Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2697(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0676/2015

Ingediende teksten :

B8-0676/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 09/07/2015 - 12.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0269

Aangenomen teksten
PDF 210kWORD 104k
Donderdag 9 juli 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Europese veiligheidsagenda
P8_TA(2015)0269B8-0676/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de Europese veiligheidsagenda (2015/2697(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6, 7 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 4, 16, 20, 67, 68, 70 t/m 72, 75, 82 t/m 87 en 88 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 6, 7, 8, 10, lid 1, 11, 12, 21, 47 t/m 50, 52 en 53,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Rechten van de Mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 over de Europese veiligheidsagenda (COM(2015)0185),

–  gezien de mededelingen van de Commissie over de strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie (COM(2010)0573) en de operationele richtsnoeren voor het in aanmerking nemen van grondrechten in effectbeoordelingen door de Commissie (SEC(2011)0567),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 8 april 2014 in de gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12 tot nietigverklaring van Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken,

–  gezien Verordening (EU) nr. 513/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing, en tot intrekking van Besluit 2007/125/JBZ van de Raad(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen(2),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(4),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over verlenging van de interneveiligheidsstrategie voor de EU(5),

–  gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over terrorismebestrijdingsmaatregelen(6),

–  gezien zijn debat in de plenaire vergadering van 28 april 2015 over de Europese veiligheidsagenda,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de Europese veiligheidsagenda (O-000064/2015 – B8-0566/2015 en O-000065/2015 – B8-0567/2015),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bedreigingen voor de interne veiligheid van de Unie complexer, asymmetrischer, onconventioneler en internationaler zijn geworden, meerdere vormen aannemen, sneller evolueren, moeilijker te voorspellen zijn en de mogelijkheden van de afzonderlijke lidstaten overstijgen, en daarom meer dan ooit een samenhangende, alomvattende, gelaagde en gecoördineerde respons van de EU vergen waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de eerbiediging van de grondrechten;

B.  overwegende dat de ontwikkeling van het veiligheidsbeleid van de EU een gedeelde verantwoordelijkheid is die een gecoördineerd en op elkaar afgestemd optreden van alle lidstaten, EU-instellingen en agentschappen, het maatschappelijk middenveld en rechtshandhavingsinstanties vergt, gericht is op gemeenschappelijke doelstellingen en gebaseerd is op de rechtsstaat en de eerbiediging van de grondrechten; overwegende dat met het oog op optimale resultaten, de concrete uitvoering van deze gemeenschappelijke doelstellingen en prioriteiten moet worden gecombineerd met een duidelijke verdeling van de taken tussen het EU-niveau en het nationale niveau, op basis van het subsidiariteitsbeginsel en met een uitgebreid en effectief parlementair en juridisch toezicht;

C.  overwegende dat de uitzondering betreffende de nationale veiligheid die is opgenomen in artikel 4, lid 2, van het VEU niet kan worden ingeroepen om nationale veiligheidsdiensten toe te staan de belangen, met inbegrip van economische belangen, van andere lidstaten, de rechten van hun burgers en inwoners, en het recht en het beleid van de Europese Unie en van derde landen in het algemeen te schenden;

D.  overwegende dat aandacht moet worden besteed aan de noodzaak om lessen te trekken uit de vele inbreuken op Europese en universele normen en waarden in het kader van de interne en de externe samenwerking op het gebied van veiligheid na "11 september";

E.  overwegende dat vrijheid, veiligheid en recht doelstellingen zijn die parallel aan elkaar moeten worden nagestreefd; overwegende dat, om vrijheid en recht te bewerkstelligen, veiligheidsmaatregelen dan ook altijd de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten moeten eerbiedigen overeenkomstig de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, en moeten worden onderworpen aan een passende democratische controle en verantwoordingsplicht; overwegende dat de rechtsdimensie en het preventieaspect onvoldoende zijn uitgewerkt in de Europese veiligheidsagenda;

F.  overwegende dat een aantal van de diepere oorzaken van criminaliteit, zoals toenemende ongelijkheid, armoede, racistisch en xenofoob geweld en haatmisdrijven, niet kunnen worden aangepakt door middel van veiligheidsmaatregelen alleen, maar moeten worden benaderd vanuit een ruimere beleidscontext, met inbegrip van een verbeterd sociaal, werkgelegenheids-, onderwijs-, cultureel en extern beleid;

G.  overwegende dat het preventieve aspect van de Europese veiligheidsagenda uitermate belangrijk is in tijden van toenemende economische en sociale ongelijkheid die afbreuk doet aan het sociaal pact en aan de doelmatigheid van de grondrechten en openbare vrijheden; overwegende dat alternatieve maatregelen voor een gevangenisstraf enerzijds en re-integratiemaatregelen anderzijds, met name voor kleine misdrijven, een belangrijk element moeten zijn van een dergelijk preventiebeleid;

H.  overwegende dat, na het verstrijken van de overgangsperiode als bedoeld in Protocol nr. 36 bij de Verdragen, de Commissie en het Europees Hof van Justitie de volledige bevoegdheid hebben gekregen met betrekking tot de rechtsinstrumenten uit de voormalige derde pijler, waardoor de verantwoordingsplicht ten aanzien van democratische en grondrechten is uitgebreid tot maatregelen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

I.  overwegende dat cybercriminaliteit en door internet gefaciliteerde criminaliteit de veiligheid van de EU-burgers, de interne markt en de intellectuele eigendom en de welvaart van de Europese Unie aantasten; overwegende dat bijvoorbeeld "botnets" als vorm van cybercriminaliteit gevolgen hebben voor miljoenen computers en duizenden doelwitten tegelijkertijd;

J.  overwegende dat de grenzen tussen interne en externe veiligheid steeds verder vervagen, wat nauwere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten noodzakelijk maakt en moet resulteren in een omvattende en multidimensionele aanpak;

K.  overwegende dat speciale aandacht moet worden besteed aan het ondersteunen en beschermen van alle slachtoffers van terrorisme en criminaliteit in de hele EU, als belangrijk onderdeel van de veiligheidsagenda;

1.  neemt kennis van de Europese veiligheidsagenda voor de periode 2015-2020 zoals voorgesteld door de Commissie, alsmede de daarin omschreven prioriteiten; is van mening dat, gezien de uitdagingen waarmee de Europese Unie momenteel kampt, terrorisme, gewelddadig extremisme, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en cybercriminaliteit de ernstigste bedreigingen zijn die een gecoördineerd optreden op nationaal, Europees en mondiaal niveau vergen; wijst erop dat de agenda een flexibele structuur moet hebben om te kunnen inspelen op nieuwe uitdagingen die zich in de toekomst kunnen voordoen;

2.  herhaalt dat de diepere oorzaken van criminaliteit, met inbegrip van ongelijkheid, armoede en discriminatie, verder moeten worden aangepakt; benadrukt verder dat moet worden voorzien in passende middelen voor maatschappelijk werkers, lokale en nationale politieagenten en rechters, die hun begroting in sommige lidstaten gekortwiekt zien;

3.  verlangt dat er gestreefd wordt naar een goed evenwicht tussen preventiebeleid en repressiemaatregelen, opdat vrijheid, veiligheid en recht behouden blijven; benadrukt dat veiligheidsmaatregelen altijd moeten worden nagestreefd overeenkomstig de beginselen van de rechtsstaat en de bescherming van de grondrechten, zoals het recht op privacy en gegevensbescherming, vrijheid van meningsuiting en van vergadering en een eerlijk proces; verzoekt de Commissie bijgevolg om bij de uitvoering van de Europese veiligheidsagenda naar behoren rekening te houden met de recente uitspraak van het Hof van Justitie over de gegevensbewaringsrichtlijn (arrest in de gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12), die inhoudt dat alle instrumenten in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van evenredigheid, noodzakelijkheid en wettigheid en passende garanties inzake verantwoording en gerechtelijk beroep moeten bevatten; dringt er bij de Commissie op aan ten volle rekening te houden met de gevolgen van dit arrest voor alle instrumenten waarbij sprake is van de bewaring van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden;

4.  herinnert eraan dat, indien de Europese Unie op geloofwaardige wijze de grondrechten zowel intern als extern wil bevorderen, zij haar veiligheidsbeleid, de strijd tegen terrorisme en de strijd tegen de georganiseerde misdaad, alsook de partnerschappen met derde landen op het gebied van veiligheid moet baseren op een geïntegreerde aanpak waarbij alle factoren die mensen tot terrorisme of georganiseerde misdaad aanzetten in aanmerking worden genomen, en zo moet komen tot de integratie van economische en sociale beleidsmaatregelen die worden ontwikkeld en uitgevoerd met volledige eerbiediging van de grondrechten en onderworpen zijn aan rechterlijke en democratische controle en grondige beoordelingen;

5.  is ingenomen met de keuze van de Commissie om de agenda te baseren op de beginselen van volledige eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten die moeten worden gewaarborgd door een passend rechterlijk toezicht, van meer transparantie, verantwoording en democratische controle, van een betere toepassing en uitvoering van bestaande wettelijke instrumenten, van een betere samenwerking tussen de agentschappen en een meer overkoepelende en sectoroverschrijdende benadering, en van meer samenhang tussen de interne en de externe dimensie van veiligheid; verzoekt de Commissie en de Raad om zich bij de uitvoering van de agenda strikt aan deze beginselen te houden; wijst erop dat het Parlement deze beginselen bij het toezicht op de uitvoering van de agenda centraal zal plaatsen;

6.  is ingenomen met de bijzondere aandacht die in de agenda naar de grondrechten uitgaat, met name met de toezegging van de Commissie om elke veiligheidsmaatregel die zij voorstelt streng te beoordelen, niet alleen in welke mate de maatregel zijn doelstellingen verwezenlijkt, maar ook in hoeverre hij de grondrechten eerbiedigt; benadrukt dat de Commissie alle relevante organen en agentschappen bij haar beoordeling moet betrekken, in het bijzonder het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, Europol en Eurojust; verzoekt de Commissie om alle informatie en documentatie over deze beoordeling, zodat het Parlement zijn democratisch toezicht op doeltreffende wijze kan uitvoeren;

7.  wijst in dit verband op zijn veroordeling van maatregelen die de grootschalige, stelselmatige, allesomvattende verzameling van persoonsgegevens van onschuldige mensen inhouden, met name in het licht van de mogelijk ernstige gevolgen voor de rechten inzake een eerlijk proces, non-discriminatie, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, de persvrijheid, de vrijheid van denken en de vrijheid van meningsuiting, en de vrijheid van vergadering en vereniging, en die tevens een aanzienlijk potentieel inhouden om de verzamelde informatie tegen politieke tegenstanders te misbruiken; uit zijn ernstige twijfels over het nut van grootschalige toezichtsmaatregelen omdat zij het net vaak te ruim uitspreiden en zo te veel valse positieve en negatieve resultaten genereren; waarschuwt voor het gevaar van grootschalige toezichtsmaatregelen die het feit verdoezelen dat moet worden geïnvesteerd in wellicht goedkopere, efficiëntere en minder ingrijpende rechtshandhavingsmaatregelen;

8.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat het beginsel van het belang van het kind wordt geëerbiedigd in alle wetgeving met betrekking tot veiligheid;

9.  merkt op dat de EU niet over een algemeen aanvaarde definitie van "nationale veiligheid" beschikt, waardoor in de rechtsinstrumenten van de EU een schemerzone ontstaat met verwijzingen naar "nationale veiligheid";

10.  is van mening dat, om ertoe te komen dat de burgers meer vertrouwen hebben in het veiligheidsbeleid, de instellingen en agentschappen van de EU en de lidstaten moeten zorgen voor transparantie, verantwoording en democratische controle in het proces van beleidsontwikkeling en -uitvoering; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om het Parlement en de Raad regelmatig actuele informatie over de uitvoering van de agenda te verstrekken; herhaalt zijn voornemen om in samenwerking met de nationale parlementen regelmatig controles te organiseren naar de goede uitvoering en de voortgang van de agenda; neemt met belangstelling kennis van het voorstel van de Commissie om een raadgevend EU-forum voor interne veiligheid in te stellen; benadrukt dat dit forum moet zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van alle belanghebbenden en ziet uit naar meer gedetailleerde informatie, met name over de juiste rol, taken, samenstelling en bevoegdheden en de betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen;

11.  benadrukt dat het democratische en gerechtelijke toezicht op de inlichtingendiensten van de lidstaten moet worden verbeterd; merkt op dat het Parlement, het Hof van Justitie en de Ombudsman niet over voldoende bevoegdheden beschikken om een doeltreffende controle van het Europees veiligheidsbeleid uit te voeren;

12.  verzoekt de Commissie en de Raad zo spoedig mogelijk een stappenplan – of een gelijkaardig mechanisme – in te voeren om te zorgen voor de effectieve operationele uitvoering van de agenda, dit voor te leggen aan het Parlement en binnen de komende zes maanden met de uitvoering te beginnen; is van mening dat een benadering van het type "EU-beleidscyclus" (met identificatie en beoordeling van gemeenschappelijke bedreigingen en zwakke plekken, beleidsprioriteiten en ontwikkeling van strategische en operationele plannen, een doeltreffende uitvoering met duidelijke aansturing, tijdschema's en concrete resultaten, en evaluatie) kan zorgen voor de nodige samenhang en continuïteit bij de uitvoering van de agenda, op voorwaarde dat het Parlement naar behoren wordt betrokken bij het uitstippelen van de beleidsprioriteiten en de strategische doelstellingen; ziet ernaar uit deze kwesties verder te bespreken met de Commissie en het Permanent Comité operationele samenwerking op het gebied van de binnenlandse veiligheid (COSI);

13.  is ingenomen met het onderliggende beginsel van de agenda om de bestaande instrumenten op het gebied van veiligheid volledig toe te passen en uit te voeren alvorens er nieuwe voor te stellen; wijst opnieuw op de noodzaak van een snellere en doeltreffendere uitwisseling van relevante gegevens en informatie, met passende waarborgen inzake gegevensbescherming en privacy; betreurt evenwel dat, ondanks herhaalde oproepen van het Parlement, een evaluatie van de doeltreffendheid van de bestaande EU-instrumenten – ook in het licht van nieuwe bedreigingen voor de veiligheid van de EU – en van de resterende lacunes, nog steeds ontbreekt; is van mening dat een dergelijke oefening noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het Europese veiligheidsbeleid efficiënt, nodig, evenredig, samenhangend en alomvattend is; verzoekt de Commissie deze operationele evaluatie van de bestaande instrumenten, middelen en financiering van de EU op het gebied van interne veiligheid als een prioritaire maatregel op te nemen in het stappenplan voor de uitvoering van de agenda; herhaalt zijn oproepen aan de Raad en de Commissie om een omvattende evaluatie te maken van de maatregelen die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op het gebied van interne veiligheid zijn genomen, en daarbij gebruik te maken van de procedure waarin artikel 70 VWEU voorziet;

14.  verwelkomt de extra aandacht van de Commissie voor grensbeheer als essentieel aspect bij het tegengaan van grensoverschrijdende criminaliteit en internationaal terrorisme; benadrukt dat de veiligheid aan de EU-grenzen versterkt moet worden door middel van systematische controles aan de hand van databanken als het SIS; verwelkomt de toezegging van de Commissie om haar herziene voorstel over slimme grenzen begin 2016 te zullen presenteren;

15.  steunt de oproep van de Commissie voor betere samenwerking tussen de agentschappen en een meer overkoepelende en sectoroverschrijdende benadering, alsook de voorgestelde maatregelen om de uitwisseling van informatie en goede praktijken te verbeteren en om de operationele samenwerking tussen de lidstaten en de agentschappen van de EU uit te breiden; herhaalt zijn oproep om meer gebruik te maken van de bestaande instrumenten en databanken zoals SIS en ECRIS, en van gezamenlijke onderzoeksteams; verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te nemen om de in behandeling zijnde werkregelingen tussen agentschappen sneller af te ronden; betreurt dat er in de agenda te weinig concrete maatregelen zijn opgenomen om de rechtsdimensie ervan te versterken; pleit voor de integratie en verdere ontwikkeling van alle aspecten van de justitiële samenwerking in strafzaken, onder meer door versterking van de rechten van verdachten en beklaagden, slachtoffers en getuigen en door een betere uitvoering van de bestaande EU-instrumenten voor wederzijdse erkenning;

16.  spreekt zijn volledige steun uit voor de prioriteit van de Commissie om lidstaten te helpen bij de verdere ontwikkeling van wederzijds vertrouwen, volledig gebruik te maken van bestaande instrumenten voor het delen van informatie, en grensoverschrijdende operationele samenwerking tussen bevoegde autoriteiten aan te moedigen; benadrukt het belang van dergelijke grensoverschrijdende samenwerking, met name in grensregio's;

17.  verzoekt de Commissie spoedig een voorstel in te dienen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II)(7), teneinde de waarschuwingscriteria te harmoniseren en het verplicht te stellen om waarschuwingen af te geven over personen die veroordeeld zijn wegens of verdacht worden van terroristische daden;

18.  is ingenomen met de door de Commissie aangekondigde beoordeling van de noodzaak en de mogelijke toegevoegde waarde van een Europees Indexsysteem van politiegegevens (EPRIS) om de grensoverschrijdende toegang tot informatie in nationale politiebestanden te vergemakkelijken, en steunt ten volle de geplande lancering van een proefproject door een groep lidstaten om mechanismen op te zetten voor geautomatiseerde grensoverschrijdende opzoekingen in nationale registers op basis van "treffer/"geen treffer"; benadrukt het belang van grensoverschrijdende toegang tot informatie, met name in grensregio's;

19.  benadrukt het belang van gezamenlijke onderzoeksteams (GOT's) om onderzoek te doen naar specifieke gevallen van grensoverschrijdende aard en verzoekt de lidstaten dit succesvolle instrument regelmatiger te gebruiken; verzoekt de Commissie voorstellen te ontwikkelen voor een rechtskader dat de oprichting van permanente of semipermanente GOT's mogelijk maakt om aanhoudende dreigingen zoals drugshandel, mensenhandel en motorbendes aan te pakken, met name in grensregio's;

20.  betreurt dat instrumenten als het bevriezen en in beslag nemen van criminele tegoeden nog niet systematisch in alle daarvoor in aanmerking komende grensoverschrijdende zaken worden ingezet, en roept de lidstaten en de Commissie op om op dit terrein actiever te zijn;

21.  benadrukt dat er een kloof bestaat inzake democratisch en gerechtelijk toezicht bij grensoverschrijdende samenwerking tussen nationale inlichtingendiensten; uit zijn bezorgdheid over het feit dat democratisch en gerechtelijk toezicht ernstig wordt belemmerd door de wettelijke regeling inzake de toegang tot documenten door derden;

22.  merkt op dat de grenzen tussen externe veiligheid en interne veiligheid steeds verder vervagen en is dan ook ingenomen met de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat de interne en de externe dimensie van het veiligheidsbeleid een echte tandem vormen; roept de Commissie en de lidstaten op om de impact van de agenda op de externeveiligheidsstrategie van de EU, en vice versa, regelmatig te beoordelen, onder meer de verplichtingen betreffende de eerbiediging en bevordering van de fundamentele vrijheden, de grondrechten en de democratische waarden en beginselen zoals deze zijn vastgelegd in de internationale verdragen en overeenkomsten die zij hebben geratificeerd of ondertekend; onderstreept de noodzaak van een verdere versterking van de banden, synergieën en samenhang tussen beide elementen, met name met betrekking tot de nieuwe, horizontale en heterogene bedreigingen waarmee Europa wordt geconfronteerd, en met inachtneming van de waarden van de Unie en de grondrechten; verzoekt de Commissie regelmatig aan het Parlement verslag uit te brengen over alle verdere stappen die gericht zijn op het ontwikkelen van het verband tussen de interne en de externe dimensie van het veiligheidsbeleid en de samenwerking met derde landen op het gebied van veiligheid, opdat het Parlement samen met de nationale parlementen zijn recht van democratische controle kan uitoefenen;

23.  benadrukt het belang en de noodzaak van de huidige strategische evalutie door de vv/hv, aan haar toevertrouwd door de Europese Raad van december 2013, die moet leiden tot de goedkeuring van een nieuwe Europese veiligheidsstrategie; in een brede Europese strategie inzake vraagstukken op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid zouden de belangen, prioriteiten en doelstellingen, bestaande en nieuwe dreigingen, uitdagingen en kansen van en voor de EU in kaart kunnen worden gebracht en nader kunnen worden omschreven; dat geldt evenzeer voor de EU-instrumenten en de middelen om aan dit alles gevolg te geven;

24.  dringt aan op zeer krachtige mensenrechtenclausules in samenwerkingsovereenkomsten met derde landen, met name die in Noord-Afrika en de Golfregio, met betrekking tot samenwerking op het gebied van veiligheid; dringt erop aan de samenwerking met ondemocratische landen met een slechte score op gebied van mensenrechten opnieuw te bekijken;

25.  benadrukt dat het van cruciaal belang is de diepere oorzaken van gewapende conflicten, extremisme en armoede in derde landen te bestrijden, aangezien deze de veiligheid van de EU kunnen bedreigen; dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de Commissie en de lidstaten op aan hun inspanningen op te voeren ter bevordering van inclusieve, pluralistische en goed functionerende staten met een sterk en duurzaam maatschappelijk middenveld, die kunnen instaan voor vrijheid, veiligheid, recht en werkgelegenheid voor hun burgers;

26.  dringt er bij de VV/HV op aan een ontwerp van een gemeenschappelijk standpunt over het gebruik van gewapende drones voor te stellen, in overeenstemming met de resolutie van het Parlement van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(8);

27.  steunt de dringende oproep van de Commissie om de werkzaamheden voor de goedkeuring van de richtlijn betreffende een EU-systeem voor persoonsgegevens van passagiers (PNR) af te ronden; herhaalt zijn toezegging om te streven naar de voltooiing ervan tegen het eind van het jaar; benadrukt dat de PNR-richtlijn de grondrechten en de normen inzake gegevensbescherming moet eerbiedigen, met inbegrip van de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie, en tegelijkertijd een efficiënt instrument op EU-niveau moet aanreiken; verzoekt de Commissie dit proces te blijven steunen door alle relevante aanvullende elementen te verstrekken die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de EU-PNR-richtlijn evenredig is; dringt erop aan dat elk toekomstig voorstel tot vaststelling van nieuwe instrumenten op het gebied van veiligheid, zoals PNR, stelselmatig mechanismen bevat voor de uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de lidstaten;

28.  is het met de Commissie eens wat betreft het cruciale belang van ondersteunende acties in verband met opleiding, onderzoek en innovatie, en het belangrijke werk dat de Europese Politieacademie CEPOL op dit terrein verricht; is van mening dat opleidings- en uitwisselingsprogramma's voor rechtshandhavingsambtenaren van groot belang zijn om een Europese rechtshandhavingscultuur en goede praktijken op dit gebied verder te stimuleren; is van mening dat meer moet worden geïnvesteerd in onderzoek en innovatie op het gebied van veiligheid, met inbegrip van preventie;

29.  wijst erop dat de snel veranderende veiligheidssituatie een flexibele, adaptieve en reactieve aanpak vergt, alsook de ontwikkeling van technisch vermogen en de regelmatige evaluatie van de prioritaire acties die in de agenda zijn opgenomen; wijst er in dit verband op dat gebruik kan worden gemaakt van artikel 222 VWEU, dat bepaalt dat de Europese Raad regelmatig de dreigingen voor de Unie moet beoordelen, onder meer door voort te bouwen op bestaande dreigingsevaluaties van de lidstaten en Europol, en het Europees Parlement en de nationale parlementen op de hoogte moet stellen van de resultaten en follow-up ervan;

Terrorisme

30.  is ingenomen met de maatregelen waarin de agenda voorziet om terrorisme te bestrijden, de financiering van terrorisme aan te pakken, de dreiging tegen te gaan dat EU-burgers en ingezetenen naar het buitenland reizen met het oog op terrorisme ("buitenlandse strijders"), en radicalisering te voorkomen; neemt kennis van de voorgestelde nieuwe structuur van het op te richten Europees centrum voor terrorismebestrijding binnen Europol en verzoekt de Commissie meer duidelijkheid te verschaffen over de precieze rol, taken, bevoegdheden en toezicht, met name om te kunnen zorgen voor gedegen democratisch en gerechtelijk toezicht op de passende niveaus, onder meer in het kader van de huidige herziening van het mandaat van Europol; benadrukt dat meer uitwisseling van informatie tussen lidstaten van cruciaal belang is in de strijd tegen terrorisme en dat dit op een meer structurele basis moet gebeuren;

31.  veroordeelt elke analyse die kan leiden tot verwarring tussen terrorisme, onveiligheid, de islam en migranten;

32.  herinnert tegen de achtergrond van de recente terroristische aanslagen in Brussel, Parijs, Kopenhagen en Saint-Quentin-Fallavier aan het feit dat de EU de bedreiging voor de veiligheid in de EU dringend beter moet analyseren en zich moet richten op onmiddellijke prioriteiten voor de bestrijding van terrorisme: versterking van de veiligheid aan de EU-grenzen, de mogelijkheden voor melding van internetuitingen verbeteren, bestrijding van de illegale handel in vuurwapens en de uitwisseling van informatie en de operationele samenwerking tussen nationale rechtshandhavingsinstanties en inlichtingendiensten verbeteren;

33.  herinnert eraan dat het van cruciaal belang is de financiële stromen, waaronder financiële stromen buiten SWIFT om, op te sporen en te onderbreken bij de bestrijding van terroristische netwerken en georganiseerde criminele groeperingen; verwelkomt de inspanningen die zijn verricht om een eerlijke en evenwichtige deelname aan het Terrorist Finance Tracking Program (TFTP) te waarborgen;

34.  benadrukt dat de bedreiging van terrorisme van eigen bodem in de EU een gevaarlijk nieuw niveau heeft bereikt sinds moslimfundamentalisten in Syrië en Irak land hebben veroverd en een wereldwijde propagandacampagne zijn begonnen om hun krachten te bundelen met jihadisten en aanvallen uit te voeren binnen de EU;

35.  benadrukt dat de bedreiging die van buitenlandse strijders en terrorisme in het algemeen uitgaat een gelaagde aanpak vereist waarbij uitgebreid aandacht moet worden besteed aan onderliggende factoren zoals radicalisering, aan de ontwikkeling van sociale cohesie en inclusiviteit en het vergemakkelijken van herintegratie door de bevordering van politieke en religieuze tolerantie, het analyseren en tegengaan van het online aanzetten tot het verrichten van terroristische handelingen, het voorkomen van afreizen om zich bij terroristische groeperingen aan te sluiten, het voorkomen en indammen van ronseling voor en deelname aan gewapende conflicten, het verhinderen van financiële steun voor terroristische organisaties en personen die zich daarbij willen aansluiten, het waar nodig waarborgen van vastberaden rechtsvervolging en het voorzien in de nodige instrumenten voor rechtshandhavingsinstanties om hun taak te vervullen, met volledige eerbiediging van de grondrechten;

36.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten een echte strategie inzake Europese strijders te ontwikkelen – wat momenteel ontbreekt in de veiligheidsagenda – en met name ten aanzien van degenen die terugkeren uit conflictgebieden, uit de terroristische organisaties willen stappen die hen hadden gerekruteerd, en zich bereid tonen tot herintegratie in de samenleving; is van mening dat speciale aandacht moet uitgaan naar de situatie van jonge Europese strijders;

37.  herhaalt zijn voornemen ervoor zorgen dat er via openbaar en transparant onderzoek verantwoording wordt afgelegd voor ernstige schendingen van grondrechten onder het mom van de strijd tegen terrorisme, in het bijzonder in de context van het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA; dringt aan op de bescherming van personen die dergelijke schendingen aan het licht brengen, zoals journalisten en klokkenluiders;

Radicalisering

38.  is het erover eens dat het voorkomen van radicalisering een prioriteit moet zijn voor de EU; betreurt dat de agenda geen concretere maatregelen bevat om radicalisering in Europa aan te pakken, en dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk en alomvattend op te treden om de maatregelen te versterken die tot doel hebben radicalisering, gewelddadig extremisme en de verspreiding van extremistische ideologieën te voorkomen en integratie en inclusiviteit te bevorderen; dringt er bij de Commissie op aan het EU-netwerk voor voorlichting over radicalisering (RAN) te versterken, dat bestaat uit alle relevante actoren die betrokken zijn bij initiatieven om radicalisering op lokaal niveau te bestrijden, en duidelijkheid te scheppen omtrent het mandaat, de taken en het toepassingsgebied van het nieuw voorgestelde RAN-kenniscentrum; beveelt aan dat die structuur ook lokale en nationale besluitvormers bevat, teneinde de praktische uitvoering van de aanbevelingen van deskundigen en belanghebbenden te waarborgen; dringt aan op krachtigere maatregelen om het hoofd te bieden aan radicalisering via het internet alsook aan het op grote schaal gebruik maken van websites of sociale media om radicale ideologieën in Europa te verspreiden; verwelkomt de oprichting van een eenheid voor melding van internetuitingen bij Europol, om de lidstaten te ondersteunen bij het opsporen en verwijderen van gewelddadige extremistische online inhoud, in samenwerking met de sector, en roept de Commissie op de nodige bijkomende middelen te leveren voor het functioneren van die eenheid; betreurt het ontbreken van concrete maatregelen ter versterking van de rol van het internet als bewustmakingsmiddel tegen radicalisering, en met name voor de verspreiding online van proactieve tegenverhalen voor terroristische propaganda;

39.  wijst erop dat een succesvol veiligheidsbeleid de onderliggende oorzaken van extremisme, zoals radicalisering, intolerantie en discriminatie moet aanpakken door politieke en religieuze verdraagzaamheid te bevorderen, sociale cohesie en inclusiviteit te ontwikkelen en herintegratie te vergemakkelijken;

40.  is van mening dat met de financiële en operationele ondersteuning van de Commissie uitgebreid onderzoek en concrete maatregelen moeten worden ontwikkeld, teneinde via doeltreffende communicatiekanalen met alle Europese burgers onze gemeenschappelijke waarden van verdraagzaamheid, pluralisme, eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting en geweten, en onze grondrechten in het algemeen te bevorderen en te delen; is van oordeel dat de agenda tevens moet benadrukken dat moet worden gestreden tegen misvattingen over religies, met name de islam, die als zodanig geen rol spelen bij radicalisering en terrorisme;

41.  uit zijn bezorgdheid over de recente toename van gevallen van haatmisdrijven, ook online, jegens Europese burgers; verzoekt de lidstaten hun burgers te beschermen tegen toekomstige aanslagen, en het aanzetten tot haat en onverdraagzaamheid op grond van afkomst, godsdienst of overtuiging te voorkomen, onder meer via educatieve activiteiten die gericht zijn op jongeren en via de bevordering van een inclusieve dialoog;

Georganiseerde misdaad

42.  is het erover eens dat mensenhandel een fenomeen is dat efficiënter moet worden aangepakt op Europees niveau; is evenwel sterk gekant tegen ieder verband tussen illegale migratie en terrorisme; wijst erop dat het gebrek aan legale kanalen om in de EU bescherming te zoeken een constante vraag naar illegale kanalen genereert en zo kwetsbare migranten in gevaar brengt die internationale bescherming nodig hebben;

43.  benadrukt de grote rol van de georganiseerde misdaad op het gebied van mensenhandel; vestigt de aandacht op de extreme vormen van geweld en brutaliteit gepleegd door criminelen op deze bijzonder kwetsbare groep; is ingenomen met het bestaande kader en stemt in met de vaststelling van een strategie voor de periode na 2016, waar Europol en Eurojust gezien hun specifieke kennis op dit terrein bij betrokken moeten worden;

44.  erkent dat de strijd tegen de georganiseerde misdaad een krachtig Europees optreden vergt; steunt de Commissie in haar vastberadenheid om dit probleem aan te pakken; verzoekt de Commissie met name te zorgen voor nauwe samenwerking om de mensensmokkel aan te pakken, alsook voor samenwerking met derde landen om de smokkel van migranten te voorkomen en zo nieuwe tragedies in de Middellandse Zee te vermijden;

45.  wijst erop dat meer aandacht moet worden besteed aan ontwikkelingen inzake de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad op het gebied van wapensmokkel, mensenhandel en de productie en verkoop van illegale drugs; stelt met tevredenheid vast dat de agenda het dynamische karakter van de drugsproblematiek erkent, en met name de band met de georganiseerde misdaad en de evoluerende dreiging van de marktinnovatie bij de productie en verkoop van zowel nieuwe als bestaande drugs; benadrukt dat het voorgestelde pakket inzake nieuwe psychoactieve stoffen dringend moet worden goedgekeurd en dringt er bij de Raad op aan hier werk van te maken;

46.  is van mening dat, naast EU-instrumenten ter bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme, een Europese veiligheidsagenda mechanismen moet bevatten voor de bescherming van slachtoffers van deze ernstige vormen van criminaliteit, om verder slachtofferschap te voorkomen; wijst erop dat de bescherming van slachtoffers beschouwd moet worden als een belangrijk instrument ter bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme, omdat het de plegers een duidelijk signaal geeft dat de samenleving zich niet bij geweld neerlegt en zich te allen tijde sterk maakt voor het beschermen van slachtoffers en hun waardigheid;

Cybercriminaliteit

47.  benadrukt dat terroristische organisaties en georganiseerde criminele groepen steeds vaker gebruik maken van de cyberspace om alle vormen van criminaliteit te bevorderen, en dat cybercriminaliteit en door internet gefaciliteerde criminaliteit een ernstige bedreiging vormen voor de burgers van de EU en de economie van de EU; merkt op dat cybercriminaliteit een nieuwe aanpak vergt op het gebied van de rechtshandhaving en justitiële samenwerking in het digitale tijdperk; wijst erop dat nieuwe technologische ontwikkelingen de impact van cybercriminaliteit in omvang en snelheid doen toenemen, en verzoekt de Commissie daarom een grondige analyse uit te voeren van de bevoegdheden van wetshandhavings- en gerechtelijke instanties en van hun juridische en technische mogelijkheden, zowel online als offline, opdat zij de cybercriminaliteit daadwerkelijk kunnen bestrijden, maar benadrukt hierbij dat alle handhavingsmaatregelen de grondrechten strikt moeten eerbiedigen, noodzakelijk en evenredig moeten zijn en in overeenstemming moeten zijn met de Europese en nationale wetgeving; dringt er met name bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat het recht op gebruik van versleuteling in de gehele Europese Unie intact blijft en dat het onderscheppen van communicatie in het kader van een politie-onderzoek of gerechtelijke procedure altijd mogelijk blijft met de passende justitiële toestemming, maar dat de lidstaten geen maatregelen toepassen om het recht van personen om gebruik te maken van versleuteling te beperken; verzoekt de Commissie de eenheid voor melding van internetuitingen bij Europol de extra middelen te geven die nodig zijn voor haar werking in plaats van over te gaan tot een interne herverdeling van posten, onder meer met personeel van het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3), dat over voldoende personeel moet kunnen blijven beschikken;

48.  onderstreept het cruciale belang van onderzoek en innovatie zodat de EU kan blijven inspelen op de veranderende veiligheidsbehoeften; wijst op het belang van een concurrentiële Europese veiligheidsindustrie die moet bijdragen aan de autonomie van de EU op het gebied van veiligheid; herhaalt zijn verzoek om meer autonomie op het gebied van IT-veiligheid in de EU, en herhaalt dat moet worden overwogen veiligheidsvoorzieningen en -diensten voor kritieke infrastructuur en openbare diensten in de EU zelf te vervaardigen;

49.  verzoekt de Commissie een passende bewustmakings- en paraatheidscampagne te starten inzake de gevaren van ernstige cybercriminaliteit, om de weerbaarheid tegen cyberaanvallen te versterken;

50.  verwelkomt de door EC3 verrichte werkzaamheden ter bestrijding van ernstige transnationale cybercriminaliteit en door internet gefaciliteerde criminaliteit; benadrukt de belangrijke rol die EC3 speelt door de lidstaten te ondersteunen, in het bijzonder bij de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen; wijst nogmaals op de aankondigingen van de Commissie dat zij EC3 zal voorzien van de nodige deskundigen en financiële middelen om Europese samenwerking te stimuleren op gebieden waar sinds de oprichting van EC3 in 2013 geen aandacht aan is besteed;

51.  verzoekt de Commissie een omvattende evaluatie uit te voeren van de bestaande maatregelen ter bestrijding van online seksuele uitbuiting van kinderen en te beoordelen of verdere wetgevingsinstrumenten nodig zijn, en na te gaan of Europol over voldoende expertise, middelen en personeel beschikt om deze afschuwelijke vorm van criminaliteit aan te pakken;

Financiering

52.  betreurt dat de Commissie in de ontwerpbegroting voor 2016 voorziet in een verhoging van de begroting van Europol met slechts ongeveer 1,5 miljoen EUR, wat niet volstaat voor de in de agenda geplande oprichting van een Europees centrum voor terrorismebestrijding en een eenheid voor melding van internetuitingen;

53.  verwelkomt de verklaring die de eerste vicevoorzitter van de Commissie, Frans Timmermans, uitsprak in het Europees Parlement en waarin hij zei dat de Commissie de beschikbare financiële middelen zal afstemmen op de prioriteiten van de veiligheidsagenda; benadrukt in dit verband eens te meer dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de relevante EU-agentschappen worden voorzien van passende menselijke en financiële middelen om hun huidige en toekomstige taken in het kader van de veiligheidsagenda te kunnen uitvoeren; is van plan de uitvoering en de toekomstige behoeften van het Fonds voor interne veiligheid uitgebreid te onderzoeken en te evalueren op EU- en nationaal niveau;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 150 van 20.5.2014, blz. 93.
(2) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 45.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0102.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0032.
(7) PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4.
(8) P7_TA(2014)0172.

Juridische mededeling