-programma;

122.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de actieplannen van de lidstaten op het gebied van plattelandsonwikkeling volledig zijn en alle regio's en maatregelen binnen het toepassingsbereik ervan omvatten, in het bijzonder investeringsmaatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de controles door de Commissie en de Rekenkamer;

123.  verzoekt de Commissie de follow-up door OLAF toe te lichten van de gevallen van vermoede opzettelijke overtreding die de Rekenkamer heeft vastgesteld, in het bijzonder met betrekking tot de plattelandsontwikkelingsmaatregel "Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten", en de opzet van deze maatregel grondig door te lichten tegen de achtergrond van de kritische opmerkingen van de Rekenkamer inzake de efficiency en doeltreffendheid ervan in het verslag over de follow-up van de kwijting 2013 van de Commissie;

124.  dringt er bij de Commissie op aan nauwlettend toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de programma's voor plattelandsontwikkeling en in haar conformiteitscontroles rekening te houden met de toepasselijke regels, met inbegrip van de relevante op nationaal niveau vastgestelde regels, teneinde het risico op blijvende tekortkomingen en fouten zoals vastgesteld in de programmeringsperiode 2007-2013 te voorkomen;

Visserij

125.  constateert dat DG MARE voorbehoud maakt met betrekking tot een foutenpercentage van meer dan 2% in verband met de gedeclareerde uitgaven van bepaalde lidstaten, en met betrekking tot een onbetrouwbaar geacht verslag en een ontbrekend verslag voor één lidstaat; betreurt dat de betrokken lidstaat in deze situatie verkeert; stelt echter vast dat de situatie verbeterd is nadat de Commissie deze lidstaat heeft aangemaand;

126.  betreurt daarnaast dat de Rekenkamer niet duidelijker aangeeft wat haar controles specifiek op het vlak van visserij en maritieme zaken hebben opgeleverd en vraagt met het oog op transparantie dat dergelijke informatie wordt vrijgegeven;

127.  neemt er nota van dat DG MARE in 92,31% van de gevallen tijdig heeft betaald; merkt echter met enige verontrusting op dat het aantal te late betalingen is toegenomen ten opzichte van het voorgaande begrotingsjaar; constateert met tevredenheid dat er in 2013 minder achterstandsrente is betaald; spoort DG MARE dan ook aan een betalingstermijn aan te houden die strookt met de relevante regels;

Regionaal beleid, vervoer en energie

EU 2020

128.  benadrukt dat van het totale bedrag aan betalingen in 2013 onder deze beleidsgroep (45 311 miljoen EUR) 96% (43 494 miljoen EUR) bestemd is voor regionaal beleid dat hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door middel van het EFRO en het Cohesiefonds (CF), 1 059 miljoen EUR voor mobiliteit en vervoer en 758 miljoen EUR voor energie;

129.  erkent de bepalende rol van het regionaal beleid van de EU bij het verkleinen van regionale verschillen en het bevorderen van economische, sociale en territoriale cohesie tussen de regio's van de lidstaten en tussen de lidstaten; erkent dat dit beleid het belangrijkste EU-brede investeringsbeleid op de lange termijn in de reële economie is, goed voor 29% van de totale begrotingsuitgaven van de Unie in 2013, en een beproefd instrument is om groei en banen te creëren in de EU, hetgeen de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie ondersteunt;

130.  wijst op de belangrijke rol van het vervoers- en energiebeleid voor het opzetten van veilige, duurzame en concurrerende energie- en vervoerssystemen en -diensten voor Europese burgers en bedrijven en onderstreept de bijdrage van dit beleid aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

131.  verwelkomt het feit dat de Commissie de doeltreffendheid, efficiency, samenhang en Europese meerwaarde van het regionaal beleid beoordeelt door middel van evaluaties achteraf; verwacht regelmatig op de hoogte te worden gehouden van de beoordeling van de Commissie;

132.  onderstreept dat de Commissie moet zorgen dat zij consistente en betrouwbare informatie van de lidstaten krijgt over het gebruik van de middelen van het EFRO en dat uit deze informatie de voortgang van de operationele programma's moet blijken, niet alleen in financiële termen, maar ook met betrekking tot de prestaties;(36)

133.  wijst op het meerjarig karakter van het beheerssysteem voor het landbouwbeleid en onderstreept dat een eindbeoordeling van onregelmatigheden in verband met de beleidsuitvoering pas na afloop van de programmaperiode mogelijk is;

Fouten

134.  stelt vast dat van de 180 door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen er 102 fouten vertoonden (57%); wijst erop dat de Rekenkamer 95% zekerheid heeft dat het foutenpercentage in de populatie tussen 3,7% en 10,1% ligt (de onderste, respectievelijk de bovenste foutengrens), en op basis van de 40 door haar gekwantificeerde fouten het meest waarschijnlijke foutenpercentage schat op 6,9% (2012: 6,8%);

135.  benadrukt dat in 17 gevallen waarin eindbegunstigden kwantificeerbare fouten hadden gemaakt, de nationale autoriteiten over voldoende informatie beschikten om de fouten te kunnen voorkomen, opsporen en corrigeren voordat de uitgaven bij de Commissie werden gedeclareerd; wijst erop dat indien al deze informatie gebruikt was om fouten te corrigeren, het geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor dit hoofdstuk 3 procentpunt lager zou zijn geweest; wijst erop dat de lidstaten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting aangezien zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen;

136.  wijst erop dat bij de uitgaven voor de EFRO- en cohesiefondsuitgaven en voor mobiliteit, vervoer en energie, de belangrijkste risico's in verband met de conformiteit verband houden met fouten in de regels voor bij de openbare aanbestedingen (39%), niet-subsidiabele projecten/activiteiten of begunstigden (22%), niet-subsidiabele uitgaven in de kostendeclaraties (21%) en niet-naleving van de staatssteunregels voor het EFRO en het CF; is ingenomen met de door de Commissie ondernomen acties om deze risico's te beperken en moedigt haar aan beheersautoriteiten training en ondersteuning te blijven geven met betrekking tot de geconstateerde risico's; verwacht dat de nieuwe verordeningen en reglementen voor de programmeringsperiode 2014-2020 zullen bijdragen tot de verkleining van het risico op fouten en tot betere prestaties door verdere vereenvoudiging en verduidelijking van de procedures;

Betrouwbaarheid van de informatie van de lidstaten

137.  wijst erop dat de autoriteiten van de lidstaten 322 nationale controleadviezen hebben opgesteld over hun operationele programma's en dat de controleadviezen in 209 gevallen (65%) een foutenpercentage van minder dan 2% meldden; wijst erop dat de Commissie na controle van de gegevens slechts voor 78 van de nationale controleadviezen de door de lidstaten meegedeelde foutenpercentages kon bevestigen; wijst erop dat 244 controleadviezen door de Commissie moesten worden gecorrigeerd(37); verzoekt de Commissie voortaan gedetailleerd verslag uit te brengen van alle door DG REGIO uitgevoerde correcties van foutenpercentages;

138.  merkt op dat de Commissie alle foutenpercentages in de nationale controleverslagen van Slowakije als onbetrouwbaar beoordeelde, naast 10 van de 15 foutenpercentages in de verslagen van Hongarije, twee van de zeven in de verslagen van Bulgarije en één van de vier in de verslagen van België; verzoekt de Commissie toe te lichten of en hoe de forfaitaire correcties die zij heeft doorgevoerd ter bescherming van de EU-begroting (25% voor één programma en 10% voor negen programma's in Slowakije, twee voor Bulgarije en één voor België(38)) de problemen hebben verholpen;

139.  wijst erop dat met name voor de volgende operationele programma's de foutenrapportering onbetrouwbaar was:

Lidstaat

Programma

Titel

Goedgekeurd bedrag (in miljoen EUR)

Foutenpercentage in jaarlijkse controleverslagen van de lidstaten

COM foutenpercentage/forfaitair percentage

BE

2007BE162PO001

Brussel, Regionaal concurrentievermogen

56,93

6,23 %

10 %

BG

2007BG161PO002

Technische bijstand

1 466,43

4,10 %

10 %

DE

2007DE162PO006

ERDF Bremen

142,01

0,31 %

5 %

DE

2007DE161PO003

EFRO Mecklenburg-Vorpommern

1 252,42

0,81 %

5 %

DE

2007DE162PO005

ERDF Hesse

263,45

0,04 %

5 %

ETC

2007CB063PO052

INTERREG IV Italië/Oostenrijk

60,07

2,77 %

10 %

ETC

2007CG163PO030

Slovenië/Tsjechië Republiek

92,74

0,96 %

10 %

ETC

2007CB163PO019

Mecklenburg-Vorpommern - Polen

132,81

0,02 %

5 %

HU

2007HU161PO001

Economische ontwikkeling

2 858,82

0,71 %

5 %

HU

2007HU161PO007

Vervoer

5 684,24

0,54 %

5 %

HU

2007HU161PO003

West-Pannonië

463,75

1,30 %

5 %

HU

2007HU161PO004

Zuidelijke Grote Laagvlakte

748,71

1,30 %

5 %

HU

2007HU161PO005

Midden-Transdanubië

507,92

130 %

5 %

HU

2007HU161PO006

Noord-Hongarije

903,72

1,30 %

5 %

HU

2007HU161PO009

Noordelijke Grote Laagvlakte

975,07

1,30 %

5%

HU

2007HU161PO011

Zuid-Transdanubië

705,14

1,30 %

5 %

HU

2007HU161PO001

Midden-Hongarije

1 467,20

0,10 %

5 %

IT

2007IT161PO007

Ontwikkeling Mezzogiorno

579,04

0,63 %

10 %

IT

2007IT161PO008

Calabria

1 499,12

2,45 %

10 %

SL

2007SL161PO001

Regional ontwikkelingspotentieel

1 783,29

2,80 %

5 %

SL

2007SL161PO002

Infrastructuur

1 562,06

2,80 %

5 %

SK

2007SK161PO006

Concurrentievermogen en economische groei

968,25

0 %

25 %

SK

2007SK161PO005

Gezondheid

250,00

1,79 %

25 %

SK

2007SK161PO001

Informatiemaatschappij

843,60

1,79 %

10 %

SK

2007SK16UPO001

Onderzoek & ontwikkeling

1 209,42

1,30 %

10 %

SK

2007SK161PO002

Milieu

1 820,00

0,33 %

10 %

SK

2007SK161PO004

Vervoer

3 160,15

0,74 %

10 %

SK

2007SK161PO003

Regionaal OP

1 554,50

0,32 %

10 %

SK

2007SK161PO007

Technische bijstand

97,60

1,79 %

10 %

SK

2007SK162PO001

Bratislava

95,21

1,79 %

10 %

UK

2007UK162PO001

Lowlands & Uplands Scotland

375,96

5,98 %

8,42 %

UK

2007UK161PO002

West Wales & Valleys

1 250,38

036 %

5 %

UK

2007UK162PO012

East Wales

72,45

0,36 %

5 %

140.  vraagt de Commissie voortaan de foutenpercentages per programma aan te geven, zoals meegedeeld door de lidstaten en goedgekeurd/gecorrigeerd door de Commissie in het jaarlijks activiteitenverslag;

141.  merkt op dat de Commissie op basis van haar eigen controle de werkzaamheden van 40 nationale auditautoriteiten die verantwoordelijk waren voor 90% van de EFRO/CF-middelen voor de programmeringsperiode 2007-2013 als over het algemeen betrouwbaar beoordeelde;

Beheers- en controlesystemen (BCS)

142.  verzoekt de Commissie de lidstaten verdere begeleiding en technische bijstand te verlenen; dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht schenken aan vereenvoudiging van de procedures, met inbegrip van die voor de begunstigden, wat voordelig kan zijn voor het controleren en verlagen van de foutenpercentages, en tegelijk de beheers- en controlesystemen doeltreffender kan maken;

143.  verwelkomt de verbeteringen in het beheer van fondsen sinds 2011 in Oostenrijk, de Tsjechische Republiek en Roemenië; is bezorgd over de verslechtering van het EFRO-beheer in Slowakije, Spanje, Nederland en het Verenigd Koninkrijk(39);

144.  wijst erop dat de punten van voorbehoud in 50 van de 75 gevallen een jaar of langer aansleepten; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken om te kunnen beoordelen of de zwakke punten en de regio's dezelfde waren en om na te gaan waarom de nationale beheersautoriteiten er niet zijn in geslaagd de tekortkomingen doeltreffend aan te pakken;

145.  staat volledig achter het gebruik door de Commissie van onderbreking en opschorting van betalingen als een doelmatig en preventief instrument om de financiële belangen van de Unie te beschermen;

146.  is zich bewust van de bepalingen in het nieuwe regelgevend kader voor de programmeringsperiode 2014-2020 waarin wordt bepaald dat ernstige gebreken in de zin van Gedelegeerde verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie(40), geconstateerd door Commissie of de Rekenkamer na indiening van de rekeningen, leiden tot netto financiële correcties voor de desbetreffende programma's; verzoekt de Commissie een lijst van deze gevallen te overleggen voordat de kwijtingsprocedure 2014 van de Commissie van start gaat;

147.  is verheugd over de strengere controle- en auditprocedures die zijn voorzien in het regelgevingskader voor de programmeringsperiode 2014-2020, met name ten aanzien van de verificatie en controle van het beheer vóór de certificering van de jaarrekeningen van programma’s en de indiening van beheersverklaringen door de beheersautoriteiten bij van de Commissie; merkt op dat de corrigerende capaciteit van de Commissie verder verbeterd werd door het onmogelijk te maken dat lidstaten middelen hergebruiken, wat geresulteerd heeft in netto financiële correcties; verwelkomt de oprichting van het Kenniscentrum voor administratieve capaciteitsopbouw (Competence Centre for administrative capacity building) voor Europese structuur- en investeringsfondsen; is het eens met de grotere resultaatgerichtheid en de thematische concentratie van het cohesiebeleid, die tot een verschuiving van loutere absorptiecriteria naar kwaliteitsvolle uitgaven en een grote meerwaarde van de medegefinancierde operaties zouden moeten leiden;

148.  herinnert aan paragraaf 165 van zijn resolutie bij het besluit over kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2012, waarin hij vraagt om de behandeling van fouten op het gebied van openbare aanbestedingen bij gedeeld beheer te harmoniseren; verwelkomt de harmonisering door de Commissie in haar Besluit C(2013)9527 van 19 december 2013 betreffende de vaststelling en goedkeuring van richtsnoeren voor de bepaling van door de Commissie te verrichten financiële correcties voor uitgaven die in gedeeld beheer door de Unie zijn gefinancierd, in geval van niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten; wijst erop dat Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad(41) door de lidstaten uiterlijk 18 april 2016 moet zijn geïmplementeerd; wijst erop dat hiermee de aanbestedingsprocedures aanzienlijk gewijzigd zouden worden, wat verdere methodologische wijzigingen noodzakelijk zou kunnen maken;

149.  wijst erop dat de methodologie van de Rekenkamer consistent moet zijn en op alle beheersterreinen toegepast moet worden; beseft dat een verdere afstemming kan leiden tot tegenstrijdigheden in de definities van de Rekenkamer van illegale transacties bij rechtstreeks en gedeeld beheer;

Financiële correcties

150.  wijst erop dat de Commissie in 2013 besloot tot financiële correcties ter hoogte van 912 371 222 EUR van de operationele programma's van de lidstaten, waarvan 239,50 miljoen EUR in de Tsjechische Republiek, 147,21 miljoen EUR in Hongarije en 95,47 miljoen EUR in Griekenland;

151.  verzoekt de Commissie ernaar te streven dat zowel tijdens de uitvoering van de door de lidstaten voorgestelde projecten als na afloop daarvan de inzet van de middelen uit het structuurfonds wordt geëvalueerd aan de hand van progressieve prestatie-evaluaties die erop zijn gericht de doeltreffendheid van en het toezicht op de investering van financiële middelen te vergroten en die eventueel misbruik en fraude bij de verwezenlijking van de projecten aan het licht kunnen brengen;

152.  verzoekt de Commissie te voorzien in een mechanisme voor de uitwisseling van informatie tussen de voor controle bevoegde nationale autoriteiten om het mogelijk te maken boekingen van transacties tussen twee of meer lidstaten dubbel te vergelijken, met het oog op bestrijding van transnationale fraude ten nadele van de structuurfondsen en, met het oog op de nieuwe bepalingen van het meerjarig financieel kader 2014-2020, de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) als geheel (Europees Sociaal Fonds (ESF), Cohesiefonds (CF), Europees Fonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), Europees Fonds voor Maritieme Zaken en visserij (EFMZV)), om een horizontale aanpak bij de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie te verzekeren;

153.  wijst er verder op dat tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 zes lidstaten (de Tsjechische Republiek, Griekenland, Spanje, Hongarije, Polen en Roemenië) verantwoordelijk waren voor 75% (ofwel 1 342 miljoen EUR) van de bevestigde financiële EFRO/CF- en ESF-correcties;

Annuleringen

154.  betreurt dat in 2013 een bedrag van 397,8 miljoen EUR geannuleerd moest worden, waarvan 296,7 miljoen EUR alleen al van de Tsjechische Republiek; is van mening dat annuleringen in strijd zijn met een deugdelijk financieel beheer; uit zijn bezorgdheid over het permanente onvermogen van bepaalde regio's om de toegewezen middelen op te nemen en verzoekt de Commissie te onderzoeken welke problemen ten grondslag liggen aan de situatie in die regio's; verzoekt de Commissie bovendien om de opstelling en voorlegging van een gedetailleerd plan voor de versterking van de capaciteit tot middelenopname van regio's met bijzonder lage opnamepercentages;

155.  wijst erop dat de vaststelling van een subsidiabiliteitsperiode in de nieuwe verordening is opgenomen voor de programmeringsperiode 2014-2020 om een termijn te bepalen waarbinnen de investeringen moeten worden gedaan en om de programma-autoriteiten te stimuleren tijdig te investeren in banen en groei in de EU, hetgeen het risico op niet gebruiken binnen de gegeven subsidiabiliteitsperiode en derhalve het risico op annulering verkleint;

Financieringsinstrumenten

156.  wijst erop dat de beheersautoriteiten van de lidstaten meldden dat eind 2013 in totaal 941 FEI's aanwezig waren in 25 lidstaten: 91% daarvan betrof FEI's voor ondernemingen, 6% voor stadsontwikkelingsprojecten en 3% financiering voor energiezuinigheid/hernieuwbare energie; wijst erop dat de totale waarde van de bijdragen voor operationele programma's (OP's) die aan de FEI's zijn uitbetaald 14 278,20 miljoen EUR bedroeg, met inbegrip van 9 597,62 miljoen EUR aan structuurfondsen; wijst erop dat momenteel, nog maar twee jaar tot de afsluiting, slechts 47% van de bijdragen voor OP's, ofwel 6 678,20 miljoen EUR, aan de eindontvangers is uitbetaald;

157.  is bezorgd over de bevindingen van de Commissie in haar geconsolideerde jaarverslag 2013 over de tenuitvoerlegging van de FEI's, overeenkomstig artikel 67, lid 2, onder j), van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(42), dat de beheersautoriteiten in de lidstaten geen volledig beeld gaven van de tenuitvoerlegging van de FEI's en dat bepaalde gegevens "onjuistheden" bevatten, met name inzake Hongarije en Italië;

Griekenland

158.  is bezorgd over de tenuitvoerlegging van prioritaire projecten in Griekenland beheerd door de task force; wijst erop dat 48 prioritaire projecten versneld moeten worden uitgevoerd; wijst erop dat de belangrijkste problemen volgens de Commissie zijn: (a) vertragingen in de rijpingsfase, (b) vertragingen bij de licentieverlening, (c) ontbinding van overeenkomsten vanwege gebrek aan liquide middelen bij aannemers en (d) langdurige beroepszaken bij de gunningsprocedures; roept de Commissie daarom op om in het follow-upverslag voor 2013 een actuele stand van zaken te geven met betrekking tot de prioritaire projecten;

Lago Trasimeno

159.  wijst erop dat OLAF in december 2014 een onderzoeksmissie uitvoerde om mogelijke misstanden in verband met de EU-steun voor het fietspad rond het Lago Trasimeno in Italië te kunnen bespreken; verzoekt de Commissie het Parlement in het verslag over de follow-up van de kwijting 2013 te informeren over de verdere ontwikkelingen;

Privatisering van infrastructuurprojecten gefinancierd met EU-middelen

160.  wijst erop dat de Unie financiering ter hoogte van 1,1 miljoen EUR leverde voor de modernisering van het waterleidingnet in Skorkov (CZ); is bezorgd over het feit dat de gemeentelijke overheid de exploitatie van het waterleidingnet in handen heeft gegeven van een onderneming die ook al het plaatselijke rioolstelsel beheert; wijst erop dat het rioolstelsel ook was medegefinancierd met 1,4 miljoen EUR aan EU-middelen en dat de prijs van het drinkwater met 45% is gestegen; is van mening dat drinkwater een openbaar goed is en dat alle burgers toegang moeten hebben tot drinkwater van hoge kwaliteit tegen een redelijke prijs;

161.  roept de Commissie op het Parlement op de hoogte te brengen van alle gevallen waarin projecten met een aandeel van de Unie van tenminste 30% in een later stadium zijn geprivatiseerd;

Solidariteitsfonds van de Europese Unie

162.  neemt kennis van het verslag van de Commissie over het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor 2013(43); is verrast dat de bekommernissen die de Rekenkamer in haar speciaal verslag 24/2012 heeft geuit en die het Parlement in zijn resolutie van 3 april 2014 over de specifieke verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor 2012(44) heeft onderschreven, niet aan bod komen in het verslag van de Commissie; verzoekt de Commissie toe te lichten hoe de door de Rekenkamer ontdekte tekortkomingen bij het verlenen van noodhulp voor de Abruzzen werden gecorrigeerd in de herziene verordening betreffende het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, die op 28 juni 2014 in werking is getreden, in het bijzonder met betrekking tot het opstellen van actuele nationale plannen voor het beheer van rampen, de vaststelling van aanbestedingsregelingen voor noodhulp, de oprichting van tijdelijke accommodatie in door natuurrampen getroffen gebieden en de terugvloeiing van inkomsten uit projecten van het Solidariteitsfonds naar de begroting van de Europese Unie;

Te nemen maatregelen

163.  roept de Commissie op om vóór de aanvang van de kwijtingsprocedure 2014 gedetailleerd verslag uit te brengen van de vooruitgang met de BCS die in 2013 als gedeeltelijk doeltreffend werden beoordeeld(45);

164.  verzoekt de Commissie om overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer een beoordeling uit te voeren van de tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 verrichte "eerstelijnscontroles", in overeenstemming met artikel 32, lid 5, van het Financieel Reglement; verzoekt de Commissie in het jaarlijks activiteitenverslag van DG REGIO een beoordeling op te nemen van de betrouwbaarheid van de informatie die de certificerende instanties in de lidstaten doorgeven; is ingenomen met de beoordelingen die sinds 2010 zijn uitgevoerd door middel van gerichte controles bij programma's met een hoog risico in het kader van zijn auditonderzoek "Bridging the assurance gap";

165.  verzoekt de Rekenkamer het Parlement een gedetailleerd verslag te verstrekken over de evolutie van het foutenpercentage (per jaar, per sectoraal beleid en per lidstaat) gedurende de gehele periode van het vorige meerjarig financieel kader (2007-2013);

166.  verzoekt de Commissie van de auditautoriteiten te verlangen dat zij de juistheid certificeren van de door de certificerende instanties voor ieder OP gerapporteerde gegevens inzake de financiële correcties; verzoekt om deze gedetailleerde informatie op te nemen in de bijlage bij het jaarlijks activiteitenverslag van DG REGIO;

167.  verzoekt de Commissie in haar jaarlijkse activiteitenverslag ieder jaar de redenen aan te geven voor het niet maken van punten van voorbehoud (of het maken van punten van voorbehoud met een geringere financiële impact) in die gevallen waarbij de redenen uitzonderingen op de toepasselijke richtsnoeren van de Commissie of de goedgekeurde auditstrategieën vormen;

168.  steunt de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie van de lidstaten moet verlangen dat zij in hun beheersverklaringen (overeenkomstig artikel 59, lid 5, onder a), van het Financieel Reglement) een uitdrukkelijke bevestiging opnemen van de doeltreffendheid van de door de beheersautoriteiten en de certificeringsinstanties verrichte eerstelijnscontroles;

169.  verzoekt de Commissie van de nationale autoriteiten te verlangen dat zij feedback geven over het al dan niet bereiken van de vastgestelde projectdoelstellingen op het gebied van EFRO/CF en ESF; is van mening dat dit op zodanige wijze moet gebeuren dat de geregistreerde gegevens vergelijkbaar zijn op Unieniveau; is van mening dat burgers die belang hebben bij het bereiken van de projectdoelstellingen de mogelijkheid moeten hebben hun mening over het project te geven zodra dit is afgesloten;

170.  roept de Commissie op de "onjuistheden" in de FEI's toe te lichten en de resultaten grondig te beoordelen in het jaarlijks activiteitenverslag 2014 van DG REGIO;

171.  erkent de inspanningen van de Commissie om een prestatiecultuur tot stand te brengen; verzoekt de Commissie (DG REGIO) daarom in haar beheersplan en jaarlijks activiteitenverslag een beoordeling van haar werk met betrekking tot het verhogen van de doelmatigheid, doeltreffendheid en impact van het cohesiebeleid op te nemen; verzoekt de Commissie om, naast de begrotingsuitvoering, de prestaties tegen de doelstellingen af te zetten, beter gebruik te maken van de evaluaties en de lidstaten en hun beheersautoriteiten ondersteuning te bieden om de kwaliteit van hun evaluatieverslagen te verhogen; onderstreept in deze context dat voortaan de resultaten van projecten, de opbrengst van investeringen en de echte toegevoegde waarde voor de economie, de werkgelegenheid en de regionale ontwikkeling in overweging genomen en beoordeeld moeten worden;

Werkgelegenheid en sociale zaken

EU 2020

172.  benadrukt dat de middelen van het ESF een aanzienlijke bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken; wijst erop dat in het verslagjaar ten behoeve van deze doelstellingen kredieten beschikbaar zijn gesteld voor betalingen ter hoogte van 14,1 miljard EUR, waarvan 98% via het ESF; is evenwel van mening dat het noodzakelijk is dit fonds te onderwerpen aan een prestatie-evaluatie, niet zozeer om te weten te komen hoe hoog het opnamepercentage binnen dit fonds is, maar om te weten hoe het is gesteld met zijn werkelijke vermogen om banen te creëren en werklozen opnieuw op de arbeidsmarkt te brengen; verzoekt om aan het einde van het jaar een gedetailleerde analyse in te dienen van de verrichte prestaties, waar het politieke oordeel van het Parlement over het ESF van zal afhangen;

173.  onderstreept het belang van het ESF voor investeringen in maatregelen op het gebied van het scheppen van banen en werkloosheidsbestrijding, in menselijk kapitaal, onderwijs en opleiding, sociale inclusie en toegang tot sociale diensten;

174.  onderstreept dat middelen uit het ESF overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad niet mogen worden gebruikt voor het verplaatsen van banen van de ene lidstaat naar de andere; dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten doeltreffende controles verrichten om deze vorm van misbruik van EU-middelen te voorkomen;

175.  wijst erop dat het voornemen van lidstaten om EU-middelen te absorberen gericht moet zijn op het verwezenlijken van de resultaten en doelstellingen van het ESF en er niet toe mag leiden dat niet stelselmatig wordt gecontroleerd, met name tegen het eind van de subsidiabiliteitsperiode, omdat dit ertoe kan leiden dat niet wordt opgemerkt dat voorschriften worden overtreden en vervolgens projecten worden gefinancierd die te duur zijn, slecht worden uitgevoerd of waarschijnlijk niet het beoogde resultaat zullen opleveren;

176.  benadrukt dat met name de vermindering van de jeugdwerkloosheid dringend is; verwelkomt het feit dat ruim 12,4 miljard EUR van het ESF en het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief bestemd is voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid tijdens de nieuwe programmeringsperiode; roept de Commissie op de lidstaten te steunen bij de tenuitvoerlegging van de EU-middelen en ervoor te zorgen dat het geld besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel; roept de Commissie op om voor de programmeringsperiode 2014-2020 een systeem op te zetten om verslag uit te brengen van de vooruitgang die is geboekt met het integreren van kansarme personen of groeperingen (zoals jongeren, ouderen, langdurig werklozen en Roma) op de arbeidsmarkt;

Roma

177.  wijst erop dat de middelen die bestemd waren voor de integratie van Roma niet altijd voor dit doel zijn besteed; is bezorgd over het feit dat veel Roma te maken hebben met discriminatie en sociale uitsluiting en in erbarmelijke socio-economische omstandigheden leven; is ook zeer bezorgd over informatie dat volgens een onderzoek in 2012 dat is uitgevoerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(46) het gemiddeld inkomen in 90% van de Romahuishoudens onder de nationale armoedegrenzen lag, en dat gemiddeld ongeveer 45% van de Roma in zeer slechte woonomstandigheden leeft;

178.  verzoekt de Commissie de doeltreffende tenuitvoerlegging van de nationale strategieën voor integratie van de Roma op lokaal en regionaal niveau te steunen en ervoor te zorgen dat de begrotingsuitgaven gericht zijn op de doelstellingen van het mainstream-beleid;

Fouten

179.  stelt vast dat 50 van de 182 door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen fouten vertoonden (27%); wijst erop dat op basis van de 30 door haar gekwantificeerde fouten de Rekenkamer het meest waarschijnlijke foutenpercentage schat op 3,1% (3,2% in 2012); wijst erop dat in 13 gevallen waarin eindbegunstigden kwantificeerbare fouten hadden gemaakt, de nationale autoriteiten over voldoende informatie beschikten om de fouten te kunnen voorkomen, opsporen en corrigeren voordat de uitgaven bij de Commissie werden gedeclareerd; wijst erop dat indien al deze informatie gebruikt was om fouten te corrigeren, het geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor dit hoofdstuk 1,3 procentpunt lager zou zijn geweest; wijst erop dat de lidstaten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen;

180.  neemt er nota van dat in het verslag van de Rekenkamer melding wordt gemaakt van een lichte daling van het geraamde foutenpercentage op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, van 3,2% in 2012 naar 3,1% in 2013; merkt op dat dit foutenpercentage het op één na laagste was van alle beleidsgebieden en verwacht dat het foutenpercentage de komende jaren verder zal afnemen;

181.  wijst erop dat de fouten op dit beleidsterreinen net als in voorgaande jaren betrekking hadden op niet-subsidiabele uitgaven (93% betrof te veel in rekening gebrachte overheadkosten, te hoog opgegeven personeelskosten en verkeerd berekende kosten) en niet-naleving van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten (7%);

182.  neemt kennis van de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie samen met de lidstaten voor follow-up moet zorgen ten aanzien van de zwakke punten die DG EMPL heeft geconstateerd bij de thematische risicocontrole van de verificaties van het beheer, en is verheugd over de nieuwe richtsnoeren van de Commissie ter versterking van de betrouwbaarheid van de verificaties van het beheer in de programmeringsperiode 2014-2020; wijst erop dat deze richtsnoeren, waarvoor is geput uit de ervaringen die in de vorige programmeringsperiode zijn opgedaan, aan de lidstaten zijn gepresenteerd en in de eerste helft van 2015 worden afgegeven; onderstreept dat het van groot belang is dat de autoriteiten in de lidstaten gebruik maken van de informatie waarover zij beschikken, om fouten op te sporen en te corrigeren voordat zij bij de Commissie een aanvraag tot vergoeding indienen, omdat daardoor het foutenpercentage op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken aanzienlijk zal dalen;

183.  moedigt DG EMPL aan om ten aanzien van het ESF vast te houden aan zijn streven naar een verdere omslag van het moeten corrigeren van fouten naar het voorkomen ervan, en steunt DG EMPL in zijn pogingen om de lidstaten met de hoogste foutenpercentages voor het ESF te helpen om hun systemen te verbeteren door toepassing van de beste beschikbare werkwijzen; merkt in dit verband op dat de administratieve capaciteit en organisatorische opzet van DG EMPL moeten aansluiten bij zijn werkzaamheden en verantwoordelijkheden jegens de lidstaten;

Betrouwbaarheid van de informatie van de lidstaten

184.  betreurt dat gebrekkige eerstelijnscontroles door nationale beheers- en controlesystemen de belangrijkste bron van fouten bleven; is zeer bezorgd over het feit dat de lidstaten het minder nauw nemen met het besteden van EU-middelen dan van middelen van hun nationale begrotingen terwijl zij een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen; wijst erop dat de volgende programma's systeemfouten vertoonden: Polen, Spanje (Castilla y Leon), Roemenië, Portugal, Italië (Sicilië), Duitsland (Bund), Duitsland (Thüringen), Tsjechische Republiek en Hongarije; wijst erop dat de Commissie daarnaast thematische audits heeft uitgevoerd die tekortkomingen aan het licht brachten in de beheers- en controlesystemen van de operationele programma's voor Ierland (investeringen in menselijk kapitaal), Slowakije (onderwijs) en Spanje (Communidad Valenciana);

185.  wijst erop dat de Commissie bij het controleren van de foutenpercentages die de lidstaten (MS) hadden opgegeven in hun jaarlijkse controleverslagen (ACR) de foutenpercentages met ruim 2% naar boven bijstelde voor de volgende operationele programma's (OP's):

Lidstaat

OP-nummer

Tussentijdse betalingen 2013 in EUR

Foutenpercentage LS in ACR

correctie

COM

Verschil

IT

2007IT052PO009

Bolzano

934 530

4,95%

7,11 %

2,16 %

CZ

2007CZ052PO001

Praha Adapabilita

3,58%

6,45 %

2,87 %

SK

2007SK05UPO002

OP werkgelegenheid en sociale inclusie

86 718 231

1,65%

4,66 %

3,01 %

UK

2007UK052PO002

Low- & Uplands Scotland

74 251 497

1,95%

10,59 %

8,64 %

IT

2007IT052PO001

Abruzzi

0,2%

15,9 %

15,88 %

ES

2007ES052PO011

La Rioja

0,38%

37,76 %

37,38 %

Daarnaast oordeelde de Commissie de ACR's voor de volgende OP's als volledig onbetrouwbaar, leidend tot een forfaitaire correctie:

Lidstaat

OP-nummer

Tussentijdse betalingen 2013 in EUR

Foutenpercentage LS in ACR

COM

forfaitaire

correctie

Verschil

LU

2007LU052PO001

Operationeel programma ESF

4 285 659

0,46%

2,0 %

1,54 %

IT

2007IT051PO001

Campania

77 486 332

0,38%

2,0 %

1,62 %

BE

2007BE052PO001

Duitstalige gemeenschap

0,0%

2,0 %

2 %

ES

2007ES052PO002

Castillia y Leon

10 607 012

0,0%

2,0 %

2,0 %

BE

2007BE052PO003

Federale staat

3,66%

5,0 %

1,34 %

IT

2007IT051PO007

Pon istruzione

78 589 393

0,4%

5,0 %

4,6 %

BE

2007BE052PO005

Vlaanderen

118 201 220

1,61%

10,0 %

8,39 %

UK

2007UK051PO002

West Wales and the valleys

149 600 091

0,36%

10,0 %

9,64 %

UK

2007UK052PO001

East Wales

9 476 602

0,36%

10,0 %

9,64 %

IT

2007IT052PO012

Toscane

61.978.561

1,11

25 %

23,89 %

IT

2007IT052PO016

Sardinië

23.478.530

0,13

25 %

24,87 %

186.  is verheugd over de maatregelen die de Commissie in dit verband heeft genomen, waaronder zowel preventieve als corrigerende maatregelen en de risicogebaseerde controles van DG EMPL;

187.  verwelkomt het feit dat de Commissie haar stringente beleid inzake onderbreking en opschorting in 2013 heeft voortgezet; acht het in dit verband vermeldenswaardig dat de Commissie in 2013 financiële correcties heeft doorgevoerd ter hoogte van 842 miljoen EUR, waarvan 153 miljoen EUR voor de periode 1994-1999, 472 miljoen EUR voor 2000-2006 en 217 miljoen EUR voor 2007-2013; merkt op dat in de drie programmeringsperiodes de financiële correcties voor de volgende lidstaten het hoogst waren :

Lidstaat

Gecumuleerde goedgekeurde/besloten financiële correctie (miljoen EUR)

Gecumuleerde uitgevoerde financiële correctie (miljoen EUR)

Italië

497,7

497,7

Roemenië

312,1

299,1

Spanje

1 070,1

1 064,3

188.  wijst er verder op dat het jaarlijkse activiteitenverslag van DG EMPL een voorbehoud bevat met betrekking tot de betalingen voor de programmeringsperiode 2007-2013, waarbij voor 2013 het risicobedrag 123,2 miljoen EUR bedraagt; wijst erop dat dit voorbehoud 36 van de 118 ESF-OP's betreft (tegenover 27 van de 117 OP's in 2012);

Programmeringsperiode 2007-2013

Lid-

staat

OP-nummer

Naam

Voorbehoud

BELGIË

2007BE051PO001

Convergence Hainaut

Volledig

2007BE052PO002

Troika Wallonie-Bruxelles

Volledig

2007BE052PO003

Federaal

Reputatiegerelateerd

2007BE052PO004

Bruxelles-Capitale : Werkgelegenheid en sociale samenhang

Reputatiegerelateerd

2007BE052PO005

Vlaanderen

Volledig

TSJECHISCHE REPUBLIEK

2007CZ052PO001

Praha Adaptabilita

Reputatiegerelateerd

2007CZ05UPO001

Lidské zdroje a zaměstnanost

Deels reputatiegerelateerd

FRANKRIJK

2007FR052PO001

Programme opérationnel national FSE

Gedeeltelijk

DUITSLAND

2007DE051PO002

Mecklemburg-Vorpommern

Volledig

2007DE052PO003

Berlin

Volledig

IERLAND

2007IE052PO001

Investeringen in menselijk kapitaal

Deels reputatiegerelateerd

ITALIË

2007IT051PO001

Campania

Volledig

2007IT051PO007

PON Istruzione

Volledig

2007IT052PO001

Abruzzo

Deels reputatiegerelateerd

2007IT052PO009

Bolzano

Volledig

2007IT052PO012

Toscana

Volledig

2007IT052PO016

Sardegna

Volledig

POLEN

2007PL051PO001

Program Operacyjny Kapitał Ludzki

Gedeeltelijk

ROEMENIË

2007RO051PO001

Ontwikkeling human resource

Volledig

SLOWAKIJE

2007SK05UPO001

OP Onderwijs

Gedeeltelijk

2007SK05UPO002

OP Werkgelegenheid en sociale inclusie

Deels reputatiegerelateerd

SPANJE

2007ES051PO003

Extremadura

Gedeeltelijk

2007ES051PO005

Andalucia

Volledig

2007ES052PO003

Comunidad Valenciana

Reputatiegerelateerd

2007ES052PO004

Aragon

Volledig

2007ES052PO005

Baleares

Volledig

2007ES052PO007

Cataluña

Reputatiegerelateerd

2007ES052PO008

Madrid

Deels reputatiegerelateerd

2007ES052PO011

La Rioja

Reputatiegerelateerd

2007ES05UPO001

Adaptabilidad Y Empleo

Gedeeltelijk

2007ES05UPO002

Lucha contra la discriminacion

Gedeeltelijk

2007ES05UPO003

Asistencia tecnica

Gedeeltelijk

VERENIGD

KONINKRIJK

2007UK051PO002

West Wales and the Valleys

Volledig

2007UK052PO001

East Wales

Volledig

2007UK052PO002

Lowlands and Uplands of Scotland

Volledig

2007UK052PO003

Noord-Ierland

Gedeeltelijk

Programmeringsperiode 2000-2006

Lid-

staat

OP-nummer

Naam

Voorbehoud

FRANKRIJK

1999FR053DO001

Objectif 3 national

Reputatiegerelateerd

2000FR162DO021

Nord-Pas-de-Calais

ITALIË

1999IT161PO006

Calabria

ZWEDEN

1999SE161DO001

Norbotten & Vasterbotten

VERENIGD

KONINKRIJK

1999GB161DO005

Highlands and Islands of Scotland

2000GB162DO013

Western Scotland

189.  wijst erop dat de punten van voorbehoud in 30 van de 79 gevallen een jaar of langer aansleepten, en dat daarbij geen rekening werd gehouden met terugkerende punten van voorbehoud voor dezelfde programma's; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken om te kunnen beoordelen of de zwakke punten en de regio's dezelfde waren en waarom de nationale beheersautoriteiten er niet zijn in geslaagd de tekortkomingen doeltreffend aan te pakken; neemt kennis van terugkerende punten van voorbehoud in België (regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, werkgelegenheid en sociale cohesie), Duitsland (Thüringen en Berlijn), Ierland (investeringen in menselijk kapitaal), Italië (Campania, vaardigheden en ontwikkeling), Slowakije (onderwijs), Spanje (Extremadura, Andalusië, de Balearen, Catalonië, Rioja, aanpassingsvermogen en werkgelegenheid, bestrijding van discriminatie, technische bijstand) en het Verenigd Koninkrijk (Highlands & Islands - Schotland, Lowlands & Uplands - Schotland); vraagt de Commissie in dit verband waarom deze punten van voorbehoud zich herhaaldelijk hebben voorgedaan en mee te delen welke maatregelen zij heeft genomen om de situatie te verhelpen;

190.  benadrukt dat de voorbehouden betrekking hebben op tussentijdse betalingen aan de OP's in 2007-2013 ter hoogte van 2 159,4 miljoen EUR; wijst erop dat de Commissie het risicobedrag in 2013 raamde op 123,3 miljoen EUR;

191.  steunt de Rekenkamer in haar verzoek aan de Commissie om in haar jaarlijkse activiteitenverslag consequent de redenen aan te geven voor het niet maken van punten van voorbehoud (of het maken van punten van voorbehoud met een geringere financiële impact) in die gevallen waarbij de redenen uitzonderingen op de toepasselijke richtsnoeren van de Commissie of de goedgekeurde auditstrategieën vormen;

192.  blijft bezorgd over systematische tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen in Spanje en Italië die nog worden verergerd door gedecentraliseerde en afgebouwde overheidsstructuren;

193.  verzoekt DG EMPL om de tabel inzake nationale ACR's, opgesteld naar aanleiding van vraag 19 in de kwijtingsvragenlijst, op te nemen in zijn jaarlijkse activiteitenverslag;

194.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de met het beheer van de Structuurfondsen belaste nationale autoriteiten streven naar een oplossing voor het probleem dat bij projecten van de Unie de personeelskosten tegen hogere tarieven worden ingeboekt dan bij projecten die uit nationale middelen worden gefinancierd;

195.  neemt terdege kennis van het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting, met name met betrekking tot werkgelegenheid en sociale zaken, maar betreurt het beperkte aantal verwijzingen naar gendergelijkheid op dit gebied, alsook het feit dat er te weinig aandacht wordt besteed aan werkgelegenheid, maatschappelijke solidariteit en gendergelijkheid in de speciale verslagen van de Rekenkamer van dit jaar;

196.  herhaalt zijn verzoek om de genderspecifieke indicatoren en gegevens verder te ontwikkelen, teneinde de algemene begroting van de Unie te kunnen beoordelen vanuit een genderperspectief en toezicht te kunnen houden op de inspanningen op het gebied van genderbewust budgetteren;

Annuleringen

197.  is bezorgd dat eind 2014 in zes lidstaten (BE, CZ, DE, ES, IT en UK) mogelijk een bedrag van 129 miljoen EUR geannuleerd moet worden;

Progress Microfinance

198.  merkt op dat de Unie 100 miljoen EUR heeft bijgedragen aan Progress Microfinance; herinnert eraan dat het Europees Investeringsfonds dat Progress Microfinance namens de Commissie en de Europese Investeringsbank beheert meldde dat 52 verleners van microkredieten in 20 lidstaten in het kader van Progress Microfinance overeenkomsten hadden ondertekend en dat reeds 31 895 microleningen met een waarde van 260,78 miljoen EUR waren verstrekt aan micro-ondernemers; is in dit verband bezorgd dat bij het opzetten van financiële instrumenten onvoldoende aandacht wordt besteed aan de democratische controleerbaarheid;

Te nemen maatregelen

199.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de lidstaten bij de goedkeuring van OP's voor de nieuwe programmeringsperiode alle mogelijkheden tot vereenvoudiging die toegestaan zijn op grond van de verordeningen inzake de Europese structuur- en investeringsfondsen van 2014-2020, hebben overwogen;

200.  roept de Commissie op om in haar verslag over de follow-up van de kwijting 2013 verslag uit te brengen van de vooruitgang die is geboekt bij het beheer van bovengenoemde OP's onder voorbehoud en van het corrigeren van de vastgestelde tekortkomingen;

201.  dringt er bij de Commissie op aan om ervoor te zorgen dat de autoriteiten van de lidstaten die de structuurfondsen beheren de kwestie aanpakken dat er hogere personeelskosten worden gerekend voor EU-projecten dan voor projecten die uit nationale middelen worden bekostigd;

202.  roept de Commissie op om druk op de lidstaten uit te oefenen en er bij hen op aan te dringen dat de Romastrategie wordt uitgevoerd en dat de besteding van voor de Roma bestemde EU-middelen gewaarborgd is;

203.  roept de Commissie op om druk uit te oefenen op de lidstaten en hen aan te sporen tot het actief en concreet bestrijden van werkloosheid en in het bijzonder jeugdwerkloosheid;

Externe betrekkingen

Druk op de begroting

204.  is ingenomen met het feit dat de kwijtingsprocedure nu meer gericht is op het verhogen van de efficiëntie, zodat het geld van de Europese belastingbetaler optimaal wordt benut; spoort de Commissie in dit verband aan om meer inspanningen te leveren om de terugkoppeling van de evaluatiecyclus te verbeteren, zodat de uit het verleden geleerde lessen en de uit de evaluatie voortvloeiende aanbevelingen in de toekomst in nog grotere mate kunnen bijdragen aan betere besluitvorming, programmering en uitvoering van EU-steun;

205.  is zeer bezorgd dat de betalingskredieten op de begroting 2013 onder beheer van het directoraat-generaal Ontwikkeling en Samenwerking van de Europese Commissie (DG DEVCO) een tekort van 293 miljoen EUR vertoonden, en dat de noodzakelijke verhogingen zo laat werden goedgekeurd dat zij moesten worden overgeheveld naar het volgende jaar, waardoor de reeds krappe betalingskredieten voor 2014 verder onder druk kwamen te staan;

206.  stelt met bezorgdheid vast dat er sprake is van een groeiende tegenstelling tussen enerzijds de internationale verplichtingen van de Unie, haar ambitieuze beleidskaders en nieuwe instrumenten (zoals de ontwikkelingsagenda voor na 2015 en de financieringsinstrumenten voor het externe optreden voor de periode 2014-2020), en anderzijds haar onvermogen om haar verplichtingen jegens haar mondiale partners en andere organen, met name op het gebied van humanitaire hulp, na te komen vanwege ontoereikende betalingskredieten;

207.  is van oordeel dat deze situatie niet alleen het beleid en de geloofwaardigheid van de Unie als de grootste donateur ter wereld op het spel zet, maar ook een gevaar vormt voor het fiscale evenwicht van partnerlanden doordat zij hierdoor begrotingstekorten oplopen; vreest dat deze tegenstelling nog veel uitgesprokener zal worden in 2015, wanneer het algehele niveau van officiële ontwikkelingshulp (ODA) tegen het einde van het jaar ernstig tekort zal schieten ten opzichte van de collectieve doelstelling van 0,7% van het bni van de Unie;

208.  onderstreept dat 2013, vanwege het grote aantal humanitaire crises die enorm menselijk leed veroorzaakten, het tweede opeenvolgende jaar was waarin de humanitaire hulp uit de begroting van de Unie meer dan 1,3 miljard EUR aan vastleggingskredieten bedroeg; betreurt dat de activiteiten van DG ECHO dit crisisjaar te lijden hebben gehad onder het gebrek aan betalingskredieten, en alleen konden worden gehandhaafd door betalingsregelingen te herschikken, wat aan het einde van het jaar resulteerde in een overheveling van 160 miljoen EUR aan achterstallige betalingen; verzoekt de Raad het met het Parlement overeengekomen betalingsplan te waarborgen en uit te voeren;

209.  betreurt de reeds geleden reputatieschade als gevolg van deze ad-hocmaatregelen en wijst op de tegenstelling tussen enerzijds de wereldwijde toename in humanitaire crises in de afgelopen jaren en de door de Unie getroffen beleidsmaatregelen om doeltreffend op plotseling optredende crises te reageren (zoals de opening in mei 2013 van het Europees Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties), en anderzijds de achterblijvende betalingskredieten; vreest dat deze situatie in 2014 zou kunnen verergeren als de begroting niet voldoende wordt verhoogd;

Foutenpercentages

210.  wijst erop dat de Rekenkamer het meest waarschijnlijke foutenpercentage schat op 2,6% en dat het restfoutenpercentage zoals vastgesteld in de tweede studie van EuropeAid wordt geschat op 3,35%; betreurt dat de door de Rekenkamer bij EuropeAid onderzochte systemen slechts gedeeltelijk doeltreffend worden bevonden;

211.  wijst erop dat op twee gebieden, begrotingssteun en EU-bijdragen aan multidonorprojecten die worden uitgevoerd door internationale organisaties zoals de VN, de aard van de instrumenten en de betalingsvoorwaarden de mate beperken waarin de verrichtingen vatbaar zijn voor fouten;

212.  verzoekt de Commissie een speciaal verslag in te dienen over de toegevoegde waarde van begrotingssteun en, in het bijzonder, over de manieren waarop begrotingssteun ontwikkelingslanden heeft geholpen bij het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling; verzoekt in dit verband om een overzicht van de maatregelen die zijn getroffen om de verspilling, ten gevolge van corruptie en fraude, van een deel van de financiering te voorkomen alsmede om een overzicht van de doeltreffendheid van financiële beheerssystemen in dit opzicht;

213.  deelt de kritiek van de Rekenkamer ten aanzien van de zogenaamde "notionele benadering" in het geval van multidonorprojecten en verzoekt de Commissie om de optie te onderzoeken die erin bestaat dat de Commissie een volledige analyse van deze projecten presenteert in haar eigen rekeningen in plaats van zich te beperken tot de overweging of het samengebrachte bedrag voldoende subsidiabele uitgaven omvat om de EU-bijdrage te dekken;

214.  vraagt de Rekenkamer een afzonderlijk foutenpercentage te berekenen op het gebied van externe betrekkingen voor uitgaven die geen deel uitmaken van de begrotingssteun of voor bijdragen aan projecten met meerdere donoren die worden uitgevoerd door internationale organisaties;

Jaarlijkse activiteitenverslagen

215.  betreurt het feit dat met betrekking tot negen verrichtingen in verband met het nationale pretoetredingsprogramma de Commissie een boekingsmethode heeft gebruikt voor de verrekening van bedragen ter hoogte van 150 miljoen EUR op basis van schattingen in plaats van de gemaakte, betaalde, aanvaarde en door ondersteunende documenten aangetoonde kosten; benadrukt dat deze systematische aanpak van DG uitbreiding niet in overeenstemming is met artikel 88 van het Financieel Reglement en artikel 100 van de uitvoeringsvoorschriften; wijst erop dat deze reeds lange tijd gebruikte procedure een groot aantal jaren invloed heeft gehad en nog steeds heeft op de betrouwbaarheidsverklaringen van DG uitbreiding, hetgeen betekent dat in 2013 20% van alle uitgaven van dat DG gebaseerd was op schattingen; is ingenomen met het feit dat de Commissie in 2014 heeft gezorgd voor het opzetten en onverwijld verwezenlijken van een systeem waarmee gewaarborgd is dat de verrekening van de voorfinanciering voortaan wordt gedaan op grond van correct gemaakte en gerapporteerde kosten; merkt op dat de Commissie consequent heeft aangegeven dat geen van de uitgaven door het voormalige DG uitbreiding in de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen officieel was gevalideerd en aanvaard, en dat derhalve niet kon worden aangenomen dat er een mededeling aan de begunstigde was gedaan betreffende aanvaarding;

216.  herinnert eraan dat de directeur-generaal in zijn betrouwbaarheidsverklaring(47) stelde dat de ingevoerde beheersingsprocedures de nodige waarborgen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen; is niettemin van mening dat deze verklaring wordt weersproken door het feit dat hij een algemeen voorbehoud maakte met betrekking tot het foutenpercentage van boven de 2%, wat aantoonde dat de controleprocedures ontoereikend waren om materiële fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren;

217.  verzoekt de Commissie de vaste instructies van het secretariaat-generaal van de Commissie te verduidelijken, zodat het mogelijk wordt een afkeurend oordeel te geven indien de financiële gevolgen de materialiteitsdrempel voor de gehele begroting onder verantwoordelijkheid van een DG overstijgen;

218.  verzoekt de Commissie te overwegen een sanctiemechanisme in te voeren voor gevallen waarin een ordonnateur in zijn jaarlijks activiteitenverslag als bedoeld in artikel 66, lid 9, van het Financieel Reglement opzettelijk een onjuiste betrouwbaarheidsverklaring afgeeft;

Internationale handel

219.  verzoekt de Commissie om personeel van andere directoraten-generaa over te plaatsen naar DG TRADE om te waarborgen dat DG TRADE in staat is om op een doeltreffende, efficiënte en tijdige wijze, zonder gedwongen te zijn andere belangrijke, aan de Commissie toegewezen taken te veronachtzamen, tegemoet te komen aan de gerechtvaardigde vraag van de Europese burgers en het Parlement om een grotere mate van transparantie en toegang tot informatie in verband met lopende handelsbesprekingen van de EU en het aanstaande ratificeringsproces, in het bijzonder met betrekking tot TTIP, CETA en TISA;

220.  wijst erop dat de macrofinanciële bijstand van de Unie aan adequate controles en audits onderworpen moet worden;

221.  wijst erop dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat het stelsel van algemene preferenties (SAP), al zijn er ook positieve ontwikkelingen geweest, nog niet geheel aan zijn doel heeft kunnen beantwoorden; merkt tevens op dat dit systeem gedurende slechts korte tijd in werking is;

222.  onderstreept dat evaluatie en toetsing van handelsakkoorden niet alleen een begrotingskwestie is maar ook essentieel is om partners aan de verplichtingen te houden die zij op het gebied van mensenrechten, en arbeids- en milieurechtelijke normen zijn aangegaan;

223.  verzoekt om voldoende controles op de verschillende ondersteunende activiteiten om kleine en middelgrote ondernemingen van de Unie te internationaliseren en toegang te bieden tot derde markten; wijst erop dat moet worden geëvalueerd in welke mate Europese zakencentra doel treffend zijn, en dat gekeken moet worden naar manieren waarop de coördinatie tussen Europese en nationale zakencentra en kamers van koophandel in derde landen, met name in Azië, te verbeteren valt;

Haïti

224.  stemt in met de aanbevelingen uit het Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over de EU-steun voor herstel na de aardbeving in Haïti, met name wat betreft de vaststelling van een gemeenschappelijke strategie van DEVCO en ECHO met het oog op een doeltreffender koppeling en synergie tussen hun respectievelijke werkzaamheden, en dringt er bij de Commissie op aan dat zij deze aanbevelingen ten uitvoer legt in al haar lopende en toekomstige operaties na rampen of in een onstabiele situatie; verzoekt de Commissie de medewetgevers op de hoogte te stellen van eventuele budgettaire of juridische beperkingen die een doeltreffende tenuitvoerlegging van steun van de Unie voor herstel na de aardbeving in Haïti in de weg stonden;

Blending

225.  stelt met bezorgdheid vast dat het gebruik van gecombineerde financiering (blending) in de energiesector met name gericht is op grote projecten, waarbij minder nadruk op lokale energieoplossingen wordt gelegd; verzoekt de Unie met klem zich te onthouden van een van bovenaf georganiseerde aanpak voor de ontwikkeling van energie-infrastructuur met het oog op universele toegang tot energie tegen 2030, aangezien grootschalige infrastructuur niet altijd binnen de economische en sociale structuur van het land past en de armen – die meestal meer gebaat zijn bij kleinere, gedecentraliseerde en niet op het netwerk aangesloten energiebronnen – geen toegang tot energie biedt;

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

226.  verwelkomt de vooruitgang die de Commissie heeft geboekt bij het accrediteren van alle GBVB-missies overeenkomstig de "beoordelingen van de zes pijlers" en haar inschatting dat de vier grootste missies op korte termijn in overeenstemming met de regelgeving zullen zijn; benadrukt dat de Commissie alle missies dient te accrediteren overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer;

227.  is ernstig verontrust over de zware beschuldigingen van corruptie tegen EULEX Kosovo die, indien zij juist blijken, twijfel zullen oproepen over de integriteit van de Europese Unie en de ondersteuning die zij biedt aan landen die hervormingen op het gebied van de rechtsstaat doorvoeren, en maakt zich in het bijzonder zorgen over de wijze waarop met de beschuldigingen van corruptie wordt omgegaan en over de trage reactie van de Europese Dienst voor extern optreden; neemt kennis van het onderzoek dat is gestart om EULEX door te lichten; verwacht zo spoedig mogelijk geïnformeerd te zullen worden over de resultaten van dit onderzoek, en benadrukt dat er ten aanzien van corruptie een beleid van nultolerantie moet worden toegepast en dat opgedane ervaring moet worden aangewend;

228.  betreurt de aanzienlijke vertragingen bij de aankoop van essentiële apparatuur en diensten voor GVDB-missies en de negatieve gevolgen die dit heeft voor het functioneren van de missie; brengt in herinnering dat de Rekenkamer deze inefficiëntie heeft aangekaart in haar Speciaal verslag van 2012 over de bijstand van de EU aan Kosovo, waarin zij concludeert dat de in het Financieel Reglement vastgelegde voorschriften inzake overheidsopdrachten "niet gericht zijn op GVDB-missies [...], waarbij het soms nodig is snel en flexibel te reageren"; dringt er bij de Commissie op aan dat zij de desbetreffende voorschriften herziet;

Toezichtsverslag externe steun (External Assistance Monitoring Report - EAMR)

229.  wijst erop dat een meerderheid van de delegaties van de Unie niet voldeed aan de benchmarks die de Commissie had vastgesteld voor de essentiële prestatie-indicatoren (KPI's)(48) die zijn opgenomen in 119 toezichtsverslagen inzake externe steun, met betrekking tot financiële planning en toewijzing van middelen, financiële administratie en audits;

230.  wijst erop dat op basis van de door de Commissie vastgestelde KPI's de best presterende delegaties van de Unie de delegaties naar Nepal en Namibië waren, omdat deze voldeden aan de benchmarks die de Commissie had vastgesteld voor 23 van de 26 essentiële prestatie-indicatoren; betreurt dat de slechtst presterende delegatie de delegatie van de Unie naar Libië was, die voldeed aan de benchmarks van slechts 3 van de 26 KPI's, gevolgd door een bijna even slecht presterende delegatie naar de Centraal-Afrikaanse Republiek, die voldeed aan slechts vier benchmarks;

231.  betreurt dat de delegaties onder toezicht van DG ENLARGE, te weten de delegaties naar Albanië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Turkije, Kosovo en Servië, weinig geschikte gegevens en informatie leveren in het kader van het EAMR;

232.  betreurt dat de resultaten, outputs of effecten van de acties onder leiding van de delegatiediensten van de Unie niet adequaat worden gemeten in het kader van de bestaande KPI's, en dat de indicatoren slechts zeer weinig inzicht verschaffen in de kwantiteit en vooral de prestaties van de delegaties en van de mate van tevredenheid van de belanghebbenden over de diensten die de Uniedelegaties in die landen verlenen;

233.  verzoekt de Commissie:

   aan het Parlement de maatregelen te presenteren die zijn genomen om de prestaties van Uniedelegaties te verbeteren wat betreft financiële planning en toewijzing van middelen, financiële administratie en audits, vooral van de slechtst presterende delegaties;
   te zorgen voor betere jaarlijkse documentatie van de conclusies die zij heeft getrokken uit de EAMR's en de KPI's, en deze conclusies tezamen met de EAMR's aan het Parlement te doen toekomen;
   in de EAMR's een balans met boekhoudkundige gegevens van de delegaties op te nemen;
   de kwaliteit en omvattendheid van de gegevens in de EAMR's en de relevantie van de verslagen te verbeteren, vooral inzake de delegaties onder toezicht van DG ENLARGE; en
   voorwaarden op te nemen met betrekking tot de strijd tegen corruptie bij externe steunverlening;

International Management Group (IMG)

234.  neemt kennis van het feit dat een gelekte versie van het eindverslag van OLAF over de internationale managementgroep (IMG) heeft gecirculeerd; verzoekt de Commissie en het Comité van toezicht van OLAF om te onderzoeken waarom en hoe het OLAF-verslag is gelekt en door wie, terwijl IMG nog steeds niet is geïnformeerd over de inhoud van het verslag;

235.  wijst erop dat IMG, direct of indirect onder gedeeld beheer, ruim 130 miljoen EUR van de Commissie heeft ontvangen sinds haar oprichting in 1994; wijst erop dat IMG na de opschorting van de betalingen door de Commissie naar de rechter is gestapt en dat de status van deze organisatie onderwerp is van een juridische controverse; dringt er bij de Commissie op aan een duidelijk besluit over deze kwestie te nemen en verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te brengen van het vervolg dat wordt gegeven aan het in 2011 gestarte onderzoek van OLAF; dringt er bij de Commissie op aan het Parlement een lijst te overleggen van alle organisaties, ondernemingen, andere organen of personen die overeenkomsten met de Commissie hebben gesloten zonder voorafgaande aanbestedingsprocedure, en daarbij hun juridische status aan te geven;

Oekraïne

236.  wijst erop dat in 2013 een bedrag van 152,8 miljoen EUR aan bilaterale bijstand is betaald aan Oekraïne, afkomstig van de begroting voor het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI); wijst erop dat 42,5% van deze betalingen (64,9 miljoen EUR) verband houdt met overeenkomsten die rechtstreeks worden beheerd door de delegatie van de Unie naar Oekraïne; wijst erop dat de resterende 57,5% (87,9 miljoen EUR) is uitbetaald in de vorm van begrotingssteun;

237.  benadrukt dat begrotingssteun afhangt van het bereiken van gezamenlijk overeengekomen resultaten en benchmarks; wijst erop dat de overheid die de steun ontvangt toezegt te zullen streven naar het bereiken van deze resultaten en benchmarks met de ondertekening van een bilaterale financieringsovereenkomst, waarbij de betalingen niet plaatsvinden indien de resultaten en benchmarks niet zijn bereikt;

238.  beseft dat Oekraïne zich momenteel in een uiterst moeilijke situatie bevindt, maar is van oordeel dat dit geen excuus mag zijn om niet te voldoen aan de voorwaarden waaronder begrotingssteun wordt verleend en, in het bijzonder, om niets te doen aan de bestrijding van de wijdverbreide corruptie in het land;

239.  roept de Commissie en de delegatie van de Unie daarom op zich er zeer goed van te verzekeren dat de uitbetaalde middelen ook worden geïnvesteerd in de projecten waarvoor de middelen bestemd waren;

Administratiekosten van de steunverlening

240.  maakt zich zorgen over de hoge administratiekosten van de steunverlening aan Centraal-Azië zoals berekend door de Rekenkamer; verzoekt de Commissie het Parlement in te lichten over de administratiekosten van externe steunverlening indien deze hoger zijn dan 10% van het geraamde budget;

Mogelijke verduistering van EU-middelen voor humanitaire en ontwikkelingshulp

241.  neemt kennis van het feit dat OLAF een verslag heeft opgesteld over de humanitaire steun die is verleend aan het Sahrawi-vluchtelingenkamp van Tindouf in Algerije (OF 2003/526); verzoekt om verduidelijking door de Commissie van de maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van de bevindingen van dit verslag; merkt op dat, volgens een onderzoeksverslag van UNHRC(49), het niet registreren van een groep vluchtelingen gedurende een dusdanig lange periode (d.w.z. bijna 30 jaar na hun aankomst) "een abnormale en unieke situatie in de geschiedenis van UNHRC vormt"; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat de Algerijnse of Sahrawi-personen die van strafbare feiten worden beschuldigd in het OLAF-verslag niet langer toegang hebben tot door de Europese belastingbetalers gefinancierde steun; roept de Commissie op om de door de Unie verleende steun aan te passen aan de feitelijke behoeften van de betrokken bevolking en ervoor te zorgen dat de belangen en behoeften van de vluchtelingen niet in het gedrang komen, omdat zij het kwetsbaarst zijn voor eventuele onregelmatigheden;

242.  is verontrust over de kwestie van fraude met de ambtenarensalarissen in Ghana, waarbij noch de Wereldbank, noch het Verenigd Koninkrijk als projectpartners de Commissie op de hoogte brachten van de ernstige zorgen die zij hadden over tekortkomingen bij de controles en het daaraan verbonden risico op fouten en fraude;

Onderzoek en ander intern beleid

EU 2020

243.  benadrukt dat het zevende kaderprogramma (KP7) het voornaamste door de Commissie gefinancierde programma was: wijst erop dat 809 subsidieovereenkomsten zijn ondertekend, met 10 345 deelnemers en een totale omvang van 3 439 miljoen EUR aan EU-bijdragen; merkt op dat het KP7 bijdraagt aan de inspanningen van de Unie om te investeren in een duurzaam concurrentievermogen, maar wijst erop dat de EU in haar totaliteit nog ver verwijderd is van haar doelstelling om ten minste 3% van het bbp aan O&O te besteden; wijst erop dat vooruitgang is geboekt op het gebied van essentiële prestatie-indicatoren (bruto bestedingen aan onderzoek en ontwikkeling (O&O), aandeel van overheidsuitgaven in O&O, vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de Innovatie-Unie, financiële bijdragen van de Unie aan kleine en middelgrote ondernemingen, verkorting van de subsidietoekenningstermijn);

Fouten

244.  merkt op dat de Rekenkamer 150 verrichtingen controleerde, te weten 89 verrichtingen voor onderzoek (86 van het zevende kaderprogramma (KP7) en drie van het zesde kaderprogramma (KP6)), 25 verrichtingen voor de programma's Een leven lang leren (LLP) en Jeugd in actie (YiA) en 36 verrichtingen voor andere programma's; wijst erop dat de Rekenkamer het meest waarschijnlijke foutenpercentage schatte op 4,6% (2012: 3,9%);

245.  stelt vast dat de uitgaven in deze beleidsgroep een hele reeks beleidsdoelstellingen betroffen, zoals steun voor onderzoek en innovatie, onderwijs, veiligheid, migratie en maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van de financiële crisis; wijst erop dat de Commissie ruim 50% (5 771 miljoen EUR) van het beschikbare bedrag heeft besteed aan onderzoek; wijst erop dat 45% van het onderzoeksbudget van de Commissie werd uitgevoerd door organen (d.w.z. agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen) buiten het directoraat-generaal; wijst erop dat bijna 90% van de uitgaven plaatsvond in de vorm van subsidies aan begunstigden die deelnamen aan projecten, en dat de Commissie in 2013 in totaal 809 subisidieovereenkomsten sloot;

246.  merkt op dat het voornaamste risico voor de regelmatigheid bleef dat de begunstigden niet-subsidiabele of niet-verantwoorde kosten opgaven in hun kostendeclaraties en dat deze door de toezicht- en controlesystemen van de Commissie of de lidstaat niet werden ontdekt of gecorrigeerd;

247.  betreurt dat 35% van het geschatte foutenpercentage te wijten is aan onjuist berekende of niet-subsidiabele personeelskosten; wijst erop dat hierbij onder meer gaat om het opgeven van de begrote kosten in plaats van de werkelijke personeelskosten alsook het aanrekenen van kosten voor tijd die niet aan de projecten is besteed;

248.  betreurt dat 23% van het geschatte foutenpercentage wordt veroorzaakt door indirecte niet-subsidiabele kosten, 25% door andere niet-subsidiabele directe kosten (btw, reizen, enz.) en 17% door niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten;

249.  merkt op dat partijen die voor het eerst een aanvraag indienen, in het bijzonder kmo's, een grotendeels onbekend risico-/foutenprofiel hebben; verzoekt de Commissie om niet de gedane inspanningen te ondermijnen die zijn gedaan om deze partijen aan te moedigen deel te nemen aan het programma door het systematisch verhogen van de administratieve last voor hen;

Beheers- en controlesystemen

250.  is verbijsterd dat de Rekenkamer in negen van de 32 door onafhankelijke controleurs bevestigde kostendeclaraties een aanzienlijk foutenniveau ontdekte; acht een dergelijk foutenniveau onaanvaardbaar, omdat de controleurs hun werk verrichten op hun eigen vakgebied;

251.  verzoekt de Commissie om de controleurs meer bewust te maken van de vervulling van hun rol;

252.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in 2013 in totaal 500 audits achteraf heeft uitgevoerd, met de nodige terugvorderings- en corrigerende maatregelen, alsmede op risicoanalyse gebaseerde controles vooraf;

253.  steunt de aanbeveling van de Rekenkamer, aanvaard door de Commissie, om de controleactiviteiten voor deze beleidsgroep meer te baseren op een risicoanalyse, door de controles toe te spitsen op risicovolle begunstigden (zoals entiteiten met minder ervaring inzake Europese financiering) en de controlelast voor begunstigden met minder risico te verminderen;

254.  onderstreept nogmaals de noodzaak van een juist evenwicht tussen lichtere administratieve lasten en doeltreffende financiële controle;

255.  verwelkomt het feit dat de subsidietoekenningstermijn in 2014 is verminderd van 249 dagen tot 209 dagen voor 94% van de subsidieovereenkomsten;

256.  verwelkomt het feit dat de Commissie haar communicatiecampagne voortzet op basis van een document met de 10 meest voorkomende oorzaken van fouten, dat in 2012 aan alle programmadeelnemers is verstrekt;

257.  merkt op dat eind 2013 het teruggevorderde bedrag aan onverschuldigde betalingen 29,6 miljoen EUR beliep, maar dat het totaal van de uitstaande, nog terug te vorderen bedragen was gestegen van 12 miljoen EUR eind 2012 tot bijna 17 miljoen EUR;

258.  wijst erop dat de projectdeelnemers (de ITER-organisatie en de nationale agentschappen, waaronder Fusion for Europe) hebben erkend dat het huidige tijdschema en budget niet realistisch is, hetgeen ook is bevestigd door verschillende onafhankelijke beoordelingen in de afgelopen twee jaar (2013-2014); wenst een kopie te ontvangen van het herziene tijdschema en budget die in juni 2015 bij de ITER-raad zullen worden ingediend; is verontrust over de regelmatige vertragingen in het ITER-programma waardoor de efficiëntie en doeltreffendheid worden ondermijnd; is zeer verontrust over de extra kosten waardoor de kosteneffectiviteit van het programma is aangetast en andere Europese programma's is gevaar worden gebracht, met name op het beleidsterrein onderzoek;

259.  is verheugd dat het Buitengrenzenfonds heeft bijgedragen aan de bevordering van de financiële solidariteit; betreurt evenwel dat ondanks dit feit de Europese meerwaarde beperkt was en dat het uiteindelijke resultaat niet kon worden gemeten als gevolg van tekortkomingen in het toezicht door de verantwoordelijke autoriteiten en ernstige gebreken in de evaluaties achteraf door de Commissie en de lidstaten;

Galileo

260.  neemt kennis van de antwoorden van de Commissie over de voortgang met de tenuitvoerlegging van het Galileo-project: de lancering van vier Galileo-satellieten voor in-orbit validation (IOV) in 2011 en 2012 is succesvol verlopen, de IOV-fase van Galileo is in 2014 succesvol afgerond, de opzet van het systeem, de prestatiedoelen en de baseline voor de werking van het systeem zijn bevestigd, de infrastructuur op de grond, met een groot aantal stations wereldwijd, is voldoende afgerond om de werking in de beginfase mogelijk te maken, de opsporings- en reddingscapaciteit van de IOV-satellieten is succesvol gedemonstreerd, op 22 augustus 2014 zijn twee satellieten (nr. 5 en 6) gelanceerd, die in een niet optimale omloopbaan terecht zijn gekomen, maar die sinds december 2014 geleidelijk naar een gunstiger omloopbaan zijn gebracht om een optimaal gebruik mogelijk te maken, en het testen van de navigatiecomponenten van de satellieten vindt momenteel plaats; wenst op de hoogte te worden gehouden van de bijkomende kosten voor deze niet geplande maatregelen;

261.  wijst erop dat de Rekenkamer in 2013 acht verrichtingen in de vervoerssector heeft gecontroleerd en daarbij vaststelde dat vijf ervan een of meer fouten vertoonden; vestigt de aandacht op de stijging van het percentage verrichtingen dat fouten vertoonde in 2013 (62%) ten opzichte van 2012 (49%) en vindt het zorgwekkend dat de Rekenkamer net als in eerdere jaren meerdere fouten heeft vastgesteld in verband met niet-nakoming van de regels van de Unie en van de lidstaten op het gebied van het plaatsen van opdrachten voor de gecontroleerde TEN-T-projecten; merkt op dat DG MOVE in 2013, net als in 2012, geen voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de fouten op het gebied van openbare aanbestedingen; dringt er daarom op aan dat de Commissie de nodige maatregelen treft om dergelijke fouten in de toekomst te voorkomen; wijst erop dat het van het grootste belang is om de controle vooraf en achteraf van de ontvangers van subsidies en financiering van de Commissie uit te breiden, om misbruik van EU-middelen te voorkomen en een controle van de prestaties te garanderen; benadrukt dat, ook al is de financieringsperiode 2007-2013 formeel afgesloten, het N+2-beginsel voor cohesiefinanciering nog van kracht is, wat betekent dat veel projecten nog lopen tot het einde van dit jaar;

262.  verzoekt de Commissie om met het oog op de transparantie een toegankelijke jaarlijkse lijst te publiceren van vervoersprojecten die worden medegefinancierd door de Unie, en daarin het exacte bedrag aan financiering voor elk afzonderlijk project aan te geven; merkt op dat deze lijst van projecten betrekking dient te hebben op alle bronnen van Uniefinanciering, zoals TEN-T, Horizon 2020, cohesie- en regionale fondsen;

263.  dringt er bij de Commissie op aan elk jaar verslag uit te brengen van de wijze waarop rekening is gehouden met de toelichtingen bij de respectievelijke begrotingslijnen;

264.  herinnert eraan dat de vervoersprojecten in de periodes 2007-2013 en 2014-2020 gefinancierd zijn en zullen worden uit verschillende bronnen, waaronder de CEF, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling; verzoekt de Commissie te streven naar meer synergie tussen de verschillende financieringsbronnen, met het oog op een doeltreffender toewijzing van Uniemiddelen;

Milieu en volksgezondheid

265.  is tevreden over de algemene uitvoering van de begrotingsrubrieken milieu, klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid in het jaar 2013; herinnert er nogmaals aan dat slechts 0,5% van de begroting van de Unie besteed wordt aan deze beleidsinstrumenten, terwijl de Unie duidelijk meerwaarde biedt op deze gebieden en de burgers van de Unie het milieu- en klimaatbeleid van de Unie en het beleid op het gebied van volksgezondheid en voedselveiligheid steunen; betreurt dat dit percentage in 2012 is gedaald van 0,5% tot 0,8%;

266.  neemt kennis van de behandeling van de beleidsterreinen milieu en gezondheid in het jaarverslag van de Rekenkamer over 2013; betreurt dat beide beleidsterreinen wederom samen met plattelandsontwikkeling en visserij zijn opgenomen in één hoofdstuk; herhaalt zijn kritiek op deze samenvoeging van beleidsterreinen en verzoekt de Rekenkamer bij haar volgende jaarverslag een andere aanpak te volgen; wijst in dit kader op Speciaal verslag nr. 12/2014 van de Rekenkamer getiteld "Worden uit het EFRO op doeltreffende wijze projecten gefinancierd die rechtstreeks de biodiversiteit bevorderen in het kader van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020?", waarin wordt beklemtoond dat de Commissie accuraat moet bijhouden wat er direct en indirect aan biodiversiteit, inclusief Natura 2000, uitgegeven wordt; verzoekt de lidstaten dit proces te faciliteren door nauwkeurige gegevens aan te leveren;

267.  weet dat de Rekenkamer in de lidstaten zeer gedegen steekproeven doet en op basis daarvan tot het foutenpercentage komt; constateert dat de Rekenkamer niet vermeldt in welke lidstaten de grootste problemen liggen en op welke terreinen; wijst daarom op de noodzaak van een duidelijke verantwoordingsketen en hecht in dit kader groot belang aan de kwaliteit van de controlesystemen in de lidstaten;

268.  acht de voortgang die geboekt is bij de uitvoering van 14 proefprojecten en zes voorbereidende acties ten bedrage van in totaal 5 983 607 EUR bevredigend; spoort de Commissie aan om de uitvoering van door het Parlement voorgestelde proefprojecten en voorbereidende acties voort te zetten;

269.  stelt vast dat DG SANCO in 2013 verantwoordelijk was voor de uitvoering van 233 928 461 EUR op begrotingsonderdelen voor volksgezondheid, waarvan 98,1% op bevredigende wijze werd vastgelegd; is ervan op de hoogte dat ongeveer 77% van die middelen rechtstreeks wordt overgedragen aan drie gedecentraliseerde agentschappen (het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)) en dat alle kredieten voor 100% ten uitvoer zijn gelegd, behalve die van EMA en EFSA, en dat deze onvolledige tenuitvoerlegging van vastleggingskredieten van EMA en EFSA correspondeert met het resultaat van 2012;

Cultuur

270.  is ingenomen met het feit dat het uitvoeringspercentage van het budget voor de programma's voor de periode 2007-2013, met name het programma Een leven lang leren en de programma's Cultuur, Media en Jeugd in actie, in 2013 100% bedroeg; verzoekt om de middelen voor de onderwijs en cultuurprogramma's voor 2014-2020 te verhogen; is met name bezorgd over het feit dat de discrepantie tussen de goedgekeurde vastleggingskredieten en de betalingskredieten aan het einde van het jaar resulteerde in een tekort aan betalingen (waardoor er bijvoorbeeld in het Erasmus +-programma een tekort van 202 miljoen EUR ontstond), hetgeen ernstige negatieve gevolgen had voor het volgende jaar; acht het zeer zorgelijk en betreurenswaardig dat een vergelijkbare situatie zich wellicht zal voordoen bij de nieuwe programma's, met name Erasmus + en Creatief Europa, hetgeen voor de Unie een gevaarlijk verlies aan geloofwaardigheid zou meebrengen, het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen zou ondermijnen en desastreuze gevolgen voor de deelnemers aan de programma's zou hebben;

271.  acht het een goede zaak dat het Erasmus-programma sinds de start ervan in 1987 het streefcijfer van 3 miljoen studenten heeft bereikt en overschreden; wijst op het aanhoudende succes dat dit vlaggenschipprogramma van de Unie – dat heeft bijgedragen tot de Europese integratie en het toenemende besef van een gemeenschappelijk Europees burgerschap en de verbondenheid daarmee – sinds zijn invoering heeft gehad;

272.  is bezorgd dat op Europees niveau – zoals gemeld in het speciaal verslag 399 van Eurobarometer over toegang tot en participatie in cultuur (2013) – de overheidsbudgetten voor het behoud en de bevordering van het cultureel erfgoed duidelijk teruglopen, net als de participatie in traditionele culturele activiteiten; is dan ook van mening dat de nieuwe EU-instrumenten ter ondersteuning van de Europese agenda voor cultuur – zoals de programma's Creatief Europa en Horizon 2020, of het platform Europeana – versterkt moeten worden;

Te nemen maatregelen

273.  merkt op dat de directeur-generaal voor Onderzoek en Innovatie een algemeen voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de juistheid van de kostendeclaraties (3 664 miljoen EUR) van KP7 in het jaarlijks activiteitenverslag van het directoraat-generaal, hoewel hij zelf op basis van 1552 afgesloten projecten verwacht dat de netto financiële impact van de fouten ongeveer 2,09% zal bedragen, ofwel dichtbij de materialiteitsdrempel; is van mening dat dergelijke voorbehouden de term "goed financieel beheer" inhoudsloos maken; roept de directeur-generaal daarom op om voorbehouden voortaan op een meer specifieke en gerichte wijze toe te passen;

274.  roept de Commissie op om tijdig voor het follow-upverslag van de kwijting 2013 aan de Commissie informatie te verstrekken over de gemiddelde duur van contradictoire procedures voordat terugvordering plaats kan vinden in deze beleidsgroep;

275.  betreurt dat de Commissie de lijst met begunstigden per land nog steeds niet heeft toegezonden; verwacht van de Commissie een antwoord in het follow-upverslag van de kwijting 2013 aan de Commissie;

276.  verwelkomt het feit dat de Commissie de rapporteur eindelijk toegang heeft verleend tot het auditverslag over de operationele kosten voor de twee programma's (Een leven lang leren 6,9 miljoen EUR, Jeugd in actie 1,65 miljoen EUR) die in Turkije in 2012 en 2013 liepen; wijst erop dat het verslag was ingediend uit hoofde van de kaderovereenkomst; is bezorgd over de vastgestelde ernstige tekortkomingen maar verwelkomt de maatregelen die de Turkse autoriteiten hebben genomen om de situatie op te lossen; verzoekt de Commissie te beoordelen of financiële correcties moeten worden opgelegd;

277.  roept de Commissie op tijdig aanvullende informatie te leveren over de uitgaven voor het steunprogramma voor het informatie- en communicatietechnologiebeleid, zodat deze informatie meegenomen kan worden in het follow-upverslag over de kwijting 2013 aan de Commissie; wijst erop dat het risicobedrag aan betalingen voor dit programma in 2013 wel 3,4 miljoen EUR kan bedragen, wat een restfoutenpercentage van 2,8% oplevert; wijst erop dat ondanks deze feiten de directeur-generaal van het directoraat-generaal Communicatienetwerken, Inhoud en Technologie (DG CONNECT) geen voorbehoud heeft gemaakt;

278.  roept de Commissie op om tijdig voor de kwijtingsprocedure 2014 uitgebreid verslag uit te brengen van de toegenomen "beleidsgerichtheid" van het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, die werd veroorzaakt door het uitbesteden van het beheer van tweederde van de operationele kosten van het KP7 aan organen buiten de Commissie;

279.  verzoekt de Commissie om tijdig voor de kwijtingsprocedure 2014 een overzicht te geven van de vooruitgang op beleidsgebied tussen KP7 en Horizon 2020 voor onderzoekers en kmo's;

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

280.  is ingenomen met de lopende besprekingen tussen OLAF en het Comité van toezicht van OLAF over de herziening van de werkafspraken en moedigt hen aan tot een gezamenlijk en bevredigend akkoord te komen; neemt nota van de inspanningen van OLAF voor de uitvoering van de werkafspraken; benadrukt dat deze inspanningen niet onevenredig mogen zijn, gezien de budgettaire beperkingen van OLAF;

281.  wijst erop dat in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(50), van kracht sinds 1 oktober 2013, wordt bepaald dat OLAF ervoor dient te zorgen dat het secretariaat van het Comité van toezicht onafhankelijk kan werken (overweging 40 van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013); is momenteel niet op de hoogte van maatregelen om deze wettelijke verplichting na te leven; dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk maatregelen te nemen om de situatie op te lossen;

282.  roept OLAF op om zijn Comité van toezicht tijdig te raadplegen alvorens instructies aan de medewerkers inzake onderzoeksprocedures te wijzigen en alvorens beleidsprioriteiten voor onderzoek vast te stellen;

283.  betreurt het feit dat OLAF de aanbevelingen van zijn Comité van toezicht niet altijd uitvoert, soms zelfs zonder daarvoor redenen aan te geven; roept de directeur-generaal op om op dit punt beter samen te werken;

284.  herinnert eraan dat OLAF op 31 januari 2012 423 onderzoeken heeft gestart; vraagt zich af of een dergelijke procedure wettig kan zijn; roept het Comité van toezicht van OLAF op om de wettigheid van het tegelijk starten van 423 onderzoeken en de uitkomsten van die onderzoeken te beoordelen; verzoekt het Comité van toezicht van OLAF daarnaast om de statistieken inzake de duur van de onderzoeken te evalueren en de werking van het dossierbeheersysteem te analyseren, en daarover verslag uit te brengen aan het Parlement;

285.  verzoekt het Comité van toezicht van OLAF om tevens de statistieken inzake de duur van de onderzoeken te evalueren en de werking van het dossierbeheersysteem te analyseren, en daarover verslag uit te brengen aan de bevoegde commissie van het Parlement;

286.  verzoekt OLAF in zijn jaarverslag meer gedetailleerde statistische gegevens te verschaffen over de frequentie waarmee onderzoeken worden gestart en afgesloten;

287.  verzoekt OLAF meer informatie aan het Parlement te verstrekken over de praktische aspecten van de procedure voor het dossierselectieproces, en over de duur en de interne richtsnoeren van het proces;

Administratie

288.  wijst erop dat in de loop van de afgelopen vier jaar (2011-2014) 336 145 aanmeldingen zijn binnengekomen voor alle selectieprocedures die zijn gestart door het Europees Bureau voor personeelsselectie, dat de gemiddelde kosten voor de verwerking van een aanmelding geschat kunnen worden op 238 EUR en dat minder dan 10% van de kandidaten uiteindelijk op een reservelijst wordt geplaatst; eist dat geld van de Europese belastingbetalers wordt bespaard door de administratieve rompslomp te verminderen en de duur van de reservelijsten met minstens twee jaar te verlengen; roept de Commissie op om uiterlijk in juni 2015 verslag uit te brengen over deze kwestie;

289.  verzoekt de Commissie het Parlement het hoogste aan ambtenaren van de Commissie uitgekeerde pensioen in 2013 mede te delen;

290.  is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat zelden gebruik wordt gemaakt van bepalingen voor het aanpakken van slecht presterende personeelsleden; roept de Commissie op het personeelsstatuut onverkort toe te passen;

291.  vraagt om informatie over personeel buiten de personeelsformatie en over personeelskosten die worden gefinancierd van begrotingsposten die niet onder "administratie" vallen; betreurt dat de begrotingsautoriteit geen geconsolideerde informatie heeft ontvangen over het totale aantal van dergelijke personeelsleden, noch over de daaraan verbonden personeelskosten binnen de Commissie;

292.  herinnert eraan dat in Bijlage 1.A bij Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004(51) twee nieuwe rangen zijn ingevoerd, AD13 en AD14, toegankelijk voor functionarissen zonder managementtaken, die voorheen hoogstens A4 konden bereiken (overeenkomend met AD12); vraagt de Commissie om het rapport van 2011 over gemiddelde loopbaanprofielen te actualiseren en verslag uit te brengen van de personeelsuitgaven in 2013 voor personeel zonder managementtaken in AD13 en AD14;

293.  verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over de financiering van alle sociale, sportieve en culturele maatregelen voor haar personeel, onder meer ook over de positieve effecten van deze maatregelen voor het prestatieniveau en de integratie van expats en hun gezinnen;.

294.  verzoekt de Commissie om in haar follow-up van de kwijting aan de Commissie voor 2013 verslag uit te brengen over het gebruik van flexibele werktijdregelingen;

295.  is bezorgd over de aanzienlijke toename van het aantal hoge functionarissen in rang AD13 tot AD16; vreest voor aantasting van de reputatie van de Unie, omdat moeilijk valt uit te leggen dat overwerk niet inbegrepen is in dergelijke hoge salarissen;

296.  merkt op dat de salarisverschillen tussen ambtenaren die werken voor de Europese instellingen en ambtenaren die werken voor de nationale overheden, nog steeds heel groot zijn en onder meer tot gevolg hebben dat er een gebrek aan mobiliteit is tussen het personeel op Europees niveau en dat op nationaal niveau; doet een beroep op de Commissie om een grondige studie te verrichten naar de oorzaken van deze verschillen en een langetermijnstrategie te ontwikkelen om deze verschillen te verkleinen, waarbij zij bijzondere aandacht dient te schenken aan de verschillende vergoedingen (gezins- en ontheemdingstoelagen, inrichtings- en verhuisvergoedingen), jaarlijks verlof, feestdagen, reisdagen en vergoeding voor overwerk;

297.  herinnert aan de door het secretariaat-generaal van de Commissie gepubliceerde mededeling over het verkorten van de antwoorden op parlementaire vragen, die voorziet in een maximum van 20 regels; verzoekt de Commissie haar politieke verantwoordelijkheid volledig te nemen en zich bij het antwoorden niet langer te laten beperken door het secretariaat-generaal;

298.  uit zijn bezorgdheid over de bescherming van klokkenluiders en verzoekt de Commissie erop toe te zien dat volledige eerbiediging van hun rechten wordt gewaarborgd;

299.  wijst erop dat niet-gouvernementele organisaties (NGO's) in 2013 bijna 9 miljoen EUR van DG Milieu, bijna 4 miljoen EUR van DG Gezondheid en consumenten en 5,7 miljoen van DG Werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie hebben ontvangen; neemt nota van het feit dat taken van de Commissie permanent worden uitbesteed; verzoekt de Commissie het Parlement mede te delen welke Europese meerwaarde het via deze NGO's bestede geld heeft opgeleverd;

300.  verzoekt de Commissie de overbruggingstoelage voor de leden van de Commissie die minder dan twee jaar in functie zijn, in de toekomst alleen nog te garanderen voor een periode die niet langer is dan hun ambtstermijn;

301.  is van mening dat in tijden van crisis en algemene bezuinigingen, de kosten voor de “away days” van het personeel van de Europese instellingen moeten worden verlaagd en dat deze dagen zoveel mogelijk moeten plaatsvinden op de kantoren van de instellingen zelf, aangezien de meerwaarde van deze bijeenkomsten niet opweegt tegen de zeer hoge kosten;

302.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan vrouwen op belangrijke posities binnen de Commissie; verzoekt de Commissie een plan op te zetten voor gelijke kansen, met name met betrekking tot leidinggevende posities, zodat zo snel mogelijk een einde aan deze onevenwichtigheid kan worden gemaakt;

Resultaten behalen met de begroting van de Unie

303.  betreurt dat ondanks dat de Rekenkamer(52) enige vooruitgang heeft gemeld, het vierde evaluatieverslag waarin wordt voorzien door artikel 318 VWEU nog steeds geen nuttige bijdrage vormt voor de kwijtingswerkzaamheden, terwijl het overeenkomstig het VWEU een van de bewijsstukken moet zijn voor de jaarlijkse verlening van kwijting aan de Commissie door het Parlement; is bezorgd over het feit dat het gebrek aan prestatiegerichtheid een groot probleem is geworden voor de EU-begroting;

304.  wijst erop dat de Rekenkamer in haar verslag 2013 concludeert dat de lidstaten zich bij de selectie van projecten onder gedeeld beheer voornamelijk hebben bekommerd om het uitgeven van het beschikbaar Europese geld in plaats van zich te richten op de van hen verwachte prestaties; verzoekt om, teneinde deze tendens te keren en een ommezwaai te bewerkstelligen in de richting van een prestatiecultuur, een onafhankelijke werkgroep op hoog niveau (met onder meer academici) bijeen te roepen die aanbevelingen moet doen voor een structurele verschuiving van uitgeven naar goed presteren op basis van een beoordeling van de Europese meerwaarde en met inachtneming van de regels; is van mening dat de bevindingen van deze werkgroep op hoog niveau tijdig, vóór de tussentijdse herziening van het huidig MFK, beschikbaar moeten worden gemaakt en de grondslag moeten vormen voor de nieuwe MFK-programmeringsperiode;

305.  herhaalt zijn verzoek aan de directeuren-generaal van de Commissie om in hun beheersplan een beperkt aantal eenvoudige doelstellingen op te nemen die voldoen aan de vereisten van de Rekenkamer voor wat betreft relevantie, vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid en die gekoppeld zijn aan de belangrijkste doelen van de Europa 2020-strategie, en om verslag uit te brengen van de behaalde resultaten in hun jaarlijkse activiteitenverslagen in een hoofdstuk getiteld "beleidsresultaten", waarna de Commissie op basis daarvan het evaluatieverslag over de financiën van de Unie indient, overeenkomstig artikel 318 VWEU;

306.  vraagt de Commissie om in de volgende evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 318 VWEU een analyse op te nemen van de bereikte resultaten wat betreft groei en banen van het investeringsplan van 315 miljard EUR, op 26 november 2014 aangekondigd door de voorzitter van de Commissie Jean-Claude Juncker op de plenaire vergadering van het Parlement;

307.  vraagt de Commissie om in het volgende evaluatieverslag als bedoeld in artikel 318 VWEU een analyse op te nemen, opgesteld in samenwerking met de Europese Investeringsbank, van efficiency, de doeltreffendheid en de resultaten behaald door het plan voor groei en banen van 120 miljard EUR, goedgekeurd door de Europese Raad op zijn vergadering van 28 en 29 juni 2012;

308.  dringt erop aan dat bij de interne organisatie van de Commissie, onder voorzitterschap van Jean-Claude Juncker, rekening moet worden gehouden met het feit dat de strategie voor groei en banen van de Unie niet gebaseerd is op maatregelen uitgevoerd door elk afzonderlijk DG, maar zeven sectoroverschrijdende vlaggenschipinitiatieven omvat die telkens door verschillende directoraten-generaal worden uitgevoerd; dringt erop aan dat de coördinatie en samenwerking die daarvoor binnen de Commissie nodig is niet leidt tot nieuwe vormen van bureaucratie en administratieve rompslomp;

309.  roept de Commissie op haar begroting zodanig te beheren dat er bij de thematische beleidsvraagstukken geen sprake is van overlapping en verdubbeling tussen de verschillende DG's met soortgelijke of nagenoeg gelijke bevoegdheden;

310.  is van mening dat het concept/idee van duurzaamheidseffectbeoordelingen dient te worden toegepast op alle soorten financiële steun, niet alleen op uitgaven van de Commissie, maar van alle EU-instellingen, -organen en -agentschappen; is van mening dat uitgaven die niet in overeenstemming zijn met een effectbeoordelingsstudie/-analyse, niet mogen worden toegestaan;

311.  verzoekt de Commissie uiterlijk in september 2015 bij de bevoegde commissie van het Parlement een omvattend activiteitenverslag in te dienen, ter bevordering van het openbaar maken van misstanden door het brede publiek;

Uitvoerende agentschappen

312.  betreurt dat volgens het auditverslag over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk(53) het Agentschap geen bevredigende verificaties vooraf verrichtte van de kosten die de beheerder van zijn gebouw aanrekende voor de kantoorruimte, leidend tot een btw-bedrag ad 113 513 EUR dat onverschuldigd was betaald en in 2013 nog niet was teruggevorderd door het uitvoerend agentschap; wijst erop dat de meeste van de onderliggende contracten, facturen en betaalbewijzen niet ter beschikking van het uitvoerend agentschap waren gesteld; wijst op het hoge bedrag aan overdrachten voor titel II (27%, overeenkomend met 666 119 EUR), hetgeen vragen oproept over het financiële beheer van dit uitvoerend agentschap;

Tabakssmokkel

313.  herinnert eraan dat het Europees Parlement in zijn resolutie bij het besluit tot kwijting aan de Commissie voor de begroting 2012 vroeg om een evaluatie van de bestaande akkoorden met de vier tabaksconcerns (Philip Morris International Cooperation Inc. (PMI), Japan Tobacco International Cooperation, British American Tobacco Cooperation en Imperial Tobacco Cooperation); merkt op dat tijdens de hoorzitting met gesloten deuren over dit onderwerp, de Commissie zich ertoe verbond om voor eind mei 2015 een beoordeling voor te leggen van de ervaringen die zijn opgedaan met de overeenkomst met PMI, die binnenkort afloopt.

(1) Speciaal verslag nr. 11/2013 van de Rekenkamer, paragrafen 93 tot 97.
(2) Zie bovengenoemde resolutie van het Parlement van 29 april 2015 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor 2013 - Deel I.
(3) Zie de mededeling van de Commissie van 29 september 2014 over de bescherming van de EU-begroting tot eind 2013 (COM(2014)0618, blz. 11)
(4) Zie het jaarverslag voor 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 1.14.
(5) Zie voornoemde mededeling van de Commissie COM(2014)0618, tabel 5.2: inhoudingen binnen het cohesiebeleid (775 miljoen EUR), terugvorderingen betreffende plattelandsontwikkeling (129 miljoen EUR) en financiële correcties uitgevoerd via annulering/aftrek bij afsluiting binnen het cohesiebeleid (494 miljoen EUR) of op andere beleidsterreinen dan landbouw en cohesiebeleid (1 miljoen EUR).
(6) Zie voornoemde mededeling van de Commissie COM(2014)0618, tabel 7.2.
(7) Zie de mededeling van de Commissie van 11 juni 2014 " Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2013 " (COM(2014)0342), punt 14: maximale totale risicodragende bedrag voor de gehele uitgaven van 2013 (algemene begroting en EOF-begroting).
(8) In bijlage 1 bij het syntheseverslag worden "risicobedragen" gedefinieerd als "de waarde van de fractie van de transacties die na toepassing van alle controles (corrigerende maatregelen) ter mitigatie van compliancerisico's naar verwachting niet geheel overeenkomstig de passende wettelijke en contractuele regels is".
(9) Van de 322 miljard EUR vertegenwoordigt 222 miljard euro niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen en heeft 99 miljard EUR te maken met balansverplichtingen die niet door niet-afgewikkelde vastleggingen worden gedekt;
(10) Presentatie van de jaarverslagen van de Rekenkamer door de voorzitter Vítor Manuel da Silva Caldeira op de vergadering van CONT van 5 november 2014.
(11) Ibidem.
(12) Informatie verstrekt tijdens de kwijtingsprocedure door vicevoorzitter van de Commissie Kristalina Georgieva.
(13) Zie Speciaal Verslag nr. 16/2014 van de Europese Rekenkamer.
(14) COM(2013)0362.
(15) Zie het jaarverslag voor 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 2.11, en het Speciaal verslag nr 11/2013 (Kwijting 2013) "Op weg naar correcte gegevens over het bruto nationaal inkomen (bni): een meer gestructureerde en gerichte aanpak zou de doeltreffendheid van de verificatie door de Commissie verbeteren".
(16) Verklaring van Jacek Dominik over de herziening van het bruto nationaal inkomen van de lidstaten, persbericht van 27 oktober 2014 te Brussel, laatste zin.
(17) Advies nr. 7/2014 over een voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB C 459 van 19.12.2014, blz. 1).
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0078.
(19) Zie het overzicht van de Rekenkamer "De middelen van de EU optimaal benutten: een overzicht ("landscape review") van de risico’s voor het financiële beheer van de EU-begroting", 2014, blz. 67.
(20) Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).
(21) Indicatieve cijfers van steun per steun-grootteklasse, ontvangen in het kader van rechtstreekse steun aan producten krachtens Verordening (EG) 1782/2003 van de Raad en Verordening 73/2009 van de Raad, verstrekt door commissaris Hogan op 8 december 2014.
(22) De frequentie steeg aanzienlijk: van 41% in 2012 tot 61% in 2013.
(23) In Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1) is bepaald in bepaalde regio's overgangssteun mag worden toegekend ter ondersteuning van producenten die de status van producentenorganisatie (PO) wensen te verkrijgen om producentengroeperingen te vormen; deze steun kan gedeeltelijk door de EU worden vergoed en wordt beëindigd zodra de producentengroepering is erkend als PO.
(24) Zie het jaarverslag voor 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 43.
(25) Zie antwoord van de commissaris op schriftelijke vraag nr. 11 op de hoorzitting van CONT met commissaris Phil Hogan op 11 december 2014.
(26) Zie het jaarverslag voor 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 3.23 e.v.
(27) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG AGRI, Bijlage 10, tabel 51: "nieuwe lopende zaken sinds 2007".
(28) Zie het jaarverslag over 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 4.25.
(29) Zie het jaarverslag over 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 4.27.
(30) Zie antwoord op schriftelijke vraag nr. 29 op de hoorzitting van CONT met commissaris Phil Hogan op 11 december 2014.
(31) Zie het Speciaal verslag nr. 23/2014 van de Rekenkamer "Fouten in de uitgaven voor plattelandsontwikkeling: wat zijn de oorzaken en hoe worden deze aangepakt", blz. 10: 8,2% is het gemiddelde voor de periode van drie jaar, waarbij de percentages uiteenlopen van 6,1% tot 10,3%. De gemiddelden bedragen 8,4% voor 2011, 8,3% voor 2012 en 7,9% voor 2013.
(32) Zie het Speciaal verslag nr. 23/2014 van de Rekenkamer, blz. 22 tot 24.
(33) Verklaring van Rasa Budbergyte, lid van de Rekenkamer, op de hoorzitting van CONT met commissaris Phil Hogan op 11 december 2014.
(34) Zie antwoord op schriftelijke vraag nr. 12 op de hoorzitting van CONT met commissaris Phil Hogan op 11 december 2014.
(35) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG AGRI, tabel 2.1.24.
(36) Speciaal verslag nr. 20/2014 van de Rekenkamer, paragraaf 68.
(37) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG REGIO, Bijlage, blz. 41.
(38) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG REGIO, Bijlage, blz. 42.
(39) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG REGIO, Bijlage, blz. 43.
(40) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (PB L 138 van 13.5.2014, blz. 5),
(41) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(42) Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 2010 van 31.7.2006, blz. 25).
(43) COM(2015)0118.
(44) PB L 266 van 5.9.2014, blz. 69, para. 139 e.v.
(45) Betreurt dat de volgende 73 BCS in de lidstaten werden beoordeeld als hooguit gedeeltelijk betrouwbaar (gemarkeerd in oranje, in het kleurenschema groen, geel, oranje, rood): Vorarlberg (AT), Wenen (AT), Stiermarken (AT), Tirol (AT), Brussel (BE), regionale ontwikkeling (BG), milieu (BG), bedrijfsleven & innovatie (CZ), ROP NUTSII Noord-Oost (CZ), ROP NUTS II Silezië (CZ), Geïntegreerd OP (CZ), Thüringen (DE), Mecklenburg-Vorpommern (DE), Sachsen-Anhalt, Bremen (DE), Nordrhein-Westfalen (DE), EC ENV (EE), Attica (EL), West-Griekenland (EL), Macedonië-Thracië (EL), Thessalië-continentaal Griekenland-Epirus (EL), Kreta en de Egeïsche eilanden (EL), Murcia (ES), Melilla (ES), Ceuta (ES), Asturias (ES), Galicië (ES), Extremadura (ES), Castilla La Mancha (ES), Andalusië (ES), Cohesiefondsen (ES), Cantabrië (ES), Baskische regio (ES), Navarra (ES), Madrid (ES), Rioja (ES), Catalonië (ES), Balearen (ES), Aragon (ES), Castilla y León (ES), regio Valencia (ES), Canarische eilanden (ES), Onderzoek, ontwikkeling en innovatie voor ondernemingen (ES), Economische ontwikkeling (HU), Milieu energie (HU), West-Pannonië (HU), Zuidelijke Grote Laagvlakte (HU), Midden-Transdanubië (HU), Noord-Hongarije (HU), Vervoer (HU), Noordelijke Grote Laagvlakte (HU), Zuid-Transdanubië (HU), Midden-Hongarije (HU), Adriatische regio (Instrument voor pretoetredingssteun - IPA), Mecklenburg Vorpommern/Brandenburg-Polen (Europese territoriale samenwerking - ETC), Vlaams-Nederlandse grensregio (ETC), Netwerken en mobiliteit (IT), Onderzoek (IT), Veiligheid (IT), Calabrië (IT), Puglia (IT), Sicilië (IT), Basilicata (IT), Sardinië (IT), Infrastructuur en milieu (PL), Ontwikkeling Oost-Polen (PL), Informatiemaatschappij (SK), Milieu (SK), Regionaal OP (SK), Vervoer (SK), Gezondheid (SK), Concurrentievermogen en economische groei (SK), Technische bijstand (SK), Onderzoek en ontwikkeling (SK).
(46) Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, De situatie van Roma in 11 lidstaten van de EU, Luxemburg, 2012.
(47) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van EuropeAid, blz. 197.
(48)a.b.c.d.e.f.g.h.i.KPI "20 Ex ante niet susidiabele bedragen"KPI 1 "Uitvoering financiële ramingen: Betalingen"KPI 2 "Uitvoering financiële ramingen: Contracten"KPI 4 "Absorptiecapaciteit RAL"KPI 18 "Percentage bezochte projecten in de EAMR-periode"KPI 21 "Uitvoering jaarlijks auditplan: Jaar N (2013)"KPI 22 "Uitvoering jaarlijks auditplan: Jaar N-1 (2012)"KPI 23 "Uitvoering jaarlijks auditplan: Jaar N-2 (2012)"KPI 26 "Terugvordering of rechtvaardiging audit niet-subsidiabele bedragen"
(49) UNHCR Inspector General's Office, Inquiry Report INQ/04/005, Genève, 12 mei 2005.
(50) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(51) Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1).
(52) Zie het jaarverslag over 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 10.24.
(53) Zie het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (het voormalige Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) betreffende het begrotingsjaar 2013, vergezeld van de antwoorden van het Agentschap (PB C 442 van 10.12.2014, blz. 358, paragrafen 11 tot 13).

Juridische mededeling