Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2589(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0363/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.66
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0175

Aangenomen teksten
PDF 203kWORD 95k
Woensdag 29 april 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tweede verjaardag van het instorten van het Rana Plaza-complex en de stand van zaken met betrekking tot het Duurzaamheidspact
P8_TA(2015)0175RC-B8-0363/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de instorting van het Rana Plaza-gebouw in 2013 en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh (2015/2589(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bangladesh, met name die van 18 september 2014(1), 16 januari 2014(2), 21 november 2013(3) en 14 maart 2013(4),

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(5) en over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(6),

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling(7),

–  gezien het Pact ter continuele verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, de Europees commissaris voor handel, Trade Cecilia Malmström, de Europees Commissaris voor werkgelegenheid, Sociale Zaken, Vaardigheden en Arbeidsmobiliteit, Marianne Thyssen, en de Europees Commissaris voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling, Neven Mimica, ter gelegenheid van het feit dat twee jaar geleden de Rana Plaza-ramp plaatsvond,

–  gezien de Verklaring van Johannesburg van de VN over duurzame consumptie en productie ter bevordering van sociale en economische ontwikkeling,

–  gezien het Stimuleringskader voor veiligheid en gezondheid op het werk (2006, C-187) en het Verdrag betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu (1981, C-155) van de IAO, die niet zijn geratificeerd door Bangladesh, en de respectieve aanbevelingen daarbij (R-197); gezien het Verdrag betreffende de arbeidsinspectie (1947, C-081), dat door Bangladesh werd ondertekend, en de aanbevelingen daarbij (R-164),

–  gezien het in oktober 2013 van start gegane programma Better Work Bangladesh van de IAO,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681) en gezien de resultaten van de openbare raadpleging over de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de richting van haar beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen na 2014,

–  gezien zijn resoluties van 6 februari 2013 over "Maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei"(8), alsook over "Maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel"(9),

–  gezien de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten, waarin voor zowel regeringen als bedrijven een kader is vastgelegd om mensenrechten te beschermen en te eerbiedigen, dat in juni 2011 werd onderschreven door de Mensenrechtenraad,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 26 juni 2014 tot oprichting van een internationale werkgroep met als mandaat de ontwikkeling van een internationaal juridisch bindend instrument ter regulering van de activiteiten van transnationale ondernemingen,

–  gezien de verklaring van de IAO over fundamentele beginselen en rechten op het werk,

–  gezien het Pact van de VN inzake mensenrechten, arbeid, milieu en corruptiebestrijding,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening tot instelling van een Uniesysteem voor zelfcertificering van passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen (COM(2014)0111), waarmee wordt beoogd het OESO-richtsnoer inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden in wetgeving om te zetten,

–  gezien het wetsontwerp inzake zorgvuldigheid van moederbedrijven en belangrijkste aannemers (nr. 2578) dat op 30 maart 2015 in eerste lezing door het Franse parlement werd aangenomen,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 24 april 2013 het Rana Plaza, een acht verdiepingen tellend gebouw in Savar buiten Dhaka waarin meerdere kledingfabrieken waren gevestigd, instortte, waarbij meer dan 1 100 mensen omkwamen en ongeveer 2 500 mensen gewond raakten; overwegende dat de instorting van het Rana Plaza-gebouw de grootste industriële ramp was in de geschiedenis van Bangladesh en het ongeval met het hoogste dodental als gevolg van constructiefouten in de moderne geschiedenis;

B.  overwegende dat er bij een brand in een fabriek van Tazreen Fashion in Ashulia, een buitenwijk van Dhaka (Bangladesh), op 24 november 2012 minstens 112 mensen om het leven zijn gekomen; overwegende dat fabrieksbranden, instortingen van gebouwen en andere incidenten op het vlak van gezondheid en veiligheid op het werk niet beperkt zijn tot de confectiekledingindustrie in Bangladesh, maar ook een bron van ernstige bezorgdheid blijven in andere ontwikkelingslanden en minst ontwikkelde landen met een sterk op uitvoer gerichte confectiekledingindustrie, zoals Pakistan en Cambodja;

C.  overwegende dat ontwikkelingslanden als China, Bangladesh, India en Vietnam sinds het einde van de Overeenkomst inzake textiel- en kledingproducten en als gevolg van de hoge arbeidsintensiviteit in de confectiekledingsector, mondiale producenten zijn geworden; overwegende dat Bangladesh na China de grootste exporteur van kleding ter wereld was geworden, met een van de laagste salarissen in de kledingindustrie en een kledingsector die bijna 85 % van de export van het land vertegenwoordigde; overwegende dat 60 % van de kledingproductie in het land bestemd was voor de EU, de belangrijkste exportmarkt van Bangladesh;

D.  overwegende dat de confectiekledingindustrie in Bangladesh werk biedt aan 4 miljoen mensen en indirect voorziet in het levensonderhoud van wel 40 miljoen mensen, dat wil zeggen ongeveer een kwart van de bevolking van Bangladesh; overwegende dat de confectiekledingindustrie in belangrijke mate bijdraagt aan het terugdringen van armoede; overwegende dat Bangladesh belangrijke stappen heeft gezet om de verschillen tussen mannen en vrouwen in de samenleving te verkleinen, en daarmee de derde VN-millenniumdoelstelling voor ontwikkeling inzake gendergelijkheid met succes heeft verwezenlijkt; overwegende dat de confectiekledingindustrie hier in belangrijke mate aan heeft bijgedragen, aangezien 3,2 miljoen van de 4 miljoen werknemers die in de confectiekledingsector werkzaam zijn vrouwen zijn; overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in veel gevallen heeft bijgedragen aan de verbetering van hun positie;

E.  overwegende dat de reorganisatie van de confectiekledingindustrie rondom het model van de geïntegreerde waardeketen ertoe heeft geleid dat opdrachten alleen kunnen worden verzekerd door verhoging van de productie en verlaging van de productiekosten, hetgeen de positie van werknemers in Bangladesh en andere ontwikkelingslanden bijzonder kwetsbaar maakt; overwegende dat zich in Cambodja en Sri Lanka, waar de economie in hoge mate afhankelijk is van de confectiekledingsector, een loondaling heeft voorgedaan, ondanks de snelle toename van productiefaciliteiten en de werkgelegenheid; overwegende dat de minimumlonen in Bangladesh na de Rana Plaza-ramp aanzienlijk zijn gestegen, maar nog altijd niet voldoende zijn om in de basisbehoeften van de werknemers te voorzien;

F.  overwegende dat er volgens verschillende rapporten in Bangladesh in de periode van 2006 tot begin 2013 meer dan 600 textielwerkers zijn omgekomen bij fabrieksbranden, terwijl volgens verslagen van mensenrechtenorganisaties geen van de fabriekseigenaren of -directeuren ooit voor het gerecht werd gebracht;

G.  overwegende dat het ingestorte Rana Plaza-complex illegaal was gebouwd en niet aan de veiligheidsnormen voldeed; overwegende dat er in Bangladesh na de ramp 32 fabrieken definitief zijn gesloten wegens ernstige veiligheidsproblemen, en dat 26 fabrieken gedeeltelijk zijn gesloten; overwegende dat er nog veel fabrieken zijn waar de veiligheid niet aan de wettelijke normen voldoet; overwegende dat de IAO het initiatief van de regering van Bangladesh steunt om structurele en brand- en elektriciteitsveiligheidsinspecties uit te voeren in zo'n 1 800 confectiefabrieken, die in vele gevallen verbouwde bedrijfspanden of woonhuizen zijn;

H.  overwegende dat op 24 april 2013 het akkoord houdende een praktische regeling voor de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp en hun familieleden (donortrustfonds) werd ondertekend door vertegenwoordigers van de regering van Bangladesh, lokale kledingfabrikanten en internationale kledingmerken, lokale en internationale vakbonden en internationale ngo´s, met als doel de slachtoffers van de ramp en hun familieleden te compenseren; overwegende dat het bedrag om de kosten van alle vorderingen te dekken is vastgesteld op 30 miljoen USD; overwegende dat, twee jaar na de ramp, een totaalbedrag is ingezameld van 27 miljoen USD aan vrijwillige bijdragen uit het bedrijfsleven, hetgeen betekent dat nog 3 miljoen ontbreekt;

I.  overwegende dat financiële compensatie een belangrijke economische steun betekent en het daarom, als het fonds over onvoldoende middelen blijft beschikken, niet mogelijk zal zijn om de medische kosten te vergoeden van de slachtoffers die langdurige medische zorg nodig hebben; overwegende dat het Parlement betreurt dat de vrijwillige compensatieregeling via het donortrustfonds zijn doel niet heeft bereikt en van oordeel is dat een verplicht mechanisme voordeliger zal zijn voor de overlevenden en de families van de slachtoffers;

J.  overwegende dat de EU naar aanleiding van de Rana Plaza-ramp en als reactie op de publieke verontwaardiging en de verzoeken aan het Europees Parlement om in actie te komen, op 8 juli 2013, samen met de regering van Bangladesh en de IAO, het "Pact ter continuele verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh" (Duurzaamheidspact) heeft gesloten, waarin Bangladesh zich verplicht tot het nemen van maatregelen om de arbeidsnormen en -omstandigheden in de confectiekledingindustrie van het land te verbeteren;

K.  overwegende dat Bangladesh voor het ongeluk over slechts 92 inspecteurs beschikte die circa 5 000 confectiekledingfabrieken en andere fabrieken moesten controleren; overwegende dat de regering van Bangladesh had toegezegd voor eind 2013 200 extra inspecteurs aan te werven;

L.  overwegende dat het Duurzaamheidspact Bangladesh in oktober 2014 voor het eerst is geëvalueerd en dat daarbij is geconcludeerd dat er weliswaar voortgang is geboekt, maar dat de regering van Bangladesh nog verdere belangrijke stappen moet zetten, met name bij het verbeteren en ten uitvoer leggen van de arbeidswetgeving, het verbeteren van de arbeidsrechten in de exportproductiezones en het aanstellen van meer arbeidsinspecteurs; overwegende dat het Duurzaamheidspact Bangladesh in het najaar van 2015 aan een tweede evaluatie zal worden onderworpen;

M.  overwegende dat de arbeidswet van Bangladesh in juli 2013 werd gewijzigd; overwegende dat deze wet weliswaar een aantal positieve hervormingen in gang heeft gezet, bijvoorbeeld op het gebied van de veiligheid en de gezondheid op het werk, maar nog altijd ver achterblijft bij de internationale normen ten aanzien van de vrijheid van vereniging en het recht van collectieve onderhandelingen, zoals blijkt uit de opmerkingen van het comité van deskundigen van de IAO over de verdragen nr. 87 en 98, en dit vanwege de beperkingen van het recht om vrijelijk vertegenwoordigers te kiezen, de grote aantallen beperkingen van het stakingsrecht en de ruime administratieve bevoegdheden om de registratie van vakbonden te weigeren, en verder overwegende dat de regering van Bangladesh herhaaldelijk heeft aangegeven niet van plan te zijn nog meer wijzigingen door te voeren;

N.  overwegende dat kledingbedrijven, nationale en plaatselijke vakbonden, ngo's en werknemersvertegenwoordigingsorganisaties in Bangladesh op 13 mei 2013 het Akkoord inzake brand en de veiligheid van gebouwen hebben ondertekend, en dat op 9 juli 2013 de Alliantie voor de veiligheid van werknemers in Bangladesh is opgericht, waarin 26 (voornamelijk Noord-Amerikaanse) merken zijn verenigd, maar dat hierbij geen vakbonden betrokken zijn geweest; overwegende dat op dit moment 175 mode- en detailhandelmerken bij het Akkoord zijn aangesloten; overwegende dat het Akkoord en de Alliantie inspecties hebben uitgevoerd in 1 904 op de export gerichte fabrieken;

O.  overwegende dat de regering van Bangladesh nog altijd uitvoeringsmaatregelen en -voorschriften moet vaststellen inzake de arbeidswet, ondanks herhaalde beloften om dit te doen, en dat zij laatstelijk heeft toegezegd dergelijke maatregelen uiterlijk tegen de zomer van 2015 goed te keuren; overwegende dat de tenuitvoerlegging van de wet een absolute voorwaarde vormt om in aanmerking te komen voor het programma "Beter werk" van de IAO, en tevens een voorwaarde is voor het functioneren van het trainingsprogramma van het Akkoord;

P.  overwegende dat 10 % van de werknemers in de confectiekledingsector in Bangladesh werkzaam is in exportproductiezones; overwegende dat er in juli 2014 door de regering een nieuwe wet inzake exportproductiezones is goedgekeurd, maar dat deze aan de arbeiders niet dezelfde rechten verleent als elders in Bangladesh; overwegende dat het stakingsverbod op 1 januari 2014 is opgeheven, maar dat werknemerswelzijnsorganisaties niet over dezelfde rechten en privileges beschikken als vakbonden;

Q.  overwegende dat sinds begin 2013 circa 300 nieuwe vakbonden zijn geregistreerd in de kledingsector; overwegende dat in 2014 66 aanvragen, dat wil zeggen 26 % van alle ingediende aanvragen, werden afgewezen; overwegende dat discriminatie van vakbonden nog altijd een ernstig en ook snel groeiend probleem is; overwegende dat de vakbonden melden dat de regering van Bangladesh werknemers en werkgevers die, in overeenstemming met het Akkoord, hun eigen veiligheidscomité's willen oprichten, proactief belemmert om dat daadwerkelijk te doen;

R.  overwegende dat Bangladesh op de 136e plaats staat op de transparantie-index (van totaal 177 landen) en overwegende dat corruptie in de mondiale textieltoeleveringsketen wijdverspreid is en dat hierbij ook de politiek en lokale en multinationale ondernemingen betrokken zijn;

S.  overwegende dat volgens het Worker Rights Consortium de fabrieksprijs van elk van de zeven miljard kledingstukken die Bangladesh elk jaar aan westerse merken verkoopt met minder dan tien cent omhoog zou gaan indien de veiligheidsnormen in de 5 000 kledingfabrieken in het land binnen vijf jaar zouden worden opgetrokken naar het niveau van het Westen; overwegende dat niets erop duidt dat de prijzen voor kleding en textielproducten de afgelopen twee jaar zijn gestegen;

T.  overwegende dat de confectiekledingsector hoofdzakelijk wordt gedomineerd door grote detailhandelaren, merkfabrikanten en winkelketens die mondiale productienetwerken beheren en de leveringsvoorwaarden rechtstreeks bepalen; overwegende dat kleding- en textielfabrikanten in de context van een geglobaliseerde industrie vaak geen andere keus hebben dan lagere prijzen te accepteren, de kwaliteitsnormen te verhogen, de leveringstijden te verkorten, de minimumhoeveelheden te verminderen en zo veel mogelijk risico te nemen; overwegende dat er ernstige tekortkomingen zijn met betrekking tot transparantie en traceerbaarheid in de mondiale toeleveringsketens; overwegende dat fatsoenlijk werk in de wereldwijde toeleveringsketen hoog op de agenda van de IAO-Conferentie van 2016 zal staan;

U.  overwegende dat na de ramp de Europese consumenten massaal hebben aangedrongen op meer informatie over de herkomst van en de omstandigheden waaronder producten worden geproduceerd; overwegende dat Europese burgers talloze verzoekschriften hebben ingediend en campagnes hebben georganiseerd om kledingmerken ertoe te bewegen meer verantwoording af te leggen en te waarborgen dat hun producten op een ethisch verantwoorde manier vervaardigd zijn;

V.  overwegende dat Bangladesh, als een van de minst ontwikkelde landen, in aanmerking komt voor belastingvrije en quotavrije toegang tot de EU-markt voor al zijn producten die onder het "alles behalve wapens"-initiatief vallen, wat voor 55% van de export van Bangladesh geldt, die voor een groot deel uit kleding en textiel bestaat, en dat het land derhalve moet waarborgen dat de belangrijkste VN- en IAO-verdragen op het gebied van de mensen- en de arbeidsrechten daadwerkelijk in acht worden genomen;

1.  gedenkt de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp, die twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en die een van de ergste industriële rampen ooit was; spreekt opnieuw zijn medeleven uit met de nabestaanden en degenen die bij de ramp gewond of gehandicapt zijn geraakt; benadrukt dat het aantal slachtoffers kleiner had kunnen zijn indien andere en betere regelingen inzake veiligheid op het werk hadden gegolden;

2.  herinnert eraan dat het Rana Plaza-coördinatiecomité het Rana Plaza-donortrustfonds heeft opgericht om vrijwillige bijdragen van bedrijven in te zamelen om de slachtoffers en hun families te compenseren; betreurt dat in april 2015 nog altijd 3 miljoen USD van het totale bedrag aan compensaties van 30 miljoen USD ontbrak en dringt er bij de internationale merken die in Rana Plaza kleding lieten vervaardigen of die nauwe banden onderhouden met Bangladesh, de regering van Bangladesh en de Bangladesh Garment Manufacturers and Export Association (BGMEA), ervoor te zorgen dat iedereen die recht heeft op compensatie deze zonder uitstel ontvangt;

3.  veroordeelt het feit dat ongeveer een derde van de ondernemingen waarvan wordt aangenomen dat zij banden hebben met het fabriekscomplex, zoals Adler Modemarkte, Ascena Retail, Carrefour, Grabalok, J.C. Penney, Manifattura Corona, NKD, PWT of YesZee, nog altijd niets aan het trustfonds hebben bijgedragen; betreurt ten zeerste dat na maanden van getreuzel Benetton pas onlangs 1,1 miljoen dollar in het Rana Plaza-donorfonds heeft gestort, ondanks het feit dat Benetton op grond van zijn draagkracht en zijn betrokkenheid bij het Rana Plaza-gebouw in feite een veel grotere som geld zou moeten bijdragen; betreurt eveneens dat alle merken die bij het Rana Plaza-gebouw betrokken zijn in onvoldoende mate hebben gedoneerd, en daarmee hun verantwoordelijkheden jegens de slachtoffers niet nakomen, waarbij Mango, Matalan en Inditex geweigerd hebben hun donaties openbaar te maken en andere bedrijven, zoals Walmart en The Children's Place, slechts een zeer klein bedrag hebben geschonken;

4.  merkt op dat de momenteel over de betaling van schadevergoeding in verband met de brand in Tazreen op dezelfde basis wordt onderhandeld als de Rana Plaza-regeling, betreurt de aanhoudende vertragingen ten zeerste en dringt erop aan dat de schadevergoeding tijdig uitbetaald wordt;

5.  is ingenomen met de initiatieven die genomen worden om een permanent verzekeringsstelsel voor arbeidsongevallen op te zetten en spoort de regering van Bangladesh aan om haar belofte in het kader van het nationale driepartijenactieplan gestand te doen; verzoekt de Commissie deze initiatieven in voorkomend geval te steunen, maar tekent daarbij aan dat de vooruitgang op dit gebied belemmerd zal worden zolang de huidige compensatie-inspanningen niet zijn afgerond;

6.  verzoekt de Commissie en de regeringen van de lidstaten van de EU en van andere landen zich te buigen over verplichte regelgevingskaders die ervoor zorgen dat de toegang tot rechtsmiddelen en compensatie gebaseerd is op noodzaak en verantwoordelijkheid en niet uitsluitend op het vermogen van actiegroepen om degenen die in gebreke blijven publiekelijk als schuldigen aan te wijzen of op vrijwillige maatregelen van ondernemingen;

7.  is ingenomen met het EU-initiatief om het Duurzaamheidspact in te voeren, om te zorgen voor een nieuwe start op het vlak van gezondheid en veiligheid op de werkplek, arbeidsomstandigheden, eerbied voor arbeidsrechten en de bevordering van verantwoord ondernemersgedrag in de confectiekledingsector in Bangladesh;

8.  neemt nota van de conclusies van de eerste evaluatie van het Duurzaamheidspact in oktober 2014, waarbij werd vastgesteld dat de autoriteiten van Bangladesh goede vooruitgang hadden geboekt, en wijst op de bijdrage van het Duurzaamheidspact aan het verbeteren van de gezondheid en veiligheid in fabrieken en de arbeidsomstandigheden in de confectiekledingsector; dringt er echter bij de regering van Bangladesh op aan meer inspanningen te verrichten om alle toezeggingen in het Duurzaamheidspact actief uit te voeren en daar de hoogste prioriteit aan toe te kennen; vertrouwt erop dat met betrekking tot alle arbeids- en veiligheidskwesties, met name de eerbiediging van de arbeidsrechten, arbeidsinspecties, fatsoenlijke lonen, de structurele integriteit van gebouwen, veiligheid en gezondheid op het werk en verantwoord ondernemersgedrag, belangrijke vooruitgang zal zijn geboekt wanneer de tweede evaluatie van het Duurzaamheidspact zal plaatsvinden in het najaar van 2015;

9.  wijst op de stappen die Bangladesh heeft gezet ter wijziging van zijn arbeidswet na de Rana Plaza-ramp, waarmee de grondrechten op het gebied van gezondheid en veiligheid op de werkplek alsmede de arbeidsrechten zijn versterkt; betreurt dat een aantal beperkingen van de vrijheid van vereniging van werknemers niet is weggenomen en dat de wet nog steeds niet voldoet aan een aantal belangrijke IAO-Verdragen;

10.  verzoekt de regering en het parlement van Bangladesh om de beloftes van het Pact na te komen en met de hoogste prioriteit de nodige wet- en regelgeving goed te keuren om de doeltreffende tenuitvoerlegging van de wet te waarborgen, na uitgebreid overleg met de tripartiete adviesraad (TCC), en daarbij vooral aandacht te besteden aan de implementatie van de IAO-verdragen nr. 87 en 98 betreffende de vrijheid van vereniging en de vrijheid van collectieve onderhandelingen;

11.  is bezorgd over de situatie in exportproductiezones, waar vakbonden nog steeds verboden zijn en de arbeidsomstandigheden en de normen inzake gezondheid en veiligheid slecht zijn, en benadrukt dat voor werknemers in exportproductiezones dezelfde fundamentele wettelijke vrijheden en veiligheidsnormen moeten gelden als voor andere werknemers in het land; betreurt ten zeerste dat de wet inzake arbeid in exportproductiezones het werknemers in de exportproductiezones nog steeds belet vakbonden op te richten en wijst erop dat de werknemerswelzijnsorganisaties niet over rechten en voorrechten beschikken die vergelijkbaar zijn met die van de vakbonden; dringt er bij de regering van Bangladesh op aan de arbeidswet onverwijld en volledig uit te breiden tot exportproductiezones;

12.  verwelkomt de verhoging van het minimumloon in de confectiekledingsector met 77% van 35 EUR tot 62 EUR per maand en dringt erop aan dat deze verhoging meer algemeen wordt doorgevoerd; wijst er echter op dat het minimumloon in de kledingsector nog steeds onvoldoende is om in de basisbehoeften van de werknemers te voorzien en dat het hiervoor minstens 104 EUR moet bedragen, en roept de regering van Bangladesh op een fatsoenlijk minimumloon in te voeren in overleg met vakbonden en werknemers; dringt er voorts bij de regering op aan ervoor te zorgen dat kledingfabrieken daadwerkelijk de salarissen te betalen die zij verschuldigd zijn;

13.  is ingenomen met de registratie van 300 nieuwe kledingvakbonden sinds begin 2013, waarmee het aantal in de kledingsector is verdubbeld, maar betreurt dat het tempo van registratie in 2014 en 2015 is afgenomen; spoort de autoriteiten van Bangladesh aan de aanvankelijk positieve trend voort te zetten en te blijven streven naar de doelstelling van een adequate vertegenwoordiging van 4 miljoen werknemers in de confectiekledingsector;

14.  maakt zich ernstige zorgen over de berichten die erop wijzen dat nieuwe vakbonden worden gediscrimineerd en gedwarsboomd en dat vakbondsleden worden ontslagen; is ontzet over de wijdverbreide discriminatie van vakbonden, die blijkt uit de goed gedocumenteerde gevallen van bedreiging, intimidatie en fysiek geweld tegen vakbondsleiders, waaronder de moord op vakbondsleider Aminul Islam; dringt er bij de regering van Bangladesh op aan oneerlijke arbeidspraktijken doeltreffend aan te pakken door noodzakelijke maatregelen te nemen om op passende en transparante wijze wangedrag te voorkomen, te onderzoeken en strafrechtelijk te vervolgen, om een einde te maken aan de straffeloosheid en de moordenaars van Aminul Islam voor het gerecht te brengen; is ervan overtuigd dat passende trainingen en bewustmakingscampagnes met betrekking tot arbeidsrechten een doeltreffende manier zijn om tegen vakbonden gerichte discriminatie te voorkomen;

15.  is van mening dat democratische vakbondsstructuren een belangrijke rol spelen bij de verbetering van de gezondheids- en veiligheidsnormen, bijvoorbeeld door in alle fabrieken veiligheidscomités onder leiding van werknemers op te zetten; benadrukt tevens het belang van toegang van vakbonden tot fabrieken om werknemers in te lichten over de manier waarop zij hun rechten en veiligheid kunnen beschermen, waaronder het recht op weigering van onveilig werk;

16.  is verheugd over de toezegging van de regering om het Ministerie voor Fabrieks- en bedrijfsinspecties (DIFE) opnieuw op te bouwen tot uiteindelijk 883 personeelsleden en 23 districtskantoren, over het feit dat de dienst inspecties van dat ministerie in januari 2014 is uitgebreid en over de vaststelling van een nationaal beleid voor gezondheid en veiligheid, alsmede uniforme normen voor gezondheids- en veiligheidsinspecties; verzoekt de Commissie en de internationale partners technische bijstand te verlenen en goede praktijken uit te wisselen om te helpen bij het opwaarderen van DIFE; verzoekt de regering van Bangladesh haar toezegging met betrekking tot arbeidsinspecties gestand te doen en zich te houden aan IAO-verdrag nr. 81; verwelkomt de sluiting van fabrieken die niet aan de veiligheidseisen voldoen;

17.  maakt zich onverminderd zorgen over de beschuldigingen van endemische corruptie bij gezondheids- en veiligheidsinspecteurs en eigenaren van kledingfabrieken in Bangladesh, en verzoekt om meer maatregelen om dergelijke praktijken te bestrijden;

18.  heeft begrip voor het feit dat de aanwerving van inspecteurs problematisch is vanwege de noodzaak om mensen behoorlijk op te leiden volgens uniforme normen en de arbeidsprocedures te harmoniseren, alvorens hen daadwerkelijk aan te stellen; betreurt evenwel dat de doelstelling om 200 inspecteurs aan te werven voor het einde van 2013 nog altijd niet is behaald, aangezien er tot nu toe 173 zijn aangeworven, en benadrukt dat het aantal van 200 inspecteurs ver beneden het aantal inspecteurs ligt dat nodig zou zijn om toezicht te houden op een industrie met vier miljoen werknemers;

19.  verwelkomt het feit dat de inspecties bij alle onder de Overeenkomst en de Alliantie vallende fabrieken zijn afgerond en dat meer dan 400 corrigerende actieplannen (CAP's) zijn afgerond; dringt er bij de regering van Bangladesh op aan deze acties aan te vullen door zo snel mogelijk inspecties uit te voeren bij de fabrieken die onder haar verantwoordelijkheid vallen en door adequate corrigerende maatregelen te treffen; steunt het belangrijke werk van de IAO om dit te helpen garanderen; is verheugd over de betrokkenheid van de fabrikanten die hun normen willen verbeteren en roept alle belanghebbenden op om de correcte uitvoering van de CAP's te waarborgen;

20.  juicht het toe dat op tot nu toe meer dan 250 grote mode- en detailhandelmerken die confectiekleding uit Bangladesh betrekken de Overeenkomst of de Alliantie hebben ondertekend, om hun inspanningen ter verbetering van de veiligheid in de fabrieken van hun leveranciers in Bangladesh te coördineren; spoort andere bedrijven, waaronder kmo's, in dit verband aan zich bij het Akkoord aan te sluiten; onderstreept dat het Akkoord alleen doeltreffend ten uitvoer kan worden gelegd indien alle betrokken partijen zich daarvoor op passende wijze inzetten en stimuleert soortgelijke akkoorden in andere landen met een hoog risico;

21.  roept op tot een verbetering van de samenwerking in het kader van de Overeenkomst en de Alliantie en tot een systematische uitwisseling van verslagen van fabrieksinspecties teneinde dubbel werk en het hanteren van verschillende normen te voorkomen; dringt er bij de Alliantie op aan haar verslagen in het Bengali en te publiceren en met foto´s te illustreren zodat zij voor iedereen in het land toegankelijk zijn;

22.  is van mening dat mondiale detailhandelaren en merkfabrikanten vanwege de tegenwoordige productiepatronen een grote verantwoordelijkheid dragen voor het feit dat het moeilijk is om de arbeidsomstandigheden en lonen in productielanden te verbeteren; is ervan overtuigd dat er eerlijkere marktstructuren en maatschappelijke omstandigheden tot stand zouden kunnen komen indien deze bedrijven in hun hele toeleveringsketen volledige naleving van de belangrijkste arbeidsnormen van de IAO en de internationaal erkende normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen zouden waarborgen, in het bijzonder de recentelijk geactualiseerde de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, de tien beginselen van het "Global Compact"-initiatief van de Verenigde Naties, de ISO-norm 26000 voor maatschappelijke verantwoordelijkheid van organisaties, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, en de richtsnoeren van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten; verwelkomt het vlaggenschipinitiatief van de Commissie over een verantwoord beheer van de toeleveringsketen in de kledingsector, rekening houdend met reeds bestaande nationale initiatieven in Duitsland, Nederland, Frankrijk en Denemarken, en is van mening dat de EU is staat is en tot taak heeft om een wereldwijde voorvechter van verantwoordelijkheid in de toeleveringsketen te zijn;

23.  is van mening dat toegang tot informatie in de kledingsector vaak de belangrijkste hinderpaal vormt voor het bestrijden van mensenrechtenschendingen in de wereldwijde toeleveringsketen en dat er een verplicht meldingssysteem moet komen met gegevens over de contacten tussen alle spelers in de waardeketen van elk product, van de plaats van productie tot de detailhandel; is van mening dat er nieuwe EU-wetgeving nodig is om het wettelijk verplicht te maken dat kledingbedrijven in de EU die de productie outsourcen naar derde landen zorgvuldigheid betrachten, inclusief bindende maatregelen om de traceerbaarheid en de transparantie te waarborgen, overeenkomstig de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen;

24.  roept de Raad en de Commissie op in alle door de EU ondertekende bilaterale handels- en investeringsovereenkomsten een bindende en afdwingbare clausule inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen op te nemen, waarmee Europese investeerders zouden worden gebonden aan de beginselen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen zoals deze op internationaal niveau zijn vastgesteld, met inbegrip van de in 2010 geactualiseerde richtsnoeren van de OESO, en de normen die zijn vastgesteld door de VN, de IAO en de EU; verlangt dat in toekomstige EU-handelsovereenkomsten met derde landen veiligheid en gezondheid op het werk een belangrijkere plek innemen als onderdeel van de agenda voor fatsoenlijk werk, en dat de EU technische bijstand biedt voor de tenuitvoerlegging van deze bepalingen zodat zij geen belemmering voor handel vormen;

25.  wijst erop dat werk in de kledingsector miljoenen arme plattelandsvrouwen in Bangladesh en elders in staat stelt te ontsnappen aan een leven vol ontberingen en afhankelijkheid van mannen; wijst erop dat de niet bij een vakbond aangesloten werknemers hoofdzakelijk uit ongeschoolde arbeidskrachten en vrouwen in de confectiekledingsector in ontwikkelingslanden bestaan; wijst erop dat verbetering van de rechten en bescherming van werknemers van essentieel belang is om de positie van vrouwen te verbeteren en benadrukt dat het noodzakelijk is de vertegenwoordiging van vrouwen in vakbonden te vergroten, ook in de nieuw gevormde vakbonden in Bangladesh; is ingenomen met het feit dat in het Duurzaamheidspact het belang van genderempowerment voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden wordt erkend;

26.  wijst er op dat het "alles behalve wapens"-initiatief een belangrijke rol heeft gespeeld bij de economische ontwikkeling van Bangladesh en heeft bijgedragen tot de verbetering van de materiële omstandigheden van miljoenen mensen, met name vrouwen; is er evenwel van overtuigd dat indien er geen sprake is van duidelijke voorwaarden op het gebied van mensenrechten en arbeidsrechten, het "alles behalve wapens"-initiatief en het stelsel van algemene preferenties de lage normen op het gebied van werknemersbescherming dreigen te verslechteren en fatsoenlijk werk dreigen te ondermijnen; verzoekt de Commissie na te gaan of Bangladesh de mensenrechten-, arbeids- en milieuverdragen in het kader van het stelsel van algemene preferenties eerbiedigt en hierover aan het Parlement verslag uit te brengen; benadrukt dat landen die goede vooruitgang boeken op het gebied van sociale en arbeidsnormen beloond moeten worden door volledige markttoegang voor hun producten te handhaven;

27.  verzoekt VV/HV Mogherini en commissaris Malmström de ratificatie van belangrijke IAO‑normen, gezondheids‑ en veiligheidsinspecties en de vrijheid van vereniging in de gesprekken met Bangladesh over voortgezette preferente handel aan de orde te blijven stellen;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, UN Women, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en de regering en het parlement van Bangladesh.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0024.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0045.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0516.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0100.
(5) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.
(6) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.
(7) PB L 118 van 27.4.2001, blz. 48.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0049.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0050.

Juridische mededeling