Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2208(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0215/2015

Ingediende teksten :

A8-0215/2015

Debatten :

PV 06/07/2015 - 13
CRE 06/07/2015 - 13

Stemmingen :

PV 09/07/2015 - 12.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0266

Aangenomen teksten
PDF 299kWORD 113k
Donderdag 9 juli 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie
P8_TA(2015)0266A8-0215/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie (2014/2208(INI))

Het Europees Parlement,

‒  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398),

‒  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Mogelijkheden voor hulpbronnen-efficiëntie in de bouwsector" (COM(2014)0445),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Groen actieplan voor het mkb: Het mkb in staat stellen om milieu-uitdagingen om te zetten in zakenkansen" (COM(2014)0440),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering" (COM(2015)0080),

‒  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Bouwen aan de eengemaakte markt voor groene producten – Bevordering van betere informatieverstrekking over de milieuprestatie van producten en organisaties" (COM(2013)0196),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Innovatie voor duurzame groei: een bio-economie voor Europa" (COM(2012)0060),

‒  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (COM(2011)0571),

‒  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Efficiënt gebruik van hulpbronnen – Vlaggenschipinitiatief in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0021),

‒  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–   gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over Eco-innovatie – Werkgelegenheid en groei via het milieubeleid(1),

–   gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over een Europese strategie voor kunststofafval in het milieu(2),

‒  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 over het efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa(3),

‒  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over een doeltreffende grondstoffenstrategie voor Europa(4),

‒  gezien het zevende milieuactieprogramma,

–   gezien de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling uit 2006 en de herziening daarvan uit 2009,

‒  gezien de conclusies van de Raad Milieu over "Het vergroenen van het Europees semester en de Europa 2020-strategie - Tussentijdse evaluatie" van 28 oktober 2014,

–   gezien het syntheseverslag van het Europees Milieuagentschap getiteld "Het milieu in Europa – toestand en verkenningen 2015",

‒  gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD),

‒  gezien het onderzoek van UNEP (Milieuprogramma van de Verenigde Naties) naar de opzet van een duurzaam financieel stelsel,

‒  gezien de conclusies van het Internationale Panel van UNEP over milieurisico's en uitdagingen met betrekking tot antropogene metaalstromen en -cycli (2013),

–  gezien de petitie "Stop Food Waste in Europe!";

‒  gezien de conclusies van het Internationale Panel van UNEP over het ontkoppelen van het gebruik van hulpbronnen en de milieueffecten van economische groei (2011),

‒  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2014(5),

‒  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 12 februari 2015(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0215/2015),

A.  overwegende dat het niet-duurzame gebruik van hulpbronnen de oorzaak is van diverse milieugevaren, zoals klimaatverandering, woestijnvorming, ontbossing, verlies aan biodiversiteit en verzwakking van ecosysteemdiensten; overwegende dat de wereldeconomie gebruikmaakt van het equivalent van de hulpbronnen van anderhalve planeet voor de wereldwijde productie en de verwerking van afval, en dat dit cijfer tegen 2030 naar schatting het equivalent van de hulpbronnen van twee planeten zal bereiken;

B.  overwegende dat Europa sterker afhankelijk is van geïmporteerde hulpbronnen dan welke andere regio ter wereld ook en veel hulpbronnen op relatief korte termijn uitgeput zullen zijn; overwegende dat het concurrentievermogen van Europa aanzienlijk kan worden vergroot door hulpbronnen beter te laten renderen in de economie en door een duurzame grondstoffenvoorziening uit Europese bronnen te bevorderen; overwegende dat bovendien de innovatiepartnerschappen tussen de industrie en de afvalverwerkende sector en het onderzoek naar een betere recycleerbaarheid van belangrijke grondstoffen moeten worden versterkt als bijdrage aan het veiligstellen van de grondstoffenvoorziening;

C.  overwegende dat de omschakeling naar een circulaire economie in essentie een economische kwestie is die betrekking heeft op de toegang tot, of duurzame beschikbaarheid van grondstoffen, de herindustrialisering en verdere digitalisering van Europa, het scheppen van nieuwe banen en de vraagstukken inzake klimaatverandering, energieonzekerheid en grondstoffenschaarste; overwegende dat investeren in een circulaire economie daarom volledig verenigbaar kan zijn met de Commissieagenda voor banen, groei en concurrentievermogen en het potentieel heeft om een win-winsituatie op te leveren voor alle belanghebbenden;

D.  overwegende dat hulpbronnenefficiëntie ook rekening moet houden en coherent moet zijn met duurzaamheidsaspecten in bredere zin, waaronder die van ecologische, ethische, economische en sociale orde;

E.  overwegende dat de in het zevende milieuactieprogramma vastgestelde streefdoelen en prioritaire maatregelen een bindend karakter hebben;

F.  overwegende dat in het milieuprogramma van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) wordt gesteld dat vrijwillige benaderingen vaak een twijfelachtige milieueffectiviteit hebben en in economisch opzicht doorgaans weinig doelmatig zijn(7);

G.  overwegende dat de overgang naar een circulaire economie systeemveranderingen vereist die gevolgen hebben voor alle belanghebbenden in de waardeketen, alsook aanzienlijke innovaties op het gebied van technologie, het bedrijfsleven en de samenleving als geheel;

H.  overwegende dat burgers, kleine ondernemingen en lokale overheden een bijzondere rol spelen bij het verwezenlijken van hulpbronnenefficiëntie en het bevorderen van de loskoppeling van economische groei en hulpbronnenverbruik;

I.  overwegende dat een naar behoren functionerende circulaire economie concurrerende bedrijven nodig heeft en dat de ondernemingen zelf drijvende krachten zijn achter de omschakeling naar een circulaire economie;

J.  overwegende dat kmo's centraal moeten worden gesteld in de EU-strategie inzake hulpbronnenefficiëntie, aangezien zij 99 % van alle EU-bedrijven uitmaken en werk verschaffen aan twee derde van de beroepsbevolking;

K.  overwegende dat een ambitieus Europees pakket inzake de circulaire economie zakelijke kansen biedt, de toegang tot grondstoffen zekerstelt en het productieve gebruik ervan verlengt (middels hergebruik, revisie, recycling en gebruik als reserveonderdeel), voor hoogwaardige recycling aan het eind van de levensduur zorgt en alle bijproducten en afvalstoffen verwerkt als waardevolle hulpbronnen voor verder gebruik;

L.  overwegende dat het duurzaam en verantwoord betrekken van primaire grondstoffen cruciaal is voor de verwezenlijking van hulpbronnenefficiëntie en voor het halen van de doelstellingen van de circulaire economie;

M.  overwegende dat er markten voor secundaire grondstoffen moeten worden ontwikkeld om de doelstellingen inzake hulpbronnenefficiëntie te halen en een circulaire economie tot stand te brengen;

N.  overwegende dat het Parlement de Commissie herhaaldelijk heeft verzocht indicatoren en streefcijfers voor hulpbronnenefficiëntie vast te stellen;

O.  overwegende dat de uitbanning van giftige chemische stoffen, waarvoor veiliger alternatieven bestaan of worden ontwikkeld overeenkomstig de bestaande wetgeving inzake chemische producten, een centrale rol speelt in de totstandbrenging van een circulaire economie;

P.  overwegende dat uit de gegevens van Eurostat over de verwerking van stedelijk afval in de EU-28 duidelijk blijkt dat er nog steeds geen gelijk speelveld inzake afvalbeleid bestaat en dat de uitvoering en handhaving van bestaande wetgeving aanzienlijke problemen met zich meebrengen;

Q.  overwegende dat gemiddeld slechts 40 % van de vaste afvalstoffen wordt hergebruikt of gerecycleerd en dat de rest wordt gestort of verbrand;

R.  overwegende dat de productie en consumptie van voedingsproducten uit de landbouw verantwoordelijk zijn voor een aanzienlijk deel van het hulpbronnenverbruik, met belangrijke gevolgen voor het milieu, de volksgezondheid en de gezondheid en het welzijn van dieren; overwegende dat er duurzame oplossingen nodig zijn om inefficiënt hulpbronnenverbruik in de voedselvoorziening integraal aan te pakken;

S.  overwegende dat de schrapping van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu, met inbegrip van directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen, een aanzienlijke vermindering van de broeikasgasemissies zou opleveren, zou bijdragen tot de bestrijding van klimaatverandering, en de invoering van de circulaire economie mogelijk zou maken;

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398); hecht zijn goedkeuring aan de aanpak van de Commissie met betrekking tot ontwerpen en innoveren voor een circulaire economie, het opzetten van een ondersteunend beleidskader voor hulpbronnenefficiëntie en het vaststellen van een streefcijfer voor hulpbronnenefficiëntie zoals uiteengezet in de mededeling en het opzetten van een specifiek beleidskader om kmo's in staat te stellen ecologische uitdagingen om te zetten in ecologisch duurzame zakelijke kansen; benadrukt dat wetgevingsmaatregelen nodig zijn om te komen tot een meer circulaire economie en verzoekt de Commissie voor het einde van 2015 een ambitieus voorstel in te dienen inzake een circulaire economie, zoals aangekondigd in haar werkprogramma 2015;

2.  benadrukt dat voor de aanpak van hulpbronnenschaarste vermindering van de winning en het verbruik van hulpbronnen en een volledige ontkoppeling van groei en het verbruik van natuurlijke hulpbronnen noodzakelijk zijn, een systemische verandering die de vaststelling van maatregelen met het oog op een duurzaam 2050 en onmiddellijk optreden vereist;

3.  benadrukt dat productie en verbruik factoren zijn die op een zodanige manier moeten worden aangepakt dat voor samenhang met de bredere doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling gezorgd wordt;

4.  brengt in herinnering dat de reeds behaalde verbeteringen in efficiënt gebruik van hulpbronnen teniet worden gedaan door de voortdurende productiegroei, dat de winning van hulpbronnen wereldwijd drastisch blijft stijgen en bijgevolg de totale winning en het totale verbruik van hulpbronnen dringend moeten worden verminderd om het rebound-effect het hoofd te bieden; dringt er bij de Commissie op met passende maatregelen te komen;

5.  herinnert eraan dat water, een natuurlijke hulpbron die in productieprocessen wordt gebruikt en als openbaar goed, in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het grondstoffenverbruik en efficiënt moet worden aangewend;

6.  benadrukt dat verbetering van het hulpbronnengebruik door middel van betere ontwerpvereisten en een afvalwetgeving die zorgt voor een opwaartse beweging in de afvalhiërarchie (en aldus afvalpreventie, hergebruik, voorbereiding voor hergebruik en recycling bevordert) aanzienlijke netto besparingen kan opleveren voor het bedrijfsleven, de overheden en de consumenten in de EU (naar schatting 600 miljard euro, of 8 % van de jaarlijkse omzet) en tegelijkertijd de totale jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen met 2-4 % kan doen afnemen; benadrukt dat vergroting van de hulpbronnenproductiviteit met 30 % tegen 2030 het bbp met bijna 1 % kan doen toenemen en 2 miljoen extra vaste banen (8)kan opleveren; herinnert eraan dat hulpbronnenefficiëntie een prioritaire doelstelling is van het zevende milieuactieprogramma dat de noodzaak onderstreept om de productie van en de vraag van de consument naar ecologisch duurzame producten en diensten te stimuleren door middel van beleidsmaatregelen die de beschikbaarheid, betaalbaarheid, functionaliteit en aantrekkelijkheid van die producten en diensten bevorderen;

7.  is ervan overtuigd dat zowel wettelijke maatregelen als economische impulsen, de internalisering van externe kosten en nadere financiering van onderzoek en innovatie, alsook maatschappelijke en leefstijlveranderingen vereist zijn om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren; wijst erop dat een mix van instrumenten op verschillende beleidsniveaus noodzakelijk is, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel;

8.  is van mening dat de invoering van een volledig circulaire economie de betrokkenheid vereist van alle relevante belanghebbenden, regio's, steden, lokale gemeenschappen, kmo's, ngo's, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, vakbonden en burgers;

9.  verzoekt de Commissie de lokale en regionale overheden te betrekken bij de ontwikkeling van het pakket voorstellen voor een circulaire economie;

10.  benadrukt dat het besef bij het publiek, de perceptie en de betrokkenheid van de burger van cruciaal belang zijn voor een geslaagde transitie naar een circulaire economie; merkt op dat de nodige aandacht en middelen moeten worden besteed aan onderwijs en voorlichting, aan het bevorderen van duurzame consumptie- en productiemodellen en aan het benadrukken van de voordelen die voortvloeien uit de overgang naar een hulpbronnenefficiënte circulaire economie;

11.  wijst erop dat de transitie naar een circulaire economie goedopgeleide werknemers vereist en dat onderwijs en scholing rekening moeten houden met de noodzaak van groene vaardigheden;

12.  benadrukt dat op Europees niveau reeds enige financiële instrumenten in het leven zijn geroepen ter bevordering van de circulaire economie, in het bijzonder in het kader van de programma's Horizon 2020 en Life+, en dat deze instrumenten, mits goed benut, eco-innovatie en industriële ecologie in de lidstaten en de regio's van Europa kunnen bevorderen;

13.  benadrukt dat rechtszekerheid en voorspelbaarheid op de lange termijn cruciaal zijn voor het ontsluiten van het potentieel van het Europees Fonds voor strategische investeringen voor de circulaire economie om de investeringen die bijdragen tot een duurzame economie te kanaliseren;

14.  wijst erop dat een overgang naar een duurzame en circulaire economie ambitieuze milieudoelstellingen moet combineren met strenge sociale eisen, inclusief de bevordering van fatsoenlijk werk en van gezonde en veilige arbeidsomstandigheden (d.w.z. dat ervoor wordt gezorgd dat werknemers op hun werkplek niet worden blootgesteld aan schadelijke stoffen);

15.  benadrukt dat er een meer samenhangend rechtskader voor duurzame productie en duurzaam verbruik moet worden ingevoerd voor de hele productiecyclus, van duurzame winning tot terugwinning aan het einde van de levenscyclus;

Indicatoren en streefcijfers

16.  benadrukt dat in 2050 het gebruik in de EU van hulpbronnen duurzaam moet zijn en dat dit onder meer een absolute vermindering van het hulpbronnenverbruik vereist tot een duurzaam niveau, op basis van betrouwbare metingen van het verbruik dat de volledige toeleveringsketen omvat, de strikte toepassing van de afvalhiërarchie, de tenuitvoerlegging van een stapsgewijze benutting van hulpbronnen, met name biomassa, verantwoorde en duurzame winning, het creëren van een gesloten kringloop voor niet-hernieuwbare hulpbronnen, het vergroten van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen binnen de grenzen van hun hernieuwbaarheid, het geleidelijk elimineren van giftige stoffen, met name ingeval er veiliger alternatieven bestaan of worden ontwikkeld overeenkomstig de bestaande wetgeving inzake chemische producten, teneinde te zorgen voor de ontwikkeling van niet-giftige materiaalcycli en verbetering van de kwaliteit van de ecosysteemdiensten;

17.  brengt in herinnering dat het Parlement reeds in 2012 opriep tot duidelijke, degelijke en meetbare indicatoren voor economische activiteit waarbij rekening wordt gehouden met klimaatverandering, biodiversiteit en een efficiënt gebruik van hulpbronnen gedurende de hele levenscyclus en tot het gebruik van deze indicatoren als basis voor wetgevingsinitiatieven en concrete reductiedoelstellingen;

18.  dringt er bij de Commissie op aan voor het einde van 2016 een hoofdindicator en een overzicht van subindicatoren voor hulpbronnenefficiëntie, met inbegrip van ecosysteemdiensten, te ontwikkelen en in te voeren; wijst erop dat het gebruik van deze geharmoniseerde indicatoren vanaf 2018 wettelijk bindend moet zijn, en dat aan de hand van deze indicatoren het hulpbronnenverbruik, de water-, de koolstof-, de grondstoffen- en de bodemvoetafdruk, met inbegrip van invoer en uitvoer, op EU-, nationaal en sectorniveau moeten worden gemeten, waarbij rekening wordt gehouden met de gehele levenscyclus van producten en diensten;

19.  dringt er bij de Commissie op aan voor het einde van 2015 een streefcijfer voor te stellen om de hulpbronnenefficiëntie op EU-niveau tegen 2030 met 30 % te verhogen ten opzichte van het niveau in 2014, alsook afzonderlijke streefcijfers voor elke lidstaat; benadrukt dat streefcijfers voor hulpbronnenefficiëntie pas kunnen worden ingevoerd wanneer er indicatoren aan ten grondslag liggen;

20.  dringt er bij de Commissie op aan om het gebruik van indicatoren voor hulpbronnenefficiëntie te bevorderen door middel van internationale verdragen teneinde economieën en bedrijfstakken met elkaar te kunnen vergelijken en een gelijk speelveld te creëren, en om overleg en samenwerking met derde landen te steunen;

21.  benadrukt dat deze indicatoren moeten worden opgenomen in het Europees semester en in alle effectbeoordelingen;

Productbeleid en ecologisch ontwerp

22.  benadrukt het belang van een weloverwogen productbeleid dat de verwachte levensduur, de herbruikbaarheid en de recycleerbaarheid van producten verhoogt; wijst erop dat de ontwerpfase van een product grotendeels bepalend is voor de hoeveelheid hulpbronnen die gedurende de gehele levensduur van het product worden verbruikt en voor de herstelbaarheid, herbruikbaarheid en de recycleerbaarheid van het product; verzoekt de Commissie om in het productbeleid het gebruik van de levenscyclusbenadering te bevorderen, in het bijzonder door geharmoniseerde methoden voor de evaluatie van de milieuprestaties van producten in te voeren;

23.  verzoekt in dit verband de Commissie een ambitieus werkprogramma te presenteren en de voorschriften inzake ecologisch ontwerp van de bestaande ecodesign-richtlijn volledig en ambitieus ten uitvoer te leggen middels nieuwe en bijgewerkte uitvoeringsmaatregelen, te beginnen met de onmiddellijke vaststelling van reeds voorgestelde maatregelen;

24.  dringt er bij de Commissie op aan voor het einde van 2016 een herziening van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp voor te stellen gebaseerd op een effectbeoordeling, waarin de volgende belangrijke wijzigingen zijn opgenomen: uitbreiding van het toepassingsgebied van de vereisten inzake ecologisch ontwerp tot alle belangrijke productgroepen, en niet alleen energiegerelateerde producten; geleidelijke opneming van alle relevante hulpbronnenefficiënte kenmerken in de essentiële vereisten voor productontwerp; invoering van een verplicht productpaspoort op basis van deze vereisten; invoering van zelfcontrole en controle door een derde partij, teneinde te waarborgen dat producten aan deze normen voldoen; vaststelling van horizontale eisen op het gebied van onder meer duurzaamheid, repareerbaarheid, herbruikbaarheid en recycleerbaarheid;

25.  verzoekt de Commissie om aan de hand van een kosten-batenanalyse te beoordelen of er minimumwaarden voor het aandeel gerecycleerd materiaal in nieuwe producten kunnen worden gedefinieerd in het kader van de toekomstige herziening van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp;

26.  dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te ontwikkelen tegen geplande veroudering en verder te werken aan de ontwikkeling van een reeks productnormen voor de circulaire economie die betrekking heeft op het vergemakkelijken van ontmanteling, opknappen en reparatie, en efficiënt gebruik van grondstoffen, hernieuwbare bronnen en gerecycleerde materialen in producten;

27.  herinnert eraan dat ook de beschikbaarheid van gestandaardiseerde en modulaire componenten, de planning van demontage en duurzame producten, en efficiënte productieprocessen een belangrijke rol spelen in een succesvolle circulaire economie;dringt er bij de Commissie op aan toepasselijke maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat producten duurzaam zijn en gemakkelijk kunnen worden verbeterd, hergebruikt, hersteld, gerepareerd, gerecycleerd en ontmanteld voor nieuwe hulpbronnen, en dat onderdelen die gevaarlijke stoffen bevatten duidelijk worden geïdentificeerd in de producthandleidingen teneinde de scheiding van die onderdelen vóór de recycling te vergemakkelijken;

28.  merkt op dat het cruciaal is om het besef bij de consumenten en hun proactieve rol te vergroten;

29.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor de uitbreiding van minimumgaranties voor duurzame consumptiegoederen, teneinde de verwachte levensduur van het product te verlengen, en te verduidelijken dat, overeenkomstig Richtlijn 1999/44/EG, verkopers van consumptiegoederen de eerste twee jaar van de wettelijke garantie gebreken moeten onderzoeken en de consument alleen kosten mag aanrekenen wanneer het gebrek door onjuist gebruik is veroorzaakt;

30.  verzoekt de Commissie passende maatregelen voor te stellen betreffende de beschikbaarheid van reserveonderdelen, teneinde de repareerbaarheid van producten tijdens hun levensduur te waarborgen;

31.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) meer inspanningen te leveren om zeer zorgwekkende stoffen te vervangen en om stoffen die een onacceptabel risico met zich meebrengen voor de menselijke gezondheid of het milieu te beperken in het kader van REACH, niet in de laatste plaats om te voldoen aan het vereiste van het zevende milieuactieplan om niet-giftige materiaalcycli te ontwikkelen, zodat gerecycleerd afval kan worden aangewend als een belangrijke en betrouwbare bron van grondstoffen voor de Unie; verzoekt de Commissie in dit verband haar eenzijdige moratorium op de verwerking van aanbevelingen door het ECHA onmiddellijk te beëindigen voor wat betreft de opneming van zeer zorgwekkende stoffen in bijlage XIV bij REACH en onverwijld over te gaan tot die opneming; benadrukt in overeenstemming met de afvalhiërarchie dat preventie prioriteit krijgt boven recycling en dat recycling bijgevolg niet mag dienen als rechtvaardiging voor het voortgezette gebruik van uitgefaseerde gevaarlijke stoffen;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om gevaarlijke stoffen in het kader van Richtlijn 2011/65/EU betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur, te vervangen, teneinde niet-giftige materiaalcycli tot stand te brengen;

33.  spoort de lidstaten aan te zorgen voor doeltreffend markttoezicht om te waarborgen dat zowel Europese als geïmporteerde producten aan de voorschriften inzake productbeleid en ecologisch ontwerp voldoen; dringt er bij de lidstaten op aan, onverwijld voortgang te boeken in de wetgevingsprocedure betreffende de herziening van de verordening markttoezicht; merkt op dat verdere vertraging de belangen van het bedrijfsleven en de burgers schaadt;

Naar afvalvrij

34.  wijst op de analyse van de Commissie waaruit blijkt dat de vaststelling van nieuwe afvaldoelstellingen 180 000 banen zou opleveren, de EU concurrerender zou maken en de vraag naar dure, schaarse grondstoffen(9) zou doen afnemen; betreurt de intrekking van het wetgevingsvoorstel betreffende afvalstoffen(10), maar ziet in de aankondiging van vicevoorzitter Timmermans tijdens de vergaderperiode van het Parlement in december 2014 een kans voor een nieuw en ambitieuzer pakket voorstellen voor een circulaire economie;

35.  dringt er bij de Commissie op aan het aangekondigde voorstel inzake de herziening van de afvalwetgeving, met inachtneming van de afvalhiërarchie, voor het einde van 2015 in te dienen en hierin de volgende punten op te nemen:

   eenduidige en duidelijke definities;
   ontwikkeling van maatregelen ter voorkoming van afval;
   vaststelling van bindende streefcijfers voor afvalvermindering met betrekking tot stedelijk, industrieel en bedrijfsafval die tegen 2025 moeten zijn gehaald;
   vaststelling van duidelijke minimumnormen voor een meer uitgebreide verantwoordelijkheid voor producenten om de transparantie en de kosteneffectiviteit van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te waarborgen;
   toepassing van het beginsel "de vervuiler betaalt" voor restafval in combinatie met verplichte systemen voor gescheiden inzameling van papier, metaal, plastic en glas, ter bevordering van een hoge kwaliteit van recyclagemateriaal; invoering van verplichte gescheiden inzameling van biologisch afval tegen 2020;
   verhoging van het streefcijfer voor recyclage en voorbereiding voor hergebruik tot ten minste 70 % van het vast stedelijk afval, gebaseerd op een gedegen rapportagemethode die voorkomt dat verwijderd afval (gestort of verbrand) als gerecycleerd afval wordt opgegeven, waarbij voor alle lidstaten gebruik wordt gemaakt van dezelfde geharmoniseerde methode met extern geverifieerde statistieken; rapportageplicht voor recyclingbedrijven over de hoeveelheid afval die de scheidingsinstallatie ingaat ("input") en de hoeveelheid gerecycleerde materialen die de recyclinginstallatie verlaat ("output");
   strikte beperking van verbranding tegen 2020, met of zonder terugwinning van energie, van niet-recycleerbare en biologisch niet-afbreekbare afvalstoffen;
   een bindende, geleidelijke afname van het storten van afval in drie fasen (2020, 2025, en 2030), uitgevoerd conform de voorschriften voor recycling, hetgeen tot een volledig verbod op het storten van afval moet leiden, met uitzondering van bepaalde gevaarlijke afvalstoffen waarvoor storten de beste oplossing voor het milieu vormt;
   aanmoediging van de lidstaten tot invoering van heffingen voor het storten en verbranden van afval;

36.  beklemtoont het belang en de meerwaarde van Europese streefdoelen inzake afvalbeleid zowel voor de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en de creatie van een gelijk speelveld in de interne markt als voor de zekerheid dat de leefomgeving van alle EU-burgers wordt beschermd en verbeterd;

37.  verzoekt de Commissie dezelfde streefcijfers voor alle lidstaten voor te stellen om in de gehele EU een even hoog niveau van milieubescherming te garanderen en de interne markt niet te ondergraven;

38.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de bestaande afvalwetgeving en doelstellingen volledig en naar behoren worden uitgevoerd, met inbegrip van met name het vereiste tot invoering van regelingen voor gescheiden inzameling, ervoor te zorgen dat de lidstaten zich grotere inspanningen getroosten om de bestaande streefcijfers te halen, en maatregelen te nemen ter ondersteuning van de lidstaten bij de invoering van de geschikte instrumenten om de streefcijfers binnen de gestelde termijn te kunnen halen;

39.  wijst erop dat met het oog op een optimale benutting van de in de EU beschikbare capaciteit voor afvalverwerking, een betere planning en uitwisseling van informatie nodig is om overcapaciteit te voorkomen;

40.  verzoekt de Commissie de haalbaarheid van een voorstel voor een regelgevingskader voor "enhanced landfill mining" nader te onderzoeken om het mogelijk te maken secundaire grondstoffen te herwinnen die aanwezig zijn in bestaande stortplaatsen, en de ontwikkeling van een milieuvergunningsstelsel voor de recyclingindustrie te overwegen;

41.  verzoekt de Commissie te zorgen voor meer transparantie en betere controles ter voorkoming van afvaltransporten naar landen met minder strenge sociale en milieunormen dan de EU;

42.  verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten de inspanningen te verhogen om de illegale export van postconsumptieafval tegen te gaan;

43.  spoort de Commissie ertoe aan om in de kaderrichtlijn afval minimumvoorschriften vast te leggen inzake de vaststelling van nationale afvalpreventieprogramma's en om een reeks doelstellingen en indicatoren uit te werken om ervoor te zorgen dat de door de afzonderlijke lidstaten behaalde resultaten met elkaar kunnen worden vergeleken;

44.  dringt er bij de Commissie op aan de specifieke uitdagingen op het gebied van afval aan te pakken en maatregelen te treffen zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie over een circulaire economie (COM(2014)0398); moedigt de lidstaten en de Commissie ertoe aan toe te zien op de beschikbaarstelling van EU-middelen om bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake geïntegreerd afvalbeheer, zoals gescheiden inzameling en het opzetten van infrastructuur voor recyclage;

45.  dringt er bij de Commissie op aan de hoeveelheid zwerfvuil op zee tegen 2025 terug te dringen met 50 % ten opzichte van 2014;

46.  benadrukt de noodzaak van het formuleren van doelstellingen inzake de inzameling en recyclage van specifieke kritieke metalen met het oog op de toenemende schaarste en het verminderen van de afhankelijkheid;

47.  verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2015 doelstellingen, maatregelen en instrumenten voor te stellen om voedselafval op doeltreffende wijze aan te pakken, met inbegrip van het vaststellen van een bindende doelstelling om voedselafval uiterlijk in 2025 met minstens 30 % te verminderen bij de productie, bij de verkoop en distributie, in grootkeukens en het horecabedrijf en in huishoudens; verzoekt de Commissie de sluiting in de lidstaten te bevorderen van conventies om voor te stellen dat de detailhandel voor voedingsmiddelen onverkochte producten verdeelt aan liefdadigheidsorganisaties; verzoekt de Commissie om bij de uitvoering van een effectbeoordeling inzake nieuwe relevante wetgevingsvoorstellen hun mogelijke impact op voedselafval te evalueren;

Duurzame gebouwen

48.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie met als titel "Mogelijkheden voor hulpbronnen-efficiëntie in de bouwsector" (COM(2014)0445); acht een aanpak voor de bouwsector, die gebaseerd is op een stappenplan en doelstellingen voor de lange termijn, noodzakelijk;

49.  verzoekt de Commissie de volledige tenuitvoerlegging van de beginselen en vereisten inzake circulaire economie in de bouwsector voor te stellen en het beleidskader voor hulpbronnenefficiëntie in gebouwen verder uit te werken – dit omvat de ontwikkeling van indicatoren, normen en methoden en kwaliteitseisen met betrekking tot ruimtelijke ordening en standsplanning, architectuur, bouwtechniek, bouw en onderhoud, aanpassingsvermogen, energie-efficiëntie, renovatie en hergebruik en recyclage; wijst erop dat de indicatoren voor duurzame gebouwen tevens groene infrastructuur, zoals groendaken, moeten omvatten; benadrukt het belang van een holistische visie voor het Europese vastgoedpatrimonium, met duidelijke en ambitieuze doelstellingen voor de middellange en lange termijn en stappenplannen voor de tenuitvoerlegging van deze visie;

50.  is van oordeel dat de binnenluchtkwaliteit en het welzijn en de sociale behoeften van gebruikers moeten worden betrokken bij de duurzaamheidsbeoordeling van gebouwen;

51.  verzoekt de Commissie om in het kader van de algemene indicatoren voor hulpbronnenefficiëntie indicatoren te ontwikkelen voor de beoordeling van de duurzaamheid van gebouwen gedurende hun gehele levenscyclus, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande normen en methoden, uitgaande van een benadering gericht op ecologische, economische en sociale duurzaamheid;

52.  vraagt de Commissie na te gaan of de toepassing van BBT-beginselen en -normen (beste beschikbare technieken) kan worden uitgebreid naar alle materialen en gedeelten van gebouwen voor te stellen en een gebouwenpaspoort te ontwikkelen op basis van de gehele levenscyclus van een gebouw;

53.  is van mening dat er, aangezien 90 % van de gebouwde omgeving voor 2050 reeds bestaat, speciale vereisten en stimulansen voor de renovatiesector moeten worden vastgesteld, teneinde tegen 2050 de energievoetafdruk van gebouwen te verbeteren; verzoekt de Commissie derhalve een langetermijnstrategie voor de renovatie van bestaande gebouwen te ontwikkelen en de rol van de nationale renovatiestrategieën die zijn ingevoerd met Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie op te waarderen;

54.  dringt er bij de lidstaten op aan het recyclen te helpen verbeteren door infrastructuur te ontwikkelen voor gescheiden inzameling en recyclage in de bouwsector;

55.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken welke mogelijkheden worden geboden door een aan de sloop voorafgaande audit (een beoordeling van een gebouw vóór de afbraak of sloop om de aanwezige materialen in kaart te brengen en te bepalen welke fracties met het oog op recyclage kunnen worden gescheiden) en het ter plekke sorteren van recycleerbaar materiaal (levert gewoonlijk secundaire grondstoffen van grotere zuiverheid op dan recyclage elders en kan de milieueffecten van het vervoer helpen verminderen, bijvoorbeeld door ter plekke te vermalen/compacteren);

56.  merkt op dat beton een van de meest gebruikte bouwmaterialen is; verzoekt de Commissie de mogelijkheden te onderzoeken om meer beton in de bouw te recyclen, zoals in Duitsland en Zwitserland gebeurt;

Ontwikkeling van markten voor secundaire grondstoffen

57.  verzoekt de Commissie stimulerende maatregelen te nemen ter ondersteuning van de ontwikkeling van markten voor secundaire grondstoffen van hoge kwaliteit en de ontwikkeling van bedrijven voor hergebruik van secundaire grondstoffen;

58.  is van mening dat een voorspelbaar langetermijnbeleidskader zal bijdragen aan het stimuleren van het niveau van de investeringen en de maatregelen die nodig zijn om de markten voor groenere technologieën volledig te ontwikkelen en duurzame bedrijfsoplossingen te bevorderen; benadrukt dat indicatoren en doelstellingen voor hulpbronnenefficiëntie op basis van een degelijke gegevensverzameling openbare en particuliere beleidsmakers de nodige sturing zouden bieden bij de omvorming van de economie;

59.  onderstreept dat het belangrijk is dat de Commissie en de lidstaten de totstandbrenging van industriële symbioseprogramma's bevorderen die industriële synergieën met betrekking tot hergebruik en recycling ondersteunen, en bedrijven, met inbegrip van kmo's, helpen om te ontdekken op welke wijze hun energie, afvalstoffen en bijproducten als grondstoffen voor anderen kunnen dienen; verwijst in dit verband naar vergelijkbare concepten, zoals 'van wieg tot wieg' en industriële ecologie;

Andere maatregelen

60.  dringt er bij de Commissie op aan aanbestedingsprocedures voor te stellen waarin hergebruikte, gerepareerde, gereviseerde, gerenoveerde en andere duurzame en hulpbronnenefficiënte producten en oplossingen de voorkeur verdienen en, wanneer dit niet het geval is, het "pas toe of leg uit"-beginsel moet gelden;

61.  benadrukt het belang van een fiscaal kader dat uitgaat van het beginsel 'de vervuiler betaalt', dat de juiste signalen afgeeft voor investeringen in hulpbronnenefficiëntie, de modernisering van productieprocessen en de vervaardiging van beter recycleerbare en duurzame producten; dringt er bij de lidstaten op aan op dit vlak vooruitgang te boeken in het kader van het Europees semester(11);

62.  dringt er bij de Commissie op aan onderzoek te doen naar en met een voorstel te komen voor maatregelen in verband met de belastingheffing, zoals een verlaagd btw-tarief voor gerecycleerde, hergebruikte en hulpbronnenefficiënte producten;

63.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij volledig uitvoering geven aan het groene actieplan voor kleine en middelgrote ondernemingen;

64.  dringt er bij de Commissie op aan een beleidskader voor voedingsstoffen te ontwikkelen om recyclage en innovatie te bevorderen, de marktomstandigheden te verbeteren en het duurzaam gebruik van voedingsstoffen te integreren in de EU-wetgeving op het gebied van meststoffen, voedsel, water en afval;

65.  dringt er bij de Commissie op aan de mededeling over duurzaam voedsel, die sinds 2013 diverse malen is uitgesteld, in de eerste helft van 2016 te presenteren; benadrukt dat, aangezien de productie en consumptie van voedsel een aanzienlijk aandeel in het hulpbronnenverbruik hebben, de mededeling een holistische kijk moet geven op inefficiënt hulpbronnengebruik in de voedselketen en moet aanzetten tot het ontwikkelen van een duurzaam voedselbeleid; verzoekt de Commissie het verhogen van het gebruik van milieuvriendelijke verpakkingen van levensmiddelen te beoordelen, met inbegrip van een beoordeling van de mogelijkheid om de verpakking van levensmiddelen geleidelijk te vervangen door materialen die biologisch afbreekbaar en composteerbaar zijn volgens de Europese normen;

66.  verzoekt de Commissie een permanent platform voor hulpbronnenefficiëntie op te richten, waarbij alle relevante belanghebbenden zijn betrokken, met het oog op het bevorderen en vergemakkelijken van de toepassing van de laatste onderzoeksresultaten, de uitwisseling van optimale werkmethoden en de opkomst van nieuwe industriële synthese en industriële ecosystemen;

67.  verzoekt de Commissie een sectoroverschrijdende inter-DG-werkgroep inzake duurzame financiering in te stellen, teneinde de indicatoren voor hulpbronnenefficiëntie op te nemen in de geïntegreerde verslaglegging en boekhouding op bedrijfsniveau, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van bepaalde bedrijfsinformatie; verzoekt de Commissie voorts te onderzoeken hoe hulpbronnenefficiëntie en milieurisico's kunnen worden opgenomen in onder meer kredietratings en kapitaalvereisten van banken, en een omvattend verzekeringsstelsel voor milieugevaren te ontwikkelen en informatieverplichtingen voor beleggingsproducten in te stellen, met een gepaste effectbeoordeling; is van mening dat de Commissie in dit verband baat zou hebben bij medewerking aan het "Onderzoek naar de opzet van een duurzaam financieel stelsel" van het UNEP; verzoekt de Commissie de bestaande vrijwillige initiatieven in de lidstaten te bestuderen met het oog op een mogelijke uitwisseling van optimale werkmethoden;

68.  verzoekt de Commissie, aangezien het duurzaam en verantwoord betrekken van primaire grondstoffen cruciaal is om hulpbronnenefficiëntie te realiseren en de doelstellingen van de circulaire economie te halen, de beleidsaanbevelingen van het Europees Platform voor hulpbronnenefficiëntie te herzien met het oog op de ontwikkeling van duurzame normen voor het betrekken van prioritaire materialen en goederen; wijst in dit verband op de gezamenlijke steun van het Parlement en de Raad voor de voorstellen van de Commissie inzake het verantwoord betrekken van metalen en mineralen uit conflictgebieden;

69.  verzoekt de Commissie haar definitie van 'kritieke' grondstoffen te herzien en daarbij beter rekening te houden met de milieu-impact en de risico's in verband met de winning en verwerking ervan, alsook met de mogelijkheid om deze grondstoffen te vervangen door secundaire grondstoffen;

70.  benadrukt dat alle EU-financiering, met inbegrip van de financiering via het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI), Horizon 2020, cohesiefondsen en de Europese Investeringsbank, moet worden gemobiliseerd om hulpbronnenefficiëntie te bevorderen, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, en dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op de afschaffing van alle subsidies die schadelijk zijn voor het milieu, zoals die voor de opwekking van energie uit de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval door verbranding uit hoofde van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen;

71.  is van mening dat de financiering van het programma van de EU voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kmo's (COSME), van Horizon 2020 en van de Europese Structuur- en investeringsfondsen meer gericht moet zijn op de ontwikkeling van duurzame, innovatieve en hulpbronnenefficiënte oplossingen en nieuwe bedrijfsmodellen (zoals leasingsystemen of systemen waarbij producten als dienst worden geleverd), en op de verbetering van het ontwerp van producten en de prestaties van materialen en processen;

72.  onderstreept het feit dat onderzoek en ontwikkeling van essentieel belang zijn om de overgang naar een circulaire economie in Europa te ondersteunen en het feit dat er met Horizon 2020 moet worden bijgedragen aan projecten op het gebied van onderzoek en innovatie waarmee de economische en ecologische levensvatbaarheid van een circulaire economie kan worden gedemonstreerd en getest op het terrein; benadrukt tegelijkertijd dat deze projecten, door middel van een systemische aanpak, de opstelling kunnen faciliteren van een verordening die innovatiebevorderend is en gemakkelijker ten uitvoer kan worden gelegd, door de identificering van mogelijke onzekerheden op het gebied van de regelgeving, belemmeringen en/of lacunes die de ontwikkeling van op hulpbronnenefficiëntie gebaseerde bedrijfsmodellen kunnen hinderen;

73.  verzoekt de Commissie alle mogelijkheden van de digitale agenda en de informatietechnologie te benutten om de hulpbronnenefficiëntie en de overstap naar een circulaire economie te bevorderen;

74.  wijst erop dat de EU een open economie heeft, met zowel invoer als uitvoer op een mondiale markt; wijst erop dat het probleem van de oprakende hulpbronnen ook op internationaal niveau moet worden aangepakt; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan het werk van het Internationale Panel voor hulpbronnen van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) actief te ondersteunen door kwesties van wereldbelang inzake hulpbronnen te onderzoeken en praktische oplossingen voor beleidsmakers, de industrie en de samenleving te ontwikkelen;

75.  verzoekt de Commissie op internationaal niveau de nodige maatregelen te nemen ter verbetering van de traceerbaarheid van producten;

76.  onderstreept dat verbetering van de energie-efficiëntie de afhankelijkheid van de EU van hulpbronnen alsook de energiearmoede waarmee maar liefst 125 miljoen Europese burgers worden geconfronteerd, kan verminderen; stelt vast dat het nuttig is om energie-efficiëntie, waarvan de verbetering in sterke mate bijdraagt aan de groei van de industrie, het aantal nieuwe banen alsmede het binnen de perken houden van de energierekening van de burgers van de EU, als een afzonderlijke energiebron te beschouwen;

77.  dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken of de bestaande en beoogde wetgeving een belemmering vormt voor de circulaire economie, bestaande innovatieve bedrijfsmodellen of de opkomst van nieuwe bedrijfsmodellen, zoals een lease-economie of een op delen/samenwerking gebaseerde economie, en of er in dit verband sprake is van financiële of institutionele belemmeringen; dringt er bij de Commissie op aan deze wetgeving waar nodig te verbeteren en deze belemmeringen waar nodig aan te pakken; verzoekt de Commissie aanverwante wetgeving tegen het licht te houden met het oog op het verbeteren van de milieuprestaties en de hulpbronnenefficiëntie van producten gedurende hun levenscyclus, het vergroten van de samenhang tussen bestaande instrumenten en het ontwikkelen van een koploperbenadering;

78.  verzoekt de Commissie duidelijkheid te scheppen omtrent bepaalde aspecten van het EU-mededingingsbeleid in verhouding tot de circulaire economie, in het bijzonder de afweging tussen het risico van marktcollusie en de noodzaak van intensievere samenwerking tussen fabrikanten en hun leveranciers;

79.  verzoekt de Commissie verslag uit te brengen aan het Parlement over alle bovengenoemde maatregelen en vóór 2018 volgende stappen voor te stellen;

o
o   o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0584.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0016.
(3).PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 59.
(4) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 21.
(5) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(6) PB C 140 van 28.4.2015, blz. 37.
(7) Het OESO-milieuprogramma, "Voluntary approaches to environmental policy", 2003
(8) Mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld „Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa” (COM(2014)0398).
(9) Werkdocument van de diensten van de Commissie van 2 juli 2014 met een samenvatting van de effectbeoordeling bij het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de richtlijn betreffende afvalstoffen (SWD(2014)0208).
(10) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval, 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen, 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (COM(2014)0397).
(11) Green Budget Europe, 2015, landenspecifieke aanbevelingen ter ondersteuning van het proces van het Europees semester, bladzijde 6, http://www.foes.de/pdf/2015-02-25_CSR%20Recommendations_FINAL.pdf.

Juridische mededeling