Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2655(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0453/2015

Ingediende teksten :

B8-0453/2015

Debatten :

PV 19/05/2015 - 15
CRE 19/05/2015 - 15

Stemmingen :

PV 20/05/2015 - 10.10
CRE 20/05/2015 - 10.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0207

Aangenomen teksten
PDF 164kWORD 64k
Woensdag 20 mei 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Moederschapsverlof
P8_TA(2015)0207B8-0453/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 20 mei 2015 over zwangerschapsverlof (2015/2655(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8 en 294 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie(1) (de richtlijn zwangerschapsverlof),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijn zwangerschapsverlof (COM(2008)0637),

–  gezien zijn in eerste lezing op 20 oktober 2010 vastgestelde standpunt met het oog op de aanneming van Richtlijn 2011/.../EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijn zwangerschapsverlof(2),

–  gezien het feit dat het Parlement herhaaldelijk verklaringen heeft afgelegd over dit onderwerp, onder meer in zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(3),

–  gezien het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven"(4) en het volgende interinstitutioneel akkoord over hetzelfde onderwerp,

–  gezien de vragen van de Raad en de Commissie over zwangerschapsverlof (O‑000049/2015 – B8‑0119/2015 en O-000050/2015 – B8‑0120/2015),

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie van 14 april 2015, onder meer betreffende het recht van de Commissie om een voorstel in te trekken (zaak C‑409/13),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen gestoeld is op de afwezigheid van directe of indirecte discriminatie, onder meer op grond van moederschap, vaderschap en wat betreft de verdeling van gezinstaken;

B.  overwegende dat de Europa 2020-strategie voor snelle, duurzame en inclusieve groei ambitieuze doelstellingen omvat, zoals een arbeidsparticipatie van 75 % en een vermindering tegen 2020 met ten minste 20 miljoen van het aantal mensen dat zich in een situatie van armoede of sociale uitsluiting bevindt of daarin terecht dreigt te komen;

C.  overwegende dat meer vrouwen dan mannen kampen met armoede en sociale uitsluiting, en met name oudere vrouwen – van wie het pensioen gemiddeld 39 % lager is dan dat van mannen – en alleenstaande moeders; overwegende dat vrouwen vaker deeltijds of met een tijdelijk contract of een contract van bepaalde duur werken dan mannen, en dat de armoede onder vrouwen grotendeels te wijten is aan hun onzekere arbeidssituatie;

D.  overwegende dat er binnen de Europese Unie sprake is van een dalend geboortecijfer, wat nog versterkt wordt door de crisis, omdat stellen, en met name jongere vrouwen, vanwege de werkloosheid, marginalisering en onzekerheid over de toekomst en de economie, het besluit om kinderen te krijgen uitstellen, waardoor de vergrijzing binnen de EU nog verder toeneemt;

E.  overwegende dat vrouwen wekelijks drie keer meer tijd dan mannen besteden aan huishoudelijke taken (met inbegrip van de zorg voor kinderen, ouderen en mensen met een handicap); overwegende dat de werkloosheid onder vrouwen wordt onderschat aangezien veel vrouwen, met name zij die zich enkel bezighouden met het huishouden en de zorg voor de kinderen, niet als werkloze geregistreerd staan;

F.  overwegende dat de verdeling van de gezins- en huishoudelijke taken tussen mannen en vrouwen essentieel is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid; overwegende dat er in een kwart van de lidstaten geen regelingen zijn voor vaderschapsverlof;

G.  overwegende dat de Raad nog steeds geen officiële reactie heeft gegeven op het standpunt in eerste lezing van het Parlement van 20 oktober 2010 over het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de richtlijn zwangerschapsverlof;

1.  betreurt de impasse in de Raad met betrekking tot de richtlijn zwangerschapsverlof; verzoekt de lidstaten met klem de onderhandelingen hierover opnieuw op te starten;

2.  betreurt de interinstitutionele instabiliteit die voortkomt uit het nalatig optreden van de Raad, gezien het feit dat het Parlement zijn eerste lezing heeft afgerond maar de discussies in de Raad zijn gestaakt, waardoor de gehele wetgevingsprocedure in het gedrang komt;

3.  verklaart andermaal bereid te zijn de impasse te doorbreken, en vraagt de Commissie de rol van onpartijdige bemiddelaar op zich te nemen en op constructieve wijze met de medewetgevers in gesprek te gaan, om de standpunten van het Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen, met inachtneming van het evenwicht tussen de instellingen en de rol die haar bij de Verdragen is toegedeeld;

4.  betreurt dat de Commissie in het kader van het Refit-programma zou kunnen afzien van de voorgestelde herziening van de richtlijn; verzoekt, indien dit uiteindelijk het geval zou zijn, als onmiddellijk alternatief om een wetgevingsinitiatief voor de herziening van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad, die van start zou moeten gaan tijdens het Luxemburgse voorzitterschap van de Raad, om de gezondheid en veiligheid van zwangere werknemers en werknemers die onlangs zijn bevallen of borstvoeding geven te verbeteren, en om zo in te spelen op demografische uitdagingen en de ongelijkheid van mannen en vrouwen te verminderen;

5.  neemt kennis van het arrest van het Europees Hof van Justitie van 14 april 2015 betreffende het recht van de Commissie een voorstel in te trekken (zaak C-409/13), en van de daarin vermelde specifieke voorwaarden waaraan de Commissie moet voldoen, zoals het meedelen van de gronden van de intrekking aan het Parlement en de Raad en het in acht nemen van de beginselen van bevoegdheidstoedeling, institutioneel evenwicht en loyale samenwerking, zoals vervat in het VEU;

6.  geeft opnieuw aan bereid te zijn een afzonderlijke richtlijn op te stellen met het oog op de invoering van ten minste tien werkdagen vaderschapsverlof en stimulerende (wetgevings- en niet-wetgevings-)maatregelen die mannen, en vaders in het bijzonder, in staat stellen hun recht op de combinatie van werk en gezin uit te oefenen;

7.  is in afwachting van de definitieve beoordeling van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad over ouderschapsverlof en wenst, in het licht van de beschikbare tussentijdse studies, dat die richtlijn wordt herzien aangezien zij niet voldoende bijdraagt aan de doelstelling van de combinatie van werk en gezin met het oog op een beter evenwicht tussen werk en privéleven voor beide ouders, en met name voor vrouwen, die op het gebied van loon, pensioen en armoede te kampen hebben met de genderkloof;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1.
(2) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 163.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.
(4) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

Juridische mededeling