Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2151(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0169/2015

Ingediende teksten :

A8-0169/2015

Debatten :

PV 08/06/2015 - 15
CRE 08/06/2015 - 15

Stemmingen :

PV 09/06/2015 - 4.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0220

Aangenomen teksten
PDF 212kWORD 102k
Dinsdag 9 juni 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan
P8_TA(2015)0220A8-0169/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2015 over "Naar een hernieuwde consensus over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan" (2014/2151(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten(1) ("de richtlijn IER-handhaving"),

–  gezien artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 386/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 19 april 2012 tot toewijzing aan het Harmonisatiebureau voor de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van taken die verband houden met de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van de vergadering van vertegenwoordigers van de publieke en private sector als Europees Waarnemingscentrum voor inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad,

–  gezien het verslag dat in september 2013 is ingediend door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) en het Europees Octrooibureau (EOB), getiteld "Intellectual property rights intensive industries: contribution to economic performance and employment in the European Union",

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 juni 2008, getiteld: "Denk eerst klein, een 'Small Business Act' voor Europa" (COM(2008)0394),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 september 2009, getiteld "Versterkte handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt" (COM(2009)0467),

–  gezien het verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 22 december 2010, getiteld "Toepassing van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten" (COM(2010)0779) en het begeleidende werkdocument(3),

–  gezien de samenvatting die de Commissie heeft gemaakt van de reacties op de openbare raadpleging "Civielrechtelijke handhaving van intellectuele eigendomsrechten: openbare raadpleging betreffende de efficiëntie van de procedure en de toegankelijkheid van de maatregelen" van juli 2013(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 1 juli 2014, getiteld "Naar een hernieuwde consensus over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan" (COM(2014)0392),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 1 juli 2014, getiteld "Handel, groei en intellectuele eigendom – Strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen" (COM(2014)0389),

–  gezien het plan van de Commissie om een interne digitale EU-markt tot stand te brengen en gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over een concurrerende digitale interne markt(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 4-5 december 2014 over IER-handhaving(6),

–  gezien de resolutie van de Raad over het EU-douaneactieplan tegen inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten (IER) voor de jaren 2013-2017(7),

–  gezien zijn resolutie van 22 september 2010 over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt(8),

–  gezien de brief van de Commissie juridische zaken van 24 maart 2011 betreffende het verslag over de toepassing van Richtlijn 2004/48/EG,

–  gezien artikel 27 van de Universele verklaring van de rechten van de mens, waarin bepaald wordt dat een ieder het recht heeft op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk, dat hij heeft voortgebracht,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0169/2015),

A.  overwegende dat in artikel 118 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bijzondere nadruk wordt gelegd op intellectuele eigendom;

B.  overwegende dat intellectuele-eigendomsrechten behoren tot de drijvende krachten achter innovatie en creativiteit en in grote mate bijdragen aan de werkgelegenheid en de culturele diversiteit; overwegende dat de kwestie van de authenticiteit van producten niet altijd mag worden samengevoegd met kwesties van productveiligheid en -kwaliteit, en dat de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten een belangrijke rol vervult in het garanderen van de veiligheid en gezondheid van de consumenten; overwegende dat inkomsten uit namaak doorgaans in de zwarte economie en de georganiseerde misdaad terechtkomen;

C.  overwegende dat de EU geconfronteerd wordt met een groot aantal inbreuken op de intellectuele-eigendomsrechten en overwegende dat de omvang en de financiële waarde van deze inbreuken alarmerend zijn, aldus de opmerking van de Commissie in haar verslag over de toepassing van de richtlijn betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (COM(2010)0779); overwegende dat deze cijfers ook een beeld geven van de toegevoegde waarde van IER voor de Europese economie in de wereldwijde concurrentie;

D.  overwegende dat IER-inbreuken, waaronder namaak, ontmoedigend werken voor groei, jobcreatie, innovatie en creativiteit;

E.  overwegende dat IER-inbreuken zowel niet-materiële als economische schade toebrengen aan Europese ondernemingen en leiden tot zware economische en fiscale verliezen voor staten;

F.  overwegende dat een toereikende bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten een noodzakelijke voorwaarde is voor de ontwikkeling van de digitale economie en van de digitale interne markt;

G.  overwegende dat de manier waarop IER-handhaving in de digitale omgeving moet worden aangepakt, veranderd is als gevolg van de snel groeiende ontwikkeling van de elektronische handel en onlineactiviteiten, vooral omdat er daardoor nieuwe mogelijkheden voor inbreuken zijn ontstaan, niet in het minst als gevolg van de nieuwe sociale gedragspatronen bij de gebruikers;

H.  overwegende dat het Parlement met bezorgdheid kennis neemt van de opmerking in het BHIM-verslag dat er bij een significante minderheid van de Europeanen een zeker mate van tolerantie bestaat voor het idee dat IER-inbreuken als aanvaardbaar kunnen worden beschouwd(9); overwegende dat er een gebrek is aan voldoende kennis van het sociale en culturele belang van IER en van de handelingen die als IER-inbreuken worden beschouwd, en dat met name de jonge Europeanen zich niet bewust zijn van de mogelijke gevolgen van IER-inbreuken voor de economie en de maatschappij van de EU en voor de algemene veiligheid van de burgers; overwegende dat het noodzakelijk en ook mogelijk is passende bewustmakings- en voorlichtingscampagnes voor gebruikers te organiseren;

I.  overwegende dat de inspanningen om de illegale handel in namaakproducten te bestrijden, verdubbeld moeten worden en overwegende dat niemand winst mag halen uit IER-inbreuken;

J.  overwegende dat rechtshandhaving essentieel is voor de rechtszekerheid en overwegende dat het uiterst belangrijk is om doeltreffende, evenredige en afschrikkende middelen te vinden voor IER-handhaving;

K.  overwegende dat IER-inbreuken een bijzonder effect hebben op kmo's, onder meer in dienstverlening tussen bedrijven onderling, en tot het verlies van markten en tot faillissementen kunnen leiden;

L.  overwegende dat het voor IER-handhaving van fundamenteel belang is om rekening te houden met internationale aspecten, aangezien IER-inbreuken een mondiaal verschijnsel zijn;

M.  overwegende dat er in de beleidsmaatregelen ter bestrijding van IER-inbreuken zowel met online- als met offline-inbreuken rekening dient te worden gehouden;

1.  verwelkomt de mededeling van de Commissie van 1 juli 2014, waarin zij een actieplan voor de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten voorstelt; steunt de Commissieaanpak van IER-handhaving, die gebaseerd is op preventieve acties en beleidsinstrumenten die commerciële inbreukmakers van hun inkomsten moeten beroven en die het moeilijker moeten maken om inbreukmakende goederen op de markt te brengen;

2.  onderstreept dat de primaire verantwoordelijkheid voor IER-handhaving bij de overheidsinstanties van de lidstaten ligt;

3.  benadrukt dat het actieplan in de eerste plaats tot doel moet hebben een doeltreffende, op feiten gebaseerde handhaving van IER te waarborgen, omdat een dergelijke handhaving essentieel is voor het stimuleren van innovatie, creativiteit, concurrentievermogen, groei en culturele diversiteit; merkt op dat maatregelen op het gebied van de handhaving van IER gebaseerd moeten zijn op nauwkeurige, betrouwbare gegevens;

4.  wijst erop dat in tijden van financiële crisis, waarin fors wordt bezuinigd op de financiële steun aan de culturele sector, IER vaak de belangrijkste inkomstenbron zijn van de individuele ontwerpers; wijst er daarom op dat het waarborgen van een eerlijke beloning voor ontwerpers en houders van rechten een essentiële doelstelling van het EU-actieplan moet zijn;

5.  meent dat het, met het oog op innovatie, creativiteit en concurrentievermogen, essentieel is dat de maatregelen voor de bescherming van IER transparant zijn en dat burgers en alle andere betrokken actoren kunnen beschikken over volledige informatie;

6.  beseft dat de handhaving van IER niet alleen groei en werkgelegenheid in de gehele Unie zal bevorderen, maar ook van wezenlijk belang is voor het functioneren van de interne markt, met name gelet op factoren als aandeel in het bbp en de werkgelegenheid in de EU, en het scala aan bedrijfstakken dat van die rechten profiteert en gebruik maakt en een sleutelrol speelt bij het stimuleren van innovatie, creativiteit, het concurrentievermogen en culturele diversiteit;

7.  wijst erop dat IER garant staan voor de creativiteit, de innovatie en het concurrentievermogen van de culturele en creatieve sectoren in het bijzonder, maar ook van andere bedrijfssectoren, zoals de Commissie benadrukt in haar mededeling "Voor een heropleving van de Europese industrie"; verzoekt de Commissie IER in aanmerking te blijven nemen als een factor in het concurrentievermogen van de Europese economie;

8.  onderstreept dat IER niet alleen auteursrechten omvatten, maar onder andere ook merken en octrooien, en dat elk van deze rechten cruciaal is voor de waarde van Europese goederen en diensten;

9.  wijst erop dat de culturele en de creatieve sector, beide IER-intensieve sectoren, volgens de Commissie reeds tot 4,5 % van het bbp leveren en goed zijn voor ongeveer 8,5 miljoen banen in de EU en benadrukt dat deze sectoren niet alleen belangrijk zijn voor de culturele diversiteit, maar ook een aanzienlijke bijdrage leveren aan de sociale en economische ontwikkeling;

Samenwerken met alle actoren in de toeleveringsketen, zowel online als offline

10.  meent dat alle actoren in de toeleveringsketen een rol moeten spelen in de bestrijding van IER-inbreuken en bij dit proces moeten worden betrokken; benadrukt dat er zowel in de online- als in de offlineomgeving een aanpak moet worden ontwikkeld waarbij alle actoren betrokken zijn; meent dat, om deze aanpak te doen slagen, de fundamentele rechten in evenwicht moeten zijn, aangezien maatregelen die gevolgen hebben voor de fundamentele rechten niet uit eigen keuze kunnen worden genomen door commerciële operatoren, maar een juridische basis en gerechtelijk toezicht vergen;

11.  wijst erop dat het opnemen van onlineactoren in de maatregelen ter bestrijding van IER-inbreuken in overeenstemming moet zijn met de beginselen van Richtlijn 2000/31/EC (de richtlijn elektronische handel) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

12.  merkt op dat fysieke namaakproducten die door middel van IER-inbreuken vervaardigd zijn, steeds vaker worden verhandeld en verkocht op onlinemarktplaatsen, waar de autoriteiten van de lidstaten slechts beperkte middelen hebben om controle op de transacties uit te oefenen; benadrukt dat de eigenaren van marktplaatsplatforms moeten worden betrokken bij alle inspanningen om IER te handhaven, met inbegrip van maatregelen om namaakproducten van hun websites te verwijderen en verkopers ervan te weren;

13.  onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat het zorgvuldigheidsbeginsel wordt toegepast in de gehele toeleveringsketen, onder meer in de digitale toeleveringsketen, en met betrekking tot alle belangrijke actoren en marktdeelnemers, zoals ontwerpers, kunstenaars en houders van rechten, producers, tussenpersonen, internetproviders, platforms voor onlineverkoop, eindgebruikers en overheden;

14.  meent dat de toepassing van de zorgvuldigheidsplicht in de hele toeleveringsketen en van meer markttoezicht en betere informatiedeling tussen douaneautoriteiten het ondernemingsklimaat zou verbeteren en zou helpen voorkomen dat inbreukmakende goederen en diensten op de markt komen; benadrukt dat de kosten-batenverhouding en de doeltreffendheid van kwalitatieve controleregelingen goed geëvalueerd moeten worden voordat ze worden toegepast en dat in dat verband grondig moet worden gedacht over het verlenen van steun aan kmo's;

15.  neemt voorts kennis van de voorgenomen omvattende raadpleging van belanghebbenden inzake de toepassing van zorgvuldigheidscontroles in de gehele toeleveringsketen, onder meer op betalingsdienstaanbieders, ter voorkoming van IER-inbreuken, en verlangt dat de resultaten van die raadpleging en het vrijwillige EU-zorgvuldigheidsprogramma jaarlijks aan het Parlement worden gepresenteerd, in plaats van eens in de twee jaar;

16.  dringt bij de Commissie aan op een tijdige en transparante raadpleging van de belanghebbenden en verzoekt haar de resultaten van de raadplegingen zowel kwalitatief als kwantitatief te analyseren en aan de belanghebbenden, waaronder het Parlement en de andere EU-instellingen, door te geven;

17.  wijst erop dat ook sectorale overeenkomsten en gidsen voor goede praktijken belangrijk zijn in de strijd tegen IER-inbreuken; dringt er bij de actoren in deze sector op aan om informatie uit te wisselen over platforms die toegang bieden tot inhoud die inbreuk maakt op IER en om hiertegen gecoördineerde en evenredige maatregelen te nemen, zoals het initiëren van een "notice and takedown"-procedure, om het financieel voordeel dat met dergelijke inhoud en platforms te behalen valt, zo klein mogelijk te maken; merkt op dat het bij dergelijke maatregelen niet mag gaan om het zonder juridische basis blokkeren van websites;

18.  wijst erop dat "cyberlocker"-platforms behoren tot de belangrijkste veroorzakers van IER-inbreuken en dat deze platforms inkomsten genereren via advertenties en/of abonnementen;

19.  verwelkomt de methode om IER-inbreukmakers van hun inkomsten te beroven door middel van overeenkomsten tussen houders van rechten en hun partners; is voorstander van het uitwerken van memoranda van overeenstemming als zachte-wetgevingsmaatregelen om namaak en piraterij te bestrijden en steunt het idee om deze maatregelen verder te ontwikkelen samen met de belanghebbenden; beveelt in dit verband de Commissie aan een studie te laten uitvoeren over de manier waarop deze namaakoperaties hun activiteiten kruisfinancieren (verkoop van namaakproducten en aanbieden van illegale inhoud);

20.  herinnert eraan dat er sinds mei 2011 een vrijwillig memorandum van overeenstemming over de internetverkoop van namaakproducten bestaat en vraagt de Commissie de resultaten van de tenuitvoerlegging van dit memorandum te evalueren en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

21.  is van mening dat de Commissie ook rekening moet houden met de effectiviteit van bestaande initiatieven en mogelijke toekomstige activiteiten met betrekking tot de rol van tussenpersonen bij de aanpak van IER-inbreuken;

22.  merkt op dat in de culturele en creatieve sector in het bijzonder samenwerking – onder meer op basis van zelfregulering – tussen houders van rechten, auteurs, platformbeheerders , tussenpersonen en eindgebruikers moet worden gestimuleerd om IER-inbreuken in een vroeg stadium op te sporen; benadrukt dat de doeltreffendheid van deze zelfregulering in de nabije toekomst door de Commissie moet worden geëvalueerd en dat verdere wetgevingsmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn;

23.  wijst erop dat in de culturele en creatieve sector betalingsdienstaanbieders in de dialoog moeten worden betrokken om ervoor te zorgen dat er minder winsten gegenereerd worden door IER-inbreuken in de onlineomgeving;

24.  wijst er nogmaals op dat de georganiseerde misdaad zich ook op het gebied van de internationale IER-inbreuken begeeft en dat er daarom op Europees niveau gewerkt moet worden aan een gecoördineerde oplossing, dat de bestaande auditmaatregelen aangescherpt moeten worden en dat het "follow the money"-beginsel toegepast moet worden, om de belangen van de consumenten te beschermen en de integriteit van de voorzieningsketen te waarborgen;

Bewustmaking en voorlichting van de consumenten

25.  verwelkomt de aanpak van de Commissie om gerichte bewustmakingscampagnes op te zetten; vindt het essentieel dat iedereen begrijpt wat de concrete gevolgen van IER-inbreuken zijn voor de maatschappij als geheel en voor de consumenten en burgers individueel; meent dat de consumenten beter geïnformeerd moeten worden over wat IER zijn, en wat wel en niet kan worden gedaan met beschermde goederen en inhoud; vraagt de Commissie en de lidstaten verder te gaan met het ontwikkelen van bewustmakingscampagnes die gericht zijn op specifieke doelgroepen en relevante markten;

26.  dringt aan op een bredere informatiecampagne over het platform van IER-houders en IER-handhavingsautoriteiten, zodat houders van rechten een actievere rol krijgen in het verdedigen van hun rechten in de hele Europese Unie via de gegevensbank voor rechtshandhaving die geïntegreerd is in het beveiligd netwerk van het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie; roept op tot een verdere en snellere integratie met politiediensten en andere douaneautoriteiten van over de hele wereld met het oog op een betere IER-handhaving;

27.  wijst erop dat meer bepaald de jongere generatie moet worden aangesproken door middel van passende campagnes om hen meer bewust te maken, aangezien uit een recente studie over de perceptie van IER is gebleken dat precies deze generatie het minst IER respecteert;

28.  wijst op het belang van initiatieven om te evalueren en te volgen hoe het inzicht in en de perceptie van IER bij jongeren zich ontwikkelen, teneinde hun behoeften beter in te schatten en te bepalen wat de best geschikte actie is;

29.  is met name verheugd over de activiteiten van het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten binnen het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), die tot doel hebben de consumenten bewust te maken van de voordelen van een keuze voor producten die met inachtneming van de IER verkregen zijn, en deze producten gemakkelijker verkrijgbaar te maken;

30.  meent tegelijk dat de consumenten beter in staat moeten zijn om inbreukmakende aanbiedingen te herkennen, zodat zij kunnen besluiten niet door te gaan met een bepaalde aankoop; betreurt het dat het actieplan van de Commissie geen maatregelen omvat die erop gericht zijn de consumenten beter in staat te stellen inbreukmakende producten en inhoud te herkennen; roept de Commissie op verder na te denken over de ontwikkeling van specifieke instrumenten en richtsnoeren en over te gaan tot een op feiten gebaseerd onderzoek en de eventuele ontwikkeling van een geharmoniseerd systeem van procedures voor kennisgeving/intrekking van inbreukmakende goederen en inhoud, zodat consumenten en ondernemingen actie kunnen ondernemen wanneer zij misleid zijn, net zoals zij kunnen optreden om aandacht te vestigen op ongewenste inhoud, op basis van de ervaring die is opgedaan door de Commissie en het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, met name met betrekking tot het uitwisselen van beste praktijken;

31.  merkt op dat het systeem voor het melden en per URL verwijderen van inhoud die inbreuk op IER maakt, praktische beperkingen meebrengt wat betreft de tijd die er nodig is voordat de desbetreffende inhoud weer beschikbaar kan worden gesteld; verzoekt daarom de actoren in deze sector na te denken over manieren om het systeem voor melding en verwijdering op termijn doeltreffender te maken;

32.  is van mening dat alle bij de distributieketen betrokken actoren moeten meewerken aan de ontwikkeling van voorlichtingscampagnes die consumenten duidelijkheid verschaffen over hun rechten en plichten bij het opzoeken en gebruiken van creatieve inhoud;

33.  meent dat alleen met de samenwerking van de grote internetspelers die door IER beschermde inhoud aanbieden, mogelijk zal zijn om te komen tot grotere transparantie en betere informatie op doeltreffende wijze en acht het dus wenselijk hen te betrekken bij deze inspanningen voor transparantie en informatiedoorstroming;

34.  onderstreept dat initiatieven en campagnes in alle lidstaten gecoördineerd moeten worden, om dubbel werk te vermijden en voor samenhang en efficiëntie te zorgen;

35.  verzoekt de autoriteiten van de lidstaten ervoor te zorgen dat producten die via inbreuken op de IER vervaardigd zijn en een veiligheidsrisico vormen, worden opgenomen in de Rapex-meldingen, ongeacht of deze producten in de desbetreffende lidstaat legaal of illegaal verkocht worden;

Ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen

36.  meent dat in bepaalde sectoren het gebrek aan kennis bij de consument over wettelijke aanbiedingen en de soms moeilijk toegankelijke of dure toelevering van niet-inbreukmakende goederen en inhoud het moeilijk kan maken om de consumenten te weerhouden van de aankoop van onrechtmatige goederen of het gebruik van onrechtmatige inhoud; is van oordeel dat er op dit gebied nog meer vooruitgang moet worden geboekt en vraagt nogmaals aan de Commissie en de lidstaten om meer druk uit te oefenen op het bedrijfsleven om in alle lidstaten een legaal aanbod te ontwikkelen dat tegelijk gediversifieerd en aantrekkelijk is, zodat de consumenten daadwerkelijk alle gelegenheid hebben om legale goederen te kopen of legale inhoud te gebruiken;

37.  benadrukt dat er behoefte is aan een meer holistische aanpak die erop gericht is aan de wensen van de consument tegemoet te komen, door verruiming van het aanbod en het gebruik van innovatieve en betaalbare legale inhoud, op basis van bedrijfsmodellen die zijn toegesneden op internet en die het mogelijk maken de belemmeringen voor de verwezenlijking van een werkelijke digitale interne markt op te heffen, waarbij het evenwicht wordt bewaard tussen de rechten van consumenten en de bescherming van innovatoren en ontwerpers;

38.  meent dat de ontwikkeling van innovatieve bedrijfsmodellen een manier kan zijn om IER te versterken; wijst er voorts op dat de verbetering en constante aanpassing van deze modellen aan de technologische vooruitgang opnieuw moet worden overwogen voor bepaalde industriële sectoren;

Nadruk op kmo's

39.  benadrukt het belang van verbetering van de civiele handhavingsprocedures voor kmo's en individuele ontwerpers voor de bescherming van IER, aangezien kmo's en ontwerpers een belangrijke rol spelen binnen de creatieve en de culturele sector, maar vanwege de complexiteit, kosten en lange duur van dergelijke procedures, vaak niet in staat zijn hun rechten af te dwingen;

40.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij kmo's zal steunen om hun IER te versterken door te zorgen voor betere toegankelijke civiele verhaalmogelijkheden, zodat zij beter marktmisbruik van grote concurrenten kunnen bestrijden, en dat zij met name verder zal nagaan welke behoeften de kmo's hebben inzake toekomstige EU-maatregelen;

41.  is ingenomen met het besluit uit de mededeling van de Commissie van 1 juli 2014 over een actieplan van de EU, en met name actie 4, die tot doel heeft civielrechtelijke IER-handhavingsprocedures voor kmo's te verbeteren, in het bijzonder met betrekking tot vorderingen met een zeer lage waarde en mogelijke actie op dit gebied;

42.  benadrukt dat voor kmo's duidelijke en hanteerbare structuren voor de handhaving van hun IER cruciaal zijn;

43.  vraagt de Commissie dat zij ervoor zorgt dat de genomen maatregelen een beperkte impact hebben wat betreft de lasten en kosten voor de kmo's; verzoekt met name de Commissie verder na te gaan hoe kmo's kunnen deelnemen aan kwalitatief goede auditregelingen en welke specifieke maatregelen er met het oog hierop kunnen worden genomen ten behoeve van kmo's;

44.  wijst erop dat bij het opstellen van wetgeving rekening moet worden gehouden met kmo's en herhaalt dat het "denk eerst klein"-principe te allen tijde moet worden toegepast;

45.  benadrukt het belang van toegang tot de rechter en de kosteneffectiviteit van gerechtelijke procedures, vooral voor kmo's, en dringt aan op de ontwikkeling van bemiddeling en andere regelingen van alternatieve geschillenbeslechting tussen ondernemingen in het gebied van IER;

46.  benadrukt dat regelmatig onderzoek moet worden gedaan naar de factoren die een beslissende invloed hebben op besluiten van kmo's om al dan niet gebruik te maken van hun IER, teneinde na te gaan waar verbeteringen kunnen worden aangebracht, hetzij in het geval van innovatieve kmo's hetzij in het geval van kmo's die met name bij de uitoefening van hun IER problemen ondervinden;

47.  hoopt uiterlijk eind 2015 informatie te krijgen over lopende nationale initiatieven voor civielrechtelijke IER-handhaving ten behoeve van kmo's; is verheugd over het komende groenboek over de noodzaak van toekomstig EU-optreden, uitgaande van de beste praktijken in de nationaal gefinancierde regelingen ter ondersteuning van kmo's bij de handhaving van hun IER;

Europees Waarnemingscentrum voor inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten

48.  drukt zijn voldoening uit over de ontwikkeling van de activiteiten van het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten als een nuttig hulpmiddel bij de beraadslagingen van politieke besluitvormers en als een instrument voor het verzamelen en uitwisselen van gegevens en informatie over alle vormen van IER-inbreuken;

49.  benadrukt dat de taak van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) om van de sector gegevens te verkrijgen over IER-inbreuken en om betrouwbare gegevens over en een analyse van de daadwerkelijke gevolgen van dergelijke inbreuken voor de economische actoren te genereren, opgenomen moet worden in het tienpuntenactieplan en de basis moet vormen voor verder optreden in de verschillende sectoren die de grootste problemen ondervinden; verzoekt in dit verband de Commissie het door het BHIM ontwikkelde instrument ter ondersteuning van de inlichtingen omtrent de bestrijding van namaakdatabank (de ACIST-databank) te verbeteren teneinde toegang tot informatie over de inbreukmakers te krijgen en aldus de aankoop van namaakproducten door aanbestedende diensten te voorkomen;

50.  benadrukt dat met het oog op een zinvolle IER-handhaving alle informatie over het type van de IER (bijvoorbeeld octrooi, merk of auteursrecht) die in elke situatie relevant zijn, beschikbaar en toegankelijk moet zijn, alsook de geldigheidsstatus van de rechten en de identiteit van de houders van de rechten, in het geval van digitale bestanden ook in de vorm van metadata;

51.  vraagt de Commissie ten volle gebruik te maken van de door het Waarnemingscentrum verzamelde gegevens en van de resultaten van de activiteiten van het Waarnemingscentrum, om conclusies te trekken en oplossingen voor te stellen voor betere IER-handhaving die door beleidsmakers kan worden toegepast; verzoekt de Commissie regelmatig hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

52.  wijst erop dat training voor de ontwikkeling van bedrijfstaksgewijze IER-handhaving op nationaal niveau van wezenlijk belang is en dat hetzelfde geldt voor de bijdrage die het Waarnemingscentrum kan leveren aan de opleiding van overheidsfunctionarissen en de uitwisseling van beste praktijken, met name door bevordering van digitaal toegankelijke, kostenefficiënte campagnes, in samenspraak met de betrokken instanties en organen;

Deskundigengroep van de Commissie inzake de handhaving van IER

53.  verwelkomt de instelling door de Commissie van een deskundigengroep inzake de handhaving van IER en vraagt de Commissie dat zij ervoor zorgt dat het Parlement en, indien nodig, het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, nauwer betrokken worden bij de werkzaamheden van de groep en dat het Parlement met name verzocht wordt deskundigen te sturen om de vergaderingen van deze groep bij te wonen;

Ontwikkeling van het rechtskader

54.  is ingenomen met de publicatie van het verslag van de Commissie over de toepassing van de richtlijn IER-handhaving(10), maar merkt op dat slechts beperkte conclusies kunnen worden getrokken in bepaalde aspecten gezien de late omzetting van de richtlijn door sommige lidstaten; vraagt de Commissie dat zij verder onderzoek verricht naar de effecten van de richtlijn, met name voor innovatie en de ontwikkeling van de informatiemaatschappij, zoals vereist door artikel 18, lid 1, van de richtlijn en zoals gevraagd door het Parlement in zijn bovenvermelde resolutie van 22 september 2010; herinnert er evenwel aan dat een aantal andere aspecten van IER-handhaving door de Commissie zijn aangestipt, zoals de rol van tussenpersonen bij de aanpak van inbreuken, die ook nuttig zouden kunnen zijn in de strijd tegen misbruik;

55.  stelt vast dat in het verslag van de Commissie wordt opgemerkt dat de richtlijn IER-handhaving in bepaalde opzichten geen gelijke tred houdt met het digitale tijdperk en ontoereikend is om online-inbreuken te bestrijden; verzoekt de Commissie een uitvoerige evaluatie te maken van de beperkingen van het huidige rechtskader met betrekking tot onlineactiviteiten en eventueel voorstellen in te dienen voor een aanpassing van het wetgevingskader van de EU aan de internetomgeving; wijst erop dat aan deze voorstellen een gedetailleerde effectbeoordeling moet voorafgaan;

56.  neemt kennis van de bevinding dat uiteenlopende interpretaties van een aantal bepalingen van de richtlijn als gevolg hebben dat zij verschillend wordt toegepast in de lidstaten en vraagt de Commissie actie te ondernemen voor het oplossen van de problemen die in het verslag worden aangestipt, onder meer door de richtlijn verder te verduidelijken;

57.  pleit andermaal voor een IER-strategie, met inbegrip van een algemee rechtskader ter bestrijding van IER-inbreuken dat aan de internetomgeving is aangepast, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de fundamentele rechten en vrijheden, eerlijke rechtsgang, proportionaliteit en gegevensbescherming; meent dat er dringend behoefte is aan wettelijke bescherming voor nieuwe creaties, aangezien dit investeringen zal aanmoedigen en leiden tot verdere innovatie;

58.  benadrukt dat iedere vorm van wetgeving inzake IER dient te worden afgestemd op de ontwikkelingen in het digitale tijdperk, rekening houdend met de onlineomgeving en de verschillende distributiemethoden, teneinde een evenwichtige aanpak te waarborgen waarin de belangen van alle betrokken partijen tot hun recht komen, met name die van de consument en zijn recht op toegang tot inhoud, terwijl tegelijkertijd kunstenaars, ontwerpers en vernieuwing moeten worden gestimuleerd;

59.  herhaalt dat er behoefte is aan een modern, op mededinging gericht en consumentvriendelijk kader voor auteursrechten, dat een passende en veilige omgeving biedt voor uitvinders en ontwerpers en daardoor ook een stimulans vormt voor creativiteit en innovatie;

60.  benadrukt dat de culturele en creatieve sectoren van de Europese Unie een drijvende kracht zijn voor de sociale en economische ontwikkeling en de jobcreatie in Europa, en herinnert eraan dat kunstenaars, ontwerpers en instellingen die gebruik maken van de uitzonderingen en beperkingen op het auteursrecht, een belangrijke bijdrage leveren aan de economische groei, innovatie en werkgelegenheid in de Unie; onderstreept dat elk wetgevingsinitiatief om het auteursrecht te moderniseren gebaseerd moet zijn op onafhankelijke gegevens inzake groei en banen (met name met betrekking tot kmo's in de culturele en creatieve sector), toegang tot kennis en cultuur, alsook de potentiële kosten en baten;

Internationale toeleveringsketens en de rol van internationale en douanesamenwerking

61.  wijst op de belangrijke rol die de douane-autoriteiten en de internationale samenwerking op douanegebied vervullen in de strijd tegen IER-inbreuken in de grensoverschrijdende handel en wijst erop dat de werkzaamheden van de douanediensten in onderlinge samenwerking ondersteund en vergemakkelijkt moeten worden, door de werkingsvoorschriften te verduidelijken, met name opdat de effectieve uitvoering van inspecties op transitgoederen binnen EU-grondgebied mogelijk wordt;

62.  vraagt de Commissie dat zij bij de uitvoering van het actieplan voor IER-handhaving rekening houdt met daarmee samenhangende initiatieven, met name het EU-douaneactieplan tegen IER-inbreuken en de strategie voor de bescherming en handhaving van IER in derde landen;

63.  dringt aan op meer markttoezicht, risicobeheer en informatie-uitwisseling tussen de douaneautoriteiten over kwesties die aan de orde zijn in de context van IER-handhaving door douanediensten, bijvoorbeeld met betrekking tot de opslag en vernietiging van inbreukmakende goederen;

64.  benadrukt het belang van nauwe samenwerking en informatie-uitwisseling en een passende opleiding van douane-, markttoezicht- en gerechtelijke autoriteiten;

Overige vraagstukken

65.  wijst op de sleutelrol die overheidsdiensten op elk niveau, waaronder plaatselijk, regionaal en nationaal, via hun aanbestedings- en aankoopbeleid spelen en onderschrijft het streven van de Commissie om een leidraad inzake beste praktijken te ontwikkelen, te promoten en te publiceren teneinde de aankoop van namaakproducten door overheidsdiensten op elk niveau te voorkomen;

66.  is verheugd over het door de Commissie aangekondigde groenboek met het oog op raadpleging van belanghebbenden over het effect van "chargeback" (terugboeking) en daarmee verband houdende regelingen voor de aanpak van IER-inbreuken op commerciële schaal en een evaluatie van de noodzaak van concretere maatregelen op dit terrein, zowel in verband met de online- als de offlinemarkt; is van mening dat invoering van een EU-breed recht op "chargeback" bij onvrijwillig aangeschafte namaakproducten voor de consument van voordeel zou kunnen zijn en handelaren ertoe zou kunnen aanzetten hun producten te controleren voordat ze deze in de handel brengen;

67.  onderschrijft het actieplan waar het gaat om het belang van samenwerking met de lidstaten, uitwisseling van informatie en beproefde werkmethoden, en coördinatie van de activiteiten met het oog op grensoverschrijdende handhaving;

68.  benadrukt dat het noodzakelijk is om open onderzoek en kennisuitwisseling, twee kernpunten in de strategie "Europa als wereldspeler" en de Europa 2020-strategie, te bevorderen, teneinde innovatie en concurrentievermogen in kennissectoren in de Unie te stimuleren op een manier die verenigbaar is met IER;

69.  benadrukt dat er behoefte is aan nauwkeurige detectiesystemen, zodat IER-inbreuken op commerciële schaal snel kunnen worden beëindigd;

70.  wijst erop dat inkomsten uit IER voor onderzoeksprojecten een belangrijke bron van externe financiering vormen en dus fungeren als motor voor innovatie en ontwikkeling en als stimulans voor samenwerking tussen universiteiten en ondernemingen;

71.  vraagt dat het actieplan snel ten uitvoer wordt gebracht zodat in voorkomend geval de voor IER-handhaving noodzakelijke maatregelen, met name in de culturele en creatieve sector, in de nabije toekomst kunnen worden herzien om rekening te houden met de reële behoeften;

72.  vraagt de Commissie de uitvoering te evalueren van elk van de acties die in het actieplan gepresenteerd zijn en hierover uiterlijk in juli 2016 verslag uit te brengen bij het Parlement;

o
o   o

73.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45.
(2) PB L 129 van 16.5.2012, blz. 1.
(3) " Analyse van de toepassing van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de lidstaten", (SEC(2010)1589).
(4) http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/docs/2012/intellectual-property-rights/summary-of-responses_en.pdf.
(5) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 64.
(6) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-15321-2014-INIT/nl/pdf.
(7) PB C 80 van 19.3.2013, blz. 1.
(8) PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 48.
(9) Zie het verslag van BHIM "Europese burgers en intellectuele eigendom: perceptie, bewustwording en gedrag", november 2013.
(10) COM(2010)0779.

Juridische mededeling