Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2119(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0098/2015

Ingediende teksten :

A8-0098/2015

Debatten :

PV 28/04/2015 - 16
CRE 28/04/2015 - 16

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.35
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0144

Aangenomen teksten
PDF 180kWORD 78k
Woensdag 29 april 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Kwijting 2013: Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE)
P8_TA(2015)0144A8-0098/2015
Besluit
 Besluit
 Resolutie

1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2119(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Instituut(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid(5), en met name artikel 15,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0098/2015),

1.  verleent de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Instituut voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 167.
(2) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 167.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 403 van 30.12.2006, blz. 9.
(6) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2119(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Instituut(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid(5), en met name artikel 15,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid A8-0098/2015),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 167.
(2) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 167.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 403 van 30.12.2006, blz. 9.
(6) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


3.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2119(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid A8-0098/2015),

A.  overwegende dat volgens zijn financiële staten de definitieve begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (hierna: "het Instituut") voor het begrotingsjaar 2013 in totaal 10 024 535 EUR bedroeg, hetgeen een toename van 29,49 % ten opzichte van 2012 betekent;

B.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013 verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Instituut betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Follow-up van de kwijting voor 2012

1.  maakt uit het verslag van de Rekenkamer op dat naar aanleiding van de twee in het verslag van de Rekenkamer voor 2011 geformuleerde opmerkingen die in het verslag voor 2012 als "loopt nog" aangemerkt waren, corrigerende maatregelen getroffen zijn en dat één opmerking in het verslag van de Rekenkamer voor 2013 als "afgerond" aangemerkt is en de andere als "loopt nog"; maakt voorts op dat naar aanleiding van de twee in het verslag van de Rekenkamer voor 2012 geformuleerde opmerkingen, eveneens corrigerende maatregelen zijn getroffen en dat één opmerking nu als "afgerond" aangemerkt is en dat de andere opmerking als "loopt nog" aangemerkt is;

2.  verneemt van het Instituut dat de informatie over de impact van zijn activiteiten op de burgers van de Unie op de bijgewerkte website van het Instituut te lezen staat en toegankelijker gemaakt is door het gebruik van sociale media;

3.  stelt vast dat het Instituut om de aanbestedingen, planning en monitoring te verbeteren nu een monitoringtool heeft die de verwachte data van elke stap in de jaarlijkse aanbestedingsprocedures in de gaten houdt;

Financieel en begrotingsbeheer

4.  merkt op dat inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2013 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 98,01 % en dat het uitvoeringspercentage van de kredieten voor betalingen 76,93 % bedroeg;

5.  verneemt van het Instituut dat in 2013 in overeenstemming met zijn plan ter waarborging van een adequaat toezicht op en een adequate verslaglegging over de uitvoering van de begroting een procedure voor centraal begrotingstoezicht werd aangenomen; verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van de resultaten van deze procedure;

Vastleggingen en overdrachten

6.  verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het algemene peil van de vastleggingskredieten in 2013 99 % bedroeg, hetgeen aangeeft dat de vastleggingen tijdig zijn gedaan; uit zijn tevredenheid over de verdere vermindering van het globale niveau van overdrachten van 2 500 000 EUR (32 %) in 2012 tot 2 200 000 EUR (29 %) in 2013; merkt op dat deze overdrachten vooral betrekking hebben op titel III (operationele uitgaven) met 2 000 000 EUR ofwel 56 % van de betrokken vastgelegde kredieten; verneemt dat deze overdrachten voornamelijk betrekking hebben op aanbestedingsprocedures die laat in het jaar 2013 werden afgesloten om redenen die grotendeels buiten de macht van het Instituut liggen, zoals een laat besluit van het voorzitterschap van de Raad van de EU met betrekking tot het onderwerp van een studie;

7.  stelt vast dat volgens het verslag van de Rekenkamer dit niveau van overdrachten in lijn is met het begrotingsbeginsel van jaarperiodiciteit;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

8.  verneemt van het Instituut dat zijn aanwervings- en selectieprocedures werden geactualiseerd in overeenstemming met de aanbevelingen van de kwijtingsautoriteit en nu schriftelijke tests alsmede de respectieve weging bevatten, die worden afgerond voor elke kandidatuur wordt herzien;

9.  verneemt van het Instituut dat vanaf 2013 zijn jaarlijkse werkprogramma een financieringsbesluit met details over nieuwe aanbestedingen bevat, met inbegrip van de totale jaarbegroting voor operationele aanbestedingen alsook het indicatieve tijdschema voor het begin van de aanbestedingsprocedures;

10.  verneemt van het Instituut dat een gecentraliseerde monitoringtool voor aanbestedingen werd ontwikkeld, dat op alle aanbestedingsprocedures betrekking heeft en de geplande en eigenlijke data van de voornaamste stappen in elke aanbestedingsprocedure in de gaten houdt;

Voorkoming en beheer van belangenconflicten en transparantie

11.  neemt kennis van het feit dat de raad van bestuur van het Instituut zijn beleid over het beheer van belangenconflicten heeft aangenomen nadat het beleidsvoorstel door de Commissie werd getoetst en goedgekeurd; verneemt van het Instituut dat de publicatie van de cv's en belangenverklaringen van de leden van de raad van bestuur, de directeur en het hoger management in dat beleid is opgenomen en dat deze op de website van het Instituut werden gepubliceerd;

Intern auditonderzoek

12.  verneemt van het Instituut dat de dienst Interne Audit van de Commissie (IAS) in 2013 controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd overeenkomstig het strategisch controleplan van het Instituut; stelt vast dat een controle van het beheer van de personele middelen deel uitmaakt van deze werkzaamheden, waarbij goede praktijken en redelijke zekerheid met betrekking tot de structuur voor het beheer van de personele middelen werden geïdentificeerd;

13.  stelt met bezorgdheid vast dat de IAS bij zijn risicoanalyse bepaalde processen met een hoog inherent risico heeft aangewezen die niet konden worden gecontroleerd binnen het strategisch controleplan van het Instituut, aangezien de controles werden beoordeeld als afwezig of ontoereikend; is tevreden over het feit dat een actieplan werd ingediend om deze gebieden met een hoog risico aan te pakken; kijkt uit naar de volgende grondige risicobeoordeling die aan dit actieplan follow-up zal geven en vraagt het Instituut de kwijtingsautoriteit te informeren over de resultaten ervan;

14.  verneemt van het Instituut dat er per 31 december 2013 geen essentiële of zeer belangrijke aanbevelingen van de IAS meer openstonden;

Overige opmerkingen

15.  herinnert eraan dat het Instituut is opgericht om gendergelijkheid te bevorderen, ook wat betreft gendermainstreaming in al het beleid van de Unie en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, om discriminatie op grond van geslacht te bestrijden en om de burgers van de Unie bewust te maken van gendergelijkheid; herinnert eraan dat het Instituut het als zijn missie beschouwt om uit te groeien tot het Europees kenniscentrum voor gendergelijkheidsvraagstukken, zoals blijkt uit zijn jaarlijks werkprogramma;

16.  herinnert eraan dat het Instituut een fundamentele rol vervult door het feit dat er een reële en effectieve gelijkheid tussen vrouwen en mannen moet worden bevorderd en tot stand gebracht op alle terreinen van het openbare en het particuliere leven;

17.  verzoekt het instituut de gezamenlijke jaarlijkse vergaderingen tussen de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid van het Parlement en het Instituut in zijn jaarlijkse werkprogramma op te nemen; vraagt het Instituut om de resultaten en bevindingen van zijn onderzoek regelmatig voor te leggen aan de relevante commissies van het Parlement; merkt op dat het Instituut de toegang van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid van het Parlement tot gendergerelateerde informatie op proactievere wijze moet vergemakkelijken, met een grotere gerichtheid op het werk dat door de leden wordt verricht; is van mening dat dit aan de leden van het EP belangrijke en meer effectieve informatie zou verschaffen;

18.  verzoekt om betere interactie tussen de wetgevings- en niet-wetgevingsprioriteiten van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid van het Parlement en het onderzoek van het Instituut; bevestigt dat het Instituut een belangrijke rol speelt bij het verzamelen van betrouwbare, vergelijkbare en naar geslacht gedifferentieerde gegevens die van fundamenteel belang zijn voor de uitwerking van nationaal en EU-beleid, met name op het gebied van op gender gebaseerd geweld; verzoekt het Instituut nauw samen te werken met Eurostat en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, teneinde met vaste tussenpozen onderzoek uit te voeren naar de onderwerpen die voor de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid het belangrijkst zijn, met name geweld tegen vrouwen en de kenmerken van het door vrouwen verrichte werk;

o
o   o

19.  verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 29 april 2015(1) over de prestaties en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0130.

Juridische mededeling