Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2074(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0217/2015

Ingediende teksten :

A8-0217/2015

Debatten :

PV 07/07/2015 - 13
CRE 07/07/2015 - 13

Stemmingen :

PV 08/07/2015 - 4.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0263

Aangenomen teksten
PDF 1633kWORD 807k
Woensdag 8 juli 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Begroting 2016 - mandaat voor de trialoog
P8_TA(2015)0263A8-0217/2015
Resolutie
 Bijlage
 Bijlage
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016 (2015/2074(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 312 en 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, goedgekeurd door de Commissie op 24 juni 2015 (COM(2015)0300),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting voor 2016, afdeling III – Commissie(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2016,

–  gezien titel II, hoofdstuk 8, van zijn Reglement,

–  gezien de brieven van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0217/2015),

Ontwerpbegroting 2016: eerbiediging van de toezeggingen en de financieringsprioriteiten

1.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn hierboven bedoelde resolutie van 11 maart 2015 de schepping van degelijke en kwaliteitsvolle werkgelegenheid en de ontwikkeling van ondernemingen en ondernemerschap voor slimme, duurzame en inclusieve groei in de gehele Unie, samen met interne en externe solidariteit binnen een veilig Europa, als zijn kernprioriteiten voor de begroting 2016 heeft vastgesteld; herhaalt zijn gehechtheid aan de eerbiediging van zowel juridische als politieke toezeggingen en zijn verzoek aan de instellingen om hun beloften na te komen;

2.  onderstreept in dit verband dat in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020 niet alleen maxima voor alle rubrieken zijn vastgesteld, maar dat er ook is voorzien in specifieke en maximale flexibiliteit om de Unie in staat te stellen haar juridische verplichtingen na te komen, alsook in speciale instrumenten om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren of om duidelijk omschreven uitgaven boven de maxima te financieren;

3.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 de bovengenoemde prioriteiten bekrachtigt en meer EU-steun voorstelt voor investeringen, kennis, banen en op groei gerichte programma's, en met name voor een symbolisch mobiliteitsprogramma zoals Erasmus+; is van mening dat de ontwerpbegroting 2016 een welkome stap is om de lidstaten te helpen structurele problemen aan te pakken, met name het teruglopende concurrentievermogen; is tevreden dat, naast terecht verwachte verhogingen in rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), de Commissie de uitdaging aangaat in te spelen op nieuwe ontwikkelingen zoals de crisis in Oekraïne, Syrië en de Middellandse Zee, door te reageren op behoeften van de EU en de lidstaten op het gebied van veiligheid en migratie en door blijk te geven van een sterke politieke wil op het gebied van extern optreden en van begrotingstoezeggingen ten aanzien van landen van oorsprong en doorvoer;

4.  is ingenomen met de opname van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) in de ontwerpbegroting 2016, en in het bijzonder met de beschikbaarstelling van de overkoepelende marge voor vastleggingen, om een deel van de vereiste uitgaven voor het EFSI-Garantiefonds van 8 miljard EUR te dekken, in plaats van enkel middelen weg te snoeien bij Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility (CEF); benadrukt dat het Parlement ernaar gestreefd heeft de maximale omvang van de gevolgen voor deze twee programma's tot een minimum te herleiden en dat het door de cowetgevers bereikte akkoord deze besnoeiingen verder met in totaal 1 miljard EUR vermindert, waarbij onder meer fundamenteel onderzoek buiten schot is gebleven; verwacht dat de definitieve EFSI-overeenkomst zo spoedig mogelijk in de begroting 2016 tot uiting komt, op basis van een nota van wijzigingen;

5.  herinnert er echter aan dat het besluit over de jaarlijkse kredieten die worden toegestaan voor de oprichting van het EFSI-Garantiefonds alleen door de begrotingsautoriteit zullen worden genomen in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure; verbindt zich er in deze context toe de bezuinigingen die Horizon 2020 en de CEF treffen en nog steeds aanzienlijk blijven, verder te compenseren zodat deze programma's volledig de doelstellingen kunnen verwezenlijken die pas twee jaar geleden naar aanleiding van de onderhandelingen over hun respectieve rechtsgronden zijn overeengekomen; is tevens van plan nauwlettend te onderzoeken of deze besparingen moeten worden geconcentreerd in de jaren 2016-2018, zoals voorgesteld door de Commissie, of verder moeten worden gespreid over de jaren 2019-2020 om zo de gevolgen voor deze programma’s te beperken;

6.  betreurt dat het programma voor het concurrentievermogen van bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) in 2016 een nominale verlaging van de vastleggingskredieten ondergaat ten opzichte van 2015; wijst op het uiterst negatieve signaal dat van een dergelijke verlaging zou uitgaan op een ogenblik dat het potentieel van kmo's om te innoveren en banen te creëren hard nodig is om het herstel in de EU te bevorderen, de investeringskloof te verkleinen en bij te dragen aan de toekomstige welvaart van de Unie; herinnert eraan dat de bevordering van ondernemerschap, de verbetering van het concurrentievermogen en van de toegang tot markten van ondernemingen in de Unie, met inbegrip van sociale ondernemingen, en de verbetering van de toegang tot financiering voor kmo's die in aanzienlijke mate bijdragen aan de economie en het concurrentievermogen van Europa, prioriteiten zijn die duidelijk worden gedeeld door alle instellingen en die de rechtvaardiging vormden om de kredieten voor COSME de afgelopen twee jaar vervroegd beschikbaar te stellen en te verhogen, waarbij rekening werd gehouden met het hoge uitvoeringspercentage van het programma; is daarom van plan erop toe te zien dat dit programma in 2016 een positieve ontwikkeling kent;

7.  herhaalt zijn bezorgdheid over de financiering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) als een essentieel instrument voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid in de Unie, wat een topprioriteit is voor alle Europese besluitvormers; wijst op de vervroegde financiering van het YEI en de aanvullende toewijzing in 2014 en 2015; betreurt dat er voor 2016 geen nieuwe vastleggingen worden voorgesteld; herinnert eraan dat het MFK voorziet in een overkoepelende marge voor vastleggingen die vanaf 2016 boven de maxima beschikbaar worden gesteld voor beleidsdoelstellingen met betrekking tot groei en werkgelegenheid, en in het bijzonder werkgelegenheid voor jongeren; herinnert er bijgevolg aan dat in de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds is bepaald dat de middelen voor het YEI voor de jaren 2016-2020 in het kader van de begrotingsprocedure naar boven kunnen worden herzien; pleit daarom voor de voortzetting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en daarbij gebruik te maken van alle flexibiliteit waarin het MFK voorziet, en is van plan ervoor te zorgen dat de begroting 2016 in de nodige bedragen voorziet;

8.  merkt op dat, dankzij een tijdig akkoord over de herprogrammering van de vastleggingen onder gedeeld beheer in het kader van het MFK 2014-2020 als gevolg van de laattijdige goedkeuring van de relevante regels en programma's, de Commissie in haar ontwerpbegroting 2016 (rubriek 2 en 3) 4,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten heeft opgenomen die in 2014 niet konden worden gebruikt; herinnert eraan dat de gewijzigde begroting nr. 1/2015 al een overdracht van 16,5 miljard EUR van 2014 naar 2015 in rubriek 1b, 2 en 3 mogelijk heeft gemaakt; benadrukt dat dit echter zuivere overdrachten zijn van reeds voor 2014 overeengekomen kredieten en daarom, met het oog op vergelijking, in mindering moeten worden gebracht bij de beoordeling van de ontwikkeling van de begroting 2016 ten opzichte van de begroting 2015; wijst er daarom op dat de betrokken programma's in feite profiteren van meer vastleggingskredieten in de ontwerpbegroting 2016;

9.  is bezorgd over de vertraging bij de start van nieuwe programma's uit hoofde van het MFK 2014-2020 als gevolg van de late goedkeuring van de rechtsgronden en de operationele programma's, alsook van het tekort aan betalingskredieten in 2014; verbindt zich ertoe na te gaan of de gevraagde vastleggings- en betalingskredieten deze nieuwe programma's echt in staat zullen stellen op kruissnelheid te komen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de vertraging bij de uitvoering weg te werken;

10.  merkt op dat de ontwerpbegroting van de EU voor 2016 voorziet in 153,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten (inclusief 4,5 miljard EUR geherprogrammeerd van 2014) en 143,5 miljard EUR aan betalingskredieten; wijst erop dat, zonder rekening te houden met de herprogrammering in 2015 en 2016, dit overeenkomt met een stijging van +2,4 % voor de vastleggingskredieten en van +1,6 % voor de betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2015; benadrukt dat deze globaal genomen lichte verhogingen, overeenkomstig de krijtlijnen van het MFK en met inflatiecorrectie, in reële cijfers nauwelijks een verhoging inhouden, wat betekent dat doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitgaven uitermate belangrijk zijn;

11.  onderstreept dat de Commissie een marge laat van 2,2 miljard EUR aan vastleggingskredieten (waarvan 1,2 miljard EUR in rubriek 2) en van 1,6 miljard EUR aan betalingskredieten onder de maxima van het MFK; herinnert eraan dat de beschikbare marges aan vastleggings- en betalingskredieten alsook niet-uitgevoerde betalingen worden opgenomen in de totale marges die de daaropvolgende jaren kunnen worden gebruikt, mocht dit nodig zijn; merkt op dat de overkoepelende marge voor vastleggingen voor de eerste maal beschikbaar wordt gesteld en dat een deel ervan zal worden gebruikt voor het EFSI; is in beginsel ingenomen met het voorgestelde gebruik van het flexibiliteitsinstrument voor duidelijk geïdentificeerde uitgaven in het kader van nieuwe EU-initiatieven op het gebied van asiel en migratie, die niet kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van rubriek 3; is van plan gebruik te maken van een deel van de resterende marges en van de desbetreffende flexibiliteitsbepalingen van het MFK om cruciale prioriteiten te versterken;

Betalingen: het vertrouwen herstellen

12.  herinnert eraan dat de gebrekkige betalingen, die grotendeels het gevolg zijn van te lage maxima en te weinig betalingskredieten, in 2014 een ongekend hoog niveau hebben bereikt en in 2015 nog steeds een pijnpunt zijn; vreest dat dit nog steeds een bedreiging zal zijn voor de adequate uitvoering van de nieuwe programma's van het MFK 2014-2020 en de begunstigden zal bestraffen, met name lokale, regionale en nationale autoriteiten, die worden geconfronteerd met economische en sociale beperkingen; is, hoewel het een actief beheer van de betalingen door de Commissie steunt, bezorgd over het uitstellen van de oproep tot het indienen van voorstellen, de vermindering van de voorfinanciering en de te late betalingen, wat nadelig kan zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van economische, sociale en territoriale samenhang; herhaalt zijn bezorgdheid over de ad-hocverlagingen van de betalingskredieten die de Raad in zijn lezing van de jaarlijkse begroting heeft doorgevoerd, onder meer bij programma's voor concurrentievermogen voor groei en banen in rubriek 1a; verzoekt de Commissie tegen uiterlijk 31 maart 2016 een verslag op te stellen over de gevolgen voor de begunstigden wier betalingen van de Unie in de periode 2013-2015 werden uitgesteld, alsook over de gevolgen voor de uitvoering van de programma's;

13.  is verheugd over het feit dat de ontwerpbegroting van de EU de gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan 2015-2016 weerspiegelt die tussen het Parlement, de Raad en de Commissie is overeengekomen na de gezamenlijke diagnose en verbintenis van de drie instellingen om deze achterstand te verminderen; herinnert eraan dat artikel 310 VWEU voorschrijft dat de ontvangsten en uitgaven op de EU-begroting in evenwicht moeten zijn; merkt op dat volgens de ramingen van de Commissie de in de ontwerpbegroting gevraagde betalingskredieten de betalingsachterstand zouden terugbrengen tot een draaglijk niveau van ongeveer 2 miljard EUR; verbindt zich er bijgevolg toe het voorstel van de Commissie volledig te steunen en verwacht dat de Raad zijn toezeggingen op dit gebied nakomt;

14.  benadrukt dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich ertoe hebben verbonden te voorkomen dat er zich in de toekomst aan het eind van het jaar een onhoudbare betalingsachterstand opstapelt, waarbij de afspraken die in het kader van het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begrotingsprocedures zijn gemaakt, volledig worden geëerbiedigd en uitgevoerd; wijst in dit verband nogmaals op de noodzaak om strikt en actief toe te zien op de ontwikkeling van deze achterstand; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat de specifieke kenmerken van de betalingscycli het peil van de betalingskredieten extra onder druk zetten, met name aan het eind van het MFK; herinnert de Commissie aan haar toezegging in de gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan om haar prognose-instrumenten voor de middellange en lange termijn verder te ontwikkelen en een systeem voor vroegtijdige waarschuwing in te voeren, zodat de eerste betalingsprognoses in juli kunnen worden gedaan en de begrotingsautoriteit in de toekomst naar behoren onderbouwde beslissingen kan nemen;

15.  is verheugd over het feit dat de balans binnen de totale betalingskredieten uiteindelijk merkbaar verschuift van de voltooiing van de eerdere programma's 2007-2013 naar de uitvoering van de nieuwe programma's 2014-2020; benadrukt evenwel dat het bedrag aan betalingskredieten in de ontwerpbegroting 2016, met name voor rubriek 1b, laag is in vergelijking met het niveau van de vastleggingen, wat het risico inhoudt op een soortgelijke betalingsachterstand aan het eind van het huidige MFK; vraagt zich bijgevolg af in hoeverre dit in overeenstemming is met het langetermijnperspectief van het betalingsplan;

Rubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

16.  merkt op dat in vergelijking met 2015 het voorstel van de Commissie voor 2016 overeenkomt met een verhoging van de vastleggingskredieten onder rubriek 1a van +6,1 % tot 18,6 miljard EUR; wijst erop dat de verhoging van de vastleggingskredieten grotendeels toe te schrijven is aan de integratie van EFSI en verhogingen voor Erasmus+ en de Connecting Europe Facility (CEF) en, in mindere mate, aan verhogingen voor douane, Fiscalis en fraudebestrijding, alsook voor werkgelegenheid en sociale innovatie; is van plan bijzondere aandacht te besteden aan het verminderen van de ongelijkheden tussen het stelsel van leercontracten en het hoger onderwijs in Europa, met name door te zorgen voor gelijke toegang tot mobiliteit;

17.  betreurt evenwel de verlaging van de kredieten voor grote infrastructuurprojecten, Horizon 2020 en COSME, alsook de tragere voortgang van CEF vervoer als gevolg van de herindeling in het EFSI; herinnert eraan dat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor het EFSI zou hebben geleid tot een besnoeiing van 170 miljoen EUR voor Horizon 2020 in 2016 ten opzichte van 2015, en dat daarmee een tegenstrijdig signaal zou zijn gegeven voor een programma dat op ruime schaal wordt erkend als een prioritair vlaggenschip in het kader van het huidige MFK; betreurt het domino-effect op de financiering van onderzoek, met name op het gebied van energie, kmo's, klimaat en milieu, sociale wetenschappen en maatschappelijke wetenschappen; verbindt zich ertoe de voorgestelde verlagingen voor deze programma's verder te compenseren via verhogingen in de loop van de begrotingsprocedure door gebruik te maken van de nog beschikbare marge van 200 miljoen EUR onder het maximum voor rubriek 1a; onderstreept dat middelen voor investeringen, onderzoek, ontwikkeling en innovatie bij uitstek moeten worden ingezet op gebieden waar de grootste toegevoegde waarde kan worden gecreëerd, zoals verbetering van de energie-efficiëntie, ICT, subsidie voor fundamenteel onderzoek alsmede technologie voor koolstofarme en hernieuwbare energie;

18.  herhaalt zijn steun voor het ITER-programma en is vastbesloten te zorgen voor passende financiering; is evenwel bezorgd over het feit dat door de in november 2015 geplande presentatie van een herzien tijdschema en een herziene financiële planning voor ITER, de begrotingsautoriteit niet in staat zal zijn rekening te houden met de nieuwe informatie in de jaarlijkse begrotingsprocedure voor 2016; dringt er bovendien bij ITER en de Europese gemeenschappelijke onderneming "Fusion for Energy" op aan onverwijld de verlangde verslagen over de kwijting 2013 in te dienen en gevolg te geven aan de desbetreffende aanbevelingen van het Parlement;

19.  onderstreept dat het beschikbaar stellen van te weinig betalingskredieten in het verleden de kloof tussen de vastleggingen en betalingen in meerdere programma's onder rubriek 1a heeft vergroot, wat heeft bijgedragen aan de sterke stijging van de RAL ten opzichte van de andere rubrieken; is bezorgd over het feit dat de Commissie het bedrag van de voorfinanciering heeft moeten verlagen, en, erger nog, nieuwe oproepen tot het indienen van voorstellen en de ondertekening van contracten heeft moeten uitstellen; merkt bijvoorbeeld op dat de Commissie voor Horizon 2020 raamt dat "in een normaal uitvoeringsscenario zonder beperkingen voor de betalingskredieten, tegen eind 2014 ongeveer 1 miljard EUR meer zou zijn uitgegeven"; herhaalt, hoewel het ingenomen is met de inspanningen van de Commissie om de situatie van de betalingen onder controle te houden, dat het in geen geval een vertraging van de programma's voor de periode 2014-2020 zal dulden die wordt gezien als een manier om de betalingsproblemen op te lossen;

20.  is daarom verheugd over de verhoging van de betalingskredieten met +11,4 % tot 17,5 miljard EUR ten opzichte van 2015, en over de verhoging van de verhouding betalingen/vastleggingen voor 2016; merkt met name op dat voor meerdere programma's (Copernicus, Erasmus+, Horizon 2020, CEF vervoer, nucleaire veiligheid en ontmanteling) de betalingskredieten hoger zijn dan de vastleggingskredieten;

Rubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

21.  neemt kennis van de voorgestelde 50,8 miljard EUR aan vastleggingskredieten (+3,2 % ten opzichte van 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 49,1 miljard EUR aan betalingskredieten (-4 %) voor rubriek 1b, waarbij een kleine marge van 15,3 miljoen EUR onder het maximum voor vastleggingen wordt gelaten; herinnert eraan dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de EU is dat gericht is op het terugdringen van de ongelijkheden tussen Europese regio's door de economische, sociale en territoriale samenhang te vergroten; benadrukt dat instrumenten zoals het ESF, het EFRO, het Cohesiefonds of het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief van fundamenteel belang zijn om convergentie, verkleining van de ontwikkelingskloof en het ondersteunen van de creatie van hoogwaardige en duurzame banen te bevorderen; wijst op de cruciale rol van het cohesiebeleid van de EU bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

22.  benadrukt het feit dat 44 % van de voor 2016 voorgestelde betalingskredieten bestemd zijn voor nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen uit vorige programmeringsperioden, waardoor slechts 26,8 miljard EUR aan betalingskredieten overblijft voor de lancering van de nieuwe cohesieprogramma's 2014-2020; beschouwt de voorgestelde betalingskredieten bijgevolg als het absolute minimum dat nodig is in deze rubriek;

23.  herinnert eraan dat er in de begroting 2016 een bedrag van 21,6 miljard EUR nodig is om de betalingsachterstand voor de cohesieprogramma's 2007-2013 te herleiden van 24,7 miljard EUR eind 2014 en 20 miljard EUR eind 2015 tot ongeveer 2 miljard EUR eind 2016, zoals beschreven in de beoordeling door de Commissie die is gevoegd bij de gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan 2015-2016; dringt erop aan dat een dergelijke "abnormale" accumulatie van onbetaalde rekeningen in de toekomst wordt voorkomen om de geloofwaardigheid van de EU niet in het gedrang te brengen;

24.  benadrukt dat, naast zijn pleidooi om het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voort te zetten, een efficiëntere en snellere uitvoering ervan in de lidstaten van cruciaal belang is; moedigt de lidstaten en de Commissie aan alle nodige maatregelen te nemen om de nationale jongerengarantieregelingen prioritair uit te voeren, indien van toepassing met inachtneming van de aanbevelingen van speciaal verslag nr. 3/2015 van de Europese Rekenkamer; herhaalt dat de onlangs goedgekeurde verhoging van de voorfinanciering tot 30 %, die sterk wordt gesteund door het Parlement, afhankelijk is van een snelle indiening van de tussentijdse betalingsaanvragen door de lidstaten binnen een jaar, wat in 2016 concrete vorm moeten aannemen; benadrukt dat de hogere voorfinanciering voor het YEI geen negatieve gevolgen mag hebben voor de uitvoering van andere onderdelen van het ESF;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

25.  neemt kennis van de voorgestelde 63,1 miljard EUR aan vastleggingskredieten (-0,1 % ten opzichte van 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 55,9 miljard EUR aan betalingskredieten (-0,2 %) voor rubriek 2, waarbij een marge van 1,2 miljard EUR onder het maximum voor vastleggingen wordt gelaten, en een marge van 1,1 miljard EUR onder het maximum voor het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF); wijst erop dat het mechanisme voor financiële discipline uitsluitend wordt toegepast om de reserve voor crisissituaties in de landbouwsector aan te leggen; kijkt uit naar de nota van wijzigingen van de Commissie, die in oktober 2015 wordt verwacht en gebaseerd moet zijn op geactualiseerde informatie over de financiering van het ELGF; benadrukt dat overdrachten tussen de twee pijlers van het GLB leiden tot een totale verhoging van het bedrag dat voor plattelandsontwikkeling beschikbaar is;

26.  onderstreept dat de ontwerpbegroting 2016 een daling van de behoeften voor interventies op de landbouwmarkten vertoont ten opzichte van de begroting 2015, die hoofdzakelijk toe te schrijven is aan het effect in 2015 van noodmaatregelen met betrekking tot het Russische embargo op de invoer van bepaalde landbouwproducten uit de EU; merkt op dat er volgens de Commissie geen verdere maatregelen nodig zijn in het kader van de begroting 2016; vestigt de aandacht op de doelstellingen inzake verbetering van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese landbouw en wenst dat er middelen worden uitgetrokken om deze doelstellingen te verwezenlijken;

27.  onderstreept het feit dat het hervormde gemeenschappelijk visserijbeleid wordt gekenmerkt door een ambitieus rechtskader om de uitdagingen van verantwoorde visserij het hoofd te bieden, onder meer via de verzameling van gegevens, en is verheugd dat het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij een overdracht van ongebruikte kredieten van 2014 naar 2015 heeft gekend en dat, met neutralisering van de gevolgen van deze herprogrammering, de vastleggingskredieten voor dit Fonds in 2016 verder stijgen; merkt evenwel op dat de geleidelijke afhandeling van de betalingen voor het vorige programma slechts gedeeltelijk wordt gecompenseerd door de opname van het nieuwe programma, wat dus resulteert in lagere kredieten voor 2016;

28.  is ingenomen met de stijging van de kredieten voor het LIFE-programma voor milieu en klimaatverandering, zowel bij de vastleggingen als bij de betalingen; is ingenomen met de eerste stappen voor de vergroening van de EU-begroting, en wijst op de noodzaak om het tempo ervan op te drijven;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

29.  is ingenomen met het feit dat in de ontwerpbegroting 2016 de steun voor alle programma's in rubriek 3 wordt verhoogd en zo uitkomt op 2,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten (+12,6 % ten opzichte van de begroting 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 2,3 miljard EUR aan betalingskredieten (+9,7 %); wijst erop dat dit geen enkele marge laat voor verdere verhogingen of proefprojecten en voorbereidende acties in rubriek 3; is van mening dat, in de huidige geopolitieke situatie en met name als gevolg van de toenemende druk van migratiestromen, het niveau van de maxima voor wat veruit de kleinste rubriek van het MFK is, wel eens achterhaald zou kunnen zijn en moet worden aangepakt in het kader van de herziening van het MFK na de verkiezingen;

30.  is ingenomen met de door de Commissie voorgestelde Europese agenda inzake migratie en herhaalt zijn steun voor de verhoging van de middelen van de EU en de ontwikkeling van een cultuur van eerlijke lastenverdeling en solidariteit op het gebied van asiel, migratie en het beheer van de buitengrenzen; looft daarom de verhoging van de vastleggingskredieten voor het Fonds voor interne veiligheid en het Fonds voor asiel, migratie en integratie, met inbegrip van de ontwikkeling van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS); is ingenomen met het voorstel van de Commissie om 124 miljoen EUR uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen om het hoofd te bieden aan de huidige migratiegolven in het Middellandse Zeegebied; vraagt zich af of de voorgestelde middelen toereikend zullen zijn; onderstreept dat het noodzakelijk is de bestemming van deze middelen strikt te controleren;

31.  wijst er nadrukkelijk op dat het voorstel om EASO slechts zes nieuwe personeelsleden te geven duidelijk onvoldoende is, gezien het grote aantal migranten dat op de zuidkusten van de Unie arriveert en de steeds grotere rol die EASO moet vervullen bij het beheer van asiel; verzoekt derhalve om EASO voor 2016 voldoende personele en financiële middelen te geven zodat dit agentschap zijn taken en werkzaamheden effectief kan verrichten;

32.  is van mening dat de begrotingsimpact en de extra taken als gevolg van de maatregelen die als onderdeel van de Europese agenda voor migratie en de Europese agenda voor veiligheid met betrekking tot Europol zijn gepresenteerd, in detail door de Commissie moeten worden beoordeeld om de begrotingsautoriteit in staat te stellen de budgettaire en personele behoeften van het agentschap naar behoren bij te stellen; wijst nadrukkelijk op de rol van Europol in de grensoverschrijdende ondersteuning van de lidstaten en in de informatie-uitwisseling; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het agentschap in 2016 over voldoende financiële en personele middelen beschikt om zijn taken en werkzaamheden effectief te kunnen verrichten;

33.  is van mening dat het personeel van de betrokken agentschappen niet mag worden verminderd of herschikt, en dat ze hun personeel behoorlijk moeten toewijzen om tegemoet te komen aan hun toenemende verantwoordelijkheden;

34.  herinnert tevens aan de krachtige steun die het Parlement blijft uitspreken voor adequate financiering van programma's op het gebied van cultuur en media; is daarom verheugd over de verhoging van de kredieten voor het programma Creatief Europa, met inbegrip van multimedia-acties, ten opzichte van de begroting 2015, maar maakt voorbehoud bij de administratieve scheiding tussen de onderdelen cultuur en media; steunt ook de voorgestelde verhoging voor het programma "Europa voor de burger" omdat dit programma van cruciaal belang is voor de participatie van de burger aan het democratisch proces in Europa; is van mening dat het Europees burgerinitiatief (EBI) een centraal instrument is voor participerende democratie in de EU en dringt erop aan dat de zichtbaarheid en toegankelijkheid ervan wordt verbeterd; benadrukt de positieve rol van pan-Europese netwerken van lokale en nationale media, zoals EuranetPlus;

35.  benadrukt dat de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, de bescherming van de consument en gezondheid gebieden zijn die van cruciaal belang zijn voor de burgers van de EU; waardeert daarom de verhoging van de vastleggingskredieten voor de programma's levensmiddelen en diervoeders, gezondheid en consumenten ten opzichte van de begroting 2015;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

36.  is ingenomen met de globale verhoging van de financiering voor rubriek 4, die uitkomt op 8,9 miljard EUR aan vastleggingskredieten (+5,6 % ten opzichte van de begroting 2015), waarbij een marge wordt gelaten van 261,3 miljoen EUR onder het maximum; merkt op dat hieruit een hoge mate van solidariteit met derde landen blijkt; is van mening dat de Europese begroting van fundamenteel belang is om mensen in nood te bereiken en de fundamentele Europese waarden te bevorderen; is ingenomen met het feit dat de economische en sociale problemen die de EU de afgelopen jaren heeft gekend, geen afbreuk hebben gedaan aan de aandacht voor de rest van de wereld; is evenwel van oordeel dat er hoogstwaarschijnlijk nog extra middelen zullen moeten worden uitgetrokken voor bepaalde prioritaire gebieden, zoals het Europees nabuurschapsinstrument, met inbegrip van de steun aan het vredesproces in het Midden-Oosten, Palestina en de UNRWA, vanwege de aanhoudende humanitaire en politieke crisis in deze regio en daarbuiten;

37.  is ingenomen met de door de Commissie gevraagde verhoging van de kredieten voor alle programma's in rubriek 4 (+28,5 % tot 9,5 miljard EUR), waarbij de betalingskredieten hoger zijn dan de vastleggingskredieten, met name op het gebied van ontwikkeling, humanitaire hulp en bijstand van de EU voor Palestina en de UNRWA; is van mening dat deze verhogingen volledig gerechtvaardigd zijn om de gevolgen te herstellen van de dramatische betalingstekorten in deze rubriek in 2014 en 2015, waardoor de Commissie de voorfinancieringen moest verlagen en juridische verbintenissen moest uitstellen; herinnert eraan dat in 2015 in rubriek 4, 1,7 miljoen EUR aan rente voor te late betalingen moest worden betaald; verwacht dat de kloof tussen vastleggings- en betalingskredieten geleidelijk zal verkleinen en de betalingsachterstand tot een normaal niveau zal worden teruggebracht; benadrukt dat een dergelijke stap onontbeerlijk is voor de financiële gezondheid van de kwetsbare begunstigden en voor de betrouwbaarheid van de EU als partner van internationale organisaties;

38.  is van mening dat externe financieringsinstrumenten middelen aanreiken om, op een veelzijdige manier en in combinatie met de respectieve doelstellingen, de onderliggende oorzaken van deze interne veiligheids- en migratie-uitdagingen aan te pakken die in de begroting van volgend jaar centraal staan, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan de zuidelijke en oostelijke buitengrenzen van de Unie en meer in het algemeen aan door conflicten getroffen gebieden; wijst in het bijzonder op het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees nabuurschapsinstrument, maar ook op beleidsmaatregelen die een beperktere stijging kennen zoals humanitaire hulp, het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het Europees instrument voor democratie en mensenrechten; verzoekt de Commissie duidelijk vast te stellen welke gebieden kunnen helpen bij de aanpak van deze actuele problemen en waar mogelijke verhogingen op efficiënte wijze kunnen worden opgenomen; herinnert er in dit verband aan dat het belangrijk is bijstand te verlenen om armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen, en mensenrechten, gendergelijkheid, sociale samenhang en bestrijding van ongelijkheid centraal te plaatsen in de externe steun van de EU;

39.  onderstreept de aanzienlijke toename van het bedrag dat in de begroting 2016 als voorziening moet worden opgenomen voor het garantiefonds voor operaties ten behoeve van derde landen dat wordt beheerd door de Europese Investeringsbank, en merkt op dat dit het gevolg is van onder meer de start van leningen voor macrofinanciële bijstand aan Oekraïne;

40.  verzoekt de Commissie en de EDEO ervoor te zorgen dat een holistische benadering wordt toegepast ten aanzien van strategische landen die relatief veel financiering uit diverse EU-bronnen ontvangen, zoals Oekraïne en Tunesië; is van mening dat de EU meer politieke en economische invloed kan bereiken door te zorgen voor meer samenhang en coördinatie tussen de belangrijkste actoren in de EU en op het terrein, door procedures te vereenvoudigen en te verkorten en door een duidelijker beeld te schetsen van het optreden van de EU;

Rubriek 5 – Administratie

41.  merkt op dat de uitgaven van rubriek 5 ten opzichte van de begroting 2015 stijgen met 2,9 % tot 8 908,7 miljoen EUR, en dat deze stijging globaal genomen bestemd is voor de administratieve uitgaven van de instellingen (+2,2 %) en voor de pensioenen en de Europese scholen (+5,4 %); merkt op dat er een marge van 574,3 miljoen EUR onder het maximum wordt gelaten; onderstreept dat het aandeel van rubriek 5 in de EU-begroting stabiel blijft op 5,8 %; herinnert er evenwel aan dat dit cijfer geen rekening houdt met technische bijstand die als operationele uitgaven wordt beschouwd;

Speciale instrumenten

42.  herhaalt dat speciale instrumenten van cruciaal belang zijn voor de volledige eerbiediging en uitvoering van het MFK en dat ze door hun specifieke karakter buiten en bovenop de maxima moeten worden geteld, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, met name bij de berekening van de totale marge voor betalingen; is ingenomen met de voorgestelde pariteit tussen de vastleggings- en de betalingskredieten voor de reserve voor noodhulp; merkt op dat de bedragen die in de ontwerpbegroting 2016 zijn gereserveerd voor de reserve voor noodhulp (EAR), het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) en het Solidariteitsfonds van de EU (SFEU) grotendeels stabiel zijn gebleven of lichtjes zijn gestegen;

Proefprojecten – voorbereidende acties

43.  onderstreept hoe essentieel proefprojecten en voorbereidende acties zijn om politieke prioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven in te voeren die kunnen uitmonden in permanente EU-acties en -programma's, met inbegrip van initiatieven die willen inspelen op de economische, ecologische en sociale veranderingen binnen de EU; stelt met bezorgdheid vast dat de Commissie niet heeft voorzien in kredieten voor de voortzetting van zeer succesvolle proefprojecten en voorbereidende acties, met name in rubriek 3; is van plan een evenwichtig pakket van proefprojecten en voorbereidende acties vast te stellen; merkt op dat in het huidige voorstel de marge voor sommige rubrieken vrij beperkt is of er zelfs helemaal geen marge is, en is van plan mogelijkheden te onderzoeken om ruimte te maken voor eventuele proefprojecten en voorbereidende acties;

Gedecentraliseerde agentschappen

44.  onderstreept de cruciale rol die gedecentraliseerde agentschappen spelen bij de beleidsvorming van de EU en is vastbesloten geval per geval de budgettaire en personeelsbehoeften van alle agentschappen te beoordelen om te zorgen voor adequate kredieten en personeel voor alle agentschappen, met name voor de agentschappen die onlangs nieuwe taken hebben gekregen of omwille van beleidsprioriteiten of andere redenen met een hogere werkdruk kampen; is met name vastbesloten de agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken de nodige middelen te verstrekken om het hoofd te kunnen bieden aan de huidige migratieproblematiek; benadrukt eens te meer zijn verzet tegen de herindelingspool en verwacht tijdens de begrotingsprocedure een oplossing te vinden om een einde te maken aan de bijkomende personeelsinkrimping bij de gedecentraliseerde agentschappen; herhaalt verder zijn voornemen gebruik te maken van de interinstitutionele werkgroep over gedecentraliseerde agentschappen om overeenstemming te bereiken tussen de instellingen over de behandeling van de agentschappen in begrotingstermen, ook met het oog op het overleg over de begroting 2016;

o
o   o

45.  roept op tot langdurige inspanningen om begrotingssteun te leveren voor passende opleidingen en omscholing in sectoren waar een tekort aan werknemers heerst en in belangrijke sectoren met een hoog banenscheppend potentieel, zoals de groene economie, de kringloopeconomie, de gezondheidszorg en de ict-sector; benadrukt dat in het kader van de begroting 2016 passende steun moet worden verleend aan de bevordering van sociale inclusie en aan maatregelen die tot doel hebben armoede uit te bannen en de positie te verstevigen van personen die in armoede en sociale uitsluiting leven; herinnert eraan dat gendergelijkheid deel moet uitmaken van het EU-beleid en aan de orde moet worden gesteld in het begrotingsproces; dringt aan op financiële ondersteuning van programma's ter bevordering van werkgelegenheid en sociale inclusie voor personen met een meervoudige benadeelde positie, zoals langdurig werklozen, personen met een handicap, personen van een minderheid en niet-actieve en ontmoedigde personen;

46.  herinnert eraan dat, met programma's die naar verwachting op kruissnelheid zullen komen, met de integratie van nieuwe belangrijke initiatieven op het gebied van investeringen en migratie, met de mogelijkheid om een regeling te treffen voor kwesties uit het verleden zoals betalingen en speciale instrumenten, en met de eerste toepassing van nieuwe MFK-bepalingen zoals de overkoepelende marge voor vastleggingen, de begrotingsprocedure 2016 een testcase vormt voor de houding van de Raad ten aanzien van het betalingsplan alsook voor de beoordeling van het huidige MFK; herinnert de Commissie aan haar wettelijke verplichting om uiterlijk eind 2016 een herziening van het MFK voor te stellen en deze begrotingsherziening te laten samenvallen met een wetgevingsvoorstel voor de herziening van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020; herinnert eraan dat de Commissie parallel met dit proces ook nieuwe initiatieven voor eigen middelen moet beoordelen op basis van de resultaten van de werkgroep op hoog niveau inzake eigen middelen, die in 2016 moeten worden voorgesteld;

47.  erkent de brede consensus tot dusver bij de behandeling van de ontwerpen van gewijzigde begroting 2015 en bij de onderhandelingen over het betalingsplan, waaruit een gemeenschappelijke wil blijkt om het MFK na te leven, de rechtsgronden waarover zorgvuldig onderhandeld is toe te passen en te zorgen voor de financiering van nieuwe programma's; dringt aan op voortzetting van de geest van samenwerking tussen de Commissie en de twee takken van de begrotingsautoriteit van de EU, en hoopt dat dit uiteindelijk zal leiden tot het aanpakken van de oorzaken van de zich opstapelende betalingsachterstand die zijn ingebed in de begrotingsprocedure; verwacht dat dezelfde geest alom tegenwoordig zal zijn in de onderhandelingen over de begroting 2016 en bij het vinden van middelen om het hoofd te bieden aan nieuwe en onvoorziene toekomstige uitdagingen;

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0061.


BIJLAGE I: GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2015

A.  Overeenkomstig deel A van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voor de begrotingsprocedure voor 2016 de volgende belangrijke data overeen:

1.  op 14 juli wordt een trialoog belegd vóór de vaststelling van het standpunt van de Raad;

2.  de Raad tracht voor week 38 (derde week van september) zijn standpunt vast te stellen en aan het Europees Parlement toe te zenden, opdat tijdig een akkoord met het Europees Parlement kan worden bereikt;

3.  de Begrotingscommissie van het Europees Parlement tracht uiterlijk aan het eind van week 42 (medio oktober) amendementen op het standpunt van de Raad aan te nemen;

4.  op 19 oktober wordt, voorafgaand aan de lezing door het Europees Parlement, een trialoog belegd;

5.  het Europees Parlement stelt in week 44 (plenaire vergadering van 26-29 oktober) zijn lezing vast;

6.  de bemiddelingsperiode begint op 29 oktober. Overeenkomstig artikel 314, punt 4, letter c), van het VWEU verstrijkt de voor bemiddeling voorziene periode op 18 november 2015;

7.  het bemiddelingscomité vergadert op 9 november in het Europees Parlement, op 13 november in de Raad en kan, indien nodig, ook nadien nog bijeenkomen; de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité worden voorbereid tijdens trialogen. Een eerste trialoog staat gepland op 11 november. Tijdens de bemiddelingsperiode van 21 dagen kunnen nog andere trialogen worden belegd.

B.  De regels voor de werking van het bemiddelingscomité staan in deel E van de bijlage bij bovengenoemd Interinstitutioneel Akkoord.


BIJLAGE II: GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE EEN BETALINGSPLAN 2015-2016

Voortbouwend op de in december 2014 overeengekomen gezamenlijke verklaring over een betalingsplan, als onderdeel van het akkoord over de begrotingen voor 2014 en 2015, hebben de drie instellingen gezamenlijk een beoordeling gemaakt van de stand van zaken en de vooruitzichten voor de betalingen in de EU-begroting op basis van het document dat op 23 maart 2015 door de Commissie is toegezonden.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn het eens over de onderstaande punten:

1.  Stand van zaken

Het Europees Parlement en de Raad nemen nota van de grondige beoordeling die de Commissie maakt in haar document "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting terug op een duurzaam spoor te brengen" (bijlage) als analytische basis voor het bepalen van de belangrijkste oorzaken van het groeiende aantal uitstaande betalingsaanvragen op het eind van het jaar, en voor het bereiken van de beoogde vermindering van het aantal onbetaalde rekeningen, met bijzondere aandacht voor de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's in de periode 2007-2013.

a)  De beperking op de in de voorbije begrotingen toegestane betalingskredieten heeft, samen met de uitvoeringscyclus van de cohesieprogramma's, geresulteerd in de geleidelijke opbouw van een onhoudbare achterstand van uitstaande betalingsaanvragen op het eind van het jaar, die eind 2014 een recordpeil van 24,7 miljard EUR bereikte. De instellingen erkennen evenwel dat de moeilijke beslissingen in verband met de begrotingen voor 2014 en 2015 de achterstand grotendeels gestabiliseerd hebben.

b)  Bovendien heeft het betalingstekort geleid tot een vertraging in de uitvoering van de programma's voor de periode 2014-2020 in andere begrotingsonderdelen, met name om contractuele verplichtingen uit vroegere vastleggingen na te komen, en zodoende het risico op nalatigheidsinteresten te vermijden; en dit net op het moment dat essentiële programma's worden verondersteld bij te dragen aan groei en banen in Europa en de rol van de Unie op het internationale toneel veilig te stellen.

2.  Vooruitzichten

c)  Het Europees Parlement en de Raad nemen nota van de door de Commissie voorgestelde vooruitzichten voor 2015 en 2016: de analyse geeft aan dat het mogelijk zou kunnen zijn om de achterstand op het eind van het jaar wat betreft uitstaande betalingsaanvragen voor de cohesieprogramma's voor 2007-2013 tegen eind 2016 terug te brengen tot een niveau van ongeveer 2 miljard EUR, er in het bijzonder rekening mee houdend dat de cohesieprogramma's de afsluitingsfase naderen, en mits voldoende betalingskredieten worden toegekend in de begroting voor 2016. Dit zou negatieve gevolgen en onnodige vertragingen voor de uitvoering van de programma's voor 2014‑2020 moeten helpen voorkomen.

d)  Het Europees Parlement en de Raad onderstrepen dat zij ernaar streven de onhoudbare achterstand van uitstaande betalingsaanvragen voor de cohesieprogramma's voor 2007-2013 geleidelijk aan weg te werken. Zij nemen zich voor ten volle samen te werken om in de begroting voor 2016 een niveau van betalingskredieten toe te kennen dat toelaat deze doelstelling te bereiken. Zij zullen in hun beraadslagingen rekening houden met de huidige vooruitzichten, die door de Commissie moeten worden meegenomen en verder verfijnd in haar ramingen voor de ontwerpbegroting voor 2016.

e)  De Commissie zal nauwlettend blijven toezien op de ontwikkeling van de achterstand en indien nodig passende maatregelen voorstellen om te zorgen voor een geordende ontwikkeling van betalingskredieten die verenigbaar is met de toegekende vastleggingskredieten.

f)  De drie instellingen herinneren aan hun belofte om de staat van uitvoering van de betalingen gedurende heel 2015 actief te monitoren. Zij bevestigen hun bereidheid om in het kader van hun regelmatige gedachtewisselingen specifieke interinstitutionele vergaderingen te organiseren op 26 mei, 14 juli en 19 oktober, om een duurzaam begrotingsproces te waarborgen. In dit opzicht moet op die interinstitutionele vergaderingen ook worden gesproken over de prognoses op langere termijn inzake de verwachte evolutie van de betalingen tot het einde van het huidige MFK; de Commissie wordt verzocht om hiervoor zo nodig alternatieve scenario's voor te leggen.

g)  De Commissie zal, om de monitoring van de stand van zaken voor de programma's voor 2007-2013 te vergemakkelijken, in juli en oktober verslagen voorleggen over de uitvoering van de begroting, zowel in vergelijking met de maandelijkse vooruitzichten voor het huidige jaar als in vergelijking met de vooruitzichten voor het voorgaande jaar, alsmede over de evolutie van de achterstand wat betreft uitstaande betalingsaanvragen in rubriek 1b.

h)  Het Europees Parlement en de Raad streven ernaar een dergelijke opbouw van betalingsachterstand in de toekomst te vermijden, en roepen de Commissie daarom op om de uitvoering van de programma's voor 2014-2020 nauwlettend in de gaten te houden en een systeem voor vroegtijdige waarschuwing op te zetten. Om dit resultaat te bereiken zal de Commissie passende instrumenten ontwikkelen om in de loop van de begrotingsprocedure lopende betalingsprognoses te verstrekken, per onderdeel en per rubriek voor rubriek 1b, en onderdelen 2 en 5, en per programma voor rubriek 1a en onderdelen 3 en 4, waarbij wordt gefocust op de jaren N en N+1, met inbegrip van de evolutie van onbetaalde rekeningen en uitstaande verplichtingen (RALs); deze prognoses zullen regelmatig worden bijgewerkt op basis van begrotingsbeslissingen en eventuele relevante ontwikkelingen die van invloed zijn op het betalingsprofiel van de programma's; in juli zullen betalingsprognoses worden voorgesteld in het kader van de voorziene interinstitutionele vergaderingen, als bedoeld in de derde alinea van punt 36 van de bijlage bij het IIA.

i)  Hierdoor zou de begrotingsautoriteit tijdig de nodige beslissingen moeten kunnen nemen, teneinde de toekomstige opbouw van een onhoudbare achterstand aan uitstaande betalingsaanvragen op het einde van het jaar te voorkomen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de uitvoering van de akkoorden die zijn bereikt als onderdeel van het meerjarig financieel kader en van de jaarlijkse begrotingsprocedures.


BIJLAGE BIJ BIJLAGE II: Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting weer op een duurzaam spoor te brengen

Inhoud

SAMENVATTING

1.   Achtergrond

2.   Stand van zaken eind 2014

2.1.  Uitvoering aan het einde van 2014

2.2.  Beperkende maatregelen in 2014

3.   Terminologie

3.1.  Projectcyclus

3.2.  Nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL)

3.3.  Kasstroomproblemen versus tekorten aan betalingskredieten

3.4.  Achterstand bij de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar

4.   Rubriek 1b: Ontwikkeling van de achterstand en vooruitzichten

4.1.  Tenuitvoerlegging van de structuurfondsen 2007-2013

4.2.  Profiel van de betalingsaanvragen voor de programmeringsperiode 2007-2013

4.3.  Onderdelen en soorten achterstand

4.4.  Vooruitzichten voor betalingen 2007-2013 (verzoeken) in 2015 en 2016

4.5.  Betalingsaanvragen verwacht voor 2016

4.6.  Samenvatting van de informatie die wordt gebruikt voor de berekening van de betalingsaanvraag en de achterstanden

4.7.  Betaling bij afsluiting

5.   Andere rubrieken: vooruitzichten voor de programma's 2007-2013

5.1.  Overzicht

5.2.  Programma's in gedeeld beheer van rubriek 2 en 3

5.2.1.   Rubriek 2

5.2.2.   Rubriek 3

5.3.  Programma's in direct beheer van rubriek 1a en 4

5.3.1.   Rubriek 1a

5.3.2.   Rubriek 4

6.   Vooruitzichten voor de programma’s 2014-2020

7.   Conclusies

Bijlage 1: Informatie toegezonden door de Commissie op 15 december 2014

Bijlage 2: Rubriek 1b: De laatste prognoses van de lidstaten

Samenvatting

De toenemende kloof tussen de goedgekeurde betalingskredieten en eerder door de Europese instellingen aangegane verbintenissen is een van de belangrijkste ontwikkelingen met betrekking tot de uitvoering van de EU-begroting, met name sinds 2012. Deze betalingskloof heeft geleid tot een aantal negatieve gevolgen op de verschillende terreinen van uitgaven, in het bijzonder een groeiende achterstand van nog af te handelen betalingsverzoeken voor de programma’s van het cohesiebeleid in 2007-2013 (rubriek 1b), die eind 2014 een ongekende piek bereikte.

Deze groeiende achterstand van nog af te wikkelen betalingsverzoeken is het gevolg van het samenkomen van de piek in de programmacyclus ´2007.2013 en de verlaging van het betalingsplafond in 2014 van het meerjarig financieel kader (MFK) in een algemeen klimaat van begrotingsconsolidatie op nationaal niveau. Om deze ontwikkeling te begrijpen zijn twee factoren van wezenlijk belang.

Ten eerste de cyclische toename van de betalingsverzoeken naar aanleiding van de langdurige tenuitvoerlegging van de programma’s van het cohesiebeleid in 2007-2013, af te handelen in de eerste jaren van het MFK 2014-2020. Na een langzame start van de programma’s in 2007-2009, onder meer ten gevolge van de financiële crisis en de daartegen genomen maatregelen, is de uitvoering sinds 2012 versneld, waarbij de betalingsverzoeken jaarlijks zijn toegenomen tot een historisch record van 61 miljard EUR in 2013 op het gebied van het cohesiebeleid, aangejaagd door termijnen voor implementatie en de bepalingen inzake automatische doorhaling van vastleggingen, vastgelegd in de wetgeving inzake het cohesiebeleid(1).

Het was moeilijk om voor een zo sterke stijging van betalingsverzoeken voor het cohesiebeleid 2007-2013 ruimte te maken op de EU-begroting, omdat andere programma's op kruissnelheid lagen en het plafond voor betalingen in 2014 was verlaagd, een en ander tegen de achtergrond van voortdurende begrotingsconsolidatie in de lidstaten.

De tweede factor ter verklaring van deze ontwikkeling is de aanzienlijke verlaging van de plafonds voor betalingen in het nieuwe MFK, die in 2014 bijzonder sterk is (8 miljard EUR lager). Het resulterende tekort aan betalingskredieten heeft niet alleen gevolgen voor de cohesie (rubriek 1b) maar ook voor andere terreinen, met name de beleidsterreinen groei en werkgelegenheid (rubriek 1a), Europa als wereldspeler (rubriek 4) en veiligheid (rubriek 3).

Om deze uitdaging aan te kunnen gaan heeft de Commissie maatregelen getroffen om een actief beheer van de schaarse betalingskredieten te waarborgen, te weten: versnelde actie om onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen; beperken van ongebruikte bedragen op trustrekeningen; vermindering van voorfinancieringspercentages; optimale gebruikmaking van maximaal toegestane betalingstermijnen; uitstel van oproepen tot het indienen van voorstellen/aanbestedingen en daarmee samenhangende overeenkomsten en het verlenen van hogere prioriteit aan landen die financiële bijstand ontvangen.

Bovendien was de begrotingsautoriteit tijdig in kennis gesteld van de verschillende uitdagingen en ontwikkelingen, werden andere gewijzigde begrotingen voorgesteld om de goedgekeurde betalingskredieten te verhogen.

Ondanks de verhogingen van de betalingskredieten door middel van gewijzigde begrotingen goedgekeurd door Parlement en Raad(2), en ondanks het actieve beheer van de beschikbare betalingskredieten door de Commissie, is de achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen blijven groeien: voor het cohesiebeleid 2007-2013 alleen al bedroeg de achterstand 24,7 miljard EUR aan het einde van 2014(3).

Dankzij de beperkende maatregelen van de Commissie is het opbouwen van een achterstand grotendeels beperkt tot andere beleidsterreinen die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd. De meeste van de betalingskredieten werden in 2014 gebruikt ter uitvoering van contractuele verplichtingen die voortvloeien uit de vorige programmeringsperiode, ter minimalisering van de boetes voor te late betalingen, die desalniettemin een vijfvoudige jaarlijkse stijging (tot 3 miljoen EUR) vertoonden(4). Hoewel met deze maatregelen ernstiger negatieve financiële gevolgen voor de EU-begroting werden vermeden, hielden ze in dat een aantal betalingstermijnen zijn verschoven naar 2015, met gevolgen voor het gerechtvaardigde vertrouwen van belanghebbenden die de start van hun project moesten uitstellen en/of tijdelijk voor meer medefinanciering moesten zorgen.

De afrondingsfase van programma’s van het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013 komt dichterbij. In 2014 is de totale omvang aan betalingsverzoeken gedaald tot 53 miljard EUR (tegen 61 miljard EUR in 2013). In hun laatste prognoses van januari 2015 verwachten de lidstaten dat zij in 2015 ongeveer 48 miljard EUR en in 2016 ongeveer 18 miljard aan betalingsaanvragen zullen dienen. Deze cijfers kunnen echter niet zonder meer worden aangenomen, aangezien er in 2015-2016 een plafonnering van de betaalbare aanvragen van 95% van de totale financiële middelen van het programma zal plaatsvinden, zoals vastgesteld in de desbetreffende wetgeving(5). De resulterende verschuldigde vorderingen voor 2015 worden door de Commissie geraamd op ongeveer 35 miljard EUR en maximaal 3,5 miljard EUR voor 2016.

De begroting 2015 bevat bijna EUR 40 miljard EUR aan betalingskredieten voor het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013. Deze begroting zal betrekking hebben zowel op achterstallige betalingen (24,7 miljard EUR oftewel 62% van de begroting voor het cohesiebeleid 2007-13) en nieuwe verzoeken die op tijd zijn gekomen om uit te betalen (geraamd op 35 miljard EUR). Als gevolg daarvan zal de achterstand eind 2015 naar verwachting dalen tot een niveau van 20 miljard EUR.

In dit stadium schat de Commissie dat tot 23,5 miljard EUR nodig zal zijn ter dekking van de resterende betalingsverzoeken vóór de afsluiting, en voor het geleidelijk verminderen van de achterstand. In het ontwerp van begroting 2016 zal de Commissie de betalingskredieten voor rubriek 1b verfijnen, om ervoor te zorgen dat dit wordt verwezenlijkt en een goede uitvoering van de programma’s voor 2014-2020 wordt bewerkstelligd.

Begroting 2015 voor het cohesiebeleid (miljard EUR)

Betalingskredieten op de begroting 2015

(1)

39,5

—  waarvan achterstand eind 2014

(2)

24,7

—  waarvan prognoses 2015 afgetopt op drempel van 95%

(3)

~35

Verwachte achterstand eind 2015

(4)=(1)-(2)-(3)

~20

Begroting 2016 voor het cohesiebeleid (miljard EUR)

Verwachte achterstand eind 2015

(1)

~20

Maximale resterende betalingsverzoeken die in 2016 worden ontvangen vóór de sluiting

(2)

~3,5

Maximale betalingsverzoeken gedekt op de begroting 2016

(3)=(1)+(2)

~23,5

Ook moet het niveau van de betalingskredieten voor de andere beleidsterreinen zoals voorgesteld op de begroting 2016 het mogelijk maken te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit in het verleden aangegane verplichtingen, en het risico van te late rentebetalingen minimaliseren, maar ook moet daarmee gezorgd worden voor een adequaat niveau van uitvoering van en het sluiten van contracten voor de programma’s van de periode 2014-2020.

Het meerjarige karakter van grote delen van de EU-begroting verklaart dat er sprake is van een tijdsverschil tussen het moment waarop de verbintenis is vastgelegd en de eigenlijke betalingen op grond van deze vastlegging. Het opbouwen van een structureel volume van uitstaande verplichtingen (de zogeheten "RAL", het Franse acroniem van "reste à liquider") is dus normaal en te verwachten. Gezien de wettelijke termijn voor de betaling van vorderingen aan het einde van het jaar door de Commissie(6), en de concentratie van vorderingen in verband met het vereiste dat vrijmaking en eventuele onderbrekingen vermeden moeten worden, kan een bepaald bedrag aan onbetaalde vorderingen aan het einde van het jaar worden beschouwd als "normaal". De toenemende omvang van de achterstand heeft de voorbije jaren echter "abnormale" niveaus bereikt(7), die drukken op een groot en toenemende deel van de begroting van het volgende jaar en niet duurzaam zijn in termen van gezond financieel beheer.

De Commissie schat dat ongeveer de helft van de achterstand op het gebied van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen in het kader van het cohesiebeleid aan het einde van 2013 en in 2014 "abnormaal" was, oftewel verband houdend met het tekort aan goedgekeurde kredieten op de begroting, leidend tot een "sneeuwbaleffect". Met het naderen van de afsluitingsfase zullen minder uitbetalingen nodig zijn in 2015 en 2016 en zal de achterstand automatisch dalen.

Het niveau van onderbrekingen en opschortingen zal naar verwachting ook afnemen naarmate de programma’s de afsluiting bereiken. Met betalingskredieten van circa 21,5 miljard EUR voor de programma’s van 2007-2013 in 2016, wordt de achterstand geraamd op ongeveer 2 miljard EUR aan het eind van 2016.

De programma’s van het cohesiebeleid 2007-2013: ontwikkeling van de achterstand op het gebied van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar 2007-2016

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000002.png

De noodzaak van de geleidelijke afschaffing van de "abnormale" achterstand is inmiddels erkend door de twee takken van de begrotingsautoriteit, de Raad en het Europees Parlement, die tijdens de onderhandelingen over de begroting 2015 gezamenlijk hebben besloten tot "het terugdringen van de waarde van onbetaalde rekeningen, met speciale aandacht voor het cohesiebeleid, aan het einde van het jaar tot het structurele niveau in de loop van het huidige MFK" en tot het uitvoeren van een plan "tot verlaging van de waarde van onbetaalde rekeningen in verband met de uitvoering van de programma’s voor de periode 2007-2013 tot het gezamenlijk overeengekomen niveau tegen de tijd van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader".

Dit document biedt een degelijke basis voor een gemeenschappelijk akkoord tussen de twee takken van de begrotingsautoriteit, die naar verwachting besluiten zullen nemen met het oog op de geleidelijke afschaffing van de "abnormale" achterstand van onbetaalde rekeningen tegen eind 2016 voor de programma’s van 2007-2013.

Dit betalingsplan biedt ook de mogelijkheid om lering te trekken inzake het begrotingsbeheer voor de toekomst:

1.  Het eind 2014 gesloten akkoord over gewijzigde begroting 2/2014(8) was zeer belangrijk om de achterstand op het gebied van nog te honoreren betalingen grotendeels te stabiliseren op een niveau dat kan afgebouwd over een periode van twee jaar. De instellingen hebben hun verantwoordelijkheid genomen tegenover een zeer moeilijke begrotingssituatie in vele lidstaten.

2.  Maatregelen voor een actief beheer van de begrotingsmiddelen die de Commissie heeft genomen zijn essentieel gebleken om een tekort aan betalingskredieten op een groot aantal beleidsterreinen aan te pakken. Deze maatregelen moeten worden gehandhaafd zo lang als noodzakelijk is om te onevenredige verstoringen voor de begunstigden en/of de betaling van boeterente te voorkomen.

3.  Hoewel er een terugkerende cyclus is in de uitvoering van de programma’s van het cohesiebeleid, kan de omvang van pieken en dalen worden versoepeld door de programma’s zo snel mogelijk in een vroeg stadium van de programmeringsperiode uit te voeren. Dit is vooral wenselijk in de huidige economische omstandigheden waarin investeringen hard nodig zijn om het economische herstel te bevorderen en het concurrentievermogen te versterken.

4.  Regelmatige indiening van vorderingen is nodig. De lidstaten moeten onnodige administratieve vertraging bij het verzenden van de betalingsaanvragen in de loop van jaar voorkomen. Regelmatige indiening van vorderingen verbetert het begrotingsbeheer en draagt bij tot het minimaliseren van de achterstand aan het einde van het jaar.

5.  Daarnaast zijn toereikende betalingskredieten een noodzakelijke voorwaarde om een correcte uitvoering van de begroting te waarborgen en te voorkomen dat de opeenstapeling van onbetaalde vorderingen aan het einde van het jaar een onhoudbaar niveau bereikt. Bovendien zal de "specifieke en maximale flexibiliteit", genoemd in de conclusies van de Europese Raad en de verklaring van Commissievoorzitter Barroso in februari 2013, moeten worden toegepast om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen van de Unie. Tevens moeten besluiten van de begrotingsautoriteit zoveel mogelijk zorgen voor een soepel betalingsprofiel gedurende de looptijd van het MFK.

6.  De capaciteit voor het opstellen van prognoses moet worden versterkt. Naast de verschillende reeds verstrekte analyses(9) zal de Commissie haar prognoses voor de middellange en lange termijn verder verbeteren, teneinde te verwachten problemen in een vroeg stadium en voor zover mogelijk te kunnen identificeren. Met name stelt zij de twee takken van de begrotingsautoriteit op de hoogte, zodra zij ontwikkelingen in de uitvoering van de programma’s van 2014-2020 vaststelt die een risico vormen voor een soepel betalingsprofiel.

1.  Achtergrond

Sinds 2011 wordt de Commissie geconfronteerd met een toenemend aantal uitstaande betalingsverplichtingen aan het eind van het jaar, ondanks de volledige benutting van de maxima voor de betalingskredieten in 2013 en 2014 en de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven voor betalingen in 2014. Hoewel nagenoeg alle de goedgekeurde betalingskredieten op de jaarlijkse begrotingen zijn opgebruikt, is de achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar voor het cohesiebeleid (rubriek 1b) en specifieke programma’s in andere rubrieken (rubriek 4 "Europa als wereldspeler") gestaag toegenomen.

De Commissie heeft gehoor gegeven aan het verzoek van het Parlement en de Raad om gedurende het gehele jaar toezicht te houden op de situatie, en de afgelopen jaren zijn interinstitutionele vergaderingen ad hoc gehouden om een evaluatie van de stand van zaken te delen. Sinds 2011 moest de Commissie ontwerpen van gewijzigde begroting (OGB) presenteren voor een aanzienlijke verhoging van het niveau van de betalingskredieten, om de betalingstekorten aan te pakken. Aanvankelijke lagere niveaus van goedgekeurde betalingskredieten hebben geleid tot terugkerende OGB’s die het besluitvormingsproces over de ontwerpbegroting ingewikkelder hebben gemaakt, hetgeen het voornaamste voorwerp voor bemiddeling zou moeten zijn. Gewijzigde begrotingen zijn in een laat stadium goedgekeurd, wat de problemen met het beheer van het betalingsproces verergerde.

Tegen de achtergrond van een steeds hoger niveau van vastleggingskredieten, illustreert onderstaande grafiek de steeds krappere jaarlijkse begrotingen voor betalingen en jaarlijkse maxima, alsmede de geleidelijke vermindering van de kloof tussen het maximum van de betalingen en de goedgekeurde kredieten, hetgeen heeft geleid tot de noodzaak om gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2014.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000003.png

In december 2014 hebben het Europees Parlement en de Raad, in het kader van het akkoord dat is bereikt over de begrotingen voor 2014 en 2015, de volgende gemeenschappelijke verklaring opgesteld:

De instellingen zijn het eens met de doelstelling, te weten het terugdringen van de waarde van onbetaalde rekeningen, met speciale aandacht voor het cohesiebeleid, aan het einde van het jaar tot het structurele niveau in de loop van het huidige MFK.

Om dit doel te bereiken:

—  stemt de Commissie ermee in om, samen met de gemeenschappelijke conclusies over de begroting 2015, de meest actuele prognose van het niveau van onbetaalde rekeningen eind 2014 te presenteren; De Commissie zal deze cijfers in maart 2015 actualiseren en alternatieve scenario’s voorstellen wanneer er een algemeen beeld voorhanden zal zijn van de waarde van onbetaalde rekeningen eind 2014, voor de belangrijkste beleidsterreinen;

—  op basis daarvan zullen de drie instellingen naar overeenstemming zoeken over een maximale streefwaarde van onbetaalde rekeningen aan het einde van het jaar die als duurzaam beschouwd kan worden;

—  op basis hiervan en met inachtneming van de MFK-verordening, de overeengekomen financiële middelen van de programma’s en elke andere bindende overeenkomst, zullen de drie instellingen vanaf 2015 een plan uitvoeren tot verlaging van de waarde van onbetaalde rekeningen in verband met de uitvoering van de programma’s voor de periode 2007-2013 tot het gezamenlijk overeengekomen niveau tegen de tijd van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader. Een dergelijk plan moet worden goedgekeurd door de drie instellingen, en wel vóór de indiening van het ontwerp van begroting 2016. Gelet op de uitzonderlijk hoge waarde van onbetaalde rekeningen komen de drie instellingen overeen na te denken over mogelijke manieren om de waarde van die rekeningen te verlagen.

Elk jaar stemt de Commissie ermee in haar ontwerpbegroting vergezeld te doen gaan van een document met een evaluatie van de waarde van onbetaalde rekeningen en waarin wordt uitgelegd hoe de ontwerpbegroting zal leiden tot de daling van die waarde en in welke mate. In dit jaarlijkse document zal de balans worden opgemaakt van de vorderingen en zullen aanpassingen aan het plan in overeenstemming met de geactualiseerde cijfers worden voorgesteld.

In rechtstreekse aansluiting op de gezamenlijke verklaring, publiceerde de Commissie op 15 december 2014 een geactualiseerde prognose van het niveau van onbetaalde vorderingen aan het eind van 2014, die is opgenomen in bijlage 1.

Dit document bevat een overzicht van de stand van de uitvoering aan het einde van 2014, waarin nadruk wordt gelegd op de achterstand van de programma’s van 2007-2013 van het cohesiebeleid, teneinde het te beperken tot een bepaald overeenkomen niveau tegen de tijd van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader in 2016. In het document wordt ook ingegaan op de ontwikkeling van de achterstand bij de andere rubrieken, hoewel het probleem van de achterstand veel minder acuut is in termen van absolute omvang dan in rubriek 1b: de achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen in andere rubrieken aan het eind van 2014 bedroeg ongeveer 1,8 miljard EUR.

2.  Stand van zaken eind 2014

2.1.  Uitvoering aan het einde van 2014

Aan het einde van 2014 bedroeg de uitvoering van de betalingskredieten (exclusief overdrachten) 134,6 miljard EUR (99% van de uiteindelijk toegestane kredieten op de begroting 2014). De onderbesteding van betalingen (na overdrachten) is de laagste ooit geregistreerd met 32 miljoen EUR, tegenover 107 miljoen EUR in 2013 en 66 miljoen EUR in 2012. Een dergelijk hoog niveau van uitvoering, ondanks de late goedkeuring van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, vormt een bevestiging van de strenge beperkingen opgelegd aan betalingskredieten, met name voor de voltooiing van de programma’s van de periode 2007-2013. In veel gevallen zijn ook de overeenkomstige begrotingsonderdelen versterkt met kredieten die oorspronkelijk waren bedoeld voor de betaling van de voorfinanciering van goedgekeurde nieuwe programma’s voor 2014-2020.

In 2014 werden de betalingskredieten voor de cohesieprogramma’s in de periode 2007-2013 verhoogd met 4,6 miljard EUR, waarvan 2,5 miljard EUR via het ontwerp van gewijzigde begroting 3/2014, 0,6 miljard EUR via de overschrijving aan het einde van het begrotingsjaar(10) en 1,5 miljard EUR door middel van interne overplaatsingen van de programma’s voor de periode 2014-2020. Deze verhogingen hebben bijgedragen aan de stabilisatie aan het einde van 2014 van de achterstand van de cohesieprogramma’s in de periode 2007-2013.

Een grote hoeveel ongebruikte vastleggingskredieten is overgedragen of geherprogrammeerd naar 2015, niet alleen voor het cohesiebeleid, maar ook voor de programma’s voor plattelandsontwikkeling (rubriek 2) en de fondsen voor migratie en veiligheid (rubriek 3). Als gevolg hiervan is het bedrag van de uitstaande verplichtingen (RAL) gedaald tot 189 miljard EUR aan het einde van 2014, dat wil zeggen een verlaging van 32 miljard EUR ten opzichte van de RAL aan het eind van 2013. Deze daling is echter enigszins kunstmatig, aangezien het grotendeels het resultaat is van de onderbesteding van de vastleggingskredieten voor programma’s van 2014-2020 die zijn overgedragen en geprogrammeerd naar 2015 en latere jaren, waar het "opnieuw zal verschijnen". Indien alle kredieten voor de nieuwe programma’s waren vastgelegd in 2014, zou de RAL veel dichter bij het niveau van 2013 (224 miljard EUR) zijn gebleven.

Onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van de omvang van de RAL in de periode 2007-2014 en de prognose voor het niveau van de RAL eind 2015 voor de begroting als geheel, maar ook voor programma’s onder gedeeld beheer in de rubrieken 1b, 2 en 3 en de andere programma’s/rubrieken. Zoals blijkt uit de grafiek zal het totale niveau van de RAL eind 2015 naar verwachting opnieuw een niveau bereiken dat vergelijkbaar is met dat van eind 2013. De grafiek toont echter ook het verschil tussen de programma’s onder gedeeld beheer in de rubrieken 1b, 2 en 3, waarvoor de RAL aan het einde van 2015 naar verwachting zal dalen ten opzichte van 2013, en de andere programma’s/rubrieken waarvoor de RAL eind 2015 naar verwachting zal stijgen.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000004.png

2.2.  Beperkende maatregelen in 2014

Op 28 mei 2014 presenteerde de Commissie haar ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, waarin zij om aanvullende betalingskredieten voor 2014 verzocht. Na een langdurig goedkeuringsproces is OGB 3/2014 uiteindelijk goedgekeurd op 17 december 2014. In afwachting van de goedkeuring van de gewijzigde begroting in de loop van het jaar 2014 heeft de Commissie een aantal beperkende maatregelen genomen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit eerder gedane vastleggingen bij de lancering van de nieuwe generatie programma’s, binnen een uitzonderlijk strak budgettair kader.

Om uitvoering te geven aan de overeengekomen beleidsmaatregelen met de in de begroting toegestane kredieten, volgde de Commissie een aanpak van actief beheer van de begroting, rekening houdend met drie belangrijke beginselen:

—  Minimalisering van de financiële gevolgen voor de EU-begroting van rente voor late betalingen en potentiële risico’s;

—  Maximalisering van de uitvoering van de programma’s;

—  Minimalisering van de potentieel negatieve gevolgen van beslissingen voor derde partijen en de economie als geheel.

Met het oog hierop zijn onder meer de volgende maatregelen genomen om een actief beheer van de schaarse betalingskredieten te waarborgen: proactieve terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen; beperking van ongebruikte bedragen op trustrekeningen; verlaging van voorfinancieringspercentages; optimaal gebruik van maximaal toegestane betalingstermijnen; uitstel van oproepen tot het indienen van voorstellen/aanbestedingen en daarmee samenhangende contracten.

Deze beperkende maatregelen stelden de Commissie in staat haar status als investeerder van topklasse en haar reputatie als betrouwbare en veilige partner te beschermen. De Commissie is erin geslaagd om de negatieve effecten van tekorten bij te betalingen zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld op het gebied van het beperken van de achterstandsrente. Ondanks een bijna vijfvoudige verhoging is in vergelijking met 2013 het bedrag aan betaalde rente aan het einde van 2014 nog steeds beperkt (3 miljoen EUR). De relatief sterkere stijging voor rubriek 1a (Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), zoals weergegeven in onderstaande tabel, illustreert de druk op de betalingskredieten.

Betaalde rente op te late betalingen (in EUR)

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Rubriek 1a

294 855

157 950

173 748

329 615

137 906

243 748

1 047 488

Rubriek 1b

1 440

5 324

6 220

11 255

31 726

71 620

103 960

Rubriek 2

27 819

1 807

9 576

15 713

61 879

30 991

61 985

Rubriek 3

13 417

59 852

48 673

50 397

29 375

13 060

7 252

Rubriek 4

250 204

178 468

257 818

1 266 425

335 820

247 786

1 797 825

Rubriek 5

43 915

442 678

237 367

60 825

142 254

46 187

8 614

Totaal

631 651

846 079

733 403

1 734 230

738 960

653 392

3 027 124

Achterstandsrente voor te late betalingen in het kader van het cohesiebeleid (rubriek 1b) is niet noemenswaardig aangezien gedeeld beheer het grootste deel van deze post vertegenwoordigt en gedeeld beheer niet leidt tot achterstandsrente. Voor de geloofwaardigheid is de niet-inachtneming van de wettelijke termijnen voor gedeelde beheersmaatregelen echter uiterst nadelig.

3.  Terminologie

In dit onderdeel wordt een aantal definities gegeven die in dit document worden gebruikt.

3.1.  Projectcyclus

Alvorens een operationeel programma of een project goed te keuren, reserveert de Commissie de kredieten door middel van een vastlegging op een begrotingslijn ter hoogte van een bepaald bedrag. Deze transactie verbruikt een deel van de goedgekeurde vastleggingskredieten.

Vaak leidt de ondertekening van het contract voor het project of de goedkeuring van het operationele programma tot een bepaald niveau van voorfinanciering, waarmee de begunstigde het project kan starten zonder geld te hoeven lenen. Het bereiken van vastgestelde mijlpalen geeft de begunstigde de mogelijkheid om tussentijdse betalingsaanvragen in te dienen en kosten in verband met het programma vergoed te krijgen.

In het geval van grote programma’s, zoals onderzoek (Horizon 2020), de structuurfondsen, het Europese Visserijfonds en plattelandsontwikkeling, leiden tussentijdse betalingsaanvragen echter niet meer tot betalingen zodra een bepaald stadium van tenuitvoerlegging is bereikt, omdat ze dan gedekt zijn door de voorfinanciering. Bovendien wordt een percentage van het totaal van de vastgelegde middelen van het project of het programma alleen betaald aan het einde daarvan, nadat de Commissie zich ervan heeft vergewist dat alle werkzaamheden zijn uitgevoerd in overeenstemming met de oorspronkelijke overeenkomst. Indien dat niet het geval is, worden de middelen slechts voor een deel vrijgemaakt. In sommige gevallen kan de Commissie ook een inningsopdracht doen uitgaan voor het terugvorderen van betalingen die niet gerechtvaardigd waren.

3.2.  Nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL)

Nog betaalbaar te stellen vastleggingen worden gewoonlijk aangeduid als "RAL" naar het Franse acroniem voor "reste à liquider". Het is het gedeelte van een vastlegging dat op een bepaald tijdstip nog niet is gebruikt voor een betaling. In meerjarige projecten worden vastleggingen gedaan bij de aanvang van het project met een beperkte voorfinanciering, terwijl tussentijdse betalingen in een later stadium worden verricht wanneer het project wordt uitgevoerd, en de laatste betaling wordt verricht bij de afsluiting van het programma.

Een groot deel van de EU-begroting betreft investeringen, waarvan de uitvoering wordt gespreid over een aantal jaren. Het verschil tussen vastleggings- en betalingskredieten die zijn goedgekeurd op de jaarlijkse begroting bepaalt de veranderingen in het totale niveau van de RAL. Daarnaast bepalen de snelheid waarmee verbintenissen groeien en het tempo van de uitvoering van het programma de normale ontwikkeling van de RAL. De RAL nemen echter verder toe wanneer onvoldoende betalingskredieten worden begroot, ongeacht het tempo van de uitvoering. Het laatste geval leidt tot een toename van de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar.

De verhouding tussen de RAL en de vastleggingen in het jaar is een goede indicator voor het vergelijken van de omvang van de RAL van specifieke programma’s met hun financiële middelen. Zo hebben programma’s en acties met een jaarlijks karakter, zoals Erasmus of humanitaire steun, een verhouding RAL/vastleggingen van minder dan één, wat aangeeft dat de meeste vastleggingen binnen een jaar worden betaald. Daarentegen hebben de cohesieprogramma’s doorgaans een verhouding RAL/vastleggingen die tussen 2½ en 3 ligt, wat te wijten aan het effect van de automatische vrijmakingsregels die in de wetgeving zijn vastgelegd (de zogenaamde "N + 2" / "N + 3" regels, zie punt 4.1 hieronder). Bepaalde programma’s onder rubriek 4 hebben een hogere verhouding, vanwege de complexe cyclus van onderhandelingen die aan de uitvoering zijn verbonden. In haar betalingsverzoeken houdt de Commissie rekening met deze indicatoren.

3.3.  Kasstroomproblemen versus tekorten aan betalingskredieten

De kasstroom van de Commissie wordt grotendeels bepaald door de bedragen die op maandelijkse basis worden ontvangen van de lidstaten, overeenkomstig de voorschriften inzake eigen middelen. De Commissie mag geen geld te lenen ter dekking van kasstroomtekorten. Kasstroomproblemen kunnen leiden tot tijdelijke vertragingen bij betalingen van EU-middelen aan begunstigden, ondanks het feit dat er voldoende betalingskredieten zijn goedgekeurd op de begroting voor dat jaar. Dit kan zich voordoen, meestal in het eerste deel van het jaar, omdat het totaal van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het voorgaande jaar en die welke moeten worden betaald in de eerste maanden van het lopende jaar (bijvoorbeeld voor het Europees Landbouwgarantiefonds) groter zijn dan de maximale maandelijkse instroom aan eigen middelen waar de Commissie over kan beschikken. Naarmate de achterstand van het vorige jaar geleidelijk wordt afgebouwd en de maandelijkse instroom van middelen tijdens het jaar voortduurt zijn de kasstroomproblemen in de resterende maanden van het jaar niet langer blokkerend.

De kasstroomproblemen aan het begin van het jaar worden nog vergroot door het tekort aan betalingskredieten, aangezien de maandelijkse vraag naar middelen is gebaseerd op de opbrengsten waarin wordt voorzien op de goedgekeurde begroting vóór de vaststelling van gewijzigde begrotingen ter verhoging van het niveau van de betalingen, wat meestal plaatsvindt aan het einde van het jaar.

Afhankelijk van de precieze datum van vaststelling (d.w.z. vóór of na 16 november van het desbetreffende jaar) is het mogelijk dat het overeenkomstige verzoek om aanvullende eigen middelen ter financiering van de aanvullende betalingskredieten die zijn goedgekeurd met gewijzigde begrotingen die het einde van het jaar zijn vastgesteld pas kasmiddelen oplevert aan het begin van het volgende begrotingsjaar, hetgeen problemen kan opleveren met de uitvoering van de gewijzigde begrotingen in hetzelfde jaar.

3.4.  Achterstand bij de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar

Aan het einde van elk jaar is er een achterstand bij de nog uitstaande betalingsverzoeken, d.w.z. vorderingen die zijn verzonden door de begunstigden van EU-middelen, en moeten worden betaald binnen een bepaalde termijn (over het algemeen binnen 2 maanden), maar die nog niet zijn betaald(11). Dat komt door een van de volgende drie redenen:

Lopende onderbrekingen/opschortingen: Betalingen zijn onderbroken of geschorst voor een aantal begunstigden/programma’s. Onderbreking van betalingen is gewoonlijk een kortdurende formele handeling waarmee de Commissie de betaling uitstelt in afwachting van ontbrekende informatie of controles van het beheers- en controlesysteem.

b)  Termijnen: Niet-honorering van betalingsaanvragen omdat ze zijn ingediend tijdens de allerlaatste dagen van het jaar, waardoor er onvoldoende tijd is voor verwerking vóór het einde van het jaar.

c)  Gebrek aan kredieten: Niet-honorering van betalingsaanvragen omdat de toegestane betalingskredieten voor het desbetreffende begrotingsonderdeel zijn uitgeput.

Een deel van de achterstand wordt als "normaal" beschouwd (zie de punten a en b). De groei van de "abnormale" achterstand aan onbetaalde betalingsaanvragen, waarvan de meeste in het kader van het cohesiebeleid, houdt verband met het tekort aan betalingskredieten (punt c), terwijl ook de kasstroomproblemen in het begin van het jaar (zie punt 3.3 hierboven) van invloed zijn. In afdeling 4 wordt nader ingegaan op het cohesiebeleid.

4.  Rubriek 1b: Ontwikkeling van de achterstand en vooruitzichten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het specifieke geval van het cohesiebeleid (rubriek 1b). In de eerste plaats worden de belangrijkste kenmerken uiteengezet van de structuurfondsen en wordt uitgelegd hoe specifieke gebeurtenissen in het verleden of in verband met de wetgeving hebben geleid tot de huidige problematische situatie. Vervolgens wordt nagegaan hoe een "normale" achterstand kan worden gedefinieerd en wordt een gedetailleerde analyse gegeven van de situatie aan het einde van 2014.

4.1.  Tenuitvoerlegging van de structuurfondsen 2007-2013

Structuurfondsen 2007-2013: hoofdkenmerken

Projecten gefinancierd uit rubriek 1b zijn georganiseerd in operationele programma’s. Deze operationele programma’s worden voorgesteld door de lidstaten en door de Commissie onderhandeld en vastgesteld aan het begin van de periode, en voor de volledige duur van de periode. Elk operationeel programma wordt ten uitvoer gelegd in gedeeld beheer via individuele projecten. Dit betekent dat de lidstaten de fondsen uitvoeren. De Commissie neemt deel aan comités van toezicht, waar zij een adviserende rol heeft bij de selectie van projecten en toezicht houdt op de tenuitvoerlegging daarvan via jaarlijkse uitvoeringsverslagen.

Programma’s worden medegefinancierd uit de EU-begroting; dit betekent dat de Commissie niet de totale kosten van het programma draagt. De lidstaten moeten "medefinanciering" vinden voor de financiering van een deel van de programma’s.

Met de goedkeuring van een programma gaat de Europese Unie een wettelijke verplichting aan voor de gehele periode. De Commissie heeft de kredieten automatisch jaarlijks vóór eind april van 2007 tot 2013 vastgelegd op basis van het financieringsplan van het programma en niet op de feitelijke uitvoering van de projecten van het programma. Hoewel de betalingen door de EU nooit hoger kunnen zijn dan de vastleggingen op de EU-begroting, komen uitgaven voor steun in aanmerking vanaf het begin van de periode (d.w.z. vóór de goedkeuring van het programma), tot het verstrijken van de subsidiabiliteitsperiode.

Na de goedkeuring van het programma betaalt de Commissie voorfinanciering. Deze betalingen worden automatisch aan de lidstaat gedaan en blijven tot zijn beschikking tot de verrekening bij de afsluiting.

Zolang de uitvoering van de verschillende projecten nog aan de gang is dienen de lidstaten tussentijdse betalingsverzoeken in via hun certificeringsautoriteit. De tussentijdse betalingsverzoeken worden door de Commissie betaald op basis van het geldende medefinancieringspercentage en op voorwaarde dat niet tot onderbreking of schorsing wordt besloten.

Dit systeem werkt zolang het totaal aan door de Commissie betaalde voorfinanciering en door de lidstaten ingediende tussentijdse betalingsaanvragen voor de programma’s minder bedraagt dan 95% van de toewijzing van de programma’s. Zodra deze drempel wordt bereikt, kan de lidstaat de betalingsaanvragen nog altijd opsturen, maar deze worden dan gebruikt om eventuele openstaande voorfinanciering af te handelen. Het resterende bedrag wordt afgewikkeld bij de afsluiting van het programma. De lidstaten moeten subsidiabele uitgaven rechtvaardigen ter dekking van het bedrag aan ontvangen voorfinanciering aan het begin van de periode en het bedrag dat is aangehouden voor de afsluiting (5% van de totale toewijzing).

Na het einde van de subsidiabiliteitsperiode is er een periode van 15 maanden voor het opstellen en indienen van de afsluitingsdocumenten bij de Commissie en het aanvragen van de saldobetaling. Voordat de saldobetaling kan worden gedaan, onderzoekt de Commissie het afsluitingspakket (d.w.z. de verklaring van afsluiting, het laatste uitvoeringsverslag en het laatste betalingsverzoek). Aangezien deze documenten uiterlijk op 31 maart 2017 worden verwacht, zal het besluit betreffende de sluiting (en de bijbehorende saldobetalingen) tussen 2017 en 2019 worden genomen. Op basis van het resultaat van deze procedure wordt de 5% ingehouden voor de afsluiting worden gebruikt voor de betaling van nog uitstaande betalingsverzoeken. Indien dat niet het geval is betaalt de Commissie niet het volledige bedrag bij de afsluiting. Het niet betaalde bedrag wordt vrijgemaakt. Indien de correcties hoger zijn dan 5%, zal de Commissie het onverschuldigd betaalde bedrag terugvorderen.

De N+2/N+3-regel

De N+2/N+3-regel is voor het eerst ingevoerd voor de programmeringsperiode 2000-2006. De regel bepaalt dat een vastlegging gedaan in het jaar N moet worden gedekt door hetzelfde bedrag aan voorfinanciering en tussentijdse betalingsverzoeken, ingediend vóór 31 december van het jaar N+2 (N+2-regel). Zo moet bijvoorbeeld een in 2012 aangegane verplichting volledig worden gedekt door betalingsaanvragen vóór 31 december 2014. Het niet gedekte bedrag wordt vrijgemaakt, wat betekent dat de lidstaat de steun verliest. Op dit moment zijn er echter geen gevallen van aanzienlijke N+2/N+3 vrijmakingen in de hele geschiedenis van de structuurfondsen.

Doel van de regeling is om te zorgen voor financiële discipline bij het beheer van EU-middelen. Omdat vastleggingen automatisch plaatsvinden zodra het programma is goedgekeurd, verplicht de regel de lidstaten de projecten uit te voeren op een dynamische wijze en problemen helemaal aan het einde van de cyclus te voorkomen. Het bestaan ervan maakt ook een soepeler profiel van betalingen mogelijk door de lidstaten te verplichten op geregelde tijdstippen betalingsaanvragen indienen. Zoals echter toegelicht in het volgende hoofdstuk, verminderde het "versoepelen" van de regel, met name in de nasleep van de financiële crisis van 2008, de regulerende werking ervan.

Deze regel is de bron van de concentratie van betalingsaanvragen aan het einde van het jaar: De lidstaten dienen hun betalingsaanvragen toe te zenden vóór 31 december middernacht, via een specifiek IT-systeem. Hoewel zij wettelijk verplicht zijn om hun vorderingen gedurende het jaar regelmatig in te zenden, blijkt uit ervaring dat veel lidstaten tot de laatste weken wachten met het sturen van een grote hoeveelheid aanvragen.

4.2.  Profiel van de betalingsaanvragen voor de programmeringsperiode 2007-2013

De belangrijkste aanjagers van de betalingscyclus

Aan het begin van de periode worden aanzienlijke bedragen aan voorfinanciering betaald, in sommige jaren gevolgd door een relatief laag niveau van tussentijdse betalingen wanneer programma’s hun structuren opzetten en beginnen met de tenuitvoerlegging van de projecten. Omdat de N+2/N+3-regel pas op zijn vroegst aan het einde van het derde jaar van de programmeringsperiode in werking begint te treden, is er geen druk op het begin van het kader voor het indienen van vorderingen. Bovendien dekt de voorfinanciering nog steeds een groot deel van de vastleggingen die aan het begin van de programmeringsperiode zijn gedaan. Ongeveer 2-3 jaar vóór het einde van de programmeringsperiode begint het jaarlijkse niveau van tussentijdse betalingen te stijgen naarmate de programma’s zich volledig ontwikkelen en de betalingsaanvragen op kruissnelheid liggen. Een piek doet zich voor aan het eind van de periode/het begin van de volgende programmeringsperiode, gevolgd door een daling tot bijna nul in de volgende jaren wanneer programma’s de drempel van 95% bereiken. Een piek doet zich voor aan het eind van de periode/het begin van de volgende programmeringsperiode, gevolgd door een daling tot bijna nul in de volgende jaren wanneer programma’s de drempel van 95% bereiken.

Afwijkingen

Drie ontwikkelingen in het wetgevingskader van toepassing op de programmeringsperiode 2007-2013 versterkten het cyclische karakter van tussentijdse betalingen:

1.  De omschakeling van N+3 naar N+2. Als onderdeel van het algemeen compromis tot vaststelling van het MFK voor de periode 2007-2013, werden de nieuwe lidstaten en Griekenland en Portugal onderworpen aan een N+3-regel voor de vastleggingstranches 2007-2010 en vervolgens aan een N+2-regel tot het einde van de periode. Dit betekent dat deze lidstaten vóór eind 2013 twee vastleggingstranches moesten dekken: de tranche van 2010 en die van 2011. Het spreekt voor zich dat de lidstaten niet noodzakelijkerwijs wachtten tot de termijn voor doorhaling met het uitvoeren van de programma’s en het indienen van de betalingsaanvragen, zodat er geen sprake was van verdubbeling van betalingsaanvragen in 2013. Niettemin versterkte deze regel in hoge mate de piek van 2013 met een overloopeffect op de daaropvolgende jaren door de accumulatie van een groeiende achterstand.

2.  De lidstaten moesten een conformiteitscontrole verrichten met betrekking tot op hun controlesystemen voor de fondsen. De resultaten van de conformiteitscontrole moesten door de Commissie worden goedgekeurd. Tussentijdse betalingsaanvragen konden worden ingediend, maar werden alleen door de Commissie vergoed na goedkeuring van de conformiteitsbeoordeling. Hoewel de meeste programma’s in 2007 waren goedgekeurd, werd de indiening van vorderingen (of in ieder geval de terugbetaling door de Commissie) uitgesteld, en er waren bijna geen tussentijdse betalingen in 2008.

3.  Als reactie op de financiële crisis waren er krachtige oproepen van de lidstaten om de vastleggingstranche voor 2007 voor de N+2/N+3-regel te neutraliseren. Dit werd door de Commissie aanvaard, maar in plaats van uitstel van de vrijmakingsdrempel van de tranche 2007 met een jaar, werden de N+2/N+3-regels afgezwakt door een unanieme besluit van de Raad om de verplichting met betrekking tot de tranche 2007 in zes zesden te spreiden over de gehele periode. Deze zogeheten "Griekse regeling" maakte het mogelijk minder betalingsaanvragen in te dienen in het begin van de periode, gecompenseerd door meer betalingsverzoeken aan het eind van de periode.

Bovendien werd, ook als reactie op de crisis, de subsidiabiliteitsperiode van de uitgaven voor de programma’s 2000-2006 verlengd van eind 2008 tot 2009 (door een wijziging van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het programma) en bleven de lidstaten zich derhalve richten op de uitvoering van de programma’s voor 2000-2006. Dientengevolge heeft de tenuitvoerlegging van de programma’s voor 2007-2013 en de daaraan gekoppelde indiening van tussentijdse betalingsaanvragen voor 2007-2013 vertraging opgelopen.

Vergelijking van de programma’s 2000-2006 met de programma’s 2007-2013

Terwijl in de programmeringsperiode 2007-2013 is overgeschakeld van N+3 naar N+2 aan het einde van het vierde jaar, gold in de programmeringsperiode 2000-2006 alleen de N+2-regel, zij het met enkele aanpassingen in 2004 als gevolg van de toetreding van 10 lidstaten.

Onderstaande tabel vergelijkt de gecumuleerde tussentijdse betalingen voor de periode 2000-2006, die werden uitgevoerd in de periode 2001-2007 als percentage van het totaalbedrag, met de gecumuleerde tussentijdse betalingen voor de programma’s van 2007-2013, die plaatsvond van 2008 tot en met 2014, eveneens als percentage van het totaalbedrag.

Grafiek 1: Jaarlijkse patroon van de cumulatieve tussentijdse betalingen (met 1 jaar vertraging): 2000-2006 (EU- 15) tegenover de periode 2007-2013 (% van totale toewijzing exclusief voorfinanciering)

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000005.png

Zoals blijkt uit de tabel bleven de gecumuleerde betalingen voor de programma’s 2007-2013 onder het niveau van de periode 2000-2006, zij het dat de achterstand tegen het einde van die periode werd ingelopen. Dit uitgestelde profiel voor de programma’s 2007-2013 vloeide voort uit de combinatie van factoren die hierboven zijn uiteengezet. Het verklaart de onderbesteding van betalingskredieten en het maximum van de betalingen aan het begin van de periode, omdat het betalingsprofiel voor de programma’s 2000-2006 als referentie was genomen voor de vaststelling van de plafonds.

Toen echter de betalingsaanvragen de achterstand in een later stadium begonnen in te halen, werden de betalingen sterk beperkt door het niveau van de goedgekeurde betalingskredieten en/of door het maximumbedrag dat leidde tot de opbouw van de achterstand.

Ontwikkeling van de achterstand 2007-2014

De volgende grafiek(12) toont de ontwikkeling van de achterstand voor de programma’s 2007-2013 in de periode 2007-2016.

Grafiek 2: De programma’s van het cohesiebeleid 2007-2013: ontwikkeling van de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar (in miljard EUR)

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000006.png

Zoals blijkt uit de tabel begon de achterstand voor de programma’s 2007-2013 weer te stijgen in 2011 en bereikte in dat jaar een niveau van 11 miljard EUR, om in 2014 een piek te bereiken van 24,7 miljard EUR. Zoals hieronder uiteengezet, voorspellen de prognoses nog altijd een omvangrijke achterstand aan het eind van 2015, alvorens weer te dalen tot een "normale" en houdbare achterstand aan het eind van 2016.

4.3.  Onderdelen en soorten achterstand

In de loop van het jaar ontvangt de Commissie de volgende betalingsaanvragen voor de structuurfondsen:

a)  In aanmerking komende betalingsaanvragen die worden gedekt door betalingen in de loop van het jaar.

b)  Betalingsaanvragen die reeds zijn behandeld in het kader van de voorfinanciering aan het begin van de programmeringsperiode en die bijgevolg niet worden gevolgd door extra betalingen.

c)  Betalingsaanvragen die slechts kunnen worden uitbetaald na de afsluiting zullen moeten wachten tot de Commissie en de begunstigde een overeenkomst over de sluiting bereiken.

d)  Betalingsaanvragen die niet zijn gehonoreerd omdat ze zijn ingediend tijdens de allerlaatste dagen van het jaar, waardoor er onvoldoende tijd is voor verwerking vóór het einde van het jaar.

e)  Betalingsaanvragen die worden onderbroken of opgeschort voor bepaalde begunstigden. Onderbreking of schorsing van betalingen is gewoonlijk een kortdurende formele handeling waarmee de Commissie de betaling uitstelt in afwachting van ontbrekende informatie of controles van het beheers- en controlesysteem.

f)  Betalingsaanvragen die niet zijn gehonoreerd aan het einde van het jaar omdat de toegestane betalingskredieten voor het desbetreffende begrotingsonderdeel zijn uitgeput.

De laatste vier categorieën (c tot en met f) blijven uitstaande vorderingen aan het einde van het jaar, maar de achterstand omvat nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen overeenkomstig d, e en f. Een zeker niveau van onbetaalde vorderingen aan het einde van het jaar wordt beschouwd als "normaal" indien zij overeenkomen met de punten d en e. De "abnormale" achterstand omvat alleen nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen volgens punt f.

De volgende grafiek illustreert de stroom van betalingsverzoeken voor rubriek 1b, van de indiening door de lidstaten via de identificatie van "uit te betalen vorderingen" tot de "normale" en "abnormale" achterstand.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000007.png

Concentratie van vorderingen en betalingstermijn aan het einde van het jaar

In de maand december doet zich een zeer hoge concentratie voor van door de lidstaten ingediende betalingsaanvragen, variërend van 27% tot 35% van het jaarlijks totaal in de periode 2011-2014. Voor elk ontvangen betalingsverzoek moet de Commissie controles uitvoeren alvorens tot uitbetaling over te gaan. Hoe groter het aantal ontvangen aanvragen in de laatste weken van het jaar, hoe hoger het risico van aanspraken die niet worden vergoed voor het einde van het jaar.

Om deze reden moedigt de Commissie de lidstaten vaak aan hun vorderingen regelmatiger en in de loop van het jaar in te dienen.

Onderstaande grafiek toont de maandelijkse ontwikkeling van de indiening van betalingsverzoeken voor de programma’s 2007-2013 tussen 2011 en 2014.

Grafiek 3a: Maandelijks patroon van de cumulatieve ingediende tussentijdse betalingsaanvragen voor de periode 2007-2013 (in % van het totaal)

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000008.png

Bovenstaande grafiek laat duidelijk een terugkerende zeer sterke stijging van betalingsaanvragen aan het einde van het jaar zien.

Grafiek 3b: Concentratie van ingediende betalingsverzoeken tijdens de laatste twee maanden van het jaar (ontvangen percentage in november en december) tussen 2011 en 2014

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000009.png

De grafieken illustreren dat meer en meer betalingsverzoeken laat in het jaar binnenkomen, als gevolg van de toenemende druk van de N+2-regel. De opheffing van de N+3-regel in 2013 betekende dat voor alle lidstaten een N+2-regel gold, behalve voor Roemenië, Slowakije en Kroatië. Het was van grote invloed op de omvang van de in dat jaar ontvangen betalingsverzoeken. Het bedrag van de verzoeken die te laat in het jaar worden betaald hangt af van het totaalbedrag van de ontvangen betalingsverzoeken tijdens het jaar en het profiel gedurende het jaar.

Gevolgen van onderbrekingen en opschortingen

De Commissie maakt gebruik van een aantal preventieve mechanismen om de EU-begroting te beschermen voordat zij betalingen doet aan de lidstaten wanneer zij op de hoogte is van eventuele tekortkomingen. Deze mechanismen zijn van grote waarde voor de verbetering van de controlesystemen in de lidstaten en het verminderen van de noodzaak van toekomstige financiële correcties door de Commissie.

Als gevolg daarvan kan aan sommige betalingsaanvragen niet onmiddellijk voldaan worden, aangezien zij door de Commissie onderbroken of geschorst zijn in afwachting van door te voeren verbeteringen van de controlesystemen. Hoewel de meeste van deze betalingsverzoeken uiteindelijk niet zullen worden afgewezen, kunnen zij ook niet onmiddellijk worden betaald.

Overeenkomstig de verordening(13) kan de Commissie:

—  de betalingstermijn voor maximaal 6 maanden onderbreken voor programma’s van 2007-13 indien er aanwijzingen zijn voor significante tekortkomingen in de werking van de beheers- en controlesystemen van de betrokken lidstaat; of indien de diensten van de Commissie aanvullende verificaties moeten verrichten naar aanleiding van informatie dat uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat verband houden met een ernstige onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen.

—  alle of een deel van een tussentijdse betaling aan een lidstaat uit hoofde van programma’s van 2007-13 schorsen indien er sprake is van ernstige tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen van het programma en de lidstaat niet de nodige corrigerende maatregelen heeft genomen; of indien uitgaven in een gecertificeerde uitgavendeclaratie verband houden met een ernstige onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen; of in geval van ernstige inbreuk door een lidstaat op zijn beheers- en controleplichten. Wanneer de lidstaat niet de nodige maatregelen treft, kan de Commissie een financiële correctie opleggen.

De raming van de "normale" achterstand

Zoals eerder uitgelegd, is de "normale" achterstand het totaal van de betalingsverzoeken die worden onderbroken of geschorst en de verzoeken die te laat binnenkomen om nog tijdens het jaar te worden gehonoreerd. Betalingsverzoeken die tijdens de laatste tien dagen van het jaar binnenkomen kunnen worden beschouwd als te laat om gehonoreerd te worden, omdat de Commissie voldoende zekerheid moet hebben dat zij in staat zal zijn de beschikbare kredieten op de begroting volledig uit te voeren. Niettemin maken sommige van de onderbroken of geschorst betalingsverzoeken ook deel uit van de verzoeken die te laat komen om gehonoreerd te worden en mogen niet tweemaal worden geteld.

Daarom zal de "normale" achterstand nog toenemen met het totale aantal in de loop van het jaar ontvangen verzoeken en de relatieve concentratie daarvan tijdens de laatste dagen van het begrotingsjaar.

Voor de periode 2010-2014 geeft onderstaande grafiek een overzicht van de ontvangen betalingsverzoeken, de achterstand aan het eind van het jaar en de verzoeken die te laat zijn binnengekomen om te worden gehonoreerd of die zijn opgeschort.

Grafiek 4 rubriek 1b: Betalingsverzoeken, achterstand, schorsingen 2010-2014

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000010.png

Voor de afgelopen drie jaar (2012-2014) kan de "gewone" achterstand (d.w.z. betalingsaanvragen die zijn ontvangen in de laatste tien dagen van het jaar of zijn onderbroken of geschorst, ook al zijn ze ontvangen vóór de laatste tien dagen) worden geraamd op ongeveer de helft van de waarde van de totale achterstand bereikt aan het eind van elk jaar. De andere helft hield verband met de schaarste van de goedgekeurde betalingskredieten op de begroting, wat heeft geleid tot een "sneeuwbaleffect"(14).

Met het dalende niveau van betalingsverzoeken die worden verwacht in 2015 en 2016, de verwachte daling van het aantal onderbroken of opgeschorte gevallen en de afwezigheid van druk van de N+2-regel eind 2015(15), zal de "normale" achterstand naar verwachting ook sterk zal dalen.

4.4.  Vooruitzichten voor betalingen 2007-2013 (verzoeken) in 2015 en 2016

Raming voor 2015 en 2016 op basis van de prognoses van de lidstaten

Overeenkomstig de verordening inzake de structuurfondsen 2007-2013(16) moeten de lidstaten bij de Commissie uiterlijk op 30 april van het jaar N een voorlopige raming indienen van hun verwachte tussentijdse betalingsaanvragen voor het jaar N en het jaar N+1. In de afgelopen jaren zijn de lidstaten overeengekomen om deze informatie in september van het jaar N te actualiseren, teneinde de toename van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen (achterstand) en de grote concentratie van de betalingsverzoeken ingediend in de laatste maanden van het jaar nauwkeuriger te kunnen beoordelen.

Overeenkomstig de nieuwe verordening voor de structuurfondsen 2014-2020(17) moeten de lidstaten hun raming van verwachte tussentijdse betalingsaanvragen voor het jaar N en het jaar N+1 echter uiterlijk op 31 januari van het jaar N indienen (met een actualisering tegen 31 juli). Deze nieuwe termijn is door de lidstaten in 2015 op vrijwillige basis toegepast voor de programma’s 2007-13, naar aanleiding van een verzoek van de Commissie, bevestigd in december 2014. Volgens de gegevens die de Commissie op 3 maart 2015 heeft ontvangen, verwachten de lidstaten momenteel naar schatting ongeveer 48 miljard EUR aan betalingsaanvragen (zowel betaalbaar als niet betaalbaar) te zullen indienen in 2015 en voor circa 18 miljard EUR in 2016(18).

Zoals reeds is uiteengezet, zullen niet alle betalingsverzoeken rechtstreeks leiden tot betalingen, omdat rekening moet worden gehouden met het "95% plafond" voor de betalingen als vastgesteld in artikel 79 van verordening 1083/2006(19). Naarmate meer programma’s het "95% plafond" bereiken, zal deze correctie in 2015 en latere jaren veel groter worden. Bijgevolg zijn de werkelijke cijfers van de verwachte te honoreren verzoeken lager dan de ramingen van de lidstaten, omdat de verzoeken boven het plafond van 95% alleen bij de afsluiting worden beschouwd. Op basis van deze afgetopte prognoses verwacht de Commissie in 2015 te honoreren betalingsaanvragen te zullen ontvangen ter hoogte van circa 35 miljard EUR. Het overeenkomstige cijfer voor 2016 bedraagt momenteel ongeveer 3 miljard EUR. Dit bedrag voor 2016 zal worden gepreciseerd (en zou enigszins hoger kunnen uitvallen) zodra de lidstaten ontbrekende gegevens indienen of ingediende gegevens wijzigen voor sommige operationele programma’s.

Bijlage 2 bevat meer details over de ramingen van de lidstaten van in te dienen betalingsaanvragen in 2015 en 2016 voor de cohesieprogramma’s in de periode 2007-2013.

Raming van de Commissie gebaseerd op uitvoering

Eind 2014 bedroeg het totale bedrag van de voorfinanciering en de tussentijdse betalingen 266,1 miljard EUR. Het totale budget voor de programma’s van het cohesiebeleid 2007-2013 bedraagt 347,3 miljard EUR. Rekening houdend met de reeds uitgevoerde annuleringen en het gevaar van annulering als gevolg van de toepassing van de N+2/N+3-regel aan het einde van 2014, die nog moet worden bevestigd (in totaal een maximumbedrag van ongeveer 0,9 miljard EUR sinds het begin van de periode), bedraagt het nog te betalen bedrag maximaal ongeveer 80,3 miljard EUR. 5% van de bedragen voor elk programma moeten echter pas worden betaald bij de afsluiting (17.3 miljard EUR).

Derhalve is het verwachte niveau van tussentijdse betalingsaanvragen die nog moeten worden betaald in 2015 of de daaropvolgende jaren circa 63 miljard EUR, of 18% van het totale budget, inclusief de achterstand van eind 2014 (24,7 miljard EUR). Het maximale niveau van te honoreren nieuwe betalingsverzoeken die in 2015 of in de daaropvolgende jaren worden ontvangen vóór de afsluiting, bedraagt 38,3 miljard EUR. Indien een bedrag van maximaal 35 miljard EUR aan betalingsverzoeken zal worden ontvangen in 2015, wordt het resterende bedrag van maximaal 3.5 miljard EUR ontvangen in 2016.

Geraamde achterstand eind 2015 op basis van gecorrigeerde prognoses van de lidstaten

Het niveau van op de begroting 2015 goedgekeurde betalingskredieten bedraagt 39,5 miljard EUR. Dit bedrag omvat zowel de achterstand van voor 2015 (24,7 miljard EUR) als de nieuwe aanvragen (geraamd op 35 miljard EUR). Derhalve zal de verwachte achterstand eind 2015 neerkomen op 20 miljard EUR, waarvan ten minste ongeveer de helft, of ongeveer 10 miljard EUR, zal overblijven als abnormale achterstand.

In miljard EUR

Achterstand eind 2014 (gecorrigeerd)

Ramingen van de lidstaten van aanvragen 2015 met gecorrigeerde 95% drempel

Goedgekeurde betalingskredieten begroting 2015

Geraamde achterstand eind 2015

24.7

~35

39.5

~20

4.5.  Betalingsaanvragen verwacht voor 2016

Zoals hierboven uiteengezet bedraagt de achterstand van eind 2015 naar verwachting ongeveer 20 miljard EUR, mits de ramingen van de lidstaten juist blijken. Voorts kan nog maximaal 3.5 miljard EUR aan te honoreren verzoeken worden verwacht voor de afsluiting van de programma’s. Gezien dit relatief beperkte bedrag van betalingsaanvragen, en aangezien er geen N+2-druk meer zal zijn, is er geen reden om aan te nemen dat een groot deel van deze betalingsverzoeken te laat zal komen om nog in 2016 te kunnen worden uitbetaald.

De Commissie zal haar verzoek nader preciseren in de ontwerpbegroting 2016, waarbij zij rekening houdt met de "normale" achterstand van eind 2016. Deze "normale" achterstand – die zeer laattijdige indiening van verzoeken en de resterende onderbrekingen/opschortingen omvat – zal echter zeer gering zijn in vergelijking met eerdere jaren, aangezien het bedrag van de nieuwe verzoeken die in 2016 zullen worden ontvangen ook zeer laag zal zijn, en de Commissie verwacht dat de lidstaten eventuele tekortkomingen zullen corrigeren en "schone" betalingsverzoeken zullen indienen. Het in de orde van grootte van 2 miljard EUR kunnen zijn. Deze "normale" achterstand aan het einde van het jaar 2016 zal derhalve moeten worden opgenomen in de begroting 2017. Het bedrag dat moet worden opgenomen in de begroting 2016 zou derhalve ongeveer 21,5 miljard EUR bedragen.

4.6.  Samenvatting van de informatie die wordt gebruikt voor de berekening van de betalingsaanvraag en de achterstanden

De volgende tabel geeft een overzicht van informatie over het totaalbedrag voor het programma, het verwachte gebruik van de kredieten op de begroting 2015 en de maximale betalingsaanvragen verwacht in 2016.

Uitstaande tussentijdse betalingen 2015-2017 (miljard EUR)

Totaalbedrag van het programma

(1)

347,3

Waarvan voorfinanciering en de tussentijdse betalingen gedaan tot eind 2014

(2)

266,1

Waarvan geserveerd voor de afsluiting (5%) en verrichte annuleringen

(3)

18,2

Maximumbedrag van tussentijdse betalingen (2015-2017)

(4)=(1)-(2)-(3)

~63,0

Waarvan achterstand eind 2014 (nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen)

(5)

24,7

Waarvan maximumbedrag tussentijdse betalingen (2015-2017)

(6)=(4)-(5)

38,3

Begrotingsjaar 2015 (miljard EUR)

Op de begroting 2015 beschikbare kredieten

(1)

39,5

Waarvan achterstand eind 2014

(2)

24,7

Waarvan prognoses 2015 gecorrigeerd met drempel van 95%

(3)

~35

Verwachte achterstand eind 2015

(4)=(1)-(2)-(3)

~20

Begrotingsjaar 2016, miljard EUR

Verwachte achterstand eind 2015

(1)

~20

Maximale resterende betalingsverzoeken die in 2016 worden ontvangen vóór de sluiting

(2)

~3,5

Maximale betalingsverzoeken gedekt op de begroting 2016

(3)=(1)+(2)

~23,5

4.7.  Betaling bij afsluiting

De afsluiting van de structuurfondsen heeft haar eigen dynamiek wat betalingen betreft. Elke lidstaat stuurt de afsluitingsdocumenten per programma uiterlijk op 31 maart 2017 in. De Commissie stelt de lidstaat in kennis van haar advies over de inhoud van de verklaring van afsluiting binnen de vijf maanden na ontvangst ervan, op voorwaarde dat alle informatie is ingediend in het oorspronkelijke afsluitingsdocument(20). Als regel geldt dat de betalingen voor de afsluiting pas zullen plaatsvinden na 2016. Het totale gereserveerde bedrag voor de afsluiting (5 % van de totale toewijzing) bedraagt 17,3 miljard EUR, maar de hoogte van de betalingen zal worden beïnvloed door de kwaliteit van de uitvoering van het programma gedurende de hele periode. Mogelijke annuleringen na afsluiting binnen het cohesiebeleid kunnen de benodigde betalingen verminderen.

Als indicatieve raming voor de periode 2000-2006 bedroeg het annuleringspercentage bij de afsluiting 2,6% van de totale toewijzing voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) en 0,9% voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO). Voor het ESF is er echter nog ongeveer 0,5 miljard EUR aan RAL die verband houdt met problematische gevallen van onregelmatigheden, en daarom schat de Commissie dat het definitieve percentage van de annuleringen bij de afsluiting ongeveer 3% zal zijn voor dat fonds. De Commissie sluit niet uit dat de annuleringen bij de afsluiting hoger zijn dan in de afgelopen periode waarmee de bovengenoemde raming moet worden beschouwd als een voorzichtige indicatie.

Afsluitingsverzoeken worden niet in aanmerking genomen bij de analyse van de daling van het normale een deel van de achterstand, aangezien de meeste daarvan zijn betaald in de periode 2017-2019 of daaropvolgende jaren en in ieder geval niet zullen leiden tot betalingen, omdat alle onverschuldigd betaalde bedragen eerst zullen worden hersteld voordat de definitieve betaling zal plaatsvinden.

5.  Andere rubrieken: vooruitzichten voor de programma's 2007-2013

5.1.  Overzicht

Na de grondige analyse van het specifieke geval van het cohesiebeleid (rubriek 1b) in punt 4 hierboven, wordt in dit deel ingegaan op de situatie in de andere rubrieken, die als volgt kunnen worden samengevat:

–  De kredieten voor het Europees Garantiefonds voor de landbouw (rubriek 2) zijn niet gesplitst, waarbij betalingen en vastleggingen zijn vastgesteld op hetzelfde niveau. Daarom is er geen achterstand aan het eind van het jaar;

–  Het beheer van het fonds voor plattelandsontwikkeling, het Europees Visserijfonds (post 2) en de fondsen voor asiel, migratie, grenzen en veiligheid (rubriek 3) wordt gedeeld met de lidstaten, op dezelfde manier als het cohesiebeleid. Terwijl plattelandsontwikkeling tot dusver geen achterstand had, is dit niet het geval voor de andere fondsen;

–  De meeste andere programma’s (de rubrieken 1a en 4) worden beheerd door de Commissie. Gezien de betalingstekorten zijn vele van deze programma’s onderworpen aan de beperkende maatregelen die de Commissie in de loop van 2014 (en in sommige gevallen reeds in 2013) heeft genomen, uiteenlopend van vermindering van de voorfinanciering (met inachtneming van de aard en de financiële soliditeit van uitvoerende partners, ontvangers en begunstigden), tot uitstel van de definitieve betalingen of betalingen voor begrotingssteun, en het zich onthouden van het doen van nieuwe vastleggingen, en het uitstellen van de sluiting van contracten. Met de meeste van deze maatregelen wordt echter alleen het tijdstip van de betalingen uitgesteld, terwijl de verplichtingen nog altijd moeten worden nagekomen.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de ontwikkeling van de achterstand voor de rubrieken 1a en 4. Terwijl de achterstand voor rubriek 4 een duidelijke opwaartse tendens vertoont, en in 2014 het hoogste niveau in jaren bereikte, is de ontwikkeling voor rubriek 1a minder duidelijk.

Achterstand aan het einde van het jaar (in miljoen EUR)

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Rubriek 1a

1 679

507

291

628

604

567

551

541

Rubriek 4

172

178

284

226

387

367

389

630

5.2.  Programma's in gedeeld beheer van rubriek 2 en 3

5.2.1.  Rubriek 2

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

Er is geen achterstand voor het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) omdat het fonds gebaseerd is op niet-gesplitste kredieten.

Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

Tot dusver is er geen achterstand voor plattelandsontwikkeling: De Commissie heeft alle betalingsverzoeken steeds op tijd kunnen betalen. Rekening houdend met de omvang van het programma voor plattelandsontwikkeling en de 95%-regel die ook van toepassing is, bedraagt het maximale niveau van tussentijdse betalingen die eventueel nog moeten worden betaald vóór de afsluiting ongeveer 8,7 miljard EUR voor de periode 2007-2013. De goedgekeurde betalingskredieten op de begroting 2015 voor de programma’s van 2007-2013 bedragen 5,9 miljard EUR. Het resterende bedrag van 2,8 miljard EUR zal worden betaald in 2016, na de toezending door de lidstaten van de laatste driemaandelijkse verklaring, die in januari 2016 moeten worden ingediend.

Het totale voor de afsluiting gereserveerde bedrag is circa 4,8 miljard EUR. Het daadwerkelijk te betalen bedrag zal afhangen van de annuleringen. Ter illustratie zou door toepassing van een niveau van 1,5% van annuleringen tijdens de afgesloten periode 2000-2006 ongeveer 1,5 miljard EUR zijn vrijgemaakt. Naar verwachting zullen de afsluitende betalingen plaatsvinden tussen 2016 en 2019.

Europees Visserijfonds (EVF)

De beheersvorm van het EVF is vergelijkbaar met die van het cohesiebeleid (rubriek 1b). Aangezien er echter geen N+3-regel geldt, kent het EVF niet het specifieke probleem van de overgang van de N+3-regel op de N+2-regel tussen de vastleggingstranche voor 2010 en de vastleggingstranche voor 2011. Bovendien gold evenmin de "Griekse regel", hoewel de start van de programma’s is ook licht vertraagd was door de verplichtingen met betrekking tot de beheers- en controlesystemen. De afgelopen jaren was de achterstand voor het EVF echter zeer omvangrijk. Begin 2014 was het niveau van de achterstand op het niveau van de goedgekeurde betalingskredieten voor de programma’s 2007-2013.

Wat betreft het tijdstip van indiening van betalingsverzoeken in de loop van het jaar, werd in de periode 2010-2014 twee derde van de jaarlijkse betalingsaanvragen ontvangen in de maanden november en december. De onderstaande grafiek toont de omvang van de achterstand van 2011 tot 2014 voor de programma’s 2007-2013 van het EVF, samen met de oorspronkelijke betalingskredieten van het volgende jaar.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000011.png

De belangrijkste reden voor de vermindering van de achterstand voor het EVF van eind 2014 was de herschikking van alle beschikbare betalingskredieten op de begroting (met inbegrip van alle betalingskredieten voor het EFMZV in gedeeld beheer - als gevolg van de vertraging bij de goedkeuring van de nieuwe rechtsgrondslag) en de verhogingen ontvangen dankzij het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014 (vastgesteld als gewijzigde begroting nr. 2/2014) en de overschrijving aan het einde van het begrotingsjaar.

Het hogere niveau van de betalingen die zijn goedgekeurd op de begroting 2015 moet een vermindering van de achterstand mogelijk maken tot het normale niveau van circa 0,1 miljard EUR.

5.2.2.  Rubriek 3

Asiel, migratie, grenzen en veiligheid

Het gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid in de periode 2007-2013 werd voornamelijk uitgevoerd via het algemene programma "Solidariteit en beheer van de migratiestromen" (SOLID). Dit algemene programma bestond uit vier instrumenten: Buitengrenzenfonds (EBF), het Europees Terugkeerfonds (ETF), het Europees Vluchtelingenfonds en het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen (EIF).

Uit de volgende grafiek blijkt het stijgende niveau van de openstaande betalingsaanvragen aan het einde van het jaar voor de programma’s op het gebied van asiel, migratie, grenzen en veiligheid.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000012.png

De RAL is gestegen van 150 miljoen EUR begin 2007 tot 2,6 miljard EUR in 2014, ondanks 300 miljoen EUR aan annuleringen in de periode 2007-2014. Ongeveer 1,9 miljard EUR moet worden betaald voor de programma’s 2007-2013. De goedgekeurde betalingskredieten voor de programma’s op de begroting 2015 zijn iets hoger dan 600 miljoen EUR, met inbegrip van de kredieten voor de initiële en jaarlijkse voorfinanciering van de nieuwe programma’s voor de periode 2014-2020.

Rekening houdend met het bedrag dat wordt betaald bij de afsluiting (geraamd op ongeveer 1 miljard EUR) en het feit dat tweede voorfinancieringen niet konden worden betaald in 2013 en 2014 door een gebrek aan betalingskredieten, worden de benodigde betalingen om de achterstand voor de programma’s 2007-2013 te verminderen tot een normaal peil aan het einde van 2016 geraamd op ongeveer 235 miljoen EUR.

5.3.  Programma's in direct beheer van rubriek 1a en 4

5.3.1.  Rubriek 1a

In dit deel wordt een overzicht gegeven van de situatie van de betalingen voor de programma’s van rubriek 1a aan het einde van 2014.

Uitstaande betalingsverzoeken aan het eind van het jaar

De onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar voor de belangrijkste programma’s van rubriek 1a.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000013.png

Het hoge niveau van uitstaande betalingsverzoeken aan het eind van 2007 is grotendeels het gevolg van de projectcyclus van het 6e kaderprogramma voor onderzoek (KP6), en het bijzonder grote aantal openstaande vastleggingen op dat moment. Bovendien werd in de onderzoekscontracten bepaald dat controlecertificaten vereist waren voordat kostendeclaraties konden worden betaald.

De beperkende maatregelen die de Commissie in 2014 nam (zie punt 2.2 hierboven) om het tekort aan betalingskredieten aan te pakken voorkwamen een toename van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van 2014. De maatregelen omvatten de verlaging van het niveau van voorfinanciering en uitstel van de ondertekening van nieuwe contracten/subsidieovereenkomsten, zodat een deel van de betalingen naar het volgende jaar werd verschoven. Terwijl het niveau van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen is beperkt, was een neveneffect van de maatregelen dat de uitvoering van de programma’s voor 2014-2020 werd vertraagd. In sommige gevallen moesten er drastische maatregelen worden genomen om voorrang te geven aan betalingen aan de meer kwetsbare begunstigden.

Ontwikkeling van nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL)

Het min of meer stabiele niveau van onbetaalde betalingsverzoeken aan het einde van het jaar voor programma’s onder rubriek 1a staat in schril contrast met de duidelijk opwaartse trend van het niveau van nog betaalbaar te stellen bedragen (RAL), zoals blijkt uit de onderstaande grafiek:

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000014.png

De stijgende RAL in rubriek 1a is voor een groot deel het gevolg van de groeiende kloof tussen de vastleggings- en betalingskredieten voor onderzoek, het grootste programma van deze rubriek. Dit wordt geïllustreerd door onderstaande grafiek, die het dalende patroon laat zien van de verhouding tussen betalingen en vastleggingen.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000015.png

Als voorbeeld van de wijze waarop de projecten in rubriek 1a worden uitgevoerd, wordt hieronder de projectcyclus voor de onderzoekprogramma’s beschreven.

Projectcyclus voor onderzoek

Onderzoeksprogramma’s worden uitgevoerd door middel van meerjarige werkprogramma’s die ook oproepen tot het indienen van voorstellen, openbare aanbestedingen, onderzoeken, deskundigengroepen, deelneming aan internationale organisaties, studiebijeenkomsten en workshops, evaluatie en toezicht omvatten. Ongeveer 90% van de onderzoeksprogramma’s houden verband met uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, de overige 10% met andere activiteiten.

Het jaarlijkse werkprogramma voor het jaar N wordt door de Commissie goedgekeurd halverwege het jaar N-1. Vanaf de tweede helft van het jaar N-1 worden oproepen tot het indienen van voorstellen gelanceerd. In de meeste gevallen vindt het indienen van voorstellen gewoonlijk plaats binnen drie maanden na de publicatie van de oproep tot het indienen van voorstellen. Globale vastleggingen worden gedaan na de goedkeuring van het werkprogramma in jaar N en uiterlijk vóór de onderhandelingen over het contract (gewoonlijk ten tijde van de uiterste indieningsdatum van de oproep). De evaluatie van voorstellen (drie maanden) en selectie (een tot twee maanden) worden gevolgd door de onderhandelingen over het contract (één tot zes maanden) en de ondertekening (tot enkele maanden). De Commissie/het uitvoerend agentschap heeft acht maanden tussen de uiterste indieningsdatum van de oproep en de ondertekening van de subsidietoekenning (de zogeheten "time to grant"), waarvan vijf maanden om de aanvragers te informeren over het resultaat van de wetenschappelijke beoordeling en drie maanden voor de voorbereiding van de subsidieovereenkomst. Zodra de individuele vastlegging is gedaan en het contract is ondertekend moet de voorfinanciering worden betaald binnen 30 dagen na de ondertekening van het contract of vanaf 10 dagen voor de begindatum van de actie, al naargelang welke datum het laatst valt. Na de structurele maatregelen van DG Onderzoek in 2014 wordt de voorfinanciering van de vastlegging van het jaar N nu in veel gevallen betaald in het jaar N+1 in plaats van het jaar N. Tussentijdse betalingen zijn gebaseerd op financiële staten en zijn gekoppeld aan periodieke verslagen, gewoonlijk om de 18 maanden Het saldo van 10% wordt betaald na goedkeuring van het eindrapport.

Voor alle andere acties van het werkprogramma worden de voorlopige vastleggingen gedaan in jaar N en worden de voorschotten uitbetaald in hetzelfde jaar. De rest wordt betaald in jaar N+1.

Betalingstekorten onderzoek: Gevolgen in de praktijk

Met het oog op het beheer van het tekort aan betalingskredieten in de onderzoeksprogramma’s, is in 2014 een bedrag van in totaal 236,5 miljoen EUR overschreven van "Horizon 2020" 2014-2020 naar de begrotingsonderdelen voor 2007-2013 voor die programma's, waardoor de voorfinanciering van oproepen voor Horizon 2020 voor 2014 is uitgesteld tot 2015. Dit was niet het geval in voorgaande jaren, en leidt tot een vertraging bij de tenuitvoerlegging van nieuwe programma’s.

Onderzoek vergt tijd, en het uitstellen van de ondertekening van contracten en subsidies is niet in overeenstemming met de doelstelling van grotere onderzoeksinspanningen om economische groei te ondersteunen. De verhoging van het niveau van de goedgekeurde betalingskredieten voor Horizon 2020 op de begroting 2015 zal naar verwachting een gedeeltelijke inhaalslag van dit cruciale programma mogelijk maken.

Erasmus+

Erasmus+ is een goed voorbeeld van een jaarlijks programma waarvoor het betalingsniveau nauw aansluit bij het niveau van de vastleggingen, aangezien de levenscyclus van de meeste activiteiten verband houden met de academische kalender.

Wegens het tekort aan betalingen viel de stijging van de betalingskredieten in 2014 echter niet samen met de stijging van de vastleggingskredieten, die waarschijnlijk zal aanhouden in de periode 2014-2020. Dit tekort aan betalingen in 2014 kan ook worden gezien in de verhouding tussen betalingen en vastleggingen in onderstaande grafiek.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000016.png

Als gevolg hiervan was het in 2014 niet mogelijk om een deel van de tweede voorfinanciering aan nationale agentschappen te betalen, bestemd voor de financiering van mobiliteitsacties. Hoewel de situatie enigszins moet verbeteren, zal Erasmus+ naar verwachting nog steeds geconfronteerd worden met vergelijkbare beperkingen in 2015.

Vervoer en energie

De onderstaande tabel toont het toenemende verschil tussen de niveaus van de vastleggingen en betalingen voor de beleidsterreinen vervoer en energie.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000017.png

De toegestane betalingskredieten op de begroting 2015 zullen volstaan voor de eerste voorfinanciering van de projecten voor de periode 2014-2020 en deels voor het aanpakken van de RAL van de periode 2007-2013, die geschat wordt op meer dan 2 miljard EUR.

Europees economisch herstelplan (EEHP)

Vergeleken met het hoge niveau van vastleggingen in 2009 en 2010, kwam de uitvoering van de betalingen voor dit programma traag op gang, aangezien de EEHP-projecten voornamelijk bestaan uit grootschalige infrastructuurprojecten.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000018.png

Met name in 2014 waren de betalingskredieten ontoereikend voor alle ontvangen betalingsverzoeken in de loop van het jaar, zelfs na de late goedkeuring van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, waarmee aanvullende betalingskredieten werden geleverd. Aan het einde van 2014 bedroeg de RAL nog altijd 2 miljard EUR, de helft van het bedrag dat oorspronkelijk was vastgelegd voor het EEHP. Het niveau van de goedgekeurde betalingskredieten in 2015 bedraagt 407 miljoen EUR, wat naar verwachting de geraamde behoeften voor het jaar zal dekken.

5.3.2.  Rubriek 4

Onderstaande grafiek geeft het niveau van nog betaalbaar te stellen bedragen (RAL) sinds 2007 voor programma’s van rubriek 4.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000019.png

Rubriek 4 omvat instrumenten voor crisisrespons op korte termijn, instrumenten voor de langere termijn die gebruik maken van meerjarige programmering en ad hoc instrumenten zoals macrofinanciële bijstand in de vorm van leningen en subsidies. De drie grote instrumenten (het instrument voor pretoetredingssteun II (IPA), het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) en het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI)), met gebruikmaking van meerjarenprogrammering, zijn goed zijn voor 73% van de uitgaven van deze rubriek. De steun aan derde landen die wordt gefinancierd uit hoofde van deze programma’s heeft doorgaans een levenscyclus van 6-8 jaar. Anderzijds kennen de instrumenten voor crisisrespons (het instrument voor humanitaire hulp, het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) en de macrofinanciële bijstand veel kortere betalingscycli van 12-18 maanden.

Sinds 2013 hebben de meeste instrumenten van rubriek 4 te maken gehad met ernstige tekorten aan betalingskredieten, waarbij eerst de humanitaire en crisisgerelateerde instrumenten met snelle uitbetalingscycli getroffen werden, en vervolgens instrumenten als het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees nabuurschapsinstrument, waar de betalingen hoofdzakelijk verband houden met bestaande contracten en verbintenissen. In 2014 is de situatie nog verslechterd als gevolg van de algemene verlaging van de beschikbare betalingen ten opzichte van 2013. Voor een aantal programma’s, kwam de versterking via het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014 (en andere maatregelen zoals overdracht)(21) zeer laat, en was ontoereikend om de achterstand weg te werken.

De ingezette middelen (zie punt 2.2 hierboven) konden de gevolgen van het tekort aan betalingen slechts deels beperken door het uitstellen van het tijdstip van uitbetaling, terwijl eerdere toezeggingen nog altijd moesten worden nagekomen.

Uitstaande betalingsverzoeken aan het eind van het jaar

Over het algemeen namen de nog uitstaande verplichtingen eind 2014 voor rubriek 4 aanzienlijk toe. Dit is grotendeels toe te schrijven aan een sterke stijging van de verzoeken en het gebrek aan bijbehorende betalingskredieten, zoals in het geval van het Europees nabuurschapsinstrument en het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, zoals blijkt uit de onderstaande grafiek.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000020.png

Anderzijds maakte de verhoging van goedgekeurde betalingskredieten op de begrotingen 2013 en 2014 het mogelijk om het niveau van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen voor humanitaire hulp(22) aan te pakken:

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000021.png

Zoals hierboven uiteengezet, zijn de RAL van rubriek 4 en met name van de drie grote langetermijninstrumenten gedurende de afgelopen vijf jaar gestaag toegenomen, overeenkomstig de vastleggingsniveaus van het vorige MFK. Zo zullen bijvoorbeeld de programma's die oorspronkelijk in 2010 zijn vastgelegd, formeel zijn vastgesteld met het ontvangende derde land in de loop van 2011, waarna tot 2014 contracten worden gesloten. Hieruit volgt dat veel van deze grotere programma’s, vastgelegd in een tijd waarin vastleggingen sterk stegen, nu moeten worden betaald. Het niveau van op de begroting 2015 goedgekeurde betalingskredieten zal de kloof naar verwachting verminderen, wat moet bijdragen aan het stabiliseren van de situatie. De situatie zal echter gespannen blijven, en zowel de kloof als de RAL zullen naar verwachting nog verder stijgen voor veel instrumenten, zoals het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking.

6.  Vooruitzichten voor de programma’s 2014-2020

De begroting 2016 zal voldoende betalingskredieten moet bevatten, niet alleen voor het afbouwen van het abnormale niveau van uitstaande betalingsverzoeken die voortvloeien uit vastleggingen met betrekking tot de programma’s voor 2007-2013, maar ook voor de programma’s 2014-2020 in rubriek 1a en 4, waarvan de uitvoering is belemmerd door de betalingstekorten. De begroting 2016 moet ook de nodige betalingskredieten bevatten voor andere fondsen, zoals plattelandsontwikkeling (rubriek 2), om te voorkomen dat er een nieuwe achterstand ontstaat die nog niet eerder bestond.

De Commissie zal de behoefte aan betalingen in 2016 voor de programma’s van 2014-2020 beoordelen in de ontwerpbegroting 2016.

7.  Conclusies

De afgelopen jaren, en met name in 2014, waren de betalingskredieten ontoereikend voor de ontvangen betalingsaanvragen. Op zijn beurt heeft dit geleid tot een groeiende achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar, in het bijzonder voor de programma’s van 2007-2013 van het cohesiebeleid. De Commissie heeft een aantal beperkende maatregelen getroffen om de negatieve effecten van betalingstekorten te minimaliseren, door de verplichtingen die voortvloeien uit eerdere vastleggingen zoveel mogelijk na te komen. Als neveneffect werd de uitvoering van de programma’s voor 2014-2020 echter belemmerd.

De betalingskredieten op de begroting 2015 zullen naar verwachting leiden tot een vermindering van de achterstand aan nog uitstaande betalingsverzoeken voor de programma’s 2007-2013. De Commissie heeft het betalingsniveau bepaald dat nodig is voor het afbouwen van het abnormale niveau van de nog uitstaande betalingsverzoeken voor de programma’s 2007-2013 tegen het einde van 2016. In haar ontwerpbegroting voor 2016 zal de Commissie dienovereenkomstige betalingskredieten voorstellen.

De Commissie is van oordeel dat de drie instellingen op die grondslag een plan kunnen uitvoeren om het niveau van onbetaalde rekeningen in verband met de uitvoering van de programma’s voor de periode 2007-2013 te verlagen tot een houdbaar niveau tegen eind 2016.

Bijlage 1: Informatie toegezonden door de Commissie op 15 december 2014

De Commissie presenteerde op 15 december 2014 de verwachte achterstand cohesieprogramma’s voor 2007-2013 eind 2014 en 2015, en wel als volgt:

2010

2011

2012

2013

2014 (*)

2015 (*)

Achterstand onbetaalde rekeningen einde van het jaar

(miljard EUR)

6.1

10.8

16.2

23.4

Tot25 (1)

19 (2)

(*) Ramingen van de Commissie op basis van gecorrigeerde ramingen van de lidstaten

(1)  Rekening houdend met de aanvullende betalingskredieten in het ontwerp van gewijzigde begroting 3/2014, zoals definitief goedgekeurd

(2) Rekening houdend met de aanvullende betalingskredieten in ontwerp van gewijzigde begroting 3/2014 definitief goedgekeurd en met de goedgekeurde betalingskredieten op de begroting 2015.

De Commissie heeft ook een uitsplitsing gegeven van de verwachte achterstand aan het einde van 2014 bij de cohesieprogramma’s voor 2007-2013. Zoals weergegeven in de onderstaande tabel is het totale niveau van ontvangen betalingsverzoeken tegen het einde van 2014 ongeveer 1,5 miljard EUR minder dan de ramingen van de lidstaten, en ongeveer 2,5 miljard EUR boven de bovengrens zoals geraamd door de Commissie.

VERWACHTE ACHTERSTAND EIND 2014

miljard EUR

(1)

Ontvangen en nog niet betaalde betalingsaanvragen eind 2013(achterstand)

23,4

(2)

Eind november 2014 ontvangen betalingsaanvragen

31,4

(3)  = (1) + (2)

Betalingsaanvragen eind november, betaling gevraagd in 2014

54,8

(4)

Goedgekeurde betalingskredieten (na gewijzigde begroting 3/2014)

49,4

(5)  = (3) – (4)

Achterstand eind november 2014, betaling gevraagd tegen eind 2014

5,4

Prognose

Feitelijk

Prognose lidstaten van betalingsaanvragen in te dienen in december 2014

23

21,5

Prognose Commissie van betalingsaanvragen in te dienen in december 2014

18 - 19

21,5

Prognose achterstand van onbetaalde rekeningen aan het einde van 2014: tot 25 miljard EUR.

Tot slot presenteerde de Commissie per land de prognoses van de lidstaten van betalingsaanvragen voor het cohesiebeleid in 2014 (54,33 miljard EUR), de betalingsverzoeken ingediend tot 31 oktober 2014 (31,36 miljard EUR) en, daaruit voortvloeiend, de betalingsaanvragen in te dienen in november en december (22,97 miljard EUR).

De Commissie voegde hieraan toe: "Rekening houdend met de gemiddelde foutenpercentages in de "bruto" prognoses van de lidstaten in de afgelopen jaren en het plafond van 95% voor de betalingen vóór afsluiting, zoals vereist in art. 79 van Verordening 1083/2006, raamt de Commissie de in december te ontvangen verzoeken op 18 à 19 miljard EUR". Dit is in overeenstemming met de tabellen hierboven.

Bijlage 2: Rubriek 1b: De laatste prognoses van de lidstaten

Deze bijlage bevat de meest recente prognoses van de lidstaten met betrekking tot de indiening van betalingsaanvragen in het kader van het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013 voor programma’s in 2015 en 2016, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen bruto ramingen (verstrekt door de lidstaten) en afgetopte prognoses (zie toelichting in punt 4.4).

Ramingen van de lidstaten (in miljard EUR)

Periode

2007-2013

2015*

2016

Bruto prognoses

Bruto prognoses

AT

Oostenrijk

0,09

0,00

BE

België

0,24

0,06

BG

Bulgarije

1,35

0,00

CY

Cyprus

0,06

0,00

CZ

Tsjechië

4,01

3,75

DE

Duitsland

2,43

0,95

DK

Denemarken

0,04

0,03

EE

Estland

0,09

0,00

ES

Spanje

4,65

1,74

FI

Finland

0,21

0,02

FR

Frankrijk

1,92

0,34

GR

Griekenland

0,75

0,00

HR

Kroatië

0,22

0,31

HU

Hongarije

3,86

1,24

IE

Ierland

0,03

0,01

IT

Italië

5,07

1,44

LT

Litouwen

0,09

0,00

LU

Luxemburg

0,01

0,00

LV

Letland

0,54

0,09

MT

Malta

0,14

0,04

NL

Nederland

0,21

0,10

PL

Polen

8,92

3,99

PT

Portugal

0,52

0,06

RO

Roemenië

6,64

2,81

SE

Zweden

0,11

0,00

SI

Slovenië

0,38

0,18

SK

Slowakije

2,68

0,64

UK

Verenigd Koninkrijk

1,52

0,25

Territoriale samenwerking

1,16

0,25

TOTAAL

 

47,93

18,32

Totale afgetopte prognoses * * *

34,74

2,95**

* De cijfers van de ramingen voor 2015 zijn, voor de operationele programma’s waarvoor de lidstaten geen ramingen hebben gestuurd in 2015, berekend aan de hand van de in september 2014 verstrekte ramingen.

* * Het maximaal te betalen bedrag in 2016 bedraagt 3,5 miljard EUR, waarvan 3 miljard EUR in dit stadium reeds is bevestigd door de lidstaten.

*** De aftopping bestaat uit de toepassing van de regel van 95% die bepaalt dat tussentijdse betalingen kunnen slechts worden betaald vóór de afsluiting zolang de som van de betalingen lager is dan 95% van de toewijzing van de programma’s.

(1) Dit vloeit voort uit de zogeheten "N+2" / "N+3"- regels waarbij betalingen moeten worden gedaan binnen twee (N+2) of drie (N+3) jaar nadat de corresponderende vastleggingen zijn gedaan. Eind 2013 waren de twee bepalingen inzake doorhaling tegelijkertijd van kracht.
(2) De totale aanvullende betalingskredieten die zijn goedgekeurd door middel van gewijzigde begrotingen bedroegen 6,7 miljard EUR in 2012, 11,6 miljard EUR in 2013 en 3,5 miljard EUR in 2014.
(3) De achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen voor de cohesieprogramma’s in de periode 2007-2013 aan het einde van het jaar steeg van 11 miljard EUR in 2011 tot 16 miljard EUR in 2012, 23,4 miljard EUR in 2013 en 24,7 miljard EUR in 2014.
(4) Er zij op gewezen dat voor beleidsterreinen met gedeeld beheer, zoals het cohesiebeleid (waar de Commissie de uitgaven van de lidstaten vergoedt), geen rente voor te late betalingen wordt opgelegd.
(5)De resterende 5% wordt betaald bij de afsluiting van het programma, die zal plaatsvinden in 2017-2019, nadat de Commissie heeft bepaald dat het programma met succes ten uitvoer is gelegd en dat er geen correctie hoeft plaats te vinden.
(6) De wetgeving inzake het cohesiebeleid voorziet in een wettelijke termijn van 60 dagen.
(7) Definitie van de normale en abnormale achterstand is te vinden onder 3.4 en 4.3.
(8) De gewijzigde begroting 2/2014 werd oorspronkelijk gepresenteerd als het ontwerp van gewijzigde begroting 3/2014.
(9) Maandelijkse verslagen over de tussentijdse betalingen en uitstaande vorderingen, Budget Forecast Alert (tweemaal per jaar)
(10) DEC 54/2014.
(11) De onbetaalde bedragen voortvloeiend uit de verlaging van de voorfinancieringspercentages tot een niveau beneden het wettelijke/normale minimum vallen niet onder de huidige definitie van "nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen": voor een aantal programma’s is echter in 2014 een verlaging van de voorfinancieringspercentages toegepast (in sommige gevallen reeds in 2013) om betalingen uit te stellen tot een latere datum.
(12) Identiek aan grafiek in de samenvatting.
(13) De artikelen 91 en 92 van verordening 1083/2006 voor de programmeringsperiode 2007-2013.
(14) Vanwege de kasstroomproblemen in de eerste maanden van het jaar (zie punt 3.3 hierboven), kan een deel van de achterstand mogelijk niet betaald te worden binnen de wettelijke termijnen in het begin van het jaar.
(15) Behalve voor Kroatië, Roemenië en Slowakije.
(16) Artikel 76 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25).
(17) Artikel 112 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en tot intrekking van Verordening van de Raad (EG) nr. 1083/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
(18) De ramingen die de lidstaten in januari 2015 hebben ingediend dekten niet alle operationele programma’s. Voor deze gevallen heeft de Commissie gebruik gemaakt van de prognoses die afgelopen september zijn ontvangen. Een dergelijke extrapolatie van ontbrekende prognoses van de lidstaten is niet mogelijk voor 2016, aangezien de in september 2014 ingediende prognoses alleen betrekking hebben op 2014 en 2015 (en nog niet op 2016). Dit betekent dat de prognose voor 2016 alleen de operationele programma’s omvat waarvoor de lidstaten de informatie hebben toegezonden, en wellicht naar boven bijgesteld zal moeten worden wanneer de ontbrekende informatie is ontvangen.
(19) In artikel 79 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad wordt bepaald: "Het gecumuleerde totaal van de voorfinanciering en de tussentijdse betalingen bedraagt ten hoogste 95% van de bijdrage van de fondsen aan het operationele programma; De resterende 5% wordt pas uitbetaald bij de afsluiting van het operationele programma.”
(20) Artikel 89 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25).
(21) + 406 miljoen EUR (nettoverhoging van de betalingskredieten) voor humanitaire hulp, + 30 miljoen EUR voor het DCI en + 250 miljoen EUR voor het ENI.
(22) In de grafiek is echter geen rekening gehouden met de gevolgen van het verlaagde niveau van voorfinanciering.

Juridische mededeling