Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2700(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0532/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/06/2015 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0227

Aangenomen teksten
PDF 174kWORD 73k
Woensdag 10 juni 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
De situatie in Hongarije
P8_TA(2015)0227RC-B8-0532/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije (2015/2700(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name de tweede en de vierde t/m de zevende alinea,

–  gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het VWEU met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien de artikelen 1, 2 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 13 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van de Raad van Europa, inzake de afschaffing van de doodstraf onder alle omstandigheden,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van ministers, de commissaris voor de mensenrechten en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012)(1),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien het verslag van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 16 december 2014 naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije van 1 t/m 4 juli 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad van de Europese Unie en de lidstaten, in het kader van de Raad van 16 december 2014 bijeen, over het waarborgen van de eerbiediging van de rechtsstaat,

–  gezien de hoorzitting over de situatie van de mensenrechten in Hongarije die de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 22 januari 2015 heeft gehouden,

–  gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 11 februari 2015 over een EU-kader voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten,

–  gezien de op 7 mei 2015 door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken gehouden gedachtewisseling naar aanleiding van het besluit van de Conferentie van voorzitters van 30 april 2015 over de mogelijke gevolgen van de herinvoering van de doodstraf door een lidstaat, zo ook voor de rechten en status als lid van de Europese Unie,

–  gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 19 mei 2015 over de situatie in Hongarije,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 2 VEU);

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

C.  overwegende dat de afschaffing van de doodstraf een voorwaarde is voor het EU-lidmaatschap, aangezien de EU een sterk principieel standpunt inneemt tegen de doodstraf, waarvan de afschaffing een cruciale doelstelling van haar mensenrechtenbeleid is;

D.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en in overeenstemming met VEU en VWEU;

E.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens volledig zijn opgenomen in de Hongaarse grondwet; overwegende dat de recente ontwikkelingen in Hongarije echter hebben geleid tot bezorgdheid over de situatie in het land;

F.  overwegende dat de Hongaarse premier, Viktor Orbán, op 28 april 2015, naar aanleiding van recente ontwikkelingen in Hongarije, een verklaring aflegde over de behoefte aan een publiek debat over de doodstraf; overwegende dat de voorzitter van het Europees Parlement, Martin Schulz, op 30 april 2015 in een perscommuniqué verklaarde dat Viktor Orbán hem verzekerd had dat de Hongaarse regering niet overweegt om de doodstraf opnieuw in te voeren en dat zij alle Europese verdragen en wetten zal eerbiedigen en naleven; overwegende dat Viktor Orbán op 1 mei 2015 echter opmerkingen van dezelfde strekking maakte in een interview op de nationale publieke radio, waar hij aan toevoegde dat het besluit tot herinvoering van de doodstraf uitsluitend binnen de bevoegdheid van een lidstaat moest vallen, waarmee hij afweek van de bepalingen van de EU-verdragen;

G.  overwegende dat de Hongaarse regering in mei 2015 een volksraadpleging over migratie heeft gelanceerd en in het verleden ook over andere onderwerpen dergelijke raadplegingen heeft gehouden; overwegende dat volksraadplegingen een belangrijk en nuttig instrument kunnen zijn voor regeringen om beleid te ontwikkelen dat kan rekenen op steun van de bevolking; overwegende dat de vragen kritiek te verduren hebben gekregen vanwege hun suggestieve en retorische formuleringen, waarmee er een rechtstreeks verband wordt gelegd tussen migratie en bedreigingen van de veiligheid;

H.  overwegende dat tijdens de gedachtewisseling in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken de meerderheid van de fracties het ermee eens was dat de herinvoering van de doodstraf en de vragen in de volksraadpleging onacceptabel zijn;

I.  overwegende dat het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie in zijn verklaring tijdens het debat over de situatie in Hongarije in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 19 mei 2015 verklaarde dat de Raad de situatie in Hongarije niet had besproken en bijgevolg geen formeel standpunt over die kwestie heeft ingenomen;

J.  overwegende dat de inspanningen om de situatie in Hongarije aan te pakken niet bedoeld mogen zijn om een bepaalde lidstaat of regering buiten te sluiten, maar wel moeten uitgaan van een collectieve verplichting van alle EU-instellingen, en met name van de Commissie als hoedster van de Verdragen, om de toepassing en de naleving van de Verdragen en het Handvest in de hele Unie en in elke lidstaat te waarborgen;

1.  benadrukt dat de doodstraf onverenigbaar is met de waarden waarop de Unie gestoeld is, te weten eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, en dat elke lidstaat die de doodstraf herinvoert zich schuldig maakt aan de schending van de Verdragen en het EU-Handvest van de grondrechten; herhaalt met zeer veel nadruk dat de afschaffing van de doodstraf een mijlpaal in de ontwikkeling van de grondrechten in Europa is;

2.  herinnert eraan dat na een ernstige schending van de in artikel 2 VEU genoemde waarden door een lidstaat de "artikel 7-procedure" in werking treedt;

3.  veroordeelt de herhaaldelijke uitlatingen van de Hongaarse premier Viktor Orbán, die aanzetten tot een debat over een mogelijke herinvoering van de doodstraf in Hongarije, waarbij een concept dat indruist tegen de waarden waarop de Unie gegrondvest is, geïnstitutionaliseerd en aangeprezen wordt; wijst dan ook op de verklaring van Viktor Orbán dat de doodstraf niet zal worden heringevoerd in Hongarije, en benadrukt de verantwoordelijkheid van een minister-president als regeringsleider om de waarden van de EU uit te dragen en het goede voorbeeld te geven;

4.  merkt op dat lidstaten het soevereine recht hebben om volksraadplegingen te organiseren; herinnert er echter aan dat raadplegingen blijk moeten geven van de bereidheid van regeringen om op verantwoordelijke wijze te regeren met als doel democratische politieke oplossingen en respect voor de fundamentele Europese waarden te waarborgen;

5.  verwerpt de volksraadpleging over migratie en de aanverwante campagne op reclameborden in het hele land op initiatief van de Hongaarse regering, en benadrukt dat de inhoud en de bewoordingen van deze raadpleging in Hongarije over immigratie en terrorisme uiterst misleidend, bevooroordeeld en ongenuanceerd zijn, en een subjectief en rechtstreeks verband suggereren tussen migratie en de bedreiging van de veiligheid; wijst erop dat de antwoorden op deze online vragenlijst vergezeld moeten gaan van persoonsgegevens, waardoor de politieke standpunten van mensen onthuld worden, wat een schending van de regels inzake gegevensbescherming is; verlangt dan ook dat deze raadpleging wordt ingetrokken;

6.  betreurt het dat in de volksraadpleging de EU-instellingen en hun beleid als schuldigen worden aangewezen, waarbij voorbij wordt gegaan aan de verantwoordelijkheid van de lidstaten op deze terreinen; herinnert eraan dat de lidstaten volledig betrokken zijn bij het wetgevingsproces van de EU;

7.  verzoekt alle lidstaten op constructieve wijze deel te nemen aan het huidige debat over de Europese agenda voor migratie, die tevens van invloed is op het interne, het externe en het ontwikkelingsbeleid dat in de EU ten uitvoer moet worden gelegd;

8.  is van mening dat alle lidstaten het EU-recht volledig moeten eerbiedigen in hun wetgevende en bestuurlijke praktijken en dat alle wetgeving, waaronder ook het primaire recht van elke lidstaat of kandidaat-lidstaat, een afspiegeling moet zijn van en in overeenstemming moet zijn met de fundamentele Europese waarden, te weten democratische beginselen, de rechtsstaat en de grondrechten;

9.  betreurt het dat de Raad niet heeft gereageerd op de laatste ontwikkelingen in Hongarije, en verwerpt het gebrek aan toewijding bij de lidstaten om toe te zien op de eerbiediging van de rechtsstaat, als uiteengezet in de conclusies van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2014; dringt er bij de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad op aan de situatie in Hongarije te bespreken en hierover conclusies aan te nemen;

10.  stelt vast dat deze recente ontwikkelingen hebben geleid tot ongerustheid met betrekking tot de beginselen van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in Hongarije in het afgelopen jaar, die samen een nieuwe, stelselmatige bedreiging van de rechtsstaat in deze lidstaat kunnen gaan vormen;

11.  dringt er bij de Commissie op aan het eerste stadium van het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat te activeren, en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand waarin de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verkeren onder de loep wordt genomen en waarbij mogelijke systematische ernstige schendingen van de waarden waarop de Unie gebaseerd is, als vastgelegd in artikel 2 VEU, worden beoordeeld, met inbegrip van het gecombineerde effect van een aantal maatregelen die de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten verslechteren, en waarbij wordt beoordeeld of in die lidstaat een stelselmatige bedreiging van de rechtsstaat ontstaat, die zou kunnen uitmonden in een duidelijk gevaar voor een ernstige schending in de zin van artikel 7 VEU; verzoekt de Commissie vóór september 2015 verslag uit te brengen aan het Parlement en de Raad over dit onderwerp;

12.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor het instellen van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als instrument ter waarborging van naleving en handhaving van het Handvest en de Verdragen die zijn ondertekend door alle lidstaten, op basis van gemeenschappelijke en objectieve indicatoren, en een onpartijdige, jaarlijkse beoordeling uit te voeren van de situatie van de grondrechten, de democratie en de rechtsstaat in alle lidstaten, op onbevooroordeelde en gelijkwaardige grondslag, waarvan een evaluatie door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten een onderdeel vormt, en in combinatie met passende bindende en corrigerende mechanismen, teneinde bestaande lacunes op te vullen en een automatische en stapsgewijze reactie mogelijk te maken op schendingen van de beginselen van de rechtsstaat en de grondrechten door de lidstaten; verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan de opstelling en uitwerking van dit voorstel bij te dragen in de vorm van een wetgevend initiatiefverslag, dat vóór het einde van het jaar moet worden goedgekeurd;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.

Juridische mededeling