Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2139(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0070/2015

Ingediende teksten :

A8-0070/2015

Debatten :

PV 28/04/2015 - 16
CRE 28/04/2015 - 16

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.21
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0130

Aangenomen teksten
PDF 203kWORD 95k
Woensdag 29 april 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Kwijting 2013: prestaties, financieel beheer en controle van de EU-agentschappen
P8_TA(2015)0130A8-0070/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de agentschappen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013: prestaties, financieel beheer en controle (2014/2139(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de agentschappen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285, SWD(2014)0286),

–  gezien de specifieke jaarverslagen(1) van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekeningen van de gedecentraliseerde agentschappen voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(4),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(5), en met name artikel 110,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0070/2015),

A.  overwegende dat deze resolutie voor elk orgaan in de zin van artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 de horizontale op- en aanmerkingen bevat die zijn vervat in de kwijtingsbesluiten volgens artikel 110 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie en artikel 3 van bijlage VI bij zijn Reglement;

B.  overwegende dat het aantal agentschappen de laatste tien jaar significant is toegenomen, van 3 in 2000 tot 32 in 2013,

1.  wijst nogmaals op het belang van de door de agentschappen uitgevoerde taken en hun rechtstreekse invloed op het dagelijks leven van de burger, en het belang van de zelfstandigheid van de agentschappen, met name de regelgevende agentschappen en agentschappen waarvan de opdracht bestaat uit het onafhankelijk verzamelen van informatie; herinnert eraan dat de oprichting van agentschappen vooral tot doel had om tot onafhankelijke technische en wetenschappelijke beoordelingen te komen; wijst erop dat de gedecentraliseerde agentschappen de Commissie helpen, handelend uit naam van de Unie, de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie; vraagt de Commissie en het netwerk van agentschappen van de Europese Unie ("het netwerk") hun communicatiebeleid te verbeteren om ervoor te zorgen dat de agentschappen op doeltreffende wijze met de burgers communiceren, teneinde het bewustzijn over hun productiviteit en resultaten te verhogen;

2.  wijst op de rol die de agentschappen vervullen bij de ondersteuning van het beleid van de Unie; dringt aan op een beter gebruik van deze expertise en capaciteit in de relevante fasen van het beleidsproces van het Europees Semester; benadrukt de bijdrage die de agentschappen leveren om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken;

3.  erkent dat een hoog aantal agentschappen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht zijn opgericht, maar herinnert aan de belangrijke taken die deze agentschappen vervullen en de directe impact ervan op het dagelijks leven van de burgers; onderstreept dat alle nieuwe agentschappen zijn opgericht om op een reële behoefte in te spelen: merkt op dat bepaalde agentschappen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht operationele agentschappen zijn en dat de uitvoering van hun begrotingen eveneens van externe factoren afhankelijk is;

4.  is van mening dat de bespreking van de ontwerpen van de jaarlijkse werkprogramma's en de meerjarenstrategieën van de agentschappen in de bevoegde commissies helpt om ervoor te zorgen dat de programma's en strategieën een afspiegeling zijn van de feitelijke beleidsprioriteiten;

5.  stelt vast dat de Rekenkamer in haar samenvatting van de resultaten van haar jaarlijkse controles van de Europese agentschappen en andere organen voor 2013 ("de samenvatting van de Rekenkamer") meldt dat de begroting van de agentschappen voor 2013 ongeveer 2 miljard EUR beliep, wat overeenkomt met een toename van 25 % in vergelijking met 2012 en neerkomt op ongeveer 1,4 % van de algemene EU-begroting; stelt vast dat deze toename vooral het resultaat is van de pas opgerichte agentschappen en nieuwe verantwoordelijkheden van sommige agentschappen; verneemt uit de samenvatting van de Rekenkamer dat de agentschappen ongeveer 6 500 ambtenaren in vaste en tijdelijke dienst hebben, hetzij 14 % van het totale aantal EU-ambtenaren dat krachtens de algemene EU-begroting is toegestaan; stelt daarnaast vast dat de agentschappen ongeveer 2 900 arbeidscontractanten en gedetacheerde personeelsleden in dienst hebben;

6.  brengt in herinnering dat het met de agentschappen samenhangende risico op reputatieschade voor de Unie groot is, aangezien zij een aanzienlijke invloed hebben op het beleid en de besluitvorming en programma-uitvoering op gebieden die van essentieel belang zijn voor de Europese burgers;

7.  merkt op dat het beginsel van een goede prijs-kwaliteitverhouding ook voor de agentschappen geldt en dat zij moeten aantonen dat hun prestaties doeltreffend zijn en ervoor zorgen dat burgers goed geïnformeerd zijn over de resultaten van de werkzaamheden van de agentschappen; vraagt het netwerk de kwijtingsautoriteit goed op de hoogte houden van het gebruik en de meerwaarde van het gemeenschappelijk geheel van beginselen en handboeken over prestatiemeetsystemen en -kaders, meerjaren- en jaarlijkse programmeringsdocumenten, kernprestatie-indicatoren, rapportage- en evaluatie-instrumenten;

Gemeenschappelijke aanpak en routekaart van de Commissie

8.  brengt in herinnering dat het Parlement, de Raad en de Commissie in juli 2012 een gemeenschappelijke aanpak over gedecentraliseerde agentschappen hebben aangenomen ("de gemeenschappelijke aanpak"), een politieke overeenkomst over de hervorming en het toekomstige beheer van agentschappen; merkt op dat de Commissie voor de follow-up van deze overeenkomst verantwoordelijk is;

9.  is ingenomen met de routekaart van de Commissie van december 2012 voor de follow-up van de gemeenschappelijke aanpak van gedecentraliseerde EU-agentschappen ("de routekaart"), en roept alle betrokken partijen ertoe op om de uitvoering van de daarin uiteengezette ideeën voort te zetten; onderkent dat de routekaart van de Commissie een gedetailleerd plan bevat voor de wijze waarop de follow-up van de gemeenschappelijke aanpak zal worden uitgevoerd, alsook een lijst van 90 punten waarvoor alle betrokken partijen actie moeten ondernemen;

10.  neemt kennis van het voortgangsverslag van de Commissie over de uitvoering van de gemeenschappelijke benadering, de agenda voor 2013 en daarna en de gezamenlijke inspanningen van de Commissie en de gedecentraliseerde agentschappen, die aantoonbaar verbetering hebben opgeleverd; is in verband hiermee tevreden met de verduidelijking van de werkwijzen en de rollen van de interne controlefuncties en de interne auditdiensten van de agentschappen in de herziene financiële kaderregeling(6) (FKR), alsmede met de richtsnoeren voor de anti-fraudestrategieën van de agentschappen die zijn uitgewerkt door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

11.  heeft van het netwerk vernomen dat de agentschappen aanzienlijke vorderingen hebben gemaakt voor wat de uitvoering van de in de gemeenschappelijke benadering voorziene maatregelen betreft; neemt voorts kennis van het feit dat het voltooiingspercentage van de in de routekaart opgenomen en voor de agentschappen relevante maatregelen volgens de enquête die het netwerk heeft gehouden bij de agentschappen waarop de routekaart van toepassing is, 96 % bedraagt;

12.  neemt kennis van het feit dat de diensten van de Commissie standaardbepalingen hebben uitgewerkt, inclusief gepaste wettelijke bepalingen, die de in de gemeenschappelijke aanpak overeengekomen beginselen weerspiegelen, alsook andere bepalingen die doorgaans deel uitmaken van het oprichtingsbesluit van de agentschappen; accepteert dat deze standaardbepalingen als referentie worden gebruikt wanneer nieuwe agentschappen worden opgericht of wanneer bestaande oprichtingsbesluiten worden herzien;

13.  merkt op dat de Commissie op basis van de bijdrage van de agentschappen richtsnoeren heeft opgesteld met standaardbepalingen voor zetelovereenkomsten tussen de gedecentraliseerde agentschappen en de lidstaten waar deze gevestigd zijn; stelt met bezorgdheid vast dat 10 agentschappen nog altijd niet over een zetelovereenkomst beschikken; dringt er bij deze agentschappen op aan iets aan deze situatie te doen en het bereiken van zetelovereenkomsten als een prioriteit te beschouwen om kosten te besparen en de efficiëntie te verhogen; vreest dat het ontbreken van zetelovereenkomsten ernstige gevolgen kan hebben voor het personeel van de agentschappen en verzoekt de lidstaten de overeenkomsten vóór het begin van de volgende kwijtingsprocedure te voltooien;

14.  acht het noodzakelijk een grondige evaluatie uit te voeren van de mogelijkheid om agentschappen met gelijkaardige taken samen te voegen, niet alleen om verspilling van middelen tegen te gaan maar ook om voor een kritische massa te zorgen ter vergroting van de efficiëntie van de agentschappen;

15.  stelt vast dat de Commissie haar dienstverlening aan de agentschappen heeft verbeterd met zowel algemene als specifieke aanbevelingen, waarvoor zij de inlichtingen en suggesties van het netwerk heeft gebruikt; merkt op dat deze verbeteringen in de context van de beperkte financiële en menselijke middelen hebben geleid tot de overweging van mogelijke structurele maatregelen ter rationalisering van de werking van agentschappen; merkt op dat deze maatregelen al resultaten hebben opgeleverd, bijvoorbeeld in de vorm van het delen van diensten door de agentschappen onderling, en moedigt de agentschappen aan deze inspanningen te blijven leveren;

Begrotings- en financieel beheer

16.  herhaalt dat jaarperiodiciteit, eenheid en evenwicht de drie fundamentele boekhoudbeginselen vormen, die onontbeerlijk zijn voor een efficiënte uitvoering van de begroting van de Unie; stelt vast dat gedecentraliseerde agentschappen het beginsel van jaarperiodiciteit niet altijd volledig eerbiedigen; vraagt de agentschappen de fouten op dit vlak tot een minimum te beperken;

17.  maakt uit de samenvatting van de Rekenkamer op dat een groot aantal overgedragen vastleggingskredieten het vaakst voorkomende probleem op het vlak van begrotings- en financieel beheer vormt, en dat dit probleem 24 agentschappen betreft; erkent dat een hoog niveau van overdrachten in strijd is met het begrotingsbeginsel van jaarperiodiciteit;

18.  stelt vast dat de Rekenkamer in zeven gevallen nog steeds een hoog niveau van annuleringen van overdrachten uit voorgaande jaren heeft geconstateerd; merkt op dat dergelijke annuleringen erop wijzen dat de overdracht van kredieten heeft plaatsgevonden op basis van overschatte behoeften of anderszins niet gerechtvaardigd was; verzoekt de agentschappen al het mogelijke te doen, met name met betere budgettaire planningsprocessen, om overdrachten in de toekomst te voorkomen en zich in het bijzonder toe te leggen op die agentschappen die overdrachten uit voorgaande jaren hebben geannuleerd;

19.  wijst erop dat de Commissie op 30 september 2013 een nieuwe FKR heeft aangenomen met als doel de regels voor de agentschappen te vereenvoudigen;

20.  stelt vast dat de Commissie met het oog op meer coherentie en een betere vergelijkbaarheid tussen de van de agentschappen afkomstige documenten samen met de agentschappen aan richtsnoeren werkt voor het programmeringsdocument, dat een jaarlijkse en een meerjarige component omvat, en aan een model voor geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV's) die voldoen aan de vereisten van de nieuwe FKR;

21.  stelt vast dat er conform de FKR uiterlijk op 1 juli van elk jaar een geconsolideerd JAV moet worden verstuurd naar de Commissie, de Rekenkamer en de kwijtingverlenende autoriteit, met informatie uit het JAV, interne en externe auditverslagen en financiële verslagen, zoals vereist volgens de vorige financiële kaderregeling; stelt vast dat de kwijtingsverslagen gezien hun specifieke aard en de bestemmelingen van de voorlopige jaarrekeningen gescheiden blijven;

22.  betreurt het feit dat de Rekenkamer met betrekking tot het Europees Instituut voor innovatie en technologie en Frontex nog een verklaring met beperking heeft afgegeven voor de jaarrekeningen ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen die aan deze rekeningen ten grondslag liggen; is bezorgd over het nog steeds hoge aantal opmerkingen (97) van de Rekenkamer met betrekking tot 35 agentschappen; dringt er bij het netwerk op aan erop toe te zien dat de betrokken agentschappen alle nodige maatregelen nemen om gevolg te geven aan de opmerking van de Rekenkamer;

Samenwerking tussen agentschappen - gedeelde diensten en synergieën

23.  uit zijn twijfels over de geografische ligging van agentschappen, waarvan vele ver weg van de andere Europese instellingen zijn gevestigd; is van mening dat geografische afstand niet noodzakelijk is voor de bescherming van de onafhankelijkheid van de agentschappen en niet automatisch garantie vormt tegen ongewenste inmenging van de Commissie of de lidstaten, maar in alle gevallen wel bijkomende reiskosten met zich meebrengt en het moeilijker maakt te profiteren van synergieën, zoals meer gecentraliseerde administratieve en financiële diensten die door alle of een aantal agentschappen worden gedeeld;

24.  stelt vast dat alle agentschappen hun interne administratieve procedures hebben onderzocht, in overeenstemming met de vorige aanbevelingen van de kwijtingverlenende autoriteit; stelt eveneens vast dat een aantal agentschappen al bezig is met een reguliere procedurebeoordeling, uitgevoerd overeenkomstig de ISO-certificering (ISO 9001), en met controles door hun diensten voor kwaliteit en interne controle; onderkent dat sommige agentschappen met het oog op de beoordeling van hun interne administratieve procedures de hulp van adviseurs hebben ingeroepen;

25.  is ingenomen met het feit dat in de FKR in de mogelijkheid wordt voorzien om diensten te delen of over te dragen indien daarmee kostenvoordelen kunnen worden behaald; brengt in herinnering dat de agentschappen al synergieën identificeren, goede praktijken uitwisselen en diensten met elkaar delen met als doel efficiënt te functioneren en hun hulpmiddelen optimaal te benutten; onderkent de tendens van samenwerking tussen de agentschappen onderling, die de komende jaren nog zal groeien en hen in staat zal stellen hun doelstellingen te blijven bereiken; merkt op dat 82 % van de agentschappen een memorandum van overeenstemming met andere agentschappen heeft ondertekend; vraagt de agentschappen om hun al goed ingeburgerde samenwerking en gedeelde diensten te blijven uitbreiden; nodigt de agentschappen uit proactief te zoeken naar manieren om samen te werken om de efficiëntie en doelmatigheid van hun werk te verhogen;

26.  heeft van de agentschappen vernomen dat er een online communicatie-instrument is gecreëerd dat als platform dient voor de uitwisseling van informatie, kennis en goede praktijken tussen de agentschappen en dat een gegevensbank omvat met gedeelde diensten op diverse domeinen en met verwijzingen naar nieuwe initiatieven; stelt vast dat de samenwerking tussen de agentschappen binnen hun respectieve specialisatiedomeinen continu toeneemt en dat 65 % van de agentschappen van plan is om in de nabije toekomst nieuwe initiatieven te lanceren en nieuwe memoranda van overeenstemming te ondertekenen met andere agentschappen;

Prestatiebeoordeling

27.  is verheugd dat overeenstemming is bereikt over een gemeenschappelijk geheel van beginselen voor efficiënt, doeltreffend en resultaatgericht beheer, en gemeenschappelijke richtsnoeren voor prestatiemeetsystemen, meerjaren- en jaarlijkse programmeringsdocumenten en rapportage- en evaluatie-instrumenten; benadrukt dat het netwerk lid moet worden van de nieuwe interinstitutionele werkgroep voor prestatiebeoordeling om tot een gemeenschappelijk begrip van het concept van een goede en verbeterde prestatie te komen; vraagt dat de Rekenkamer tijdig een evaluatie van de prestaties en resultaten van de agentschappen levert voor de herziening van het meerjarig financieel kader 2016;

28.  is van oordeel dat de trend om bij de verslaglegging meer aandacht te besteden aan doeltreffendheid en resultaten, positief is; wenst dat de verslaglegging verder wordt verbeterd in deze richting om de democratische verantwoordingsplicht van de agentschappen verder te vergroten;

Personeelsbeheer

29.  neemt kennis van het feit dat de Commissie in juli 2013 een mededeling heeft aangenomen tot vaststelling van een programmering van de personeels- en financiële middelen voor de gedecentraliseerde agentschappen voor de periode 2014-2020(7), met als doel de middelen en de beperkingen in dit verband uit hoofde van het meerjarig financieel kader 2014-2020 met elkaar te verenigen;

30.  heeft van het netwerk vernomen dat de meeste agentschappen de vereiste personeelsvermindering van 5 % al in hun meerjarenplannen voor personeelsbeleid hebben opgenomen, zij het met grote moeite; betreurt het feit dat de Commissie een bijkomende herindelingspool heeft opgericht ter hoogte van 5 % van het personeel en zo aanvullende inkrimpingen oplegt bij de personeelsformaties van de agentschappen, waarbij de afgesproken doelstelling van 5 % wordt overschreden;

31.  weet via het netwerk dat bepaalde agentschappen het nu al heel moeilijk hebben om hun taken naar behoren uit te voeren met de beperkte middelen waarover zij beschikken; merkt bezorgd op dat het moeilijk zal worden voor de agentschappen om werk van dezelfde kwaliteit te blijven leveren als deze tendens van aanvullende personeelsinkrimpingen zich doorzet, aangezien de EU de agentschappen almaar meer taken en verantwoordelijkheden toewijst; verzoekt de Commissie haar voornemens voor aanvullende personeelsinkrimpingen te herzien en aan te passen aan de werklast en de behoefte aan middelen van elk agentschap;

32.  herinnert aan het standpunt van het Parlement over de begrotingsprocedure, namelijk dat personeel dat betaald wordt uit bijdragen van het bedrijfsleven en dus niet uit de EU-begroting buiten de door de EU toegepaste jaarlijkse bezuiniging van 1 % moet blijven; is in dit verband van oordeel dat de Commissie een onderscheid dient te maken ten aanzien van de agentschappen die voornamelijk uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, en dat zij een andere regeling moet voorstellen voor de agentschappen die voornamelijk worden gefinancierd uit bijdragen van het bedrijfsleven, welke evenredig moeten zijn aan de kosten van de door het agentschap verleende diensten;

33.  is in het algemeen van mening dat de aanwervingsprocedures moeten worden verbeterd, en dat onder andere de transparantie van deze procedures moet worden versterkt;

34.  merkt op dat het netwerk ermee ingestemd heeft een gedeelde pool van onderzoekers op te richten voor de uitvoering van tuchtonderzoeken; neemt kennis van het feit dat de door de agentschappen voorgedragen kandidaten zullen deelnemen aan een specifieke opleiding hiervoor, die zal worden verstrekt door het Bureau voor onderzoek en disciplinaire zaken van de Commissie;

Samenwerking van het netwerk met het Parlement

35.  is tevreden over de samenwerking van het netwerk met de bevoegde commissie van het Parlement en stelt vast dat de directeuren van de agentschappen die in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure door deze commissie zijn benaderd, beschikbaar en bereid tot medewerking waren; vraagt het netwerk en de verschillende agentschappen hun communicatie en samenwerking met het Parlement los van de kwijtingsprocedure uit te breiden;

Belangenconflicten en transparantie

36.  stelt vast dat de Commissie naar aanleiding van de in haar routekaart opgenomen maatregelen in december 2013 richtsnoeren heeft gepubliceerd betreffende de preventie van en de omgang met belangenconflicten in de gedecentraliseerde agentschappen van de EU ("de richtsnoeren"); merkt op dat deze richtsnoeren bepalingen omvatten over de openbaarmaking van belangenverklaringen, die gelden voor leden van bestuursraden, uitvoerende directeurs, deskundigen in wetenschappelijke comités en andere dergelijke organen en de leden daarvan; stelt voorts vast dat de richtsnoeren een duidelijke referentie vormen voor het beleid van de agentschappen; neemt kennis van het feit dat een aantal agentschappen op basis van de richtsnoeren een beleid inzake de preventie en het beheer van belangenconflicten heeft ingevoerd of hun bestaande beleid aan de richtsnoeren heeft aangepast;

37.  stelt vast dat de agentschappen niet juridisch gebonden zijn door de richtsnoeren en vraagt de Commissie te onderzoeken hoe met de agentschappen meer bindende overeenkomsten kunnen worden gesloten om transparantie te bevorderen en belangenvermengingen te voorkomen;

38.  merkt op dat het vertrouwen van de burgers van de EU in de Europese instellingen, agentschappen en organen volgens de agentschappen van het grootste belang is; stelt vast dat de agentschappen een aantal concrete maatregelen en instrumenten hebben ingevoerd om het risico van reële en vermeende belangenconflicten adequaat aan te pakken; stelt vast dat 88 % van de agentschappen al een specifiek beleid heeft aangenomen voor de preventie van en het omgaan met belangenconflicten, en de resterende 12 % daar momenteel mee bezig is; stelt vast dat in het beleid van 81 % van de agentschappen rekening wordt gehouden met gedetacheerde nationale deskundigen, extern personeel en tijdelijke medewerkers;

39.  stelt echter vast dat een aantal agentschappen nog steeds moeite heeft met het uitvoeren van hun onafhankelijkheidsbeleid, voornamelijk met betrekking tot het personeelsbestand voor deskundigengroepen en wetenschappelijke panels en comités; raadt de agentschappen aan deze kwestie samen met de Commissie af te handelen, daarbij ook rekening houdend met de aanbevelingen van het onderzoek dat de Europese Ombudsman op 12 mei 2014 op eigen initiatief heeft gestart (OI/6/2014/NF), die in de brief aan de Commissie over de samenstelling van de deskundigengroepen van de Commissie zijn opgesomd;

40.  neemt kennis van het feit dat 61 % van de agentschappen de cv's en belangenverklaringen van de leden van hun raad van bestuur en hun leidinggevend personeel en externe en interne deskundigen al op hun website heeft geplaatst; merkt op dat de resterende agentschappen ermee hebben ingestemd deze informatie openbaar te maken wanneer zij hun beleid hebben herzien, en verwacht van deze agentschappen dat zij de herziene beleidslijnen aannemen en deze informatie onverwijld openbaar maken;

41.  stelt vast dat gedetacheerde nationale deskundigen, extern personeel en tijdelijke medewerkers niet specifiek worden vermeld in de richtsnoeren en dat er vooral in het geval van zogenaamde onafhankelijke deskundigen nog ruimte voor interpretatie is, bijvoorbeeld academici die ook voor afzonderlijke bedrijven of de zakenwereld in het algemeen onderzoek hebben uitgevoerd; vraagt het netwerk te zorgen voor een geharmoniseerde aanpak van deze kwestie, waardoor ook indirecte belangenconflicten worden vermeden;

42.  stelt vast dat OLAF richtsnoeren heeft opgesteld voor anti-fraudestrategieën voor de agentschappen en dat het hierbij rekening heeft gehouden met de inbreng van de agentschappen; merkt op dat OLAF de agentschappen heeft geholpen om deze richtsnoeren ten uitvoer te leggen;

43.  vraagt de Rekenkamer gevolg te geven aan speciaal verslag nr. 15/2012 over de omgang met belangenconflicten bij een selectie van agentschappen;

44.  spoort de Commissie ertoe aan de integriteit en transparantie van de agentschappen regelmatig te evalueren en de resultaten van deze evaluaties openbaar te maken;

Zichtbaarheid

45.  betreurt het gebrek aan zichtbaarheid en democratische verantwoordingsplicht van de agentschappen, aangezien burgers deze in het algemeen niet goed kennen en zij kwetsbaar zijn voor externe invloed van gespecialiseerde lobbyisten, in het bijzonder lobbyisten die grote ondernemingen vertegenwoordigen;

46.  stelt vast dat nagenoeg alle agentschappen in 2014 op hun website hebben duidelijk gemaakt dat zij agentschappen van de Europese Unie zijn; dringt er bij de resterende agentschappen op aan dringend een dergelijke vermelding toe te voege en vraagt de agentschappen ervoor te zorgen dat zij en hun werkzaamheden met de Unie worden geassocieerd;

47.  is verheugd over het feit dat sommige agentschappen het initiatief hebben genomen om over sommige van hun beleidsdomeinen openbare raadplegingen te organiseren; vraagt de agentschappen deze goede praktijk voort te zetten;

48.  merkt in verband met de maatschappelijke verantwoordingsplicht op dat alle contracten tussen de agentschappen en externe dienstverleners de contractpartijen ertoe verplichten de plaatselijke arbeids- en belastingwetgeving na te leven; onderkent dat de agentschappen met het oog op hun maatschappelijke verantwoordingsplicht nog andere acties hebben ondernomen, hetzij op grond van het maatschappelijke profiel van hun specifieke taken, hetzij in verband met de plaatselijke gemeenschappen waarin zij gevestigd zijn;

49.  noemt met name de volgende initiatieven:

   het Europees Geneesmiddelenbureau plaatst de overgrote meerderheid van zijn output online met het oog op een betere voorlichting en bewustmaking van de bevolking,
   het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding helpt de stad Thessaloniki actief bij het verkennen van mogelijkheden om competenties op plaatselijk en regionaal niveau te identificeren en met elkaar in overeenstemming te brengen, en bij het herverdelen van de afgevoerde IT-apparatuur van de stad over plaatselijke scholen en liefdadigheidsinstellingen via een transparante aanvraag- en toewijzingsprocedure,
   het vernieuwende programma met activiteiten via de sociale media dat de Europese Stichting voor opleiding aanbood tijdens het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010), werd met verscheidene internationale prijzen beloond, en de Stichting heeft deze participatieve benadering uitgebreid tot haar andere activiteiten;

50.  merkt op dat slechts één agentschap, het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT), zijn jaarlijkse activiteitenverslag in alle officiële talen van de Unie publiceert, en dat drie agentschappen een samenvatting van hun jaarlijkse activiteitenverslag in alle officiële EU-talen, het Iers uitgezonderd, vertalen;

51.  neemt kennis van het feit dat het netwerk onder leiding van het CdT een enquête heeft uitgevoerd naar de houding van de agentschappen ten aanzien van meertaligheid; stelt vast dat uit deze enquête blijkt dat er momenteel grote verschillen bestaan in de houding van de agentschappen tegenover meertaligheid, en merkt op dat een identiek talenbeleid voor alle agentschappen onmogelijk is aangezien zij stuk voor stuk een eigen doelpubliek, belanghebbenden met verschillende eisen, andere financiële middelen en een andere omvang hebben;

52.  erkent niettemin dat alle agentschappen bezig zijn met de invoering van meertaligheid op hun website en ernaar streven ten minste een deel van hun website of een document op hun website met basisinformatie over zichzelf in alle officiële talen van de Unie beschikbaar te maken; wijst erop dat hoewel een meertalige aanpak een aanzienlijk financieel engagement vereist, de agentschappen onmiddellijk maatregelen op dit vlak moeten nemen;

53.  merkt op dat de resultaten van de werkzaamheden van de agentschappen via de publicatie van hun jaarlijkse activiteitenverslag (JAV) op hun website openbaar worden gemaakt; stelt daarnaast vast dat in bepaalde delen van de JAV's op begrijpelijke wijze wordt uitgelegd hoe de financiële middelen van de Unie in de begroting van de agentschappen worden gebruikt; stelt vast dat de meeste agentschappen verslagen opstellen over de gevolgen van hun specifieke taken voor de bevolking van de Unie alsook verslagen waarin zij uitleggen waarom hun werkzaamheden belangrijk zijn;

54.  stelt vast dat veel agentschappen hun aanwezigheid on line hebben versterkt en aanzienlijke inspanningen hebben gedaan om hun zichtbaarheid te verhogen en is tevreden over deze proactieve aanpak; vraagt de agentschappen hun zichtbaarheid verder uit te breiden via andere instrumenten zoals onder meer sociale netwerken, opendeurdagen en aanwezigheid op beurzen om ervoor te zorgen dat de Europese burgers op een transparante wijze goed geïnformeerd zijn over de werkzaamheden van de agentschappen;

Interne controles

55.  stelt vast dat 10 agentschappen in totaal 17 opmerkingen hebben gekregen over problemen in verband met interne controle, wat een verbetering inhoudt ten opzichte van 2012, toen 22 agentschappen in totaal 34 opmerkingen kregen over dergelijke problemen; stelt vast dat de problemen in vier gevallen betrekking hadden op de toepassing van internecontrolenormen, ofwel omdat die aan het eind van het jaar nog niet waren vastgesteld of wel waren vastgesteld maar slechts gedeeltelijk ten uitvoer waren gelegd, ofwel omdat er nog corrigerende maatregelen liepen; merkt op dat het aantal opmerkingen over het beheer van vaste activa en subsidiebeheer in vergelijking met 2012 is gedaald;

56.  stelt vast dat de FKR een duidelijker omschrijving omvat van de rollen van de dienst Interne audit van de Commissie (DIA) en van de interne auditcapaciteiten van de agentschappen (IAC's) en de basis legt voor een betere coördinatie van hun werkzaamheden, een betere uitwisseling van informatie en de algemene vergroting van synergieën; stelt vast dat de FKR de agentschappen de mogelijkheid biedt om hun IAC's te delen, en vraagt dat zij dit in de mate van het mogelijke ook doen;

57.  verzoekt de Rekenkamer de nadruk te blijven leggen op de controle van het goede financieel beheer van de agentschappen, en met name van de zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid waarmee de agentschappen hun kredieten hebben gebruikt voor de uitvoering van hun taken;

Agentschappen met eigen financiering

58.  herhaalt dat de organen van de Unie waarop de financiële regels vastgelegd in de FKR niet van toepassing zijn, indien nodig met het oog op de consistentie vergelijkbare regels moeten opstellen(8); benadrukt dat de huidige overschotten zo spoedig mogelijk moeten worden behandeld en dat moeten worden onderzocht of het geld opnieuw aan de begroting van de Unie kan worden toegewezen, en verwijst deze kwestie ter overweging door naar de interinstitutionele werkgroep voor prestatiebeoordeling;

Overige opmerkingen

59.  is tevreden over de geleverde inspanningen van de agentschappen op het vlak van de kosten-batenverhouding en de milieuvriendelijkheid van de werkruimte; spoort de agentschappen aan te blijven werken aan kosteneffectieve en milieuvriendelijke oplossingen met betrekking tot het werk- en gebouwenbeheer en het gebruik van digitale oplossingen, zoals videoconferentie-installaties, te verhogen teneinde de reiskosten en andere kosten te beperken;

o
o   o

60.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de onder deze kwijtingsprocedure vallende agentschappen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 442 van 10.12.2014.
(2) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(5) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(6) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie.
(7) COM(2013)0519.
(8) Momenteel het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) in Angers en het Harmonisatiebureau voor de interne markt (OHIM) in Alicante.

Juridische mededeling