Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2037(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0159/2015

Ingediende teksten :

A8-0159/2015

Debatten :

PV 19/05/2015 - 9
CRE 19/05/2015 - 9

Stemmingen :

PV 21/05/2015 - 7.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0215

Aangenomen teksten
PDF 203kWORD 96k
Donderdag 21 mei 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
De veiligheids- en defensiecapaciteiten in Europa
P8_TA(2015)0215A8-0159/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2015 over de gevolgen van de ontwikkelingen op de Europese defensiemarkten voor de veiligheids- en defensiecapaciteiten in Europa (2015/2037(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19-20 december 2013 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 november 2014 over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 getiteld "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542) en de desbetreffende routekaart voor de uitvoering van 24 juni 2014 (COM(2014)0387),

–  gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(1),

–  gezien Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG(2),

–  gezien het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie,

–  gezien het beleidskader voor systematische en langetermijnsamenwerking op het vlak van defensie, dat de Raad op 18 november 2014 heeft aangenomen,

–  gezien de bijgewerkte kaderregeling inzake bevoorradingszekerheid tussen de deelnemende lidstaten, die het bestuur van het Europees Defensieagentschap (EDA) in november 2013 heeft aangenomen, en de bijbehorende gedragscode voor prioriteitstelling, die het bestuur van het EDA in mei 2014 heeft aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 21 november 2013 over de Europese technologische en industriële defensiebasis(3) en die van 14 december 2011 over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU-lidstaten(4),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0159/2015),

A.  overwegende dat er in het kader van het defensiepakket uit 2009 nieuwe wetgeving inzake de Europese defensiemarkt is ingevoerd en dat alle 28 lidstaten de nieuwe regels in hun nationale wetgeving hebben omgezet; overwegende dat deze nieuwe wetgeving in wezen neerkomt op de invoering van een regelgevingskader dat op transparantie, non-discriminatie en mededinging berust en is toegesneden op de specifieke kenmerken van de defensiesector;

B.  overwegende dat de lidstaten het erover eens zijn dat er een Europese markt voor defensiemateriaal en -diensten moet worden ontwikkeld; overwegende dat de Europese Raad zelfs heeft opgeroepen tot de totstandbrenging van een regeling om overal in de EU voorzieningszekerheid te garanderen; overwegende dat voldoende capaciteit en levering van uitrusting alsmede de strategische autonomie van de EU van cruciaal belang zijn voor de veiligheid van de Unie en die van haar nabuurschap;

C.  overwegende dat het succes van de vredes- en veiligheidsmissies van het GVDB grotendeels afhankelijk is van het vermogen snel en onmiddellijk te reageren, en dat het daarom van essentieel belang is een werkelijke Europese defensiemarkt tot stand te brengen om overlappingen te voorkomen en de administratieve rompslomp te verminderen;

D.  overwegende dat de Europese defensiesector door het gebrek aan consolidering, kostenefficiëntie en transparantie op de Europese defensiemarkten steeds meer afhankelijk kan worden van het buitenland, terwijl de Europese veiligheid meer dan ooit sinds het einde van de Koude Oorlog op velerlei vlakken rechtstreeks wordt bedreigd;

E.  overwegende dat investeringen in onderzoek en technologie in de defensiesector van alle lidstaten, alsmede gezamenlijke investeringen in onderzoek en technologie in de defensiesector in het kader van Europese samenwerking de afgelopen jaren alarmerend zijn gedaald;

De ontwikkelingen op de defensiemarkten brengen de Europese autonomie in gevaar

1.  maakt zich nog steeds grote zorgen over de veel voorkomende en grotendeels ongecoördineerde bezuinigingen op de defensiebegroting in de meeste lidstaten; beklemtoont dat de bezuinigingen op de defensiebegrotingen de defensiecapaciteit van de lidstaten en de EU verzwakken en twijfels doen rijzen over de mate van paraatheid om de nationale en Europese veiligheid te waarborgen; is van mening dat deze ongecoördineerde bezuinigingen, in combinatie met structurele problemen en oneerlijke en ondoorzichtige praktijken, de Unie in gevaar brengen doordat strategische middelen en capaciteiten worden opgegeven en de kansen worden verspeeld die de coördinatie van het defensiebeleid en het bundelen en delen van defensiemiddelen zouden kunnen opleveren voor de verwezenlijking van de welvaart en vrede van de EU in overeenstemming met artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, haar voorzieningszekerheid en de verdediging van haar burgers en belangen;

2.  maakt zich ernstig zorgen over de toename van gewapende conflicten, laagintensieve crises, hybride oorlogen en "oorlogen bij volmacht", falende staten, instabiliteit en wijdverbreide mensenrechtenschendingen in de onmiddellijke nabijheid van de EU en over de terreurdreiging binnen en buiten de EU; meent dat de huidige bedreigingen met betrekking tot de veiligheid voor de EU als geheel gelden en vereend en gecoördineerd moeten worden aangepakt, door civiele en militaire middelen te bundelen en te delen; acht het in dit verband absoluut noodzakelijk geen middelen te verspillen en van essentieel belang het belastinggeld beter te gebruiken en verder werk te maken van de totstandbrenging van een Europese markt voor defensiemateriaal en de ontwikkeling van een concurrerende Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB), waarmee middels meer grensoverschrijdende samenwerking synergieën kunnen worden bereikt en die het GVDB van de benodigde capaciteiten kan voorzien; is ook van mening dat dit cruciaal zal zijn voor het verhogen van de efficiëntie en kosteneffectiviteit van het Europese optreden in het kader van NAVO-operaties om de veiligheid en stabiliteit in Europa en haar nabuurschap te garanderen;

3.  vindt het dan ook zorgwekkend dat de lidstaten de richtlijnen van het defensiepakket uit 2009 zo traag en inconsistent ten uitvoer leggen en verzoekt de Commissie specifieke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de richtlijnen correct worden toegepast, door de omzetting in nationale wetgeving op te volgen, teneinde marktverstoringen te voorkomen; erkent dat de invoering van nieuwe wetgeving een werk van lange adem is, maar waarschuwt dat een onjuiste en versnipperde toepassing tot slechte praktijknormen dreigt te leiden, dat daarmee de verwezenlijking van de in de richtlijnen vastgestelde doelstellingen in gevaar komt en dat zo de totstandbrenging van de Europese markt voor defensiemateriaal in het gedrang wordt gebracht en de ontwikkeling van een EDTIB wordt verzwakt; benadrukt dat het defensiepakket ook moet bijdragen tot het creëren van stimulansen voor samenwerking op het vlak van defensie in Europa en moedigt de Commissie en het EDA aan om in dat verband nauw samen te werken; herinnert er met spijt aan dat de gezamenlijke aankoop in de defensiesector is gestagneerd, en in de afgelopen jaren zelfs is gedaald;

4.  waarschuwt voor het gevaar dat de Europese defensiesector van het buitenland afhankelijk raakt, net nu de veiligheidssituatie steeds complexer en uitdagender wordt; waarschuwt met name voor de combinatie van ongecoördineerde defensiebegrotingen van de lidstaten, de aanhoudende marktversnippering ondanks nieuwe regelgeving inzake de interne markt, de groeiende afhankelijkheid van de defensie-industrie van export buiten de EU en de toegenomen buitenlandse investeringen in de Europese defensiesector in een aantal landen, wat zou kunnen leiden tot ondoorzichtigheid en het uit handen geven van de controle over strategische nationale en Europese defensiebedrijven, -middelen en -technologie;

5.  is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de gevolgen die bepaalde projecten – zoals de samenwerking met Rusland op gevoelige terreinen, waaronder satellietlancering met Sojoezraketten, en strategisch luchttransport – voor de autonomie en onafhankelijkheid van de EU kunnen hebben; benadrukt dat de lidstaten een prioritaire toetsing van hun militaire c.q. defensie-industrie moeten uitvoeren en voor stimulansen moeten zorgen om deze te ontwikkelen voor zover de EU-wetgeving dit toelaat;

6.  benadrukt dat een zeer concurrerende, moderne en geïntegreerde industriële Europese defensiestrategie van essentieel belang is om de Europese capaciteiten op defensiegebied te kunnen waarborgen en in andere, gerelateerde economische sectoren een positief effect te kunnen creëren; merkt op dat meer samenwerking op het gebied van economische middelen en menselijk kapitaal noodzakelijk is om vooruitgang te boeken met onderzoek voor tweeërlei gebruik waarmee onze afhankelijkheid van het buitenland zo veel mogelijk wordt beperkt en onze leveranties en grondstoffen voor de industrie worden gewaarborgd, met name die van kritieke aard;

7.  merkt op dat de Europese Raad van december 2013 weliswaar geen afdoend antwoord op deze situatie heeft gegeven, maar wel een aantal actielijnen uitstippelde om het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) te verbeteren en zich ertoe verbond in juni 2015 de vorderingen te evalueren; betreurt dat ondanks de verdere verslechtering van de veiligheidssituatie, zowel intern als ten oosten en ten zuiden van de EU, waardoor gevaren ontstaan voor de veiligheid in de EU, geen werkelijke vooruitgang is geboekt bij het aanpakken van de huidige uitdagingen en bedreigingen voor de veiligheid;

8.  verzoekt de Europese Raad met klem de nodige lering te trekken en concrete maatregelen te treffen om de versnippering van de Europese defensiemarkt ongedaan te maken; roept de Europese Raad ertoe op specifieke richtsnoeren voor defensiebeleid en de Europese defensiemarkt te verstrekken, daarbij rekening houdend met de specifieke kenmerken van de defensiesector, om de transparantie en het concurrentievermogen van de sector te vergroten en te garanderen dat de nodige defensiecapaciteiten beschikbaar zijn om de Europese veiligheid te waarborgen en de doelstellingen van het GVDB te kunnen verwezenlijken;

Afnemende Europese vraag als gevolg van bezuinigingen: behoefte aan verdere samenwerking

9.  is van mening dat de jaren van ongecoördineerde nationale defensiebegrotingen in Europa moeten worden gecompenseerd door een intensievere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten, mede via de afstemming van het defensiebegrotingsbeleid en de coördinatie van strategische keuzes in verband met de aanschaf van militair materiaal en uitrusting voor tweeërlei gebruik in overeenstemming met transparante normen voor overheidsopdrachten; benadrukt dat het belangrijk is dat er tussen de lidstaten van tevoren plannen worden gemaakt voor strategische investeringen voor de aankoop en de herstelling van materieel; roept andermaal op om de vraag in de hele EU te consolideren en zo een concurrerende en onafhankelijke EDTIB te bevorderen en in stand te houden; beklemtoont dat het ontwikkelen van een efficiënte en transparante EDTIB van essentieel belang is voor het vermogen van Europa om zijn burgers, belangen en waarden te beschermen, overeenkomstig de doelstellingen van het Verdrag, en zijn verantwoordelijkheden op te nemen om de veiligheid te bevorderen; verzoekt de Commissie een industriële strategie te ontwikkelen waarin de voornaamste capaciteiten worden bepaald waarop een EDTIB kan worden gebouwd;

10.  herinnert eraan dat de 28 EU-lidstaten nog steeds het nummer twee van de wereld zijn op het gebied van zowel defensie-uitgaven als wapenuitvoer; is van mening dat dit aantoont dat de Europese lidstaten en de Unie nog steeds een belangrijke rol spelen in de wereldwijde wapenverkoop en overheidsopdrachten op defensiegebied; vindt gecombineerde jaarlijkse defensie-uitgaven voor een bedrag van 190 miljard EUR een enorme hoeveelheid belastinggeld; herinnert er ook aan dat talloze recente onderzoeken hebben aangetoond dat het voornaamste probleem ligt in het feit dat in veel van de 28 EU-lidstaten defensiebudgetten heel inefficiënt worden gespendeerd, hetgeen tot lange vertragingen en hogere kosten leidt en in veel gevallen tot gevolg heeft dat gloednieuwe helikopters, gevechtsvliegtuigen en andere technologie niet operationeel zijn; benadrukt dat het noodzakelijk is de relaties tussen nationale defensie-overheden en defensiebedrijven grondig te herstructureren en strikte kwaliteitscriteria voor de output van aankoopprojecten in te voeren;

11.  is van mening dat de huidige budgettaire beperkingen in de EU-lidstaten een kans moeten bieden voor meer en betere samenwerking op het gebied van de aanschaf van defensiemateriaal, om meer waar voor het belastinggeld te bieden en voldoende militaire capaciteiten in de hele EU en een duurzame voorzieningszekerheid te garanderen; is van mening dat de lidstaten voor een keuze staan tussen doeltreffend samenwerken om het hoofd te bieden aan gemeenschappelijke uitdagingen of strategische capaciteiten verliezen en de nationale en Europese burgers en belangen niet verdedigen;

12.  pleit nogmaals voor meer convergentie tussen de nationale defensieplanningsprocessen en is in dit verband ingenomen met de goedkeuring door de Raad van het beleidskader voor systematische en langetermijnsamenwerking op het vlak van defensie; betreurt echter dat dit niet bindend is en dat er geen duidelijk en gestructureerd proces mee is ingevoerd; benadrukt dat dit document moet worden verwelkomd door de Europese Raad teneinde een belangrijke aanjager te worden; spoort de lidstaten ertoe aan het EDA om steun te verzoeken bij hun nationale defensiebeoordelingen en informatie over nationale investeringsplannen en prioriteiten te delen binnen het Militair Comité van de EU; verzoekt de lidstaten om permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) te lanceren met het oog op een betere coördinatie en om EU-financiering te gebruiken voor samenwerking in vredestijd; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv) om realistische plannen voor te stellen voor de geslaagde lancering van PESCO;

13.  verlangt dat samenwerking en het bundelen en delen van initiatieven prioriteit krijgen en dat daartoe prikkels worden gecreëerd; verzoekt de Europese Commissie om een voorstel voor te leggen dat verduidelijkt hoe niet-marktverstorende fiscale stimulansen deze doelstellingen kunnen dienen; neemt nota van de beslissing van België om btw-vrijstelling toe te kennen aan ad-hocprojecten van het EDA en is van mening dat deze vrijstelling moet worden veralgemeend naar alle samenwerkingsactiviteiten van het EDA; is ingenomen met het werk van het EDA in verband met een gedeeld aankoopmechanisme en verwacht dat dit maatregelen bevat om de op samenwerking gebaseerde aanschaf van en steun voor defensiemateriaal te stimuleren;

14.  wijst erop dat defensiebedrijven, en met name kmo's, in het kader van Horizon 2020, COSME en de Europese structuur- en investeringsfondsen EU-financiering kunnen aanvragen voor projecten voor tweeërlei gebruik en andere projecten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om bedrijven, en met name kmo's, te helpen op passende wijze gebruik te maken van Europese financieringsmogelijkheden voor defensiegerelateerde projecten;

15.  wijst erop dat de EU de afgelopen tijd steeds meer te maken heeft gekregen met bedreigingen en uitdagingen in cyberspace, hetgeen een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van de afzonderlijke lidstaten en de EU als geheel; is van oordeel dat dergelijke bedreigingen naar behoren moeten worden beoordeeld en dat er op EU-niveau maatregelen moeten worden getroffen om te voorzien in technische en andere veiligheidsmaatregelen in de lidstaten;

16.  verzoekt de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst van juni 2015 de noodzaak tot het stroomlijnen van processen van openbare aanbesteding en toewijzing van contracten in verband met cyberveiligheid te behandelen en te zorgen voor meer coördinatie tussen de lidstaten, zodat de Unie snel het hoofd kan bieden aan grote wereldwijde bedreigingen zoals cyberterrorisme en cyberaanvallen;

17.  herhaalt zijn oproep aan de vv/hv en de Raad om een gemeenschappelijk standpunt van de EU over het gebruik van gewapende drones te formuleren, waarin het allergrootste belang wordt gehecht aan de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht en waarin kwesties zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoording, bescherming van burgers en transparantie aan bod komen;

Toenemende externe afhankelijkheid: behoefte aan een gemeenschappelijke aanpak

18.  waarschuwt dat Europese defensiebedrijven hun dalende omzet in Europa steeds meer compenseren met export buiten de EU; is bezorgd over de negatieve gevolgen die dit met zich kan brengen, zoals de overdracht van gevoelige technologieën en intellectuele-eigendomsrechten aan hun toekomstige concurrenten en de verplaatsing van de productie naar buiten de EU, waarmee de Europese voorzieningszekerheid in gevaar wordt gebracht; meent dat het een ernstige strategische vergissing is de EU het risico te laten lopen dat de EDTIB afhankelijk wordt van afnemers in vreemde mogendheden met andere strategische belangen;

19.  wijst erop dat in het gemeenschappelijk standpunt van de EU over wapenuitvoer een gemeenschappelijke opvatting is vastgelegd met betrekking tot de controle op de uitvoer van militaire technologie en goederen om de nationale exportcontrolesystemen te coördineren; is van mening dat een coherentere toepassing van de acht criteria daarvan noodzakelijk is om er niet alleen voor te zorgen dat overkoepelende doelstellingen op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid voorrang hebben op economische winst op korte termijn, maar ook dat er een gelijk speelveld voor de Europese bedrijven bestaat;

20.  dringt er bij de lidstaten met klem op aan zich te houden aan de beginselen van het gemeenschappelijk standpunt en in de jaarverslagen volledig verslag uit te brengen over hoe het staat met hun uitvoer van defensiemateriaal naar derde landen; verzoekt de Raad en de vv/hv na te gaan hoe de naleving van de verslagleggingsverplichting kan worden verbeterd en hoe de transparantie van en de publieke controle op het kader voor uitvoercontrole kan worden verhoogd; wijst erop dat de eerbiediging van het gemeenschappelijk standpunt van fundamenteel belang is voor de verwezenlijking van de waarden en beginselen van de EU, met name op het gebied van de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht, en van haar verantwoordelijkheden inzake lokale, regionale en mondiale veiligheid;

21.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie over de herziening van het uitvoercontrolebeleid met betrekking tot goederen voor tweeërlei gebruik en benadrukt in dit verband dat moet worden gezorgd voor controlemodaliteiten die het vrije verkeer van goederen en technologie binnen de interne markt niet in de weg staan en uiteenlopende interpretaties van de EU-regels voorkomen; dringt er bij de Commissie met klem op aan om dringend een nieuw wetgevingsvoorstel in te dienen om de regeling voor controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik bij te werken teneinde de coherentie, efficiëntie en transparantie ervan te verbeteren, de effecten op de mensenrechten te erkennen en voor een gelijk speelveld te zorgen; benadrukt dat dit voorstel rekening moet houden met de veranderende aard van uitdagingen op het gebied van veiligheid en de snelheid van technologische ontwikkelingen, in het bijzonder wanneer het gaat over software en apparatuur op het vlak van bewaking en binnendringing en de handel in softwarekwetsbaarheden;

22.  merkt op dat het toenemende belang van technologieën voor tweeërlei gebruik weliswaar voordelen biedt in de vorm van synergieën tussen de defensiesector en commerciële productie, maar de sector ook afhankelijk maakt van civiele toeleveringsketens, waarvan de productie vaak buiten Europa is ondergebracht; verlangt van de Commissie en het EDA informatie over de mogelijke risico's van de toenemende internationalisering, de mogelijke gevolgen die wijzigingen in de eigendomsstructuur in de defensiesector kunnen hebben voor de voorzieningszekerheid, en de grotere risico's voor de Europese en de nationale veiligheid, waaronder de digitale infrastructuur van de EU; roept de Commissie op het Parlement tijdig te informeren over de status van het groenboek over de controle op industriële activa op het gebied van defensie en veiligheid, dat zij voor het einde van 2014 had aangekondigd, en verzoekt om informatie over de resultaten van de aangekondigde raadplegingen van belanghebbenden;

23.  is blij met de inspanningen van het EDA en de Commissie in verband met een regeling voor EU-brede voorzieningszekerheid, zoals hen was opgedragen door de Europese Raad, en ziet uit naar een routekaart met specifieke stappen die in juni 2015 moet worden voorgelegd ter goedkeuring door de staatshoofden en regeringsleiders; verzoekt de Commissie en het EDA precies aan te geven in hoeverre het voorstel van het Parlement over "een alomvattende en ambitieuze EU-regeling voor gegarandeerde aanvoer (...) die gebaseerd is op een stelsel van wederzijdse garanties en een risico- en behoefteanalyse, eventueel met gebruik van de rechtsgrond voor permanente gestructureerde samenwerking"(5) is opgenomen in het voorbereidende werk; is van mening dat de door de Commissie in het verleden gebruikte methoden, zoals het in kaart brengen en monitoren, ontoereikend waren; benadrukt dat moet worden gefocust op nieuwe benaderingen van de manier waarop het vrije verkeer van militaire uitrusting voor de strijdkrachten van de 28 lidstaten kan worden gegarandeerd;

24.  meent dat wederzijdse garanties tussen de lidstaten inzake voorzieningszekerheid een fundamenteel aspect zijn voor de totstandbrenging van een geïntegreerde Europese defensiemarkt; is ingenomen met de bijgewerkte kaderregeling inzake voorzieningszekerheid van het EDA en denkt dat dit instrument het wederzijdse vertrouwen en de solidariteit versterkt, maar betreurt dat hieraan geen wettelijke verplichtingen verbonden zijn; is van mening dat de regeling voor EU-brede voorzieningszekerheid op de tenuitvoerlegging van bestaande wetgeving moet berusten, en met name op de volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake de overdracht van defensiegoederen binnen de EU om belemmeringen voor het verkeer van defensieproducten binnen de EU weg te nemen;

Het potentieel van de regels inzake de interne markt volledig benutten

25.  benadrukt dat het defensiepakket dat door de Commissie werd gelanceerd, het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie moet ondersteunen en onder meer ten doel heeft de problemen te beperken die worden veroorzaakt door de versnippering van de Europese defensiemarkt, de soms protectionistische houding bij de gunning van defensieopdrachten en het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende lidstaten wat betreft de regelingen voor controle op de overdracht van defensiegerelateerde producten;

26.  onderstreept dat een interne markt op defensiegebied garant zou staan voor volledige transparantie en dubbel werk, dat tot verstoringen van de markt leidt, zou voorkomen; benadrukt dat het succes van de vredes- en veiligheidsmissies van het GVDB grotendeels afhankelijk is van het vermogen snel te reageren en dat meer integratie van cruciaal belang is bij de stroomlijning van processen en het terugdringen van de kosten;

27.  merkt op dat de voltooiing van een Europese markt op defensiegebied een zeer concurrerende, op innovatie en technologie gebaseerde industrie vereist, die middels meer grensoverschrijdende samenwerking synergieën tot stand kan brengen, en dat vooruitgang met het onderzoek naar technologieën voor tweeërlei gebruik van cruciaal belang is om onze onafhankelijkheid te waarborgen en de voorzieningszekerheid te garanderen, in het bijzonder in geval van leveranties van kritieke aard;

28.  wijst erop dat teneinde de Europese defensie en technologische innovatie te versterken en aanzienlijk te besparen, Europa schaalvoordelen moet creëren en een gemeenschappelijke EU-markt voor overheidsopdrachten op defensiegebied tot stand moet brengen, mede om een moderne, geïntegreerde en concurrerende Europese defensie-industrie te bevorderen; wijst erop dat de regels inzake de interne markt volledig zouden moeten worden benut door middel van meer grensoverschrijdende samenwerking, teneinde de voortschrijdende versnippering van de Europese defensie- en veiligheidssector tegen te gaan, die leidt tot overlapping van programma's inzake defensiemateriaal en een gebrek aan transparantie over de betrekkingen tussen nationale defensie-overheden en de defensie-industrie; spoort de lidstaten aan om nationale voorschriften die niet voldoen aan de Richtlijnen 2009/43/EG en 2009/81/EG en die een belemmering vormen voor de interne markt voor overheidsopdrachten op defensiegebied, te schrappen en Richtlijn 2009/81/EG over aanbestedingen op defensie- en veiligheidsgebied en Richtlijn 2009/43/EG over de overdracht van defensiegerelateerde producten, correct om te zetten en toe te zien op de naleving ervan; verzoekt de Commissie specifieke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de richtlijnen correct worden toegepast en om de nationale omzettingsprocedures te controleren en te monitoren, teneinde verstoringen van de markt te voorkomen;

29.  verzoekt de Commissie om, met het oog op de best mogelijke benutting van middelen, de lidstaten aan te moedigen gezamenlijke aankopen te doen door middel van aankoopcentrales, zoals het EDA, als bepaald in Richtlijn 2009/81/EG;

30.  spoort de Commissie aan haar inspanningen te intensiveren om een gelijk speelveld op de Europese defensiemarkten te creëren, teneinde protectionistische praktijken van de lidstaten te bestrijden door grensoverschrijdende samenwerking en betere toegang tot toeleveringsketens van de defensie-industrie te bevorderen, en door maatregelen te nemen om een einde te maken aan de situatie waarbij enkele lidstaten uitsluitend optreden als leveranciers van defensietechnologieën en andere slechts als afnemers; is in dit verband van mening dat het gebruik van uitsluitingen in de zin van Richtlijn 2009/81/EG terdege moet worden gemotiveerd; verzoekt de Commissie om het Parlement op de hoogte te brengen van de effecten van de zeven reeds gepubliceerde richtsnoeren (inzake respectievelijk toepassingsgebied, uitsluitingen, O&O, voorzieningszekerheid, informatieveiligheid, onderaanneming, compensaties) en merkt op dat de Commissie voornemens is in 2015 nog eens twee richtsnoeren te publiceren; is van mening dat deze richtsnoeren de Commissie de perfecte gelegenheid bieden om in dialoog te treden met de lidstaten over onderwerpen die nooit op een gestructureerde, open manier zijn besproken en vraagt informatie over de uitkomsten van een dergelijke dialoog met de lidstaten;

31.  wijst erop dat artikel 346 VWEU in zijn huidige formulering en in de huidige praktijk de lidstaten nog steeds veel ruimte biedt om een beroep te doen op de toepassing ervan en zo af te wijken van de toepassing van het Europese recht inzake overheidsopdrachten op defensiegebied bij het gunnen van defensieopdrachten; verzoekt de lidstaten daarom om artikel 346 VWEU correct en effectief toe te passen, in overeenstemming met de vereisten die zijn vastgelegd in de EU-voorschriften, in de richtlijnen betreffende de interne markt en in de voorschriften inzake overheidsopdrachten op defensiegebied; herinnert eraan dat de maatregelen uit hoofde van artikel 346 volgens de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt dienen te worden tot uitzonderlijke, duidelijk afgebakende gevallen, en niet verder mogen reiken dan de grenzen van zulke gevallen; waarschuwt dat de onjuiste toepassing van afwijkingen van de internemarktvoorschriften de mededinging in de EU actief belemmert, transparantie in de weg staat, corruptie in de hand werkt en zo de totstandbrenging van een EU-defensiemarkt schaadt, en nadelig is voor een goed werkende EDTIB en de ontwikkeling van geloofwaardige militaire vermogens;

32.  wijst erop dat op de lange termijn de volledige afschaffing van compensaties zal bijdragen tot een beter functionerende interne markt in de Europese defensiesector ; dringt er derhalve bij de Commissie op aan te blijven controleren of de lidstaten compensaties die op grond van artikel 346 van het Verdrag niet naar behoren zijn gerechtvaardigd, wel afbouwen; acht dit noodzakelijk om de soepele werking en de transparantie van de interne markt in de Europese defensiesector te waarborgen en om alle leveranciers, met name kmo's, gelijke voorwaarden te bieden;

33.  brengt in herinnering dat kaderovereenkomsten, onderaanneming en verdeling in percelen middelen moeten zijn om gevestigde toeleveringsketens open te breken ten gunste van kmo's; wijst er niettemin op dat de beginselen van transparantie in de keten van onderaannemers en gedeelde verantwoordelijkheid moeten worden verzekerd; verzoekt de lidstaten, het EDA en de Commissie om er, in onderlinge samenwerking en in samenwerking met hoofdaannemers, voor te zorgen dat kmo's volledig bekend zijn met de verschillende fases van de waardeketen, hetgeen hen zal helpen hun toegang tot overheidsopdrachten op defensiegebied te vergemakkelijken en te consolideren en tevens de geografisch onevenwichtige ontwikkeling van de Europese industriële en technologische defensiebasis te keren;

34.  merkt op dat de industrie nog weinig gebruik maakt van de belangrijkste instrumenten van de richtlijn betreffende de overdracht van defensiegoederen, met name algemene vergunningen en certificering van defensiebedrijven, en dat er mazen zitten in de administratieve samenwerking tussen de lidstaten om passende controlemaatregelen te verzekeren teneinde inbreuken op de voorwaarden van overdrachtvergunningen te voorkomen; spoort de Commissie en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat deze instrumenten in de praktijk daadwerkelijk worden gebruikt en is dan ook ingenomen met het initiatief van de Commissie om een werkgroep met de lidstaten op te richten over de harmonisering van de richtlijn betreffende de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de EU;

35.  erkent het stappenplan van de Commissie uit 2014 met de titel "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" en de in dat plan door de Commissie gedane toezegging om te onderzoeken hoe de mogelijke negatieve effecten van door derde landen geëiste compensaties kunnen worden tegengegaan en welke gevolgen deze compensaties hebben voor de interne markt en de Europese industrie; benadrukt dat dit plan tijdig moet worden uitgevoerd en dat indien noodzakelijk aanvullende maatregelen moeten worden genomen; schaart zich volledig achter de inspanningen van de Commissie om praktische richtsnoeren te bieden aan kmo's die Europese middelen aanwenden in projecten voor tweeërlei gebruik;

36.  herhaalt dat de lidstaten de transparantie van hun aanbestedingspraktijken in de defensiesector ten aanzien van de Commissie en de EU-agentschappen onverwijld moeten verbeteren; onderstreept dat specifieke aanbestedingsprocedures, zoals de procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking van een opdracht, moeten worden beperkt tot uitzonderlijke gevallen en enkel kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang op het gebied van defensie en veiligheid, in overeenstemming met Richtlijn 2009/81/EG; spoort de Commissie aan te zorgen voor toereikend toezicht zodat in 2016 de geplande uitgebreide rapportage met betrekking tot beide richtlijnen aan het Parlement en de Raad kan plaatsvinden;

37.  wijst op het belang van regelmatige controles van defensie- en veiligheidsuitrusting door de bevoegde toezichthoudende autoriteiten, met inbegrip van boekhoudkundige controles;

38.  onderstreept dat samenwerking tussen strategische partners van essentieel belang is voor de Europese voorzieningszekerheid en spoort de Commissie en de lidstaten er daarom toe aan rekening te houden met overheidsopdrachten op het gebied van defensie wanneer zij over internationale handelsovereenkomsten onderhandelen;

Herziening van het pakket inzake overheidsopdrachten op defensiegebied

39.  verzoekt de Commissie in haar verslagen aan het Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/81/EG en Richtlijn 2009/43/EG in 2016 grondig te beoordelen of en in welke mate de bepalingen van die richtlijnen correct zijn toegepast en of de doelstellingen ervan verwezenlijkt zijn, en om dienovereenkomstig wetgevingsvoorstellen te doen, indien de bevindingen van deze verslagen daar aanleiding toe geven;

40.  benadrukt dat nadere speciale rapportageverplichtingen voor de lidstaten moeten worden ingevoerd, tezamen met bepalingen inzake passende waarborgen voor de vertrouwelijkheid;

41.  brengt in herinnering dat de modernisering van de EU-regels voor openbare aanbestedingen zoals beschreven in Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU, beide aangenomen in 2014, ten doel had de transparantie in de keten van onderaannemers en de naleving van de milieu-, sociale en arbeidswetgeving te waarborgen; benadrukt dat de nieuwe richtlijnen mogelijkheden bieden voor beter gestroomlijnde procedures, zoals het gebruik van elektronische aanbestedingen, vraagbundeling en het gebruik van de economisch voordeligste inschrijving, die kunnen worden aangepast aan de specifieke kenmerken van de defensie- en veiligheidssector;

42.  dringt, met het oog op de totstandbrenging van een innovatieve en concurrerende Europese industrie en de optimale benutting van veiligheids- en defensiemiddelen, aan op de introductie van de nieuwe "innovatiepartnerschap"-procedure bij overheidsopdrachten op defensiegebied, zodat aanbestedende diensten deze procedure kunnen instellen voor de ontwikkeling en daaropvolgende aankoop van nieuwe, innovatieve producten, diensten of werken, de nodige marktstimulansen worden geboden en de ontwikkeling van innovatieve oplossingen wordt ondersteund zonder de markt af te schermen;

43.  benadrukt dat bij aanbestedingsprocedures voor veiligheids- en defensiemateriaal de optimale bescherming en de veiligheid van de burgerbevolking centraal moeten staan;

o
o   o

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de parlementen van de EU-lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de NAVO en de secretaris-generaal van de NAVO.

(1) PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.
(2) PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0514.
(4) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 9.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0514.

Juridische mededeling