Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2238(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0204/2015

Ingediende teksten :

A8-0204/2015

Debatten :

PV 07/07/2015 - 15
CRE 07/07/2015 - 15

Stemmingen :

PV 08/07/2015 - 4.13
CRE 08/07/2015 - 4.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0264

Aangenomen teksten
PDF 297kWORD 111k
Woensdag 8 juli 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Initiatief voor groene werkgelegenheid
P8_TA(2015)0264A8-0204/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten (2014/2238(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten" (COM(2014)0446),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Groen actieplan voor het mkb" (COM(2014)0440),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Het werkgelegenheidspotentieel van groene groei benutten" (SWD(2012)0092),

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 december 2010 over "Werkgelegenheidsbeleid voor een concurrerende, koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en groene economie",

–  gezien Beschikking 2010/707/EG van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld "Groen actieplan voor de kmo's en Initiatief voor groene werkgelegenheid",

–  gezien de studie uit 2014 van de OESO en het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding getiteld "Greener Skills and Jobs, OECD Green Growth Studies",

–  gezien het verslag van de Europese Waarnemingspost voor de werkgelegenheid van april 2013 getiteld "Promoting green jobs throughout the crisis: a handbook of best practices in Europe 2013",

–  gezien het verslag uit 2011 van de Internationale Arbeidsorganisatie en het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding getiteld "Skills for green jobs: a global view", een samengesteld verslag gebaseerd op studies uit 21 landen,

–  gezien het verslag uit 2010 van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding getiteld "Skills for green jobs – European synthesis report",

–  gezien de verslagen van Eurofound getiteld "Arbeidsverhoudingen en duurzaamheid: de rol van sociale partners in de overgang naar een groene economie" (2011), "Vergroening van de Europese economie: reacties en initiatieven van lidstaten en sociale partners" (2009), "Een groener bedrijfsleven in de EU: inspelen op en beheren van de effecten op de werkgelegenheid en arbeidskwaliteit" (2013),

–  gezien het werkdocument van de OESO en het CFE-LEED-forum van 8 februari 2010 getiteld "Green jobs and skills: the local labour market implications of addressing climate change",

–  gezien de door de IAO en het UNEP gehanteerde definitie van een groene baan als een fatsoenlijke baan die bijdraagt aan het behoud of het herstel van de milieukwaliteit, ongeacht of dat in de landbouw, de industrie, de dienstensector of bij de overheid is,

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over een Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(2),

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie(3),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0204/2015),

A.  overwegende dat mondiale tendensen zoals het inefficiënt gebruik van hulpbronnen, de onhoudbare druk op het milieu en de klimaatverandering de grenzen naderen waar voorbij onomkeerbare effecten op onze samenlevingen en de natuurlijke omgeving niet kunnen worden voorkomen, en overwegende het feit dat toenemende sociale uitsluiting en ongelijkheden een uitdaging vormen voor de samenleving;

B.  overwegende dat het verslag 2015 van het Europees Milieuagentschap heeft aangetoond dat de bestaande maatregelen ontoereikend zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van de bescherming van de biodiversiteit, de vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen, de bestrijding van de klimaatverandering en de preventie van de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid en de milieukwaliteit;

C.  overwegende dat een coherente beleidsrespons om deze gemeenschappelijke problemen aan te pakken ontbreekt en dat derhalve een aanzienlijk deel van het duurzame potentieel van de groene en sociaal inclusieve transitie om nieuwe werkgelegenheid te creëren onbenut blijft;

D.  overwegende dat we, in reactie op deze bedreigingen, de ontwikkeling van nieuwe sectoren en veranderingen in vele andere zien, evenals de neergang van enkele sectoren, zoals de zwaar vervuilende; overwegende dat innovatie en manieren om de vervuiling terug te dringen centraal moeten staan; overwegende dat de werknemers van een aantal verzwakte sectoren bijzondere aandacht verdienen door hun herscholing en alternatief werk aan te bieden; overwegende dat investeringen in de gebieden die voorrang krijgen in de agenda voor groene banen van de Commissie, waaronder recyclage, biodiversiteit, energie-efficiëntie, luchtkwaliteit en alle technologieën op het gebied van hernieuwbare energie, zoals offshore hernieuwbare energiebronnen, potentieel bieden om ook in dunbevolkte gebieden de werkgelegenheid te bevorderen;

E.  overwegende dat de groene goederen- en dienstensector volgens het Europees Milieuagentschap tussen 2001 en 2011 met meer dan 50 % is gegroeid en gezorgd heeft voor meer dan 1,3 miljoen banen; overwegende dat de hernieuwbare energie-economie volgens berekeningen van de Commissie tegen 2020 twintig miljoen nieuwe banen zal schappen in Europa; overwegende dat een ambitieus en coherent EU-beleid inzake hernieuwbare energie, bosbeheer, duurzame landbouw en bodembescherming (ter voorkoming en bestrijding van hydrologische instabiliteit) het potentieel heeft om tegen 2020 drie miljoen banen te scheppen in de sector hernieuwbare energie;

F.  overwegende dat de doelstelling 'duurzame ontwikkeling' verankerd is in het Verdrag van Lissabon en dat het voor de verwezenlijking van deze doelstelling noodzakelijk is om milieukwesties op hetzelfde niveau te behandelen als economische en sociale kwesties;

G.  overwegende dat binnen de Europa 2020-strategie ter bevordering van slimme, duurzame en inclusieve economieën de overgang naar een groene en sociaal rechtvaardige economie een centrale rol krijgt toebedeeld;

H.  overwegende dat starre arbeidsmarkten het scheppen van banen belemmeren, terwijl een concurrerende Europese arbeidsmarkt kan bijdragen tot de verwezenlijking van de werkgelegenheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie;

I.  overwegende dat de EU en haar lidstaten zich er tijdens de Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering in Cancun in 2010 toe hebben verplicht een "rechtvaardige transitie voor de werknemers te waarborgen, waarbij fatsoenlijk werk en kwalitatief hoogwaardige banen worden gecreëerd"; overwegende dat een deugdelijke transitie voor iedereen naar een vanuit milieuoogpunt duurzame economie goed gereguleerd moet worden om te kunnen bijdragen tot verwezenlijking van de doelstelling van duurzame werkgelegenheid op lange termijn voor iedereen – met inbegrip van, maar niet beperkt tot, hoogwaardige banen –, sociale integratie en de uitbanning van armoede;

J.  overwegende dat een 'rechtvaardige transitie' gestoeld is op de volgende vijf pijlers: overleg en het spreken met één Europese stem; investeringen in groene en fatsoenlijke banen; groene vaardigheden; de eerbiediging van arbeids- en mensenrechten; en sociale bescherming van werknemers en gemeenschappen bij de overgang naar een koolstofarme economie;

K.  overwegende dat een sterke participatie van werknemers in de transitie van essentieel belang is om het milieubewustzijn te vergroten, meer begrip te kweken voor de noodzaak van efficiënt hulpbronnengebruik en de aantasting van het milieu door de mens te verminderen;

L.  overwegende dat het potentieel voor expansie in groene banen wordt belemmerd door een gebrek aan vaardigheden en een discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden als gevolg van een aantal factoren, waaronder uiteenlopende opleidingsprogramma's met betrekking tot duurzaamheid, vastgestelde tekortkomingen in bepaalde sectoren, het gebrek aan studenten met de noodzakelijke vaardigheden op het gebied van natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde en IT, en oververtegenwoordiging van mannen of vrouwen in plaats van gendergelijkheid in bepaalde sectoren;

M.  overwegende dat is aangetoond dat het investeren in energie- en hulpbronnenefficiëntie, de ontwikkeling van de toeleveringsketen door middel van een duidelijke industriestrategie en het verschuiven van de belasting van arbeid naar de belasting van andere bronnen, mogelijk een positief effect hebben op het creëren van banen;

N.  overwegende dat Europa zich in een wereldwijde concurrentieslag bevindt en dat betaalbare energiekosten, de voltooiing van de interne markt van de EU en een beter investeringsklimaat voor duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid een doorslaggevende rol spelen;

O.  overwegende dat bepaalde sectoren, zoals energie-efficiënte renovatie van gebouwen, locatiegebonden zijn en niet geoffshored of naar lagelonenlanden verplaatst kunnen worden;

P.  overwegende dat een onzekere en inconsequente beleidsoriëntatie en het ontbreken van duidelijke doelstellingen belemmeringen vormen voor investeringen, de ontwikkeling van vaardigheden en O&O, en bijgevolg het scheppen van werkgelegenheid dwarsbomen;

Q.  overwegende dat een groter maatschappelijk besef van de noodzaak van een groene economie voor meer werkgelegenheid zou zorgen;

R.  overwegende dat duidelijke, vastomlijnde doelstellingen voor de middellange en lange termijn, waaronder de EU-doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie en milieuvervuiling, belangrijke drijfveren van verandering kunnen zijn, en overwegende dat er in dit verband tevens een belangrijke rol is weggelegd voor de EU-wetgeving; overwegende dat gerichte investeringen, onder meer in de ontwikkeling van toeleveringsketens binnen de EU, die leiden tot het creëren van banen moeten voortvloeien uit en in overeenstemming moeten zijn met een duidelijk beleidskader;

S.  overwegende dat de publieke sector en lokale en regionale overheden een centrale rol kunnen spelen bij de bevordering van de overgang naar een groene economie en de totstandbrenging van inclusieve arbeidsmarkten;

T.  overwegende dat instrumenten zoals Ecolabel, EMAS en GPP bijdragen aan de totstandbrenging van groene arbeidsplaatsen;

U.  overwegende dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen tot de belangrijkste scheppers van werkgelegenheid in de EU behoren, goed zijn voor meer dan 80 % van alle banen en in veel "groene" sectoren een voortrekkersrol hebben vervuld, maar dat zij wellicht moeilijkheden zullen ondervinden bij het anticiperen op de benodigde vaardigheden en het benutten van het banenpotentieel;

V.  overwegende dat de geïntegreerde richtsnoeren een centrale rol spelen bij de coördinatie van het economisch en werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten en de basis vormen voor landenspecifieke aanbevelingen, en overwegende dat zij ten grondslag moeten liggen aan de Europa 2020-doelstellingen, met name de werkgelegenheidsdoelstelling, onder meer wat betreft de bevordering van hoogwaardige banen, ook in de vorm van groen werk;

W.  overwegende dat vrouwen evenveel moeten profiteren van de creatie van fatsoenlijke groene arbeidsplaatsen en dat het glazen plafond doorbroken moet worden;

X.  overwegende dat vrouwen disproportioneel hard worden getroffen door de crisis en overwegende dat groene banen beter tegen crises bestand blijken te zijn dan andere banen;

Y.  overwegende dat koolstofarme sectoren een hogere arbeidsproductiviteit hebben en dat de loonquote in deze sectoren minder sterk is gedaald dan in de 15 bedrijfstakken met de grootste koolstofuitstoot;

Z.  herinnert eraan dat de Eurobarometergegevens over groene banen in kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) aantonen dat energiebesparing, afvalvermindering en efficiënt gebruik van grondstoffen geschikte, economisch voordelige maatregelen zijn;

Naar een groene economie – kansen voor de arbeidsmarkt

1.  benadrukt dat een transitie naar duurzame samenlevingen en economieën, met inbegrip van duurzame consumptie- en productiepatronen, de mogelijkheid biedt om in vrijwel alle sectoren en in de gehele waardeketen zowel nieuwe hoogwaardige banen te scheppen als bestaande werkgelegenheid om te vormen tot groene banen; van onderzoek tot productie, distributie en serviceverlening, en in nieuwe groene high-tech-sectoren, zoals de sector hernieuwbare energie, in traditionele bedrijfstakken, zoals de verwerkende industrie en de bouw, in de landbouw en de visserij of in dienstensectoren als toerisme, horeca, vervoer en onderwijs; onderstreept tegelijkertijd dat investeringen in verband met hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie niet alleen zullen bijdragen tot het scheppen van een groot aantal banen, maar ook zullen leiden tot behoud van de concurrentiepositie van de Europese economie en industrie, alsook vermindering van de energieafhankelijkheid van Europa;

2.  wijst erop dat tweederdevan de diensten die door de natuur worden geleverd, waaronder vruchtbare grond, zuiver water en schone lucht, in verval is en dat de opwarming van de aarde en het verlies aan biodiversiteit bijna het punt bereiken waarop onherstelbare gevolgen voor onze samenlevingen en de natuurlijke omgeving onvermijdelijk zijn;

3.  wijst erop dat voortdurende economische groei uitsluitend mogelijk is indien daarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen van het milieu; benadrukt in dit verband dat een groene en circulaire economie oplossingen kan bieden voor het milieu en voor de economie en samenleving in het algemeen;

4.  benadrukt dat de volledige tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving, evenals de verbetering van de integratie van het milieu en beleidscoherentie op verschillende sectorale beleidsterreinen van de EU, van wezenlijk belang zijn om het potentieel van de groene economie volledig te kunnen benutten en dus om groene banen tot stand te brengen;

5.  merkt op dat het Europees Milieuagentschap in zijn verslag 2015 erop wijst dat de bestaande maatregelen ontoereikend zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van de bescherming van de biodiversiteit, de vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen, de bestrijding van de klimaatverandering en de preventie van de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid en de milieukwaliteit;

6.  wijst erop dat de transitie aanzienlijke mogelijkheden biedt om lokale banen te scheppen die niet naar lagelonenlanden kunnen worden verplaatst en in bedrijfstakken die niet voor offshoring in aanmerking komen, alsook in sectoren die door de crisis zijn getroffen, zoals de bouw; merkt op dat er sterke aanwijzingen zijn dat de groene transitie per saldo een positief effect zal hebben op de werkgelegenheid doordat duurzame economische activiteiten zoals energiebesparing en biologische landbouw arbeidsintensiever zijn dan de activiteiten waarvoor zij in de plaats komen;

7.  spreekt zich uit voor de vaststelling van een gemeenschappelijk overeengekomen definitie van "groene banen" die is gebaseerd op die van de IAO en de internationale conferentie van arbeidsstatistici (ICLS);

Rechtvaardige transitie en het creëren van hoogwaardige en duurzame banen

8.  is ingenomen met de verklaring van de Commissie dat herstructurering op een maatschappelijk verantwoorde wijze dient te gebeuren en onderkent tegelijkertijd dat ondernemingen moeten innoveren en herstructureren;

9.  is van mening dat het van cruciaal belang is om de bestaande beroepsbevolking in de EU passende kansen voor het verwerven van nieuwe, voor de circulaire economie noodzakelijke vaardigheden te bieden, teneinde het netto banenpotentieel van de groene economie te maximaliseren;

10.  roept de lidstaten op beleid te stimuleren dat is gericht op de veiligstelling en herkwalificatie van openbare gebouwen om de energie-efficiëntie te verhogen en het energieverbruik te verlagen;

11.  dringt er bij de lidstaten en, waar nodig, bij de Commissie op aan zich te verbinden tot een "routekaart voor een rechtvaardige transitie" en zo ambitieuze milieudoelstellingen na te streven, waarbij de volgende aspecten worden bevorderd: adequate sociale bescherming en dito bezoldiging, werkgelegenheid op de lange termijn, gezonde en veilige arbeidsomstandigheden, door de overheid geïnitieerde investeringen in onderwijs-, opleidings- en vaardigheidsprogramma's, de eerbiediging van het arbeidsrecht en de versterking van rechten op het gebied van informatie, raadpleging en medezeggenschap inzake kwesties die raken aan duurzame ontwikkeling en effectieve werknemersvertegenwoordiging; verzoekt de lidstaten deze doelstellingen na te streven;

12.  herinnert eraan dat in de herziene EU-strategie voor gezondheid en veiligheid in voorkomende gevallen rekening moet worden gehouden met specifieke ontwikkelingen in nieuwe sectoren;

13.  benadrukt dat voor het anticiperen op de veranderingen in de werkgelegenheid een proactief transformatiebeheer en een verbeterde vergaring van hoogwaardige gegevens over de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt nodig zijn, waarbij Europese hogeronderwijsinstellingen betrokken zijn, en dat langetermijnplanning van essentieel belang is om een effectieve transitie en meer werkgelegenheid te waarborgen; benadrukt dat lokale en regionale overheden bij de overgang naar een groenere economie een belangrijke rol spelen op het gebied van onderwijs, infrastructuur, ondersteuning van lokale bedrijven en het creëren van stabiele werkgelegenheid met salarissen die zijn vastgesteld op basis van collectieve overeenkomsten of op basis van andere, overeenkomstig de nationale wetgeving toegestane middelen; benadrukt dat de sociale dialoog een essentieel onderdeel van het transformatiebeheer is; verzoekt de Commissie, de lidstaten, de regionale en lokale overheden en de sociale partners hun verantwoordelijkheid te nemen en deze uitdaging gezamenlijk aan te gaan, waarbij zij rekening houden met het subsidiariteitsprincipe;

14.  merkt op dat de rol van de sociale partners bij de overgang naar groen werk in de afgelopen jaren steeds groter is geworden, maar herinnert eraan dat meer inspanningen nodig zijn om een blijvende en duurzame sociale dialoog op te bouwen die kan helpen om de uitdagingen die de overgang naar een concurrerende, koolstofarme, hulpbronnenefficiënte economie met zich brengt het hoofd te bieden;

15.  benadrukt dat nationale regeringen een belangrijke rol spelen als het erom gaat de sectorale sociale dialoog, met name in de nieuwe groene bedrijfstakken, te bevorderen en te waarborgen dat kmo's daarbij worden betrokken;

16.  wijst erop dat sommige regio's als gevolg van de geografische concentratie van energie- en hulpbronnenintensieve en vervuilende industrie of hogere armoede- of werkloosheidspercentages met meer problemen kampen dan andere; dringt er bij lokale en regionale overheden en bij de sociale partners op aan gezamenlijk routekaarten voor een rechtvaardige transitie ten uitvoer te leggen, met inbegrip van solidariteitsmechanismen voor een vanuit sociaal oogpunt billijke groene transitie van lokale en regionale economieën, waarbij de door veranderingen getroffen samenlevingen en werknemers worden ondersteund, zodat de onzekerheid als gevolg van de verplaatsing van banen wordt verminderd en er zorg voor wordt gedragen dat aan de vraag naar nieuwe beroepsvaardigheden wordt voldaan;

17.  benadrukt dat lokale overheden een sleutelrol kunnen spelen bij de bevordering van de werkgelegenheidsgroei in de groene economie en het scheppen van fatsoenlijkere en meer integratiegerichte banen door:

   groene investeringen;
   de mogelijkheden van overheidsopdrachten te benutten, met inbegrip van de toepassing van sociale en milieuclausules bij aanbestedingen;
   het creëren van partnerschappen, ook met opleidingsinstellingen, teneinde ervoor te zorgen dat beroepsvaardigheden beter aansluiten op lokale arbeidsmarkten;
   ondersteuning voor groene kmo's en de vergroening van kmo's te bieden;
   het opzetten van groene programma's voor integratie op de arbeidsmarkt om te waarborgen dat ook kwetsbare groepen van de samenleving profiteren van groene groei;

18.  wijst op gegevens waarin benadrukt wordt hoe belangrijk het is dat het management betrokkenheid bij de werknemers toont, zodat zij door middel van het sociaal partnerschap een substantieel aandeel in deze veranderingen hebben; beveelt aan dat "groene vertegenwoordigers" van vakbonden samen met werkgevers werken aan een sterkere vergroening van de economie en de verbetering van de duurzaamheid van hun werkomgeving; roept de lidstaten op gerichte steun te verlenen aan gezamenlijke initiatieven van werknemers en werkgevers voor de vergroening van het bedrijfsleven;

19.  is van oordeel dat proefprojecten ter bevordering van een aantal van deze doelstellingen moeten worden ontwikkeld;

20.  is verheugd dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden de gerichte mobiliteitsregelingen in het kader van het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) te gebruiken om de arbeidsmobiliteit van werkzoekenden te bevorderen;

Vaardigheden voor groene werkgelegenheid

21.  is ingenomen met de instrumenten voor de ontwikkeling van vaardigheden en de door de Commissie geraamde behoeften op het gebied van vaardigheden; benadrukt dat in het kader van de ontwikkeling van vaardigheden de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde, die breed toepasbaar zijn in de economie, moet worden aangemoedigd; benadrukt niettemin dat ambitieuzere maatregelen en investeringen nodig zijn; is van mening dat alle belanghebbenden op de arbeidsmarkt daarbij nauw moeten worden betrokken op alle niveaus om te kunnen anticiperen op toekomstige behoeften aan vaardigheden;

22.  verzoekt de lidstaten samen te werken met de Commissie en een databank op te zetten voor cursussen en aan groene werkgelegenheid gerelateerde vacatures, met het oog op verbetering van de kwaliteit van de informatie, het advies en de begeleiding die beschikbaar zijn op het gebied van loopbanen, en van de vaardigheden die vereist zijn om te kunnen profiteren van de kansen op het gebied van werkgelegenheid die door de vergroening van de economie worden geboden;

23.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat gegevens worden verzameld in alle groene sectoren, ook de sectoren waaraan op dit moment geen aandacht wordt besteed, zoals de openbaarvervoersector en de detailhandel; vraagt de Commissie om enerzijds steun te geven aan de nationale statistiekbureaus en overheidsdiensten voor arbeidsbemiddeling en het gebruik van instrumenten voor kwantitatieve modellering aan te moedigen om een genderperspectief op te nemen in het verzamelen van gegevens over alle groene sectoren op de arbeidsmarkt;

24.  vraagt de Commissie een genderperspectief op te nemen in de ontwikkeling van de verzameling, opsplitsing en analyse van nieuwe gegevens, zoals het werk dat wordt uitgevoerd met het econometrische instrument Fidelio of met belanghebbenden zoals de internationale conferentie van arbeidsstatistici;

25.  beklemtoont dat meer nadruk moet worden gelegd op het dichten van de vaardigheidskloof door de ontwikkeling van vaardigheden te stimuleren;

26.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van vaardigheden te helpen stimuleren door kwalificaties en de overeenkomstige leerplannen in onderwijs en opleiding op EU-niveau te actualiseren;

27.  verzoekt de Commissie nadruk te leggen op een intensiever gebruik van kwalificatiesystemen als ESCO, die kunnen worden gebruikt om vaardigheidskloven te identificeren;

28.  benadrukt het belang van een grotere synergie tussen onderwijsstelsels en de nieuwe groene banen door middel van een betere coördinatie tussen onderwijsinstellingen en werkgevers- en andere relevante organisaties;

29.  dringt er bij de lidstaten en bij regionale en lokale overheden op aan om samen met sociale partners en aanbieders van opleidingen strategieën voor de ontwikkeling van en anticipatie op vaardigheden aan te nemen en uit te voeren, zodat algemene, sector-gebonden en beroeps-specifieke vaardigheden worden vergroot; benadrukt voorts het belang van partnerschappen en vertrouwen tussen onderwijsinstellingen, bedrijven, de sociale partners en overheidsinstanties;

30.  wijst erop dat deze strategieën een grondige evaluatie moeten bevatten van het type en het niveau van de te creëren groene banen en van de vereiste vaardigheden en kennis, die resulteert in anticipatie op en identificatie van vaardigheidskloven, alsook in gerichte beroepsopleidingen en "een leven lang leren"-programma's die zijn gericht op het samenbrengen van vaardigheden en banen met het oog op vergroting van de werkgelegenheid; benadrukt dat het noodzakelijk is om in de strategieën zowel ontslagen werknemers op te nemen als laaggeschoolde werknemers die het risico lopen om van de arbeidsmarkt te worden uitgesloten, door ervoor te zorgen dat opleidingen voor deze werknemers doelgericht, toegankelijk en kosteloos zijn;

31.  merkt op dat het Cedefop stelt dat aanpassing van curricula om daarin milieubewustzijn en kennis over duurzame ontwikkeling en bedrijfsefficiëntie te integreren beter is dan het voorstellen van nieuwe opleidingsprogramma's;

32.  moedigt de lidstaten en de lokale en regionale overheden aan om duurzame ontwikkeling en competenties en vaardigheden op het gebied van milieu te integreren in opleidings- en onderwijsstelsels, met name door versterking van het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen, en door het stimuleren van onderzoekscentra om in samenwerking met nieuwe groene ondernemingen technologieën en projecten uit te werken en octrooien te verkrijgen voor groene producten; moedigt onderzoekscentra en netwerken van bedrijven en professionals aan om ideeën uit te wisselen; herinnert aan het belang van vaardigheden op het gebied van natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde en aan de noodzaak om ervoor te zorgen dat meer vrouwen studies volgen op het gebied van natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde;

33.  dringt aan op de ontwikkeling van een ambitieuze strategie voor het scheppen van duurzame banen in het kader waarvan ook de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden wordt aangepakt en waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de vaardigheden die nodig zijn voor een groenere economie;

34.  dringt er bij de lidstaten op aan de ontwikkeling van deze sector te benutten, om stageplaatsen voor hooggekwalificeerd werk te creëren teneinde jongeren gespecialiseerde kennis en opleidingen te bieden, en om het hoge jeugdwerkloosheidspercentage te helpen aanpakken;

35.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op bij de overgang naar een groene economie rekening te houden met de behoeften van vrouwen en meisjes aan betere kansen om "een leven lang te leren", vooral in sectoren die veel potentie hebben om een groot aantal nieuwe groene banen te scheppen, zoals wetenschap, onderzoek, techniek of nieuwe en digitale technologieën, met het oog op versterking van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt, bestrijding van genderstereotypen en het scheppen van banen die volledig aansluiten op de bijzondere behoeften en vaardigheden van vrouwen;

36.  vraagt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten om het aspect van gendergelijkheid stelselmatig op te nemen in de vaststelling, de uitvoering en de bewaking van beleid voor het scheppen van groene banen op alle niveaus en zo gelijke kansen te waarborgen, en daarbij rekening te houden met de uitdagingen van het scheppen van groene banen in plattelandsgebieden; spoort de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten aan tot verdere inspanningen om vrouwen in staat te stellen volledig deel te hebben aan het formuleren van beleid, de besluitvorming en de uitvoering van een groene werkgelegenheidsstrategie die groene vaardigheden omvat;

37.  vraagt de Commissie een openbaar debat te starten over het concept "onderwijs voor duurzame ontwikkeling", en dit concept te bevorderen met een speciale focus op onderwijs voor meisjes en vrouwen; vraagt de lidstaten en de Commissie beleid te bevorderen dat meer deelname van vrouwen aan onderwijs in de natuurwetenschappen, technologie, techniek, wiskunde en ondernemerschap aanmoedigt, en de agenda voor groene banen aan de emancipatie van vrouwen via het onderwijs verbindt; dringt aan op maatregelen ter bevordering van de deelname van vrouwen aan beroepsonderwijs en -opleiding en aan mogelijkheden in het kader van een leven lang leren;

38.  vraagt de Commissie een EU-strategie voor gendergelijkheid 2015-2020 aan te nemen, waarin rekening wordt gehouden met de werkgelegenheidsdoelstellingen voor slimme, duurzame en inclusieve groei in de Europa 2020-strategie;

39.  benadrukt dat overheidsautoriteiten en -diensten gerichte acties ter overbrugging van de vaardigheidskloof moeten ondernemen waarbij alle belanghebbenden op de arbeidsmarkt, met inbegrip van werkgevers- en werknemersorganisaties, worden betrokken; dringt er bij de lidstaten en bij regionale en lokale overheden op aan mechanismen paraat te hebben voor het opleiden van personeel van arbeidsinstanties en -diensten, zodat zij vaardigheden voor groene werkgelegenheid kunnen integreren in het algemene arbeidsmarktbeleid en instrumenten kunnen ontwikkelen voor de evaluatie van het effect van dergelijke opleidingen; benadrukt hoe belangrijk het is dat Europese onderwijsinstellingen hun programma's zodanig aanpassen dat zij beantwoorden aan de behoeften van de groen economie en de arbeidsmarkt in het algemeen;

40.  verzoekt de lidstaten een regelgevingskader in te voeren dat innovatie in de groene economie stimuleert;

Beleidscoherentie om het banenpotentieel van duurzame economieën volledig te benutten

41.  roept de Commissie en de lidstaten op om ambitieuze, langetermijngerichte en geïntegreerde regelgevende, begrotings- en financiële kaders voor duurzame investeringen en innovatie vast te stellen en innovatie aan te moedigen, met volledige benutting van het werkgelegenheidspotentieel van deze veranderingen; benadrukt dat beleid moet worden ontwikkeld binnen een langetermijnkader dat doelstellingen omvat evenals indicatoren om de vooruitgang bij de verwezenlijking ervan te meten;

42.  benadrukt dat coördinatie binnen de Commissie en tussen de relevante ministeries op nationaal niveau van belang is voor de totstandbrenging van een omvattend kader voor veranderingen waarbij alle overheidsdiensten zijn betrokken en waarin de nodige aandacht kan worden besteed aan de distributie-effecten van de transitie;

43.  merkt op dat het succes of het mislukken van het initiatief voor groene werkgelegenheid afhankelijk is van het ambitieniveau van de bindende doelstellingen van de Commissie inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en van investeringen in programma's voor hernieuwbare energie, technologie en energie-efficiëntie, waarop de lidstaten zich vastleggen;

44.  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van consistent beleid om de productie van hernieuwbare energie en meer energie-efficiëntie te bevorderen, teneinde lokale en regionale ontwikkeling en het scheppen van hoogwaardige, lokale banen op gang te brengen; beklemtoont dat investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie de komende jaren kunnen uitgroeien tot één van de belangrijkste bronnen van werkverschaffing in Europa;

45.  herinnert eraan dat regionale zelfvoorziening op het gebied van energie één van de langetermijndoelstellingen van het economische en energiebeleid van de Unie blijft; wijst er voorts op dat absoluut rekening moet worden gehouden met de territoriale dimensie van investeringen, aangezien zij bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-beleid voor territoriale samenhang om platteland en stad met elkaar te verbinden;

46.  is verheugd dat de Commissie de kwestie van fatsoenlijke banen heeft opgenomen in het EU-mandaat voor de onderhandelingen tijdens de COP 21 in Parijs, die voortbouwen op de overeenkomst van Cancún van 2010 en daaropvolgende initiatieven; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de agenda voor een "rechtvaardige transitie" deel blijft uitmaken van haar standpunt bij de onderhandelingen;

47.  verzoekt de EU en de lidstaten bindende doelen vast te stellen betreffende energiebesparing en energie-efficiëntie, en witte certificaten te ondersteunen als instrument dat de EU-doelen betreffende energiebesparing moet helpen verwezenlijken; verzoekt de lidstaten de richtlijn betreffende energie-efficiëntie volledig ten uitvoer te leggen en te handhaven en ernaar te blijven streven om ten minste de energie-efficiëntiedoelstellingen voor 2030 te verwezenlijken;

48.  spreekt zich ervoor uit dat de EU zich verbindt tot de bevordering van een rechtvaardige mondiale transitie naar een inclusieve groene economie in samenwerking met andere internationale partners;

49.  dringt er bij de lidstaten op aan de nieuwe bepalingen van de herziene EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten volledig te eerbiedigen en ten uitvoer te leggen, en te overwegen een onderzoek te doen naar de vraag of het opnemen van milieu- en sociale criteria in hun beleid inzake overheidsopdrachten een impuls kan geven aan het scheppen van duurzame banen; benadrukt dat de resterende rechtsonzekerheid bij de toepassing van sociale en milieuclausules bij overheidsaanbestedingen moet worden weggenomen;

50.  roept de Commissie op om stappen te ondernemen ter ondersteuning van een wederopbloei van de reparatiesector, waarbij nieuwe en, gezien de aard van het werk, milieuvriendelijke banen ontstaan;

51.  verzoekt de lidstaten steun te verlenen voor de bijdrage van overheidsdiensten aan de rechtvaardige overgang naar een duurzame economie, met name door er proactief voor te zorgen dat diensten als communicatie, energie, vervoer, afval- en waterbeheer op duurzame wijze worden geleverd;

52.  spreekt zijn sterke teleurstelling uit over de intrekking van het wetgevingspakket voor de circulaire economie, dat alleen al in de sector afvalbeheer in de EU naar verwachting wel 180 000 banen had kunnen scheppen; roept de Commissie derhalve op haar belofte na te komen en onverwijld een voorstel te doen voor ambitieuze afvalstoffenwetgeving die gericht is op stroomopwaartse afvalvermindering, de vaststelling van nieuwe streefdoelen voor recycling en de herziening van de criteria voor de berekening van het daadwerkelijk gerecycled materiaal, en daarbij tevens de verantwoordelijkheden van de lidstaten te eerbiedigen;

53.  verzoekt de Commissie tevens de invoering van criteria te overwegen die zijn gericht op de stimulering van ondernemingen met een voor het milieu gunstige en duurzame afvalverwerkingscyclus;

54.  erkent dat het koppelen van duurzame landbouwproductie met bewaking en bescherming van de biodiversiteit op landbouwbedrijven en vervolgens het gebruik van slimme etikettering voor landbouwproducten om het milieueffect ervan te benoemen, om de vraag van de consument naar producten die bijdragen aan biologische diversiteit te stimuleren, een aanzienlijk potentieel voor groene werkgelegenheid in plattelandsgebieden in de EU vertegenwoordigt;

55.  merkt op dat duurzaam bosbeheer reële mogelijkheden biedt om nieuwe banen te creëren en actief bijdraagt aan de beperking van de klimaatverandering en de bescherming van de biodiversiteit;

56.  dringt er bij de Commissie op aan het EU-semester en de herziening van de Europa 2020-strategie te benutten om het creëren van groene banen te ondersteunen; verzoekt de Commissie landenspecifieke aanbevelingen te doen die kunnen bijdragen tot meer werkgelegenheid en kleinere ecologische voetafdrukken en verzoekt om gedetailleerde en onafhankelijke studies naar de kosten en baten van een verschuiving van belasting (bijv. van belasting op arbeid naar milieubelasting), alsook de afschaffing van subsidies vóór 2020;

57.  benadrukt dat een verschuiving van arbeid naar andere bronnen deel kan uitmaken van deze aanbevelingen, en dat een dergelijke verschuiving van belasting gericht moet zijn op de ombuiging van vervuilend gedrag, maar geen ongewenste gevolgen mag hebben voor de socialezekerheidsstelsels, noch onevenredige uitwerkingen mag hebben op personen met een laag inkomen;

58.  verzoekt de Commissie en de lidstaten directe en indirecte milieuonvriendelijke subsidies af te schaffen, met inbegrip van - maar niet beperkt tot - subsidies voor fossiele brandstoffen; verzoekt de Commissie modellen te ontwikkelen die door de lidstaten kunnen worden toegepast om belastingen te verschuiven van arbeid naar milieuvervuiling, en rekening te houden met het milieueffect van goederen en diensten volgens het beginsel 'de vervuiler betaalt'; verzoekt de Commissie de lidstaten landenspecifieke aanbevelingen te doen die kunnen bijdragen aan de inspanningen voor meer groene werkgelegenheid en kleinere ecologische voetafdrukken; verzoekt de Commissie bovendien op proactieve wijze milieu- en klimaatgerelateerde overwegingen een plaats te geven in het Europees semester om de schepping van groene banen te ondersteunen;

59.  verzoekt de lidstaten gerichte subsidies en/of belastingvrijstellingen in te voeren voor start-ups, en voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in producten en diensten met een hoge toegevoegde waarde in milieu-opzicht, onder andere met een verminderd koolstofgehalte;

60.  roept de Commissie en de lidstaten op tot een consistenter en coherenter beleid en versterking van de politieke verbintenissen op het hoogste niveau op andere aanverwante gebieden, zoals belasting op financiële transacties en de strijd tegen belastingfraude en -ontduiking;

61.  dringt er bij de Commissie op aan de door haar aangegane verplichting ten aanzien van de Europa 2020-strategie te hernieuwen en onverwijld en uiterlijk in 2015 met de tussentijdse evaluatie te komen; verzoekt de Commissie de doelstellingen in het Europees semester opnieuw te bevestigen en daarbij het scorebord voor macro-economische onevenwichtigheden en de herziening van de Europa 2020-strategie in aanmerking te nemen; dringt er bij de Commissie op aan ambitieuzere sociale en milieudoelstellingen voor 2030 en 2050 voor te stellen; benadrukt dat een nauwlettende, methodologisch onderbouwde en gemeenschappelijke monitoring van groene banen de lidstaten ook zou kunnen helpen de effectiviteit van hun milieu- en arbeidsmarktbeleid te evalueren en de instrumenten zou kunnen versterken die op Europees niveau zijn ontwikkeld om de vorderingen te volgen en de werkgelegenheidsrichtsnoeren van de Europa 2020-strategie te monitoren;

62.  wijst op de kansen die het klimaat- en energiepakket 2030 biedt voor het scheppen van nieuwe banen en de rol die de milieuwetgeving in de toekomst zal spelen bij de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van de EU voor de lange termijn en bij het creëren van banen en groene groei;

63.  dringt er bij de Commissie op aan innovatie als hoeksteen van de Europese industrie te beschouwen en actieve strategieën te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de sociale overgangsprocessen goed worden beheerd en de vruchten ervan over alle delen Europa worden verdeeld; roept de Commissie en de lidstaten op de totstandbrenging van nieuwe toeleveringsketens en industriële netwerken op het gebied van hulpbronnenefficiëntie, goederen en diensten te steunen door middel van een duurzaam industriebeleid en prikkels ter bevordering van de markttransformatie;

64.  onderstreept dat de lidstaten hun economieën moeten voorbereiden op een koolstofarme, hulpbronnen- en energie-efficiënte toekomst, waarbij zij rekening moeten houden met het mogelijke risico op verplaatsing van banen en koolstoflekkage als gevolg van klimaatbeleid;

65.  roept de Commissie en de lidstaten op tot intensievere internationale samenwerking met het oog op de totstandbrenging van een wereldwijd milieubeleid dat de schade kan beperken die ontstaat door verplaatsing van industriële productie naar landen buiten de EU en door koolstoflekkage;

66.  verzoekt de Commissie haar voorstel tot hervorming van het EU-emissiehandelssysteem (ETS) zo spoedig mogelijk te presenteren en daarbij rekening te houden met de noodzaak industrieën te beschermen die een significant risico op koolstoflekkage lopen;

67.  verzoekt de Commissie bij de totstandbrenging van de energie-unie aandacht te besteden aan groene werkgelegenheid;

Investeren in duurzame werkgelegenheid

68.  benadrukt dat de juiste mix van interventies aan de aanbod- en vraagzijde moet worden toegepast, die bestaat uit een combinatie van het scheppen van banen en een bijbehorend actief arbeidsmarktbeleid dat inspeelt op de specifieke behoeften van verschillende lokale arbeidsmarkten;

69.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, onder meer in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen, kwalitatief hoogwaardige investeringen te stimuleren die zijn gericht op het genereren van maatschappelijke voordelen, zoals duurzame hoogwaardige banen, onderwijs van hoge kwaliteit en innovatie om de groene transitie te bevorderen en energiearmoede te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om investeringen te concentreren op gebieden met een positief effect op de arbeidsmarkt, teneinde duurzame banen met volledige sociale bescherming te scheppen en werkloosheid te bestrijden; beklemtoont dat de gefinancierde projecten op meetbare wijze moeten bijdragen tot de uitvoering van de EU 2020-strategie; wijst er in dit verband op dat de ontwikkeling met betrekking tot het scheppen van banen in groene sectoren ook tijdens de recessie een positief beeld laat zien;

70.  benadrukt dat investeringen in energie-efficiëntie het creëren van lokale banen en lokale economische ontwikkeling kunnen ondersteunen en energiearmoede kunnen terugdringen, en dat het waarborgen van energie-efficiëntie in gebouwen de meest kosteneffectieve manier is om langetermijnoplossingen voor energiearmoede te bieden, een probleem waarvan maar liefst 125 miljoen mensen in Europa de gevolgen ondervinden; onderstreept tevens dat deze investeringen in belangrijke mate kunnen waarborgen dat efficiënter gebruik wordt gemaakt van Europese energie en groene banen worden gecreëerd; onderstreept andermaal dat ook de waarborging van de veiligheid van gebouwen in dit verband van cruciaal belang is; vraagt de Commissie zo spoedig mogelijk haar initiatief "Slimme financiering voor slimme gebouwen" te presenteren;

71.  pleit ervoor om doelstellingen op het gebied van klimaat, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie te beschouwen als belangrijke investeringsdoelstellingen en als uitgangspunten voor politiek optreden;

72.  waarschuwt voor steunactiviteiten die nadelige milieu- en sociale effecten sorteren, aangezien zij de beleidscoherentie ondermijnen die vereist is om het werkgelegenheidspotentieel van groene banen te maximaliseren;

73.  beveelt aan hoogwaardige investeringen in centrale openbare diensten zoals communicatie, energie, vervoer en afval- en waterbeheer te richten op de bevordering van duurzame procedures voor overheidsaanbestedingen en het mainstreamen van groene vaardigheden;

74.  dringt er bij de lidstaten op aan volledig gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door het rechtskader voor de Europese structuur- en investeringsfondsen en andere bronnen van EU-financiering, teneinde duurzame projecten die groene werkgelegenheid stimuleren, te bevorderen en EU-financiering en financiële instrumenten van de EU zo toegankelijk mogelijk te maken voor lokale overheden met duidelijke, ondubbelzinnige regels en haalbare minimale subsidiedrempels;

75.  spoort de Commissie en de lidstaten aan de postelectorale herziening in 2016 van het meerjarig financieel kader (MFK) aan te grijpen als een gelegenheid om de groenere transitie van onze economieën te bevorderen;

76.  merkt op dat ESF-steun beschikbaar is voor de bevordering van groene economische en werkgelegenheidsgroei en spoort de nationale regeringen en de relevante nationale diensten aan te overwegen actiever gebruik te maken van deze financiering teneinde het scheppen van economisch zinvolle en economisch duurzame groene banen te stimuleren;

77.  merkt op dat bepaalde lidstaten aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt bij de vergroening van de economie en spoort de Unie en de lidstaten aan de uitwisseling van ideeën, kennis, ervaring en goede praktijken tussen de lidstaten te stimuleren teneinde te zorgen voor een soepele overgang;

78.  dringt er bij de lidstaten en de particuliere sector op aan instrumenten zoals Ecodesign, Ecolabel, EMAS en Groene overheidsopdrachten (GPP) te gebruiken, omdat deze de groene economie kunnen ondersteunen en dus kunnen bijdragen aan de totstandbrenging van groene banen; verzoekt de Commissie te komen met voorlichtingsinstrumenten om gunstige marktomstandigheden tot stand te brengen voor de volledige uitvoering van deze vrijwillige instrumenten;

79.  verzoekt de lidstaten meer aandacht te besteden aan de invoering van systemen voor milieubeheer en milieuaudits op basis van de Europese norm (ISO 14000);

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)

80.  ondersteunt de doelstellingen van het groene actieplan voor kmo's en de kmo-georiënteerde maatregelen die erop gericht zijn groen ondernemerschap te ondersteunen, mogelijkheden voor groenere waardeketens te benutten en de toegang tot de markt voor groene kmo's en micro-ondernemingen te faciliteren, met inbegrip van de oprichting van het Europees kenniscentrum inzake hulpbronnenefficiëntie, dat kmo's adviseert en ondersteunt die hun prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie willen verbeteren; is van oordeel dat bewustmakingsactiviteiten en technische bijstand van cruciaal belang zijn voor een actieve deelname van kmo's aan de circulaire economie;

81.  herinnert eraan dat kmo's over een enorm potentieel beschikken om werkgelegenheid te creëren, met name voor jongeren, en om een tweeledig stelsel van beroepsopleidingen en stageplaatsen te bevorderen;

82.  erkent dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) micro-, kleine en middelgrote ondernemingen kan ondersteunen bij het ontplooien van activiteiten met een hoog niveau van ecologische en sociale innovatie;

83.  merkt op dat Eurobarometergegevens over groene banen in kmo's aantonen dat energiebesparing, afvalvermindering en efficiënt gebruik van grondstoffen economische voordelen zijn gaan opleveren;

84.  verzoekt de Commissie nieuwe bedrijfsmodellen, zoals coöperatieve ondernemingen, te stimuleren, om de efficiëntie van productie- en distributieprocessen te verhogen, innovatieve oplossingen om grondstoffen te besparen toe te passen en duurzamere producten en diensten aan te bieden;

85.  wijst erop dat kmo's alleen groei en banen kunnen creëren indien de groene economie daarvoor de nodige mogelijkheden in de vorm van stimulansen biedt;

86.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat doeltreffende groene prikkels voor kmo's worden geboden op gebieden waar deze het hardst nodig zijn;

87.  wijst erop dat kmo's en micro-ondernemingen de belangrijkste drijvende kracht vormen voor het scheppen van banen in Europa; benadrukt dat kmo's en micro-ondernemingen met name voor uitdagingen staan bij de benutting van de arbeidskansen van een groene transitie, in het bijzonder wat betreft de toegang tot financiering, opleiding en overbrugging van de vaardigheidskloven; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ambitieuze maatregelen te treffen om te voorzien in steun om het creëren van groene banen bij kmo's en micro-ondernemingen te faciliteren, met inbegrip van maatregelen op het gebied van gerichte voorlichting, bewustmaking, technische bijstand en toegang tot financiering en opleiding;

88.  wijst erop dat een groenere waardeketen, bestaande uit herfabricage, reparatie, onderhoud, recyclage en ecodesign, tal van kmo's aanzienlijke commerciële mogelijkheden kan bieden;

o
o   o

89.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0584.
(2) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 75.
(3) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 6.

Juridische mededeling